Amsterdam

Amsterdam | ca. 1967 | gemengde techniek op papier | 97 x 216 cm | Museum of Everything, Londen

Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 kregen vijf tekeningen in de catalogus de titel “Amsterdam”. Drie keer betrof het impressies van het afscheid van de (Noord-Hollandse) Blauwe Tram, twee keer een stadsgezicht met in de verte het centraal station. Amsterdam lijkt een grote aantrekkingskracht op de Hagenaar Van Genk te hebben uitgeoefend, gezien de hoeveelheid werken die hij aan de stad wijdde. Opvallend vaak maakt het centraal station deel uit van de voorstelling, geheel of gedeeltelijk. Zo bezit Stichting Collectie De Stadshof onder meer de collage Centraal Station Amsterdam en Stichting Willem van Genk Drieluik Amsterdam en een historisch gezicht op het station vanaf de linkerkant, met op de voorgrond een haventafereel. [1] Een tekening getiteld Amsterdam Centraal Station, afgebeeld in Een getekende wereld (1998) en daar gedateerd ‘ca. 1959’, verdween begin deze eeuw uit zicht en was tot voor kort in handen van een Amerikaanse collectioneur die er in 2019 € 125.000,- voor vroeg. [2]

Net als in het geval van Den Haag verwerkte Van Genk een groot aantal vroege tekeningen van Amsterdam in een collage. Werd dit voor Den Haag Bouwend ’s Gravenhage (naar een prominente, centraal geplaatste test), voor Amsterdam was het resultaat Amsterdam (idem). Opnieuw werden de tekeningen soms verknipt of op een andere manier bewerkt. Een poging tot datering brengt de inmiddels bekende problemen met zich mee: de oorspronkelijke tekeningen stammen grofweg uit de periode 1945-1960, de collage als zodanig zal in de tweede helft van de jaren zestig zijn ontstaan. Nico Van der Endt dateert het werk ‘ca. 1950-1975’, maar dat laatste jaartal lijkt te laat. [3]

Amsterdam heeft een oppervlakte van iets meer dan twee vierkante meter waarop zo’n zestig afbeeldingen te zien zijn die sterk variëren in omvang. Ook in die opzichten is de collage daarmee te vergelijken met Bouwend ’s Gravenhage. Wel lijkt dat laatste werk iets evenwichtiger opgebouwd, door de plaatsing van de tekeningen maar ook door een zekere herhaling van bepaalde afbeeldingen (Binnenhof, Vredespaleis, Stadhuis). Het procedé om fragmenten van gebruikte tekeningen elders in het werk te plaatsen, ontbreekt in Amsterdam. Anders dan in Bouwend ’s Gravenhage zijn daarentegen in Amsterdam de verschillende onderdelen van de collage steeds rood of oranje omrand en is een aantal kleinere fragmenten monochroom in rood uitgevoerd. [4] Het is mogelijk dat deze rode fragmenten alle afkomstig zijn uit één grote tekening, maar hiervoor zijn geen verdere aanwijzingen – afgezien van twee fragmenten linksonder die aan elkaar passen.

Meest opvallend in het rechterdeel van Amsterdam is een grote tekening aan de onderkant, waarop afgebeeld een bocht in de Amstel ter hoogte van het Martin Luther Kingpark, voorheen het Amstelpark. Beperken we ons tot de grotere tekeningen in dit rechterdeel, dan zien we in de strook boven de Amsteltekening van links naar rechts het voormalige Weesperpoortstation, de Haarlemmerpoort en de omgeving van het Muntplein. Daar weer boven zijn afgebeeld het Amstelhotel, de Sint-Nicolaaskerk, het centraal station (achter- en voorzijde) en de toren van de Oude Kerk. Helemaal rechts zijn van boven naar beneden te zien de Oudezijdsvoorburgwal vanaf de Armbrug, de Zuiderkerk vanaf Staalmeestersbrug en de hoek van de Dam met de Nieuwendijk.

De Haarlemmerpoort in Amsterdam – links: detail Amsterdam; rechts: tekening uit de collectie van Stichting Willem van Genk

Het linkerdeel van Amsterdam is iets gefragmenteerder en de verschillende onderdelen zijn minder scherp afgesneden. Boven het midden is een tekening geplaatst van de Dam omstreeks 1900: zowel de oude Beurs van Zocher als de toren van de Beurs van Berlage zijn te onderscheiden. Daaronder is vier keer het 12-verdiepingenhuis van J.F. Staal aan het Victorieplein te zien. In het midden is het Paleis op de Dam afgebeeld. De verticale strook helemaal links toont aan de bovenkant het in 1912 gesloopte Beurspoortje, dat vanaf het Rokin toegang gaf tot de Dam en herinnerde aan het vroegere Beursgebouw van Hendrick de Keyser. Aan de onderkant is de hoofdingang van de Bijenkorf te zien.

Kleinere afbeeldingen zijn er in feite in drie soorten: de genoemde rood-monochrome tekeningfragmenten, tondo’s en overige inzetstukken. De negen rode fragmenten zijn relatief klein, waardoor de afbeelding vaak moeilijk thuis te brengen is. Linksboven is het gebouw van de Engels Hervormde Kerk aan het Begijnhof te zien; meer naar rechts, overlappend met de tekening van de historische Dam, is de toren van de Zuiderkerk afgebeeld. In de grote Amsteltekening is in het water een rood fragment geplaatst met eenzelfde voorstelling.

Ook de meeste afbeeldingen in de tondo’s zijn lastig te duiden. De tondo boven de historische Dam-tekening toont een deel van een stadsplattegrond van Amsterdam, geknipt uit een grotere tekening waarvan het overgebleven deel te zien was in een van de vitrines van de tentoonstelling Woest. Dat laatste geldt voor nog drie andere tondo’s, waarvan echter de voorstelling onduidelijk is. De tondo tussen de vier afbeeldingen van het 12-verdiepingenhuis toont de niet meer bestaande Maria Magdalenakerk van Pierre Cuijpers aan de Spaarndammerstraat. Dat de kerk in 1965 werd afgebroken, zal Van Genk alleen maar hebben gevoed in zijn gevoelens van onmacht waar het om de afbraak van historische gebouwen ging.

Blijven over zo’n twintig inzetstukken van uiteenlopende omvang, die in sommige gevallen zelfstandige tekeningen zouden kunnen zijn geweest maar in andere gevallen overduidelijk uit- of afsneden zijn. De voorstellingen zijn in een aantal gevallen thuis te brengen, waarbij soms sprake lijkt van associaties, geografisch of anderszins. Zo staan tegen de bovenrand links, boven de historische damtekening, afbeeldingen van het oude Hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal, het Victoria Hotel aan het begin van het Damrak en de Mozes en Aäronstraat die tussen het Paleis op de Dam en de Nieuwe Kerk loopt – locaties die min of meer bij elkaar in de buurt liggen. Het fragment rechtsonder, met een detail van de voorgevel van de Bijenkorf, past daar ook bij maar een aangrenzend inzetstuk met een tram die langs de Westerkerk rijdt, lijkt hier weinig mee te maken te hebben. De twee grote inzetstukken boven de Amsteltekening stellen mogelijk het afscheid van de Blauwe Tram in de Raadhuisstraat (links) en de kruising Reguliersgracht/Keizersgracht voor.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Drieluik Amsterdam stond op 19 september 2019 prominent afgedrukt in de bijlage van Het Parool over de tentoonstelling Woest.

[2] Mededeling Ans van Berkum, 5 februari 2019. De tekening (60 x 40 cm) staat in Een getekende wereld afgebeeld op p. 113.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 54. In Een getekende wereld krijgt de collage de datering ‘ca 1959’ (p. 107).

[4] In Willem van Genk bouwt zijn universum zijn op p. 1 en p. 7 voorbeelden te zien van monochrome tekeningen in rood.

Bouwend ’s Gravenhage

Bouwend ‘s Gravenhage | ca. 1960 | gemengde techniek op papier | 102 x 212 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Museum van de Geest, Haarlem

Willem van Genk verhuisde in de zomer van 1940 vanuit Harreveld naar de Magnoliastraat in Den Haag. Hij was op dat moment dertien jaar en zou de rest van zijn leven in de Nederlandse residentie blijven wonen. Des te opmerkelijk is het dat Den Haag in zijn werk relatief zelden wordt afgebeeld – Arnhem, Amsterdam en zelfs Moskou komen veel vaker voor. Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 was een van de werken (catalogusnummer 20) getiteld Den Haag, maar hoogstwaarschijnlijk betrof het een tekening van de laatste rit van de Blauwe Tram in Amsterdam. Van Genk zelf was tot het laatste moment in het ongewisse gelaten over de tentoonstelling, dus de eventuele vergissing werd buiten zijn weten om gemaakt. [1]

Wat Van Genk tussen ca. 1940 en 1960 aan tekeningen van Den Haag had (en dat was toch nog wel flink wat), verwerkte hij grotendeels in de collage Bouwend ’s Gravenhage. Het gaat om een relatief vroege collage, weliswaar later dan Geldersche Tramwegen maar vroeger dan bijvoorbeeld Kathedraal Pilsen, Bahnhöfe van weleer of Internationale. Net als bij veel andere collages stelde Van Genk het werk samen uit oudere tekeningen, die hij soms verknipte of op een andere manier bewerkte. Bouwend ’s Gravenhage bestaat in grote lijnen uit twee stroken, en voor de overzichtelijkheid kan elke strook worden opgesplitst in twee delen, wat vier kwadranten oplevert:

De centrale afbeelding in kwadrant I is meteen de meest autobiografische component van de collage. Weergegeven is woningcomplex De Papaverhof dat in 1921 gebouwd werd naar ontwerp van De Stijl-architect Jan Wils. De Papaverhof is een Rijksmonument, bestaande uit 128 woningen die zijn aangelegd rond een (verdiept) plantsoen. Waarschijnlijk was de architectuur van Wils iets te modern naar de smaak van Van Genk, maar De Papaverhof lag en ligt tegenover Magnoliastraat 10. Zijn weergave van het complex correspondeert exact met het uitzicht vanuit de woning, die op de tweede verdieping is gesitueerd. [2] In het midden van zowel de boven- als onderkant van de grote tekening zijn nog twee kleine, bijna identieke tekeningen toegevoegd van het uitzicht vanuit een andere hoek.

Het tweede kwadrant heeft als meest in het oog springende afbeelding een tekening van het Vredespaleis tegen een donkere achtergrond, met eronder de woorden BOUWEND ’s GRAVENHAGE V.V.V. De letters zijn geknipt uit een document over Den Haag, wat onder meer te zien is aan de rode, nog leesbare afkorting H.T.M. (Haagsche Tramweg-Maatschappij). Hetzelfde procedé paste Van Genk toe in de afbeelding van de ooievaar in kwadrant III, eveneens afkomstig uit een document over tramlijnen in Den Haag. [3] Meest opvallend in dit kwadrant zijn de drie naast elkaar geplaatste tekeningen van het Oude Stadhuis aan de Groenmarkt. Kwadrant IV is ten slotte tegelijkertijd het kleinste en het drukste deel van de collage, met een groot aantal over elkaar heen geplakte tekeningen en knipsels. In dit kwadrant bevindt zich ook de signatuur van Van Genk, zij het niet helemaal in de uiterste hoek, plus zijn naam en woonplaats.

Voor Bouwend ’s Gravenhage knipte Van Genk vaak tekeningen op, verwisselde hij onderdelen of gebruikte hij gebouwen of voertuigen uit andere tekeningen waarvan de omtrekken niet meer in de collage voorkwamen (maar die hij meestal wel bewaarde). Voorbeelden van dat laatste zijn het gebouw boven het Vredespaleis in kwadrant II en de bus aan de onderkant van kwadrant III, beide afkomstig uit tekeningen waarvan de resten staan afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum. [4] De tekening helemaal links in kwadrant III kan op twee manieren worden aangevuld met fragmenten die in 2015 te zien waren tijdens de Stadshof-tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag: zowel de uitgeknipte tondo (met alleen maar een rasterstructuur) als de tekening waaruit de nieuwe tondo afkomstig was, lagen daar in de vitrines met een kleine greep uit de collectie van Museum Dr. Guislain.

Links: ‘Knipsel, uit de bibliotheek van Willem van Genk’ (Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 108); rechts: detail Bouwend ’s Gravenhage

Uit de grote tekening van het Vredespaleis in kwadrant II is linksboven een rechthoek geknipt, waarna op de vrijgekomen plaats een andere afbeelding van hetzelfde gebouw is aangebracht. Uit de verwijderde rechthoek knipte Van Genk het dakdeel en de toren, die hij respectievelijk iets naar rechts in kwadrant II en aan de onderrand van kwadrant IV opplakte. Ook van de tekening met de tram in kwadrant IV (met de tekst Het residentie orkest speelt ook voor U) is een gedeelte afgeknipt waarvan schuin daarboven weer een fragment is opgeplakt.

Een speciale categorie vormen de vijftien tondo’s in Bouwend ’s Gravenhage, die in meer dan de helft van de gevallen afkomstig zijn uit tekeningen in het werk zelf. Duidelijk te zien is dit in de rechter bovenhoek van kwadrant II, waar de tondo’s uit twee tekeningen van de Hofvijver zijn omgewisseld; en aan de onderkant van kwadrant IV, waar de gele kleur de uitwisseling toont. Bij de drie tekeningen van het Oude Stadshuis in kwadrant III heeft Van Genk het principe zelfs in drievoud toegepast op de toren van het gebouw.

De collage bevat een groot aantal afbeeldingen van kerken, die gedeeltelijk te identificeren zijn. De Grote of Sint-Jacobskerk komt een aantal keren voor, getekend vanuit verschillende hoeken. Aan de rechterkant van kwadrant II zien we de kerk vanuit de Prinsestraat; boven het verhoogde koor is een tondo toegevoegd van de andere kant van het koor. De tondo is afkomstig uit de tweede tekening van links in kwadrant III, waar de vrijgekomen ruimte is opgevuld met een tondo uit een kleinere tekening iets naar rechts. Daar verschijnt ook weer het torentje van het Oude Gemeentehuis. Iets naar beneden staat de toren van de Sint-Jabcobskerk afgebeeld, gezien vanaf de hoek Torenstraat/Riviervismarkt.

De tekening aan de linker zijkant van kwadrant III toont de Sint-Jacobus de Meerderekerk van Pierre Cuypers aan de Parkstraat, waarbij de omkadering suggereert dat het om een blik vanuit een raam gaat. De ingevoegde tondo is afkomstig uit een tekening van de Elandkerk aan het Elandplein, op enkele honderden meters van de Sirtemastraat waar de AVO-werkplaats was gevestigd. De kerk op het kruispunt van de vier kwadranten ten slotte is de Sint Barbarakerk aan de Beeklaan – de kerk waar in 2005 de uitvaartmis voor Willem van Genk werd gehouden.

Bouwend ’s Gravenhage 1946/8 en Bloeiend ’s Gravenhage 1948/1

Bouwend ’s-Gravenhage, met als ondertitel V.V.V. maandblad gewijd aan den stoffelijken en cultureelen opbouw van stad en badplaats, was een uitgave van het VVV in Den Haag in de jaren 1946-1947. Officieel was het een voortzetting van de Haagsche gids (‘officieel orgaan van de Vereeniging tot bevordering van het vreemdelingenverkeer te ‘s-Gravenhage, Scheveningen en omstreken’), die eind jaren twintig was begonnen maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd stopgezet. Bouwend ’s-Gravenhage ging in 1948 nog even verder als Bloeiend ’s Gravenhage, dat echter na tien nummers stopte. [5] Het zou te kort door de bocht zijn om Van Genks collage vanwege de woorden BOUWEND ’s GRAVENHAGE V.V.V. te dateren op 1946/1947. Wel is aannemelijk dat hij de publicatie bij het maken van de collage in zijn hoofd had.

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978) zou Van Genk nog een keer terugkomen op de titel Bouwend ’s Gravenhage, in de context van de afbraak van enkele historische kerken in Den Haag – kerken die overigens niet lijken voor te komen op de collage. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg kent als enig ander groter werk een nadrukkelijke Haagse component, maar verder is de stad opvallend afwezig in Van Genks oeuvre. Voor kleinere sporen moeten we ons wenden tot enkele vroege tekeningen, die hij kennelijk niet wilde verknippen voor de collage.

Hofplaats, Den Haag | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

Zo bezit Museum Dr. Guislain een tekening van de Hofplaats in Den Haag, een klein plein bij de kruising van Spui/Hofweg met Lange Poten/Spuistraat. Te zien zijn enkele trams en gebouwen, met op de voorgrond een parkeerplaats met auto’s en touringcars van onder andere Sommeling, Ebato en Hotam. Op een spandoek staat de tekst BOEKENWEEK WINKELSTAD SPUISRAAT POTEN etc. De tekening is afgedrukt in Willem van Genk bouwt zijn universum, met als titel Groot Arnhem. [6] Hoewel dit uiteraard een redactiefout kan zijn, zegt het ongewild iets over de alomtegenwoordigheid van Arnhem binnen het oeuvre van Van Genk versus de relatieve afwezigheid van Den Haag.


NOTEN

[1] ‘Gisteren hoorde de schilder pas van de heer Beljon, dat er een tentoonstelling van zijn werk was ingericht. De organisatoren hebben het niet eerder durven doen, omdat ze nog steeds benauwd waren dat hij het niet goed zou vinden, misschien dat hij bang zou worden.’ (Telegraaf, 18 januari 1964)

[2] Op de website Oozo.nl is een foto te zien van het uitzicht op De Papaverhof vanuit Magnoliastraat 10, dat vrijwel gelijk is aan de afbeelding op de tekening van Van Genk. Daar is ook te lezen dat Magnoliastraat 10 in 1924 is gebouwd en een oppervlakte heeft van 110 m2.

[3] De tekening waaruit de ooievaar in kwadrant II afkomstig was, was te zien in een van de vitrines van de tentoonstelling Woest.

[4] Respectievelijk betreft het de ‘Knipsels, uit de bibliotheek van Willem van Genk’ op p. 6 (onder) en p. 108 (boven). De tekening op pagina 6 toont het Stedelijk Badhuis Scheveningen, dat op de plaats stond van het latere Kurhaus en dat Van Genk dus uitsluitend van oude foto’s gekend kan hebben. Een mogelijke bron is hier te zien.

[5] Uit het voorwoord van het eerste nummer van Bloeiend ’s Gravenhage: ‘Een nieuw jaar – en een nieuwe naam. […] De naam is er een, welke wil aangeven dat voor ons het accent gelukkig weer kan worden verlegd van het wederopbouwen van de geschonden stad en badplaats naar de bloesems en vruchten, welke uit die wederopbouw te voorschijn zijn gekomen.’

[6] Op p. 142.

Bovenbuurman

Ravenna | 1964 | gemengde techniek op hardboard | 31 x 40 cm | particuliere collectie| foto: Galerie Hamer, Amsterdam

Nico van der Endt over het jaar 1996: ‘Ondertussen telefoon van Dick Heesen, mijn voorganger inzake Willem met de vraag of ik belangstelling heb een aantal schilderijen en etsen te verkopen die hij – enigszins tot mijn verrassing – indertijd als betaling voor onkosten heeft verkregen. Het gaat om de werken Schwebebahn Wuppertal, Station Berlin-Ost, Colonnade St. Pieter, de kleine tekening Raadhuisstraat en Zelfportret in de Ark.’ [1] Alle  genoemde werken belandden bij particuliere verzamelaars en in 1998 werden ze getoond tijdens de grote tentoonstelling in museum De Stadshof in Zwolle. Ook werden ze afgebeeld in Een getekende wereld.

Vier van de vijf werken bleven in beeld en waren opnieuw te zien tijdens de tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum. [2] ‘De kleine tekening Raadhuisstraat’ (een van de vier werken die Van Genk maakte naar aanleiding van de laatste rit van de Blauwe Tram tussen Amsterdam en Zandvoort op 31 augustus 1957) was terechtgekomen bij een verzamelaar die boven Galerie Hamer woonde en daar met grote regelmaat werken aanschafte. In 1999 kocht hij ook nog ‘twee kleinere werken’ van Van Genk, Dom van Ravenna en Smolny Kathedraal. [3] Hij overleed enkele jaren later, zijn verzameling kwam terecht bij enkele familieleden. De verblijfplaats van de werken van Van Genk kon door de organisatie van Woest niet meer worden achterhaald. [4]

Schwebebahn Wuppertal en Colonnade St. Pieter waren in respectievelijk 1996 en 1997 verkocht aan verzamelaar Jan Vellekoop uit Vlaardingen, die de werken regelmatig uitleende voor kleinere of grotere tentoonstellingen en wiens belangstelling voor Van Genk groot was en bleef. [5] In juli 2020 nam Vellekoop zich voor de werken van ‘de bovenbuurman van Hamer’ op te sporen en al na enkele dagen had hij ze getraceerd. De eigenaar bleek naast de drie schilderijen ook nog drie etsen van Van Genk te bezitten – Silja Line, Colonnade en Minsk – en nodigde ons (Jan Vellekoop en ondergetekende) uit om de werken te komen bezichtigen, hetgeen we begin augustus deden.

Raadhuisstraat (Amsterdam) kwam eerder ter sprake in de post over de Blauwe Tram: het is een kleine tekening die in 1964 al te zien was tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in Hilversum. De afbeelding toont twee gevelrijen met ervoor rijen mensen die onder toezicht van de politie staan te wachten op de laatste Blauwe Tram, waarvan in de verte de koplampen te zien zijn. Het gaat duidelijk om een avond- of nachtscène, de straatlantaarns branden; ook de donkerrode lucht, die contrasteert met de zwart-witte huizen, moet in die context worden geïnterpreteerd. Opvallend is het zeer nadrukkelijke verdwijnpunt, waar de tram staat en waar de gevelrijen, de avondhemel en vooral de tramrails naartoe wijzen. Het werk is rechtsonder tweemaal gesigneerd. Op de achterkant staat, niet in het handschrift van Van Genk, ‘Einde blauwe tram Amsterdam in 1957’.

Detail Raadhuisstraat (Amsterdam)

Smolny Kathedraal is een werk dat Van Genk in zijn woning op de ombouw van zijn opklapbed had staan. Het komt bovendien niet voor in de catalogus van Galerie De Ark uit 1976, hetgeen erop duidt dat het voor de kunstenaar een speciale betekenis had – of dat hij het niet goed genoeg achtte om te worden tentoongesteld. Te zien is de kathedraal uit de titel, achter een hek en met eromheen enkele bomen en andere gebouwen. Om de afbeelding is een bruine rand getekend, waarop versieringen zijn aangebracht – de golvende lijntjes en punten die zullen terugkeren op de rood/gele stroken van latere schilderijen. Het werk is rechtsonder gesigneerd, met in de signatuur het jaartal 1964. Rechtsonder zijn twee ijs-etende meisjes getekend met behulp van sjablonen. Dit vertoont overeenkomsten met de techniek die de Amerikaanse kunstenaar Henry Darger hanteerde voor het weergeven van de vele meisjes in zijn beeldend werk. De oranje contouren om de twee figuurtjes lijken later te zijn toegevoegd.

Detail Smolny Kathedraal

De achterkant van Smolny Kathedraal werd door Van Genk uitgebreid beplakt, betekend en beschreven, uiteraard vooral met verwijzingen naar de USSR – onder meer is prominent het woord ЛЕНИНГРАД (Leningrad) te lezen. Het geheel lijkt enigszins op de achterkant van Metrostation Moskou, eveneens uit 1964, vanwege de grote hoeveelheid contourtekeningen van profielen en maskerachtige tronies. [6] Er lijkt voor Van Genk een connectie te hebben bestaan tussen dergelijke contourtekeningen en het communisme, aangezien ze ook voorkomen op bijvoorbeeld 50 jaar USSR en Het waarheidsfestival.

Dom van Ravenna stond eveneens op de ombouw van het opklapbed van Van Genk en kwam evenmin voor in de catalogus van Galerie De Ark uit 1976, maar was wel te zien tijdens de tentoonstelling Zondagsschilders II (1967) in het Frans Halsmuseum in Haarlem. Afgebeeld is niet de barokke domkerk in Ravenna, maar de Byzantijnse basiliek San Vitale in die stad. Uit de basiliek komt een mensenstroom die het midden lijkt te houden tussen een processie – er wordt een spandoek meegedragen met de tekst CHRISTUS VINCIT – en een bruiloftsstoet. Tientallen nonnen met kaarsen sluiten zich vanaf links en rechts bij de mensenzee aan. Op de voorgrond maakt een fotograaf foto’s, rechtsonder staat een koets. Links en rechts in beeld staan bomen, rechts zijn op de achtergrond ook nog enkele andere gebouwen te zien met op een zijgevel een reclame voor MARTINI. De achterkant van Ravenna (een betere titel) was eveneens beschreven en beplakt, maar Van Genk leek het oppervlakte eerst als palet te hebben gebruikt.

Ravenna (achterkant)


NOTEN

[1] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[2] Zelfportret in De Ark maakte inmiddels deel uit van de collectie van het Museum of Everything van James Brett en werd in de zomer van 2020 al weer teruggehaald.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 117. Smolny Kathedraal staat afgebeeld op p. 73, onder de titel Smolny Kathedraaal, Leningrad. Volgens een toeristische website gaat het bij deze kathedraal om ‘één van de mooiste gebouwen van Sint-Petersburg’.

[4] De verzamelaar schafte van Van Genk ook nog een trolleybus-assemblage aan – om precies te zijn de bus die staat afgebeeld op pagina 35 van Een getekende wereld. De bus wordt daar ten onrechte gerekend tot de collectie van De Stadshof.

[5] In 2012 verscheen in het tijdschrift Out of Art een interview met Jan Vellekoop, waarin hij vertelt over ‘zijn fascinatie voor het werk van Willem van Genk’. Het interview is hier te lezen.

[6] De achterkant van Metrostation Moskou is afgedrukt in de catalogus van de tentoonstelling Woest, pp. 74-75. Het werk krijgt daar abusievelijk de datering 1966.

Schwebebahn

062 Schwebebahn M

Schwebebahn Wuppertal | ca. 1965 | olieverf op hardboard | 61 x 61 cm | Collectie Vellekoop, Vlaardingen | foto: Museum van de Geest, Haarlem

Sommige werken van Willem van Genk worden vaker afgebeeld dan andere. Factoren daarvoor zijn met name voorstelling en beschikbaarheid. Zelfportret in de Ark sierde in 1997 het omslag van Koning der stations van Dick Walda, vooral vanwege de weergave van het gezicht van de kunstenaar. Het werk is momenteel echter in bezit van het Museum of Everything van James Brett, waardoor het in Nederland minder vaak te zien is. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg werd in 2010 gebruikt voor het omslag van Willem van Genk bouwt zijn universum en is in bezit van Stichting Collectie de Stadshof. Beide grote zelfportretten maakten deel uit van de tentoonstelling Woest maar behoorden tot de eerste werken die door de respectieve eigenaars weer werden teruggehaald. Van Stichting Collectie de Stadshof zijn ook World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven), Great Railroads of the World en Het project Asberry – Havanna (Project Asbery II), eveneens relatief populaire en daardoor vaker afgebeelde werken.

Schwebebahn Wuppertal is in particulier Nederlands bezit en wordt net als bijvoorbeeld Station Berlin Ost (idem) regelmatig ter beschikking gesteld voor tentoonstellingen. Beide eigenaren bezitten meerdere Van Genks, maar de voorkeur gaat bij afbeeldingen duidelijk uit naar de genoemde werken die tegelijkertijd compact, representatief en compositorisch aantrekkelijk zijn. Station Berlin Ost staat afgebeeld in Een getekende wereld, in Willem van Genk bouwt zijn universum en in Woest, werd gebruikt voor een ansichtkaart van Galerie Hamer en schopte het zelfs tot de voorkant van een notitieboekje van het (toen nog) Outsider Art Museum. Schwebebahn Wuppertal staat afgebeeld in Een getekende wereld en in Woest, werd gebruikt als kleurenillustratie bij een artikel over Van Genk in Het Parool in 2014 en was in datzelfde jaar te zien op de voorkant van een vouwblad van Galerie Hamer. [1]

Beide werken maakten ook al deel uit van de tentoonstelling De eigen wereld van 12 vrijetijdsschilders, die in 1967 gehouden werd in De Vishal in Haarlem. In de catalogus bij die tentoonstelling draagt Station Berlin Ost de titel Berlijn en krijgt het de datering 1964-1966. [2] Bij Schwebebahn Wuppertal ontbreekt helaas een datering; wel is een detail van het werk afgebeeld. Een getekende wereld en Woest geven als datering voor Schwebebahn Wuppertal 1960, maar dit is onverenigbaar met een affiche op het werk dat enkele optredens van The Beatles in Duitsland aankondigt – in Berlijn, Leipzig, Dortmund, Coburg, Keulen en Wuppertal zelf. Naast het Beatles-affiche is een advertentie te zien voor een kunstgalerie in Düsseldorf die bekend in de oren klinkt: BESUCHEN SIE […] DAS AUSSTELLUNGSHAUS […] GALERIE SCHMELA DÜSSELDORF. Met het oog op Van Genks expositie bij de galerie van Alfred Schmela in het najaar van 1964, lijkt een datering van ca. 1965 voor Schwebebahn Wuppertal waarschijnlijk.

De Wuppertaler Schwebebahn is een hangende monorail in de Duitse stad Wuppertal in de deelstaat Noordrijn-Westfalen, zo’n vijftig kilometer ten noordoosten van Keulen. De Einschienige Hängebahn System Eugen Langen, die in 1901 werd geopend, is met 470 stalen dragers op 12 meter hoogte gebouwd boven de rivier de Wupper. De lijn is 13,3 kilometer lang, loopt van Vohwinkel in het westen naar Oberbarmen in het oosten en telt twintig stations. Eén van de belangrijkste is in de wijk Elberfeld station Hauptbahnhof, vroeger Döppersberg geheten. Aanvankelijk was dit stationsgebouw een vooral uit gietijzer en glas bestaande Jugendstil-constructie, ontworpen door de Berlijnse architect Bruno Möhring, die in de volksmond de “Elberfelder badkuip” werd genoemd. Omdat het gebouw de groeiende stroom reizigers niet meer aankon en ook de stijl als verouderd werd beschouwd, kwam er in 1926 een stenen ombouw om het station en ernaast gelegen Köbo-haus. [3]

die-wuppertaler-schwebebahn-gtw-1-202207

Elberfeld-Wuppertal-Schwebebahn-Doeppersberg-Wuppertal-Wuppertal-Stadtkreis

Station Hauptbahnhof/Döppersberg, voor (onder) en na (boven) 1926.

In Schwebebahn Wuppertal van Willem van Genk kijken we vanaf de straat schuin omhoog naar een station van de zweeftrein dat volgens de teksten Elberfeld Döppersberg heet. Het station heeft nog het oorspronkelijke Jugendstil-uiterlijk, maar de context is duidelijk die van de jaren zestig van de twintigste eeuw – de afbeelding lijkt de situatie te tonen zoals die zou zijn geweest als het oorspronkelijke gebouw was blijven bestaan. Het uiterlijk van het gebouw vertoont overeenkomsten met de zeppelinachtige rasterstructuren die typerend zijn voor stations in het werk van Van Genk. In de linker bovenhoek en aan de bovenzijde van Schwebebahn Wuppertal is eveneens een metalen constructie te zien, die de scène gedeeltelijk inkadert. Die constructie is te interpreteren als een van de dragers van de zweeftrein, waarop politieke graffiti is aangebracht.

Op de afbeelding zijn twee zweeftreinen afgebeeld. De trein rechts (met reclames TRINK Coca Cola en HERO’S konserven) is net vertrokken richting Oberbarmen, de trein in het station komt uit die richting en gaat naar het ander eindstation Vohwinkel. Achter het station is bebouwing te zien met op het hoekgebouw de teksten HOTEL AM BAHNHOF en MÜNCHENER PILSNER. In de rechter bovenhoek wordt in grote letters reclame gemaakt voor een ander biermerk, WICKÜLER. Boven de trein die net is vertrokken, is de torenspits van een kerk zichtbaar. Het motief van het vervoer gaat verder op de voorgrond, met een Duitse stadsbus (STADTLINIE HAUPTBAHNHOF) bij een Haltestelle en twee Nederlandse touringcars, een groene van NV WESTLA […] SCHAPPIJ met op de voorkant het woord CEBUTO; en een rode van REISBUREAU HOTAM.

Eveneens op de voorgrond, in de linker benedenhoek, staat een spoorwegbeambte, vooral herkenbaar aan het gevleugelde wiel op zijn pet. Hij maakt een gebaar met zijn linkerarm naar de beschouwer, die hij ook aankijkt. Een dergelijk procedé, met een personage aan de onderkant van de afbeelding dat tot bij de schouders is afgesneden, past Van Genk veel vaker toe. Iets meer naar rechts staat voor de groene touringcar een man met in zijn linkerhand een ijsco en in zijn rechter een tros ballonnen met lachende gezichtjes. Mogelijk gaat het om een oorlogsinvalide, teksten en parafernalia die daarop zouden kunnen wijzen zijn moeilijk te onderscheiden.

Met name in en rondom het stationsgebouw op Schwebebahn Wuppertal wemelt het van de teksten. Enerzijds zijn dat aanduidingen in alle soorten en maten die te maken hebben met de functie van het gebouw: haltestelle, ELECTR. SCHWEBEBAHNEN, Eingang zum Bahnsteige, DEUTSCHE BAHN en, op de dakrand, WUPPERTALER STADTWERKLE A.G. ELBERF […] BARMEN. Er zijn ERFRISCHUNGEN, SOUVENIERS en REISEFÜHRER te krijgen. Daarnaast is er een overvloed aan reclameteksten, met voor Van Genk typische merken als MARTINI, 7UP, Agfa GEVAERT en MAGGI. Specifiek voor in Duitsland gesitueerde werken zijn PERSIL, EMSER P […] Bad Ems en 4711 KÖLNISCH WASSER. Ook lijken er verkiezingen in aantocht te zijn: van de CDU is een banier met de oproep VERSTARKT UNSER REIHE! terwijl linksboven op de metalen staander een heel ander politiek geluid te lezen is: WÄHLT DIE KPD! en FREIHEIT FÜR SPANIE […], plus een leuze over de Spaanse dictator FRANCO.

Spanje keert terug op enkele van de vele affiches en reclameborden die zijn afgebeeld. In het station, rechts van de trein naar Vohwinkel, wordt achtereenvolgens geadverteerd voor reizen naar SEVILLA, naar Spanje als geheel (met LUFTHANSA), naar het Iberisch schiereiland en ook apart naar PORTUGAL. Aan de andere kant van het station hangt boven de advertentie voor Galerie Schmela een aankondiging voor de DRUPA, een grote beurs voor de gedrukte media, eveneens in Düsseldorf. [4] Het is dan ook niet vreemd dat de aankondiging tevens een reclame is voor de Schnellschneider van de firma KRAUSE.

Naast een algemene autobiografische component – een fascinatie met vervoermiddelen en reizen – zijn er enkele specifieke details op Schwebebahn Wuppertal die direct met de biografie van Willem van Genk te maken hebben. De verwijzing naar de Belgische firma Gevaert (boven de pet van de spoorwegbeambte), die in 1964 fuseerde met het Duitse Agfa AG, keert terug in meerdere werken. Het meest duidelijke voorbeeld is Zelfportret in De Ark, waar het portret van de kunstenaar wordt gepresenteerd als een foto van Gevaert Photo – ANVERS. Van Genks zuster Nora werkte tot in de jaren vijftig als fotografe in Antwerpen, omdat in België minder naar diploma’s werd gevraagd. Ze was onder meer in dienst bij Gevaert, waar ze veel studiowerk deed als portretfotografe. Later begon ze een eigen atelier. [5]

whatsapp-image-2020-08-20-at-14.50.21

De rode bus van Hotam (Reisprogramma Hotam 1956, archief Jan Vellekoop)

Nog dichter bij huis in letterlijke zin is de rode touringcar van reisbureau Hotam: Hotam (Hooijmans Taxi Maatschappij) was gevestigd aan het Valkenbosplein in Den Haag, op korte afstand van Magnoliastraat 10 waar het gezin Van Genk lange tijd woonde. Het reisbureau annex busbedrijf verzorgde zowel dagtochten als meerdaagse vakanties, waarbij gebruik werd gemaakt van een rode, zeer herkenbare touringcar. [6] Uiteraard valt niet uit te maken of Willem van Genk ook daadwerkelijk met een bus van Hotam Wuppertal heeft bezocht, of dat hij de bus aan zijn schilderij heeft toegevoegd vanwege een persoonlijke associatie. Duidelijk is wel dat hij dermate onder de indruk was van de Schwebebahn dat hij het vervoermiddel verschillende malen tekende en schilderde, vaak in combinatie met de omgeving van Keulen. Verdere informatie voegde hij toe op de achterkant van het werk.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Kees Keijer, “Van Genk zag alles”, in: Het Parool, 17 april 2014. Het vouwblad van Galerie Hamer verscheen ter gelegenheid van de expositie willem van genk, een “museale” tentoonstelling, van 22 maart tot 3 mei 2014.

[2] Dat het om dit werk gaat is af te leiden uit een etiket op de achterkant van het werk en een stickertje met het bewuste catalogusnummer (36).

[3] Informatie ontleend aan het lemma “Wuppertaler Schwebebahn” in Wikipedia. Op Youtube is een filmpje van ongeveer een half uur te zien van het hele traject van de Schwebebahn. (Beide geraadpleegd op 17 augustus 2020.) Op 16:00 rijdt de trein station Hauptbahnhof binnen. Vanaf 27:00 is station Werther Brücke te zien, dat als enige noch oorspronkelijke Jugendstilelementen bezit.

[4] De DRUPA (‘Druck und Papier’) wordt sinds 1951 om de vier of vijf jaar gehouden. In de jaren zestig van de twintigste eeuw was er een DRUPA-beurs in 1962 en in 1967.

[5] E-mails van Albert Roozenburg en Irene Zalme aan Jack van der Weide, 8 en 12 augustus 2020.

[6] Bij een historische foto van het Valkenbosplein op internet: ‘Bij het plantsoentje op de voorgrond had links Reisbureau Hotam een speciale parkeerplek voor z’n Bordeaux-rode bus.’ (“Bomenbuurt Den Haag – Valkenbosplein”, geraadpleegd op 21 augustus 2020)

 

Postuum

2019-12-18 13.17.26 (800x600)

Het overlijden van Willem van Genk op 12 mei 2005 kreeg weinig aandacht. Er waren enkele korte meldingen in landelijke dag- en weekbladen met algemene opmerkingen, halve waarheden en stereotype karakteriseringen van kunstenaar en werk. In Raw Vision, het tijdschrift dat exclusief aan outsider art was gewijd, was de ruimte die Nico van der Endt mocht gebruiken voor zijn In Memoriam gering. Desalniettemin wist hij in tweehonderd woorden een beeld te schetsen van het leven en de kunst van Van Genk, eindigend met de observatie: ‘With Van Genk the last of the great true Outsiders seems to have disappeared. His death marks the end of an era.’ [1]

Iets minder compact kon Marcel van Eeden zijn in zijn beschouwing voor het tijdschrift Kunstbeeld. [2] Van Eeden stak de loftrompet over zijn overleden collega, van wie hij een verklaard bewonderaar was (en is) en die hij in 2001 al eerde met een tekening met de opdracht ‘voor W.F.A.M. v. G.’ Het betrof een blik op het Centraal Station in Amsterdam in de jaren vijftig, geïnspireerd op de centrale voorstelling in het onderste deel van Van Genks collage Centraal Station Amsterdam (ca. 1965). In 2006 beleefde Van Eeden zijn internationale doorbraak op de Biënnale van Berlijn, met onder meer de serie tekeningen K.M. Wiegand – Life and work. De kameleontische Wiegand heeft in twee tekeningen het uiterlijk van Willem van Genk, waarbij Van Eeden zich baseerde op beelden uit de reportage van Brandpunt naar aanleiding van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid.

050 MvE vs. WvG

Links: tekeningen uit K.M. Wiegand – Life and Work (Marcel van Eeden). Rechts: stills uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid

Al enkele jaren vóór 2005 waren de collecties van zowel Stichting Collectie De Stadshof als Stichting Willem van Genk ondergebracht bij Museum Dr. Guislain in Gent, dat zichzelf omschrijft als ‘een cultureel ijkpunt met betrekking tot de geschiedenis van en actuele discussies over psychiatrie en geestelijke gezondheid, zorg, en kunst en waanzin’. [3] Het museum beschikte daarmee over veruit de grootste verzameling werken van Van Genk ter wereld. Was de collectie van Stichting Collectie De Stadshof duidelijk afgebakend, voor het bezit van Stichting Willem van Genk lag dit moeilijker. An Remmerswaal had ooit – formeel als bestuurslid van de stichting maar in feite op eigen initiatief – een aantal werken geschonken aan het museum in Gent, waarvan de katholieke signatuur aansloot bij haar eigen levensbeschouwing. [4]

Door de bijna onvermijdelijke betrokkenheid van Museum Dr. Guislain bij tentoonstellingen met werk van Willem van Genk was een psychiatrische context rond de kunstenaar nooit ver weg. Zo was in de zomer van 2008 in het Deutsches Architekturmuseum (DAM) in Frankfurt de tentoonstelling Heterotopia te zien, met als ondertitel Arbeiten von Willem van Genk und anderen. Het betrof een grote tentoonstelling in een gerenommeerd museum, waarbij een fraai uitgegeven catalogus hoorde met op het omslag Van Genks World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven). Toch ging het in de eerste alinea’s van het voorwoord al meteen over psychiatrische inrichtingen en kregen Guislain-medewerkers Patrick Allegaert en Frederik De Preester de gelegenheid om het werk van Van Genk in verband te brengen met psychotische wanen. [5]

Op instigatie van Museum Dr. Guislain verscheen in het najaar van 2010 het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, in samenwerking met Stichting Willem van Genk en met onder andere elf afbeeldingen van werken uit het bezit van Stichting Collectie De Stadshof. Een bijbehorende tentoonstelling onder dezelfde titel was te zien bij architectuurcentrum Casla in Almere, waar Ans van Berkum op dat moment directeur was. Van Berkum, voorzitter van Stichting Willem van Genk en hoofdauteur van Willem van Genk bouwt zijn universum, probeerde Casla (en Van Genk) ook in te zetten bij een plan voor een centrum voor outsiderkunst in Almere, maar dit plan strandde uiteindelijk. [6]

In het voorjaar van 2014 publiceerde Nico van der Endt een boek over zijn samenwerking met Van Genk, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking. Hoewel ook persoonlijke verhalen niet ontbraken, kenmerkte het boek zich vooral door een sobere objectiviteit met veel feiten, geldbedragen, tentoonstellingen en gebeurtenissen rondom Van Genk. Zoals Van der Endt tijdens de presentatie van het boek aangaf: ‘Ik heb opgeschreven wat ik nog weet, wat ik niet zeker meer weet heb ik niet opgeschreven.’ Die presentatie was tevens de opening van een tentoonstelling in Galerie Hamer met twaalf werken van Van Genk, uit eigen bezit en uit de collecties van particulieren, van Stichting Collectie De Stadshof en van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. [7]

Hoogtepunt in 2014 was een tentoonstelling in het American Folk Art Museum in New York, van 10 september tot 30 november: Willem van Genk – Mind Traffic, een coproductie met Museum Dr. Guislain. Naast zeventien grotere tweedimensionale werken en zes bus-assemblages waren er ook kleinere tekeningen en reisdocumenten te zien plus een ‘installatie’ van de raincoats. In de tentoonstelling waren slechts drie werken opgenomen van Stichting Collectie De Stadshof, die vrijwel tegelijkertijd in Parijs een eigen expositie had, Sous le vent de l’art brut 2. Collection De Stadshof. De tentoonstelling omvatte 350 werken van veertig kunstenaars, onder wie uiteraard ook Van Genk. In augustus was al een fors boek over de collectie verschenen, Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection.

050 Omslagen

In de zomer 2015 werd een kleiner (maar nog steeds omvangrijk) deel van de Stadshof-collectie getoond in het Gemeentemuseum in Den Haag, met opnieuw een belangrijke rol voor Van Genk. Ook nu was er een overlapping met een andere tentoonstelling met werk van Van Genk, Essenties I in Het Dolhuys in Haarlem. In Het Dolhuys was al in het oprichtingsjaar 2005 de expositie De wereld van Willem van Genk te zien geweest, een eerste samenwerking met Stichting Willem van Genk. Voor Essenties I was daarnaast geput uit de collectie van een nicht van Van Genk, die enkele jaren later twee werken aan het Haarlemse museum zou verkopen. De connecties met Stichting Willem van Genk bleken in 2016 nog nauwer te zijn geworden, toen het Dolhuys een speciale ‘Willem van Genk-kamer’ opende met werk dat was teruggehaald uit Gent. In 2017 werd Dolhuys-directeur Hans Looijen voorzitter van Stichting Willem van Genk. [8]

Een belangrijke gebeurtenis in 2016 was de opening van het Outsider Art Museum (OAM) in Amsterdam, een samenwerking tussen Het Dolhuys, de Hermitage Amsterdam en zorginstelling Cordaan, met als directeur Hans Looijen. [9] Stichting Collectie De Stadshof was vanuit Het Dolhuys benaderd voor structurele samenwerking, in de zin dat men voor het nieuwe museum vrijelijk wilde kunnen putten uit de collectie, maar de (exclusief) psychiatrische invalshoek vormde een onoverkomelijk obstakel. Hierdoor kwam nog meer nadruk te liggen op de collectie van Stichting Willem van Genk, die anderzijds de band met Museum Dr. Guislain steeds verder leek los te maken.

In mei 2019 verscheen tweede, ingrijpend gewijzigde druk van Dick Walda’s boek Koning der stations. Naast tekstuele aanpassingen, een andere structuur en vooral een geheel nieuwe vormgeving, had Walda ook een aantal tekstgedeeltes toegevoegd ten opzichte van de eerste druk, toen hij ‘uit coulance rekening [had gehouden] met de twee nog levende zusters van Willem van Genk, die hun broer altijd liefdevol bleven bejegenen. Walda wilde de dames absoluut niet confronteren met de vaak bizarre fantasieën en daden van hun broer.’ [10] Toegevoegd waren onder meer een verslag van een bezoek aan Jacqueline van Genk (‘Zal ik jullie wat eten voor thuis meegeven?’) en een tekst over Van Genks avonturen met de prostitué Zwarte Lola. [11] Jacqueline van Genk was in 2010 overleden, haar zuster Tiny in 2007.

Op 18 september 2019 opende in het Outsider Art Museum de tentoonstelling WOEST, aanvankelijk aangekondigd als Thrills of Power. Uitgangspunt was initieel geweest om alle traceerbare werken van Van Genk voor de tentoonstelling bijeen te brengen, maar dat plan moest al snel worden losgelaten. In het voorwoord bij de catalogus spreek Hans Looijen over ‘het kunsthistorisch onderzoek van curator Ans van Berkum’ voor de tentoonstelling, dat bij zou hebben gedragen ‘aan de verdere duiding van Van Genks oeuvre […]. Het OAM vindt het van cruciaal belang dat wetenschappelijk onderzoek naar leven en werk van Van Genk is gedaan’. [12] De getoonde tekeningen, schilderijen, collages en assemblages waren voor een belangrijk deel afkomstig van Stichting Willem van Genk en La Collection de l’Art Brut, aangevuld met werk uit de collecties van een aantal particulieren, Galerie Hamer en enkele Europese musea en instellingen. Stichting Collectie De Stadshof leverde slechts twee werken, waaronder Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waarmee de expositie opende.


 

NOTEN

[1] Nico van der Endt, “Obituary: Willem van Genk 1927-2005”, in: Raw Vision 51 (2005), p. 20.

[2] Marcel van Eeden, “Willem van Genk 1927-2005”, in: Kunstbeeld 30 (2005), nr. 6, p. IV (Kunstwereld).

[3] Website Museum Dr. Guislain.

[4] Mededeling Ans van Berkum, 15 november 2014. An Remmerswaal was bestuurslid van de Stichting Willem van Genk van de oprichting op 13 juli 2000 tot 7 april 2003.

[5] ‘Die Mythologie van Genks zeigt alle Symptome eines psychotischen Wahns auf.’ Patrick Allegaert en Frederik De Preester, “Andere Orte. Einige Betrachtungen über Raum und Kreativität”, in: Yorck Förster en Peter Cachola Schmal (red.), Heterotopia. Arbeiten von Willem van Genk und anderen, Frankfurt 2008, pp. 60-63 (aldaar 61).

[6] “Museum voor Outsiderkunst krijgt geen geld” (geraadpleegd 13 mei 2020). Zie ook dit document (geraadpleegd 13 mei 2020).

[7] Cf. Kees Keijer, “Van Genk zag alles”, in: Het Parool, 17 april 2014.

[8] “Bedrijfsprofiel – Stichting Willem van Genk” (Kamer van Koophandel), 17 februari 2018.

[9] Anna van Leeuwen, “Museum vol buitenbeentjes”, in: de Volkskrant, 16 maart 2016.

[10] Walda, Koning der stations (tweede druk), p. 231. Walda hecht er waarde aan te benadrukken dat zusters Tiny en Jacqueline de stille krachten achter Van Genk waren: ‘Die stille krachten werden door Willem met de grootst mogelijke tegenzin geaccepteerd. Maar Tiny en vooral Jacqueline zorgden er voor dat Willems kleding werd gewassen en gestreken en dat hij er uitzag als ‘een bankdirecteur uit Meppel’ zoals hij zelf eens vertelde.’ (E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 18 mei 2020)

[11] Walda heeft in zijn boek duidelijk nog een paar appeltjes te schillen met Ans van Berkum, curator An Remmerswaal en een nicht van Van Genk die zich volgens Jacqueline van Genk schilderijen van haar oom zou hebben toegeëigend. Over Van Berkum en An Remmerswaal: ‘De curator […] wilde ‘niets met de smerigheid’ van Van Genk te maken hebben en verbood Nico van der Endt en mij schriftelijk Willem langer te bezoeken. Wij trokken ons vanzelfsprekend van dat verbod niets aan. De zelfbenoemde expert van Van Genk’s werk speelde onder één hoedje met de curator en durfde zelfs in de rechtbank te melden dat (ik citeer even de griffier van de Haagse rechtbank): ‘Willem weer volop aan het werk is en door de komst van Van der Endt en Walda raakt de kunstenaar van slag.’ Willem was na zijn herseninfarcten tot niets meer in staat, laat staan ‘werken’.’ (p. 204)

[12] Hans Looijen, “Voorwoord”, in: Hans Looijen e.a., Woest, p. 5.

Zwakzinnigen nazorg (3)

Dit is het derde en laatste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier.

ZZN - detail 004

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg lijken de afbeeldingen in de twee onderste stroken van het werk het meest persoonlijk te zijn. De afbeelding in vlak 10, links naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een gevelrij met enkele huizen en een fabrieksgebouw. Tegen de huizen staat een handkar geleund, voor de fabriek komt een kar met twee paarden voorbij. Bovenop de fabriek staan de letters ZHB, aan de voorkant is graffiti aangebracht: CPN LIJST 6. Vlak boven de letters ZHB staat Heineke, in de rechter benedenhoek den Haag Sirtemastraat. Rechtsboven staan omlijnd de woorden Thans gesloopt, daarnaast “Schroeder [onleesbaar],  daaronder PSYCHIATRIE IN DE USSR.

ZZN - detail 005

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

De woorden Thans gesloopt hebben betrekking op het fabriekscomplex eronder, van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB). Het complex werd in 1881 in gebruik genomen, werd in 1974 gesloten en gesloopt, en grensde inderdaad voor een deel aan de Haagse Sirtemastraat, zoals expliciet aangegeven door de kunstenaar. Belangrijker binnen de autobiografie van Van Genk is echter het enigszins uitspringende pand náást het complex. Op deze plaats, Sirtemastraat 179, was de sociale werkplaats van de Vereniging Schroeder van der Kolk gevestigd, waar Van Genk vanaf het einde van de jaren veertig tot 1964 “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. De tekst VOORMALIGE GEESTESZORG in het aangrenzende vlak 11, met een pijl naar vlak 10, bevestigt dit. Met die kennis ontstaat er een sterke relatie met de ZWAKZINNIGENNAZORG in het centrale vlak 1. Ook wordt een verband gelegd met nog een ander motief uit met name vlak 1, de verhouding tussen Nederland en de Sovjet-Unie, via de tekst PSYCHIATRIE IN DE USSR en zelfs de graffiti CPN LIJST 6.

De afbeelding in vlak 12, rechts naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een vrouw naast een auto. Ze draagt een geel-rood-bruin geruite jas en heeft lang bruin haar. Vanaf haar oog loopt een stippellijn naar rechts, als om aan te geven dat ze ergens naar kijkt – haar rechterarm is geheven, mogelijk richt ze een pistool op iets of iemand. De rode auto heeft aan de bovenkant van de achterruit een Datsun-logo, op de kofferruimte staat DATSUN. Op de muur achter de auto staat in krullende letters Salon Amércain en TARIEF; links is een klein stukje van een kapperspaal te zien. Over de auto staat in blauwe letters BOUWEN  IN HET DERDE RIJK G. TROOST. [1] Enerzijds is er daarmee een verband met het motief van gebouwen en sloop, ook via het automerk Datsun – vgl. DATSUN CENTER op de nieuwbouw in de grote afbeelding rechts van het portret. Anderzijds kent de afbeelding een duidelijk autobiografische component in het lange haar van de vrouw en haar voorgenomen of juist afgelegde bezoek aan de kapsalon Salon Amér[i]cain, een expliciet verwijzing naar het haarfetisjisme van Van Genk.

Dat laatste element keert terug in de afbeelding in de onderste strook van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waar een kapsalon te zien is met twee klanten wier haren worden gewassen door twee kapsters. In de ruimte ernaast zijn twee andere kapsters twee mannen aan het scheren. Op de ramen/muren staat HOOGKATHARIJNE, STATIONSKAPPER en 4711. Van Genk toont hier een voor hem uiterst opwindende (en dus zeer persoonlijke) scène, die ook in narratieve zin een voortzetting zou kunnen zijn van de afbeelding van de vrouw bij de Datsun: ze stapt uit de auto bij een kapper en laat daar haar haar wassen.

Rond het tafereel in de kapperszaak zijn drie tondo’s aangebracht die er inhoudelijk weinig verband mee lijken te hebben: de afbeeldingen links (kleiner) en rechts zijn vrijwel identiek en tonen een koetsier op de bok van een koets, met op de achtergrond een gebouw met een toren. [2] De koetsier draagt een zwarte jas, een hoge hoed en een bril. Het middelste tondo toont twee kussende vrouwen, waarschijnlijk op een vliegveld: boven hen staat de tekst KLM SCHIPHOL, ernaast LUFTHANSA, SOVIET AIR, EL AL air, POLSKI AIR en IBERIA. Zowel de koetsier als de kussende vrouwen (met lang haar) lijken een kledingstuk te dragen dat voor Van Genk eveneens een seksuele lading had, een lange plastic regenjas of raincoat.

Is de seksuele lading van sommige afbeeldingen in het onderste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg impliciet, de teksten zijn dat minder. MENSCH UND SEXUALIÄT DR. FRIEDRICH DAMASKOW staat links van het kleinste koetsier-tondo, met daaronder GAY-INT. [3] Ook andere teksten in dit deel van het werk verwijzen specifiek naar (homo)seksualiteit, vrijwel steeds in een Duitse context. Links naast het tondo met de kussende vrouwen staat RWV BERLINER SCHWULEN ’81 der ROSA WINKEL VERLAG, rechts onder andere PRINZ EISENHERZ en HIRSCHFELD. Respectievelijk gaat het daarbij om een Duitse uitgeverij en een boekhandel in Berlijn die voortkwamen uit de Duitse homobeweging, en een Duitse seksuoloog wiens werk onder meer gericht was op de emancipatie van homoseksuelen (Magnus Hirschfeld).

ZZN - homoseksualiteit

Middelste foto: in het appartement van Willem van Genk

Elders in Zelfportret – Zwakzinnigennazorg treffen we eveneens tekstuele verwijzingen naar homoseksualiteit aan. Het meest opvallend zijn uiteraard de prominente roze en paarse driehoeken in de zes rood-gele vlakken met voornamelijk tekst. Homoseksuelen als groep lijken door Van Genk te worden geschaard in het kamp van de onderdrukten, net als ‘onvolwaardige’ zwakzinnigen. Zijn verhouding tot homoseksualiteit was complex en komt onder meer naar voren in De grote naïeven (ca. 1975) en Pink Pronkjewail (ca. 1985). Na de deceptie van het communisme zocht Van Genk een andere groepering waar hij bij kon horen, en in combinatie met twijfels over zijn seksuele identiteit dacht hij die in de jaren zeventig en tachtig gevonden te hebben in de homobeweging. Op Zelfportret in De Ark staat te lezen “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Nico van der Endt, naar aanleiding van de tekst: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee nee, dat was een vergissing”.’ [4]

ZZN - signatuur

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is gesigneerd in het vlak met paarse driehoeken onder de centrale afbeelding.  Naast het logo met zijn naam, woonplaats en het jaartal 1975, is een plakbanddoosje met een stuk plakband afgebeeld: NITTO Plastic Tape Highest Quality. Willem van Genk toont zich in dit zelfportret een kunstenaar die gebukt gaat onder kwalificaties van onvolwaardigheid of zwakzinnigheid, die worstelt met zijn seksuele driften en twijfels, en die het Amerikaans/Japanse kapitalisme beschouwt als de boze macht achter de sloop van monumentale gebouwen. Tegen de macht van dat kapitalisme is hij echter niet opgewassen, hij is er zelfs van afhankelijk. De Nitto-tape is Made in Japan, de kunstenaar kan niet anders dan werken met het materiaal (tape, verf, lak, spijkertjes, boardplaten) dat hem wordt verstrekt door het grootkapitaal dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zijn stad. [5]


NOTEN

[1] Bouwen in het Derde Rijk is de Nederlandse vertaling van Das Bauen im Neuen Reich uit 1943 van kunsthistorica Gerdy Troost, echtgenote van nazi-architect Paul Troost.

[2] In het rechter, iets meer gedetailleerde tondo staan boven de koets de letters C.R.M.

[3] In de reeks Mensch und Sexualität van uitgeverij Wilhelm Heyne verscheen in 1972 als nummer 25 Fetischismus. Abart oder Stimulans van de Duitse seksuoloog Friedrich Damaskow. Mogelijk was dit één van de boeken die Van Genk leende van zijn psychiater Hans Grelinger. In de woorden van zuster Tiny in de documentaire Ver van huis: ‘En dat Wim … die heeft zijn probleem, hij heb een probleem … en dat heeft-ie in de boeken … die dokter, die psychiater die die eerst had, die is ook al een tijdje dood, en die begreep ‘m, en die gaf ‘m zíjn boeken, want Wim was ‘r zuinig op, en dan mocht-ie lezen of zijn probleem misschien in die boeken … dat-ie dat … dat het daarin stond, maar die dokter zei tegen mij: het bestaat, dat probleem, maar niet in de … hij heb ’t heel erg, hè? Zijn mensen die het hebben …  hairfetiïsme, hè? … die dat hebben, maar hij heb ’t heel erg.’

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[5] Het LaM in Lille bezit een aantal documenten van Van Genk met aantekeningen van of voor zijn buitenlandse reizen. Een van deze documenten heeft betrekking op een bezoek aan Berlijn in de zomer van 1981 en vermeldt onder meer ‘Buchladen Prinz Eisenherz’ en ‘”Fetischismus” Abart oder Stimulans / Dr. Friedrich Damaskow’.

Zwakzinnigen nazorg (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen.

ZZN - detail 001b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wordt het centrale portret van Willem van Genk geflankeerd door twee vlakken waarop de sloop van gebouwen is afgebeeld. Links (vlak 2) zien we een kerk die wordt afgebroken. [1] Uit de muren die nog overeind staan steken metalen spijlen, enkele glas-in-lood ramen lijken nog intact. Aan de linkerkant is de arm van een kraan met een sloopkogel te zien, op een muur bevinden zich vijf bouwvakkers in overall met hamers en houwelen. Op een schutting staat in witte letters AANN. BEDRIJF de WILDE B.V. met daaronder SLOOP, waarbij de twee O’s in een gezichtje met bril zijn verwerkt. Rechts staat op een schutting, eveneens in witte letters, HIER KO BEJAARD HUIS RK, daaronder in blauwe letters WANTED en daar weer onder in geel, groen en bruin van 8t. Naast de afbeelding staat in ballpoint: Monumentensloperij in Nederland; Wat stelt de zg Heemschut-serie in de praxis voor? Kunst voor wie? Afbeelding: de sloping der Haagse St Jozefkerk, armen wijk … [2]

De rechter afbeelding (vlak 3) toont eveneens een gebouw dat wordt afgebroken, met op de achtergrond het skelet van een nieuw gebouw. Naast het gebouw in afbraak staat een kraan op rupsbanden met een sloopkogel, met op de cabine de tekst MADE in USA. De kogel heeft een bres geslagen in het slooppand, één muurdeel lijkt om te vallen. In de graffiti op het gebouw is SLOOP ZIONISM en twee keer SLOOP te lezen. Het blauw skelet van het nieuwe gebouw draagt links de tekst Hier komt Louwman N.V., rechts DATSUN CENTER en daartussen enkele Oosters aandoende karakters met daaronder NISSAN. Boven DATSUN CENTER staat, moeilijk leesbaar, Parqui b.v. en E.V.N. Louwman & Brouine. De tekst in ballpoint naast de afbeelding: Haage huizen en gebouwen / 7 eeuwen bouwkunst in de hofstad … 7 eeuwen sloop en afbraak / het sanneeringsmonster Binnenhof …

In haar interpretatie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wijst Ans van Berkum op het belangrijke motief van ‘de sloop en opbouw van zijn stad Den Haag; een activiteit die [Van Genk] meestal met scepsis beschouwt’. [3] Inderdaad had de kunstenaar grote moeite met de veranderingen in Den Haag, de stad waar hij vrijwel zijn gehele leven woonde. De ingevoegde tondo’s in de beschreven vlakken kunnen nader licht werpen op de context van die veranderingen in zijn werk. Aan de linkerkant beginnen we nog een stap eerder met de afbeelding in vlak 7. Ook hier is een kerk afgebeeld die wordt afgebroken, het uiteinde van een kraan met een sloopkogel komt boven het gebouw uit. Op de achtergrond zijn de contouren te zien van een bouwskelet, rechtsboven is een tekst toegevoegd: den Haag afbraak Regentessekerk 74, met eronder op last v. CRM.

De Regentessekerk was een hervormde kerk die aan het Regentesseplein in stond. De kerk werd tussen 1899 en 1901 gebouwd, sloot in het begin van de jaren zeventig haar deuren wegens teruglopend kerkbezoek en werd in 1974 gesloopt. De Sint-Josephkerk in het vlak eronder was een rooms-katholieke kerk in de Schilderswijk in Den Haag die tussen 1886 en 1888 werd gebouwd. Ook hier was teruglopend kerkbezoek er de oorzaak van dat de kerk in 1971 werd gesloten en in 1974-1975 gesloopt. Of het gebouw in vlak 3 eveneens de Sint-Josephkerk voorstelt, is onduidelijk, al wordt dit wel gesuggereerd door de symmetrie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.

ZZN - Afbraak Jozefkerk

Ca. 1975, afbraak Sint-Josephkerk (foto: J.H. van As )

Het tondo linksboven in vlak toont de Sint-Josephkerk vóór de sloop – thans gesloopt staat in vage letters boven het dak van het middenschip. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in groene letters tegen een oranje achtergrond: OPENBAAR KUNSTBEZIT N.T.S. B.R.T. RADIO T.V. HAAGSCHE HUIZEN EN GEBOUWEN V.V.V. [onleesbaar] ABBONNEEER U OP [onleesbaar]. Rondom de buitenrand staat in gele letters eveneens een tekst: den HAAG en WIJ BOUWEND ’s GRAVENHAGE … IN BEELD RE [onleesbaar] V.V.V. [onleesbaar]. Vanuit dit tondo wijst een groene pijl naar de afbeelding eronder, opnieuw een tondo met de Sint-Josephkerk maar nu inclusief de arm van een kraan met een sloopkogel (opschrift: MADE IN USA) die een bres heeft geslagen in het dak van het middenschip. Rond het tondo staat in rode letters de tekst van STADVERNIEUWERIJ TOT STADVERNIELERIJ STICHTING: BEJAARDENHUIS REVALIDATIE … Een uitgaande groene pijl wijst naar de hoofdafbeelding in vlak 2, waar de sloop van de kerk in volle gang is.

ZZN - detail 002b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk verwijt landelijke en vooral lokale bestuurders dat zij monumenten slopen, zo lijkt het, met als voorbeeld de Sint-Josephkerk. Vanuit de hoofdafbeelding in vlak 2 loopt een pijl naar een derde tondo, waarin een tekenaar of architect aan het werk is. Op het vel papier voor hem staat een lijnenstructuur met daarboven de teksten AFD. SLOOPKERKEN ’74, BLUE PRINT ’75 en GEM. WERKEN. Boven hem hangt aan de muur een afbeelding van een halfnaakte vrouw met de teksten BROADWAY en show biz ness. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in blauwe letters tegen een witte achtergrond: van HOUTEN HAM tot BALLAST NEDAM RECONSTRUCTIEPLAN ’s GRAVENHAGE B.V. OPENBAAR KULTUURBEZIT ’74-75 STICHTING BEJAARDENHUIS A [onleesbaar]. Rondom de buitenrand, in gele letters: IN HET GOUDEN ATOOMTIJDPERK PANIEKRAPORT 034 CALCAR PRESTIGE OBJECTEN [onleesbaar].

Dat de kranen die de sloopwerkzaamheden uitvoeren het opschrift MADE IN USA krijgen, is de meest directe uiting van de opvatting (van Van Genk) dat het kapitalisme ten grondslag ligt aan de vermeende afbraakwoede van de gemeente. In dat opzicht is ook de ‘decadente’ afbeelding aan de muur van de tekenaar veelzeggend. Handlanger van de Verenigde Staten is in dit wereldbeeld Japan, meer in het bijzonder de Japanse auto-industrie. De afbeelding aan de rechterzijde van het centrale portret wordt nu duidelijker: een modern gebouw van Datsun/Nissan is in aanbouw vlak naast de plaats waar een monument wordt gesloopt. De namen Louwman en Parqui, Haagse importeurs van Japanse auto’s, zorgen voor de connectie met de gemeentepolitiek.

ZZN - detail 003b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk laat weinig misverstanden bestaan over relaties die er zouden zijn tussen verschillende, in zijn ogen abjecte praktijken. Hij schildert een groene pijl tussen de nieuwbouw van Datsun/Nissan en een tondo met zes Arabische mannen, die lachend een rund de keel doorsnijden. Aan de pijl voegt hij bovendien een stralende zak met een dollarteken toe – Amerikaans geld, het kapitalisme, is de oorzaak van alle kwaad. Aan de binnenrand van het tondo staat met rode letters tegen een gele achtergrond LEVE DE DIERENBESCHERMING MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR ’74. Rondom de buitenrand, in rode letter: WORLDRELIGIËNS DIE BIROBIDSJANER STERN DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME S.O.S. Dus: de auto-industrie is een symptoom van dat kapitalisme, het kapitalisme is een vorm van fascisme (MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER), het kapitalisme heeft een verbond gesloten met de Arabische wereld (FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR), de zwaksten van de samenleving – hier: dieren – zijn vooral het slachtoffer (LEVE DE DIERENBESCHERMING), het conflict in het Midden-Oosten is een strijd tussen kwaad en goed (DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME) en ook in de Sovjet-Unie woedt deze strijd, rond de Joods-autonome enclave Birobidzjan (DIE BIROBIDSJANER).

Met de twee andere tondo’s in vlak 3 wordt aangegeven dat er ook een relatie is tussen de auto-industrie en de Sovjet-Unie. Van Genk verwijst in het meest rechtse tondo naar Toljatti, een stad aan de Wolga die ook wel de ‘autohoofdstad van Rusland’ werd genoemd. De in Toljatti gevestigde fabriek AvtoVAZ, waar onder andere Lada’s werden geproduceerd, werkte sinds het begin van de jaren zeventig samen met Fiat. Kapitalisme en communisme zijn daarmee één pot nat (MULTINATIONALS AN DER WOLGA). Het andere tondo brengt vervolgens ook het communisme weer in verband met de afbraak van monumenten (ZERSTÖRT BERLINER STADTSCHLOSS DDR), evenals het fascisme (BEELD UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG DE VERNIETIGING VAN […] CENTRUM VAN WARSCHAU).

De houding ten opzichte van landen als Duitsland en de Sovjet-Unie is bij Van Genk een dubbele: ze schrikken af en trekken aan. Vijf van de zes vlakken in het bovenste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bevatten steeds in tekst of beeld verwijzingen naar vliegtuigen of vliegreizen in combinatie met de reeds genoemde landen. Met name de Sovjet-Unie (of in bredere zin Oost-Europa) lijkt aantrekkingskracht uit te oefenen. Vanaf het midden van de jaren zestig, als hij zelf waarschijnlijk zijn eerste vliegreizen heeft gemaakt, is luchtvaart sterk vertegenwoordigd in het werk van Van Genk. Er is een nadrukkelijk verband met het autobiografische motief: de in vlak 1 prominent genoemde VERENIGING NEDERLAND USSR (VERNU) organiseerde reizen waarmee belangstellenden per vliegtuig de Sovjet-Unie konden bezoeken. Van Genk maakte hier veelvuldig gebruik van, ook nog nadat de communistische heilsstaat voor hem van haar voetstuk was gevallen.


 

NOTEN

[1] De nummers van de vlakken corresponderen met die in het schema uit het eerste deel van deze analyse.

[2] De Heemschutserie was een serie boekjes die tussen 1940 en 1954 verscheen. De verschillende delen gingen over specifieke steden of dorpen, dan wel aspecten van architectuur, volkskunst of landschap. In 1943 verscheen als deel 27 De historische schoonheid van ’s-Gravenhage, door Hendrik Enno van Gelder.

[3] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 48-49.

Zwakzinnigen nazorg

SH190.tif

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg | ca. 1980 | gemengde techniek op hardboard | 94,5 x 105 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

Willem van Genk beeldde zichzelf meerdere malen af in zijn schilderijen, maar hij maakte in ieder geval twee werken die als zelfportretten te boek staan: Zelfportret in De Ark (ca. 1974) en Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978). In de catalogus van de overzichtstentoonstelling bij Galerie De Ark in 1976 stond Zelfportret in De Ark prominent afgebeeld op pagina 2 – Van Genk maakte het werk naar aanleiding van onder meer een expositie die hij in 1974 in die galerie had. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg kwam in de catalogus uit 1976 nog niet voor. Eind 1976 verhuisde Van Genk naar Galerie Hamer van Nico van der Endt. Van der Endt was ook degene die later de titel Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bedacht: Van Genk zelf gaf zijn werken zelden titels, het was meestal aan galeriehouders of organisatoren van tentoonstellingen om die te verzinnen. Omdat het duidelijk om een zelfportret ging, met als meest in het oog springende woorden ZWAKZINNIGEN NAZORG, hoefde Van der Endt niet lang na te denken. [1]

Het werk was pas eind 1989 voor het eerst te zien zijn, als onderdeel van een tentoonstelling ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van galerie Hamer. In een uitgebreide recensie in NRC Handelsblad noemt Renée Steenbergen Van Genks zelfportret het ‘klapstuk van de expositie’:

Het grote paneel is een collage van talrijke kleinere voorstellingen […]. Zo ontstaat een overweldigende opeenhoping van taferelen die tezamen het ‘moderne leven’ aanduiden. In het midden is Van Genks zelfportret afgebeeld, met eronder de tekst ‘Zwakzinnigennazorg’ en erboven ‘Vereniging Nederland USSR’. Als ‘inzetje’ is er een mini-stilleven van pannen en vazen. Ook zijn er omkaderde, schijnbaar op zichzelf staande tafereeltjes als vier oliesjeiks rond een tafel, een opstijgend vliegtuig, een gotische kathedraal, een rij koetsen, gebouwen in aanbouw of juist rijp voor de sloop, en veel tekst. De woorden benadrukken de maatschappelijke gerichtheid van de geschilderde voorstellingen: ‘dierenbescherming’, ‘openbaar kunstbezit’, ‘Mein Kampf, een literaire bestseller’. [2]

Het zelfportret werd door een particulier aangekocht voor fl. 15.000, om in 1990 aan de Stichting Museum voor Naïeve Kunst te worden geschonken. [3]

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is symmetrisch opgebouwd en bestaat uit vijftien vlakken, elk met een afzonderlijke voorstelling. Binnen de vlakken zijn soms kleinere vlakken ingevoegd, wat het totale aantal voorstellingen op zevenentwintig brengt. Het centrale vlak 1, het daadwerkelijke zelfportret, bevat een ander schilderij (1a) en een tondo (1b). Links en rechts van het centrale vlak zijn twee verticale vlakken (2 en 3), elk met drie tondo’s (resp. 2a t/m 2c en 3a t/m 3c). Aan de bovenzijde van het werk bevinden zich twee horizontale stroken, elk verdeeld in een langwerpig middenstuk (5 en 8) met links en rechts een kleiner vlak (4 en 6 naast 5, 7 en 9 naast 8). Aan de onderzijde van het werk is de situatie vrijwel identiek: twee horizontale stroken, elk verdeeld in een langwerpig middenstuk (11 en 14) met links en rechts een kleiner vlak (10 en 12 naast 11, 13 en 15 naast 14). Het enige verschil met de bovenzijde is een viertal tondo’s (14a t/m 14d) in vlak 14.

Schema ZZN

Net als bij veel andere werken vanaf ca. 1965 bestaat Zelfportret – Zwakzinnigennazorg uit een aantal met olieverf beschilderde boardplaatjes die door middel van spijkertjes zijn samengevoegd. Het lattenframe waarop Van Genk zelf het geheel van boardplaatjes bevestigde, is eind jaren tachtig verwijderd door een lijstenmaker. In de plaats van het frame werd toen een zwarte plaat van multiplex achter de boardplaatjes aangebracht. [4] De voorste boardplaat bevat vlak 1. Vlakken 2 en 3 bevinden zich daarachter, elk op een eigen plaat. Weer een niveau verder terug zijn de platen met de vlakken 8 en 11, die op hun beurt weer hoger liggen dan de plaatjes met 7 en 9, en met 10 en 12. Op het diepste niveau bevinden zich aan de bovenkant een plaat met de vlakken 4, 5 en 6; en aan de onderkant een plaat met de vlakken 13, 14 en 15. Er is daarmee in totaal sprake van 11 boardplaatjes.

Naast olieverf is gebruik gemaakt van ballpoint, opgeplakte stukjes papier en lak. Met ballpoint zijn teksten aangebracht, vaak lastig leesbaar. De opgeplakte stukjes papier maken onderdeel uit van de afbeeldingen en zijn moeilijk als zodanig te herkennen. Lak is gebruikt om delen van de afbeeldingen te accentueren, zoals water, glas en metaal, maar ook bij voorbeeld het gezicht van de kunstenaar in vlak 1. De boardplaatjes zijn aan de randen, met name bij de hoeken, soms in lichte mate afgesleten. Hoewel de achterkant van het werk niet meer zichtbaar is, laten enigszins vergelijkbare werken zien dat de boardplaatjes soms vrij ruw zijn afgezaagd en dat de spijkertjes aan de achterkant krom zijn geslagen. [5] Aan de voorkant steken de spijkertjes hier en daar nog uit, zoals rechtsboven in vlak 11.

Inlijsting Grote Naïeven

Inlijsting De grote naïeven in 2009

Vlak 1 bevat het daadwerkelijke zelfportret van Van Genk in halfprofiel. Van Genk is gekleed in een bruin ribcord colbertjasje met daaronder een roodbruine pullover, een groengeruit overhemd en een oranje stropdas met rode en blauwe strepen. Hij draagt een bruine hoornen bril, zijn haar is achterovergekamd. Rechts achter hem bevindt zich een oudere, kale man die een oberskostuum lijk te dragen met een zwart jasje, wit overhemd en vlinderdasje. Hij tapt een kop koffie uit een groot koffieapparaat (MADE IN ITALY EXSPRESSO) en rookt een sigaret – de rookkringel vormt de tekst fifty fifty, de damp uit het koffieapparaat het woord erzatzt. Achter de twee personen hangen op een groen betegelde muur drie bordjes: op de rechterwand boven het koffieapparaat een reclame voor 7UP, op de achterwand een reclame voor Coca-Cola en een vergunning voor horecagelegenheden (VERLOF B alcoholvrije dranken). Links achter Van Genk hangt aan de muur een apparaat met de verticale tekst R O N S O N S E R V I C E. Daarnaast staan twee vlaggenstokken met de vlaggen van Nederland en de Sovjet-Unie. Een laatste onderdeel van de afbeelding vormt een witte banier boven de hoofden van de personen, met in zwarte letters de tekst VERENIGING NEDERLAND USSR ’75.

Aan de afbeelding is een aantal teksten toegevoegd. Vóór Van Genk bevindt zich een lichtgroen gearceerde, papieren strook met de tekst ZWAKZINNIGEN NAZORG. De strook is over de hoofdafbeelding geplakt. Half over de banier aan de bovenzijde staat in bruine letters de tekst ADOLF WARSCHAUER DEUTSCHE KULTURARBEIT IN DER. Daar weer boven staat in rode letters links NAÏVEN … en rechts … POSTER. In kleinere oranje letters staat daartussen NEDERLAND LET OP UW SAEK! Links en rechts naast die laatste tekst zijn twee halfronde papieren stroken in de afbeelding geplakt met, in rode letters tegen een lichtgroen gearceerde achtergrond, DIE POLITISCHE PLAKATE en VON KLAUS STAECK …. 471. Binnen de eerste strook staat in rode letters de tekst DUISBURGER SEZESSION, met in kleiner blauwe letters tussen de beide woorden HAMBURGERS. Binnen de tweede strook staat in rode letters DÜSSELDORFER AUSSTELLUNG. [6]

De eerste ingevoegde afbeelding (1a) betreft een schilderijtje met enkele voorwerpen op een bruin vlak tegen een lichtblauwe achtergrond. Het schilderijtje bevindt zich op een afzonderlijk stukje papier dat deels over de hoofdafbeelding, deels over de strook met ZWAKZINNIGEN NAZORG is geplakt. Op de lijst van het schilderijtje staat links onder Stilllife en rechtsonder P.A. Persoon (’69). Linksboven staat tegen de blauwe achtergrond KULTURAH. De tweede ingevoegde afbeelding (1b) is een tondo met een zaal, mogelijk een synagoge of theaterzaal, met publiek en met op de achtergrond de vlag van Israël. Om de blauwgroene rand van het tondo staat in dezelfde kleur een onleesbare tekst.

ZZN boeken

Een aantal motieven van het werk wordt in dit centrale vlak neergezet. Boven alles geeft de voorstelling aan dat het hier om Willem van Genk zélf gaat – de persoon van de kunstenaar staat in meerdere opzichten op de voorgrond. De setting van het eigenlijke zelfportret lijkt die van een horecagelegenheid te zijn, gezien de frisdrankreclames, het koffieapparaat, de kleding van de man achter Van Genk en natuurlijk het vergunningsbordje. In de verschillende opschriften wordt verwezen naar met name kunst, politiek en het buitenland, in het bijzonder Duitsland en de Sovjet-Unie. Het ingevoegde stilleven van P.A. Persoon – Van Genks zwager Peter Persoon, de echtgenoot van zijn zuster Addy [7] – past bij het kunstmotief, de functie van het tondo met de Israëlische vlag blijft vooralsnog onduidelijk.

Dit is het eerste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2016 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.


 

NOTEN

[1] Mededeling Nico van der Endt.

[2] Renée Steenbergen, “Outsiders”, in: NRC Handelsblad Cultureel Supplement, 22 december 1989.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63.

[4] Informatie over werkwijze en geschiedenis afkomstig van Nico van der Endt.

[5] In februari 2016 werd een drietal werken van Stichting Collectie De Stadshof opnieuw ingelijst. Tijdens dit proces was het mogelijk om onder meer de achterkanten van de werken in detail te bestuderen. Het ging om Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, Het project Asbery – Havanna (ca. 1970-1980) en Vallei de los Caydos (1986). Daarnaast is de inlijsting van De grote naïeven (ca. 1975) gefotografeerd, dat in 2009 van een vergelijkbare achterplaat werd voorzien.

[6] De DUISBURGER SEZESSION was (en is) een Duitse groep kunstenaars, waarvan een groot aantal leden een opleiding aan de kunstacademie in Düsseldorf had gevolgd. DIE POLITISCHE PLAKATE VON KLAUS STAECK … 471 heeft betrekking op de discussie rond Duitse kunstenaar Klaus Staeck, wiens politieke prenten en posters in het midden van de jaren zeventig aanleiding waren tot in de media breed uitgemeten controverses. 471 is het nummer van de postbus van Staeck in Heidelberg, tevens het adres van zijn uitgeverij. Staeck was een van de initiatiefnemers van de kunstbeurs IKI in Düsseldorf, waar in 1974 werk van Van Genk werd getoond.

[7] Het afgebeelde werk bevond zich in de woonkamer van Van Genk (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 49). Het werk is inderdaad te zien in de documentaire Ver van huis.

Op weg naar het einde

Walda & WvG bij Leyenburg

Willem van Genk met Dick Walda bij ziekenhuis Leyenburg

In 1997 publiceerde Dick Walda Koning der stations. Episoden uit het leven van Willem van Genk. Zestien jaar eerder had hij kennisgemaakt met de kunstenaar en hij was langzaam uitgegroeid tot diens ‘onbezoldigd chauffeur, mantelzorger en praatpaal’, in zijn eigen woorden. Van Genk was in de loop der jaren meer en meer op Walda gaan steunen naarmate het bestaan moeilijker voor hem werd. In de periode 1996-1997 werd hij driemaal opgenomen in een psychiatrische inrichting en waren er ziekenhuisopnames als gevolg van enkele kleine herseninfarcten. De hulp van Walda was in deze jaren onontbeerlijk, ook omdat Van Genks zorgzame zuster Tiny de tachtig al was gepasseerd en zij bovendien moeilijk met de eigenaardigheden van haar broer om kon gaan.

Koning der stations was het eerste boek over Willem van Genk – geen monografie, aangezien het menselijke aspect centraal staat en het kunstenaarschap van Van Genk maar zijdelings aan bod komt. De kern wordt gevormd door de gebeurtenissen rond de opnames in psychiatrische inrichting Bloemendaal en ziekenhuis Leyenburg, maar er zijn ook interviews met zuster Tiny, met Nico van der Endt en met de kunstenaar zelf (‘Willem van Genk spreekt’). Daarnaast beschrijft Walda hun kennismaking, citeert hij uit de correspondentie en vertelt hij enkele anekdotes uit vroeger jaren. Omwille van de leesbaarheid is de taal van Van Genk enigszins aangepast en drukt hij zich bij Walda samenhangender uit dan in werkelijkheid het geval was – leert ook het meer letterlijk uitgeschreven interview dat Van der Endt in 1986 met hem hield. [1]

Verstaanbaarder nog is Van Genk in Walda’s hoorspel over hem dat op 30 augustus 1998 werd uitgezonden bij de IKON en eveneens de titel Koning der stations had. Theo Menting nam de stem van Van Genk voor zijn rekening, in een verhaal dat gebaseerd is op het leven van de kunstenaar maar waarbij de schrijver zich de vrijheid had gepermitteerd om gebeurtenissen te fictionaliseren en/of dramatiseren. Van Genk spreekt in het hoorspel tegen zijn psychiater waarbij episoden uit zijn verleden voorbijkomen zoals zijn bezoek aan prostituee Rina en zijn verblijf in het AVO-pension van Troekie Spigt (ook in werkelijkheid de naam van de pensionhoudster). In andere scènes komen personages voorbij als een opticien, een politieagent, een rechter, de directeur van het verpleeghuis waar Van Genk verblijft, een pastoor en zelfs zijn moeder.

De regie van het hoorspel was in handen van Jan Keja. Ook samen met Keja begon Walda in 1998 aan de documentaire Ver van Huis. Een zoektocht naar het werk en leven van Willem van Genk, die op 31 oktober 2001 door de IKON werd uitgezonden in de reeks Werelden. In Ver van huis is Van Genk een oude, hulpeloze man die na zijn herseninfarcten niet meer kan werken en zich nog maar met moeite verstaanbaar weet te maken. Te zien is hoe Walda hem komt ophalen uit het ziekenhuis; hoe het appartement van Van Genk, die niet meer voor zichzelf kan zorgen, wordt leeggehaald; en hoe Walda nog één keer met de kunstenaar Arnhem bezoekt. Tegen het einde van de documentaire wordt Van Genk ontvangen in museum De Stadshof in Zwolle bij de opening van de grote overzichtstentoonstelling van zijn werk. De kunstenaar arriveert per trein in een rolstoel, omgeven door enkele vrienden en familieleden. Wat het hoogtepunt van zijn leven had moeten zijn, lijkt voor hem te laat te komen.

VvH 002

Stills uit Ver van huis. Boven: met Dick Walda in de trolleybus in Arnhem. Midden: zus Tiny en nichtje Irene Zalme tijdens het ontruimen van het appartement aan de Harmelenstraat. Onder: met fotograaf Mattheus Engel in zijn kamer in Huize Walcott

Ver van huis is een uniek document. De documentaire bevat zeldzaam beeldmateriaal van Van Genk zelf, daarnaast zijn er interviews met onder anderen Joop Beljon, Pieter Brattinga, zusters Tiny en Jacqueline, nicht Irene Zalme, Nico van der Endt en curator An Remmerswaal. Ook is vrijwel integraal de reportage opgenomen die Brandpunt in 1964 maakte naar aanleiding van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid. Walda ter inleiding van die beelden:

Hij is door de familie … getolereerd, dat is eigenlijk het beste woord daarvoor. Maar toen die familie ontdekte dat Willem een bijzonder talent had, en zelfs zomaar toegelaten werd tot de Haagse kunstacademie – en dat was in die tijd, ik heb het over de jaren vijftig, dat was meteen … was-ie vier plaatsen hoger in de hiërarchie. Haagse kunstacademie, dat was toen een begrip, als je daarop kon en zomaar, dan was je iemand. Dus die familie begreep dat die Willem van Genk, die broer toch een heel bijzonder mens was.

Na de Brandpunt-reportage komt Joop Beljon anno 1998 aan het woord die nog eens zijn beslissing verdedigt om in 1964 voor de tekeningen van Van Genk prijzen te vragen die indertijd veel te hoog werden gevonden. Hij acht zijn toenmalige pupil nog steeds zeer hoog:

Kijk, d’r is namelijk ook in die schilderijen hè, als ik gewoon eerlijk zeg hè, daar hangt een doem over, daar hangt de dreiging van het bijna verliezen van je verstand hangt daar overheen, en die vent is zo groot als schilder dat-ie dat zonder dat-ie het zelf weet, dat-ie dat uitdrukt. Het drukt een imménse triestheid uit, eigenlijk veel triester dan Van Gogh ooit heeft kunnen doen met die boertjes die die schilderde, met zo’n … met ‘De aardappeleters’ of zo. En dat kunnen uitdrukken met een stad, dat is nogal wat. Dat is heel bijzonder in de hele kunstgeschiedenis.

Ook Brattinga is nog altijd vol lof over Van Genk, al waarschuwt hij Walda wel dat deze voorzichtig moet zijn met zijn documentaire: ‘Ik vind ook, jullie moeten niet te veel peuren uit zo’n man, en speciaal niet als-ie nog in leven is. […] Je moet die man respectvol, binnen z’n eigen gedachtewereld behandelen.’

In het laatste kwartier van Ver van huis laat Walda zien hoe Van Genk, die het redelijk goed lijkt te hebben in zijn nieuwe onderkomen Huize Walcott, gedwongen wordt te verhuizen naar een ander pension. Walda laat An Remmerswaal die beslissing toelichten, waarbij zij duidelijk zijn sympathie niet heeft. [2] Buiten het bestek van de documentaire viel een laatste verhuizing in december 2002 naar een medisch verzorgingstehuis. Walda en Van der Endt kregen van An Remmerswaal het verzoek om Van Genk daar niet meer te bezoeken – een verzoek dat ze negeerden. [3]

Willem van Genk overleed op donderdag 12 mei 2005 aan complicaties van een longontsteking. De organisatie van de begrafenis op woensdag 18 mei was in handen van An Remmerswaal. Voorafgaand aan de teraardebestelling was er om 13:00 uur een mis in de Sint Agneskerk aan de Beeklaan in Den Haag; het motto van de liturgie was ‘Eindelijk thuis’. Ans van Berkum hield in de kerk een toespraak namens de Stichting Willem van Genk, Dick Walda verbleef in het buitenland, Nico van der Endt kwam wel naar de uitvaart maar weigerde de mis bij te wonen. [4] Aanwezig waren verder zo’n twintig personen onder wie zuster Tiny, de twee dochters van Nora van Genk, de zoon en dochter van Riet van Genk, Marcel van Eeden (kunstenaar), Jan Vellekoop (collectioneur) en Eric Denig (bestuurslid van de Stichting Willem van Genk). Afwezig waren Jacqueline van Genk, die nooit naar begrafenissen ging, en de twee dochters van Agnes van Genk, die niet waren uitgenodigd.

van genk 009

Foto’s: Marcel van Eeden

Na de mis was om 15:00 uur de begrafenis op begraafplaats St. Barbara aan de St. Barbaraweg. Marcel van Eeden maakte enkele foto’s; toen Jan Vellekoop hem vroeg of dat wel mocht, was het antwoord: ‘Hier wordt een groot kunstenaar begraven!’ Van Genk werd overledene 1 in een graf met nummer 2aL215h, aan de oostzijde van de begraafplaats. Zuster Tiny had bedacht dat er een familiegraf zou moeten komen voor Willem, Jacqueline en haarzelf en was al begonnen dit te regelen. An Remmerswaal besliste anders. Het graf van Willem van Genk werd in 2017 geruimd. [5]

Grafsteen 002

Foto: Nico van der Endt


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 11-103 (steeds in het midden van de pagina). Van der Endt noemt Koning der stations ‘een levendig, sociaal verslag’ van Walda’s contacten met Van Genk: ‘Zelf wordt Willem sprekend geciteerd in wat aangepaste taal. […] Uit het boek blijkt, dat hij tegenwoordig wat makkelijker spreekt tegen Walda dan tegen mij. Vertrouwt hij hem meer of voelt hij zich wat meer op zijn gemak bij de socialist dan bij de wat liberalere galeriehouder?’ (Kroniek van een samenwerking, p. 111)

[2] ‘Intussen heeft de curator onenigheid gekregen met de pensionhoudster van Willem en er wordt besloten hem elders onder te brengen, volgens Dick Walda tegen de zin van Willem die het goed met de pensionhoudster kan vinden. […] Zijn betrokkenheid gaat zover, dat hij de curator voor het gerecht daagt – echter tevergeefs.’ (Ibid., p. 121)

[3] Cf. ibid., p. 125,

[4] Van der Endt was van mening dat alle katholieke rituelen dwars stonden op de overtuigingen die Van Genk er tijdens zijn volwassen leven op nahield. ‘Ik zie de sticker weer voor mij die hij prominent in zijn appartement had aangebracht: ‘Vaticaan is Fascisme’.’ (Ibid., p. 127)

[5] Met dank, voor informatie en documenten, aan Marijke Bijmans, Marcel van Eeden, Nico van der Endt, Albert Roozenburg, Jan Vellekoop, Dick Walda en Irene Zalme.

Düsseldorf revisited

DNicolas-981010-van Genk-29A

Dick Walda, Nico van der Endt en Willem van Genk in Museum De Stadshof bij de opening van de tentoonstelling Willem van Genk: een getekende wereld, 10 oktober 1998. Foto: Daniël Nicolas

De kunstenaarscarrière van Willem van Genk kwam pas laat van de grond. In 1964 leek het er voor hem, na de frustrerende periode in de AVO-werkplaats, op 37-jarige leeftijd dan toch eindelijk van te gaan komen. De tentoonstelling bij Steendrukkerij De Jong & Co. had weliswaar geen verkoop van werk tot gevolg maar genereerde wel veel publiciteit, met onder meer een interview met Bibeb in Vrij Nederland en een televisiereportage in het actualiteitenprogramma Brandpunt. In de zomer van dat jaar was er de deelname aan de prestigieuze groepstentoonstelling Nieuwe Realisten in het Haags Gemeentemuseum, in het najaar de tweede solo-expositie bij de galerie van Alfred Schmela in Düsseldorf waar wél werk werd verkocht.

Daarna ging het zo’n tien jaar bergafwaarts, door een combinatie van factoren. Pieter Brattinga bleek niet de juiste persoon te zijn om de artistieke belangen van Van Genk te behartigen, maar werd desalniettemin lange tijd niet aan de kant geschoven. De familie van de kunstenaar wist niet op de juiste manier om te gaan (of wilde dat niet) met de zakelijke kant van het verhaal. Van Genk zelf was niet in staat om adequaat voor zichzelf op te komen en kon bovendien moeilijk afstand doen van zijn werk. De kleine succesjes die hij behaalde binnen het circuit van de naïeven en zondagsschilders, verkleinden tegelijkertijd – zeker in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig – zijn kans op een carrière in de reguliere kunstwereld.

Pas met de contacten met Galerie De Ark in 1973 begon heel voorzichtig een kentering te komen. Het enthousiasme van Dick Heesen van De Ark ten spijt, leidde dit niet onmiddellijk tot een rigoureuze ommekeer en bleven verkopen nog steeds uit, maar er was in ieder geval een begin van een professionele benadering via een vaste galerie. Toen Van Genk in 1976 overstapte naar Galerie Hamer in Amsterdam, kwam hij eindelijk op de juiste plaats terecht. Nico van der Endt opereerde behoedzamer dan Brattinga of Heesen, kende het veld beter en had bovendien een klik met Van Genk. Met respect voor Van Genks reserves ten aanzien van de verkoop van zijn werk, wist Van der Endt toch langzaam enige naam voor zijn cliënt te creëren. Daarbij hielp het dat het begrip art brut in Nederland steeds meer ingang en acceptatie begon te vinden.

De internationale doorbraak kwam in 1986, met een solotentoonstelling bij de Collection de l’Art Brut (CAB) in Lausanne. Dit museum was al sinds 1979 in het werk van Van Genk geïnteresseerd en conservator Michel Thévoz deed in 1980 de eerste aankopen. Ten tijde van de tentoonstelling, die duurde van 10 juni tot 26 oktober, was de kunstenaar 59 jaar oud en al vrijwel gestopt met het maken van schilderijen en collages. In totaal zou de CAB elf werken van Van Genk verwerven, waaronder drie bus-assemblages. [1] In Nederland was in 1985 de Stichting Museum voor Naïeve Kunst opgericht, waarbij Van der Endt betrokken was als adviseur. Uiteindelijk zou dit onder meer leiden tot museum De Stadshof (“Museum voor Naïeve en Outsider Kunst”) in Zwolle, dat in het najaar van 1994 werd geopend en slechts iets meer dan zes jaar zou bestaan. De in 1995 hernoemde Stichting Collectie De Stadshof beheert nog steeds een collectie van wereldformaat met onder meer achttien werken (waaronder vier bus-assemblages) van Van Genk. [2]

Museum De Stadshof organiseerde in 1998 de overzichtstentoonstelling Willem van Genk: een getekende wereld, ter gelegenheid van de publicatie van een monografie over Van Genk. Kort voor de opening kreeg Van der Endt onenigheid met Ans van Berkum, hoofdauteur van de monografie en directeur van De Stadshof. Van Genk zelf was inmiddels, na drie opnames in een psychiatrische kliniek en twee herseninfarcten, niet meer tot werken in staat. Van der Endt:

Op 10 oktober wordt zijn tentoonstelling in De Stadshof geopend en zal tot 4 maart 1999 verlengd worden, en is daarna in het Museum Charlotte Zander en in de Collection de l’Art Brut te zien. Willem ondergaat de openingsprocedure zwijgend in zijn rolstoel, het lopen gaat hem sinds een paar maanden niet goed meer af. Na afloop breng ik hem en zijn zuster naar Den Haag. [3]

In juli 2000 werd de Stichting Willem van Genk opgericht om het werk dat nog in bezit was van de kunstenaar voor verdere verspreiding te behoeden. Voorzitter werd Ans van Berkum, secretaris Nico van der Endt, penningmeester een vriendin van Tiny van den Heuvel-van Genk, de zeer religieuze An Remmerswaal. Die laatste had een jaar eerder het curatorschap over Van Genk van de inmiddels 85-jarige Tiny overgenomen. Een van haar eerste plannen was om opbrengst van de verkopen ten goede te laten komen aan de bouw van een nieuwe katholieke kerk – tot verontwaardiging van Van der Endt en Dick Walda. [4]

In april trok Van der Endt zich terug uit de nieuw opgerichte stichting en ging hij, met informatie die hem was verstrekt door Charlotte Zander, naar Duitsland om de in de jaren zestig door Schmela verkochte werken op te sporen. Met succes:

Bij een verzamelaar in Düsseldorf bevinden zich twee tekeningen, een Panorama Moskou […] en een vroeg gezicht op het centraal station van Amsterdam […]. Een jaar later verwerf ik beide tekeningen, de grootste laat ik in Amsterdam restaureren. Een kleine tekening die ik bij een andere verzamelaar kon bezichtigen was niet te koop. [5]

Schmela had tien werken verkocht, waarvan er nu vier getraceerd waren – Metrostation Opéra was in 1966 terechtgekomen bij het Stedelijk Museum in Amsterdam. Van de zes overige werken was in vijf gevallen een afbeelding bekend.

Brandpunt 03c

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – catalogusnummers 10 (Leipzig), 11 (Leipzig), 12 (Mockba), 13 (Antwerpen) en 14 (Amsterdam)

De tekening van het centraal station verkeerde in slechte staat. Het betrof nummer 14 uit de Hilversumse catalogus, Amsterdam. In een brief aan Pieter Brattinga liet Schmela weten dat de koper in kwestie aanvankelijk ‘die Arbeit “Russischer Panzer”’ op het oog had (i.e. catalogusnummer 18, “Mockba”) maar uiteindelijk toch koos voor ‘das Bild “Amsterdam (Reichmuseum)”’. Schmela zag dus het centraal station van Amsterdam voor het Rijksmuseum aan – beide gebouwen zijn van de hand van architect Pierre Cuypers. [6] De kleine tekening die niet te koop was (maar wel mocht worden gefotografeerd) was waarschijnlijk nummer 22, Mockba. De afbeelding toont een stoomtrein die een station binnenrijdt – in een brief aan Pieter Brattinga duidt Schmela het werk aan als ‘die “Russische Lokomotive”’. [7]

Düsseldorf 001

Mockba (Russische locomotief) | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | ca. 60 x 80 cm | privé-collectie, Düsseldorf | Foto: Nico van der Endt

Panorama Moskou (ca. 1955), nummer 16 uit de Hilversumse catalogus, was de belangrijkste Duitse vondst van Van der Endt. Toen hij het werk aan Van Genk liet zien die het veertig jaar had moeten missen, leek deze niet meer geïnteresseerd te zijn. Galerie Hamer toonde de tekening als topstuk van de duo-tentoonstelling Willlem van Genk en Siebe Wiemer Glastra, van 28 september tot 2 november 2002. Van der Endt vroeg 60.000 euro voor het werk en verkocht het al snel aan de Franse verzamelaar Antoine Ritsch-Fisch. Het belandde daarna in de collectie van La Maison Rouge van Antoine de Galbert.


NOTEN

[1] Een overzicht van de geschiedenis van het werk van Van Genk bij het CAB geeft Sarah Lombardi in het artikel “Willem van Genk en de Collection de l’Art Brut: een verhaal van ontmoetingen”, in: Hans Looijen e.a., Willem van Genk – Woest (Tielt 2019), pp. 29-31.

[2] Voor een geschiedenis van de stichting en het museum, zie: Liesbeth Reith, “De Stadshof Collection, an Art Collection’s History”, in: Frans Smolders e.a., Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection (Eindhoven 2014), pp. 19-31.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 115.

[4] Cf. ibid., p. 117.

[5] Ibid., p. 125.

[6] Brief van Alfred Schmela aan Pieter Brattinga, 15 oktober 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[7] Brief van Alfred Schmela aan Pieter Brattinga, 2 december 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut). Doordat negen werken in de Hilversumse catalogus de titel Mockba hadden, is het soms moeilijk ze van elkaar te onderscheiden.