Grafiek

Ets - Minsk

Minsk | 1967 | ets (13) | 38 x 49 cm (beeld) / 53 x 79 cm (papiermaat)

Op 18 december 1997 schreef Nico van der Endt een uitvoerige brief aan directeur Hans Locher van het Haags Gemeentemuseum ‘over Willem van Genk en de gegronde wenselijkheid hem in eigen stad eens te eren. De brief blijft onbeantwoord.’ [1] Van der Endt liet zich niet uit het veld slaan. In 1999:

Mijn poging om in Den Haag alsnog een overzichtstentoonstelling van Willem te organiseren heeft geen succes bij het deftige Pulchri, maar wordt wel geaccepteerd door de Artotheek Den Haag (het tegenwoordige kunstcentrum Heden). De opening van de expositie onder de titel De wereld van Willem van Genk is op 6 november, waarbij Willem in rolstoel aanwezig is. Er worden dertien schilderijen getoond en een tweetal autobussen, naast enkele etsen die verkocht worden.’ [2]

De genoemde etsen vormen een van de minst bekende onderdelen van Van Genks oeuvre – tijdens de tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum in Amsterdam waren ze niet te zien. Volgens Van der Endt gaat het om ‘een vijftal etsen in verschillende kleuren (vervaardigd gedurende zijn avondverblijf op de Academie en afgedrukt door collega’s)’. [3] Vier van de vijf etsen zijn monochroom en gemaakt in 1967, de vijfde wordt in de monografie van De Stadshof uit 1998 omschreven als ‘Rondvaart / 1966 / coloured etching / 15 x 23 cm’. [4] Dit zou daarmee de enige kleurenets zijn, maar een exemplaar ervan (of zelfs een afbeelding) is nog nooit door onderzoekers gesignaleerd. Ook Van der Endt heeft de ets nooit gezien. [5] In de catalogus van galerie De Ark uit 1976 staan alleen de vier monochrome etsen afgebeeld: Minsk, Tunnel Napels, Silja Line en Colonnade.

Minsk toont een straatscène in de Wit-Russische stad, die ten tijde van de ets nog deel uitmaakte van de Sovjetunie. Links is frontaal een grote trolleybus (met een vrouwelijke bestuurder) te zien, rechts een straatwand, met daartussen nog meer verkeer en in de lucht de trolleydraden. Om de afbeelding is een schilderijlijst aangebracht die versierd is met bloemen. Blijkens de tekst onder de afbeelding gaat het om de STALINPROSPEKT in MINSK, ter hoogte van het CENTRAAL POSTKANTOOR en HOTEL MINSK. De afbeelding keert ingekleurd terug op Amsterdam Moskou per KLM (ca. 1967) en is daar zodanig identiek dat vermoedelijk gebruik is gemaakt van de ets.

Tunnel Napels toont de binnenzijde van de door gemotoriseerd verkeer verstikkend drukke Tunnel (Galleria) della Vittoria in Napels. Deze onder Mussolini aangelegde tunnel die 609 meter lang, 36 meter breed en 22 meter hoog is, werd in 1929 geopend en loopt van het Piazza della Vittoria naar de Via Acton. [6] Hoewel Van Genk een aantal steden in Italië uit eigen waarneming kende, was hij waarschijnlijk nooit in Napels en moet hij de afgebeelde tunnel dus alleen van beschrijvingen en/of afbeeldingen hebben gekend. Colonnade laat een bouwwerk zien dat hij zeker uit eigen waarneming kende, de colonnade voor de Sint- Pieter in Rome van Bernini. [7] Van Genk maakte ook een schilderij van het bouwwerk (Colonnade St. Pieter, 1966), waarvan de afbeelding duidelijk afwijkt van die op de ets: de ets toont via de colonnade van Bernini de opgang van de trap naar de Friezenkerk, in het schilderij wordt vanaf die trap naar de colonnade gekeken. Op de achterkant van het schilderij is een uitgeknipte tekening geplakt met een afbeelding die vrijwel identiek is aan die op de ets. De tekening is mogelijk afkomstig uit een reisgids, getuige het onderschrift: Waar wij logeren. 1 min. van ’t St. Pietersplein!

Ets - Silja Line

Silja-Line | 1967 | ets (5) | 50 x 65 cm (papiermaat)

De vierde monochrome ets, Silja Line, toont een aangemeerd schip in een haven met linksboven een kleinere afbeelding van een organist in een kerk en rechtsboven een Russisch-orthodoxe kerk in Helsinki. De bijschriften wijzen erop dat de afbeeldingen betrekking hebben op een tocht per schip over de Oostzee, vanuit Zweden via Helsinki naar Leningrad. Silja Line is een Finse veerbootsmaatschappij. Al eerder merkte ik op dat Van Genk bij zijn eerste bezoek aan de Sovjet-Unie het land mogelijk via Scandinavië was binnengekomen. Een kerkorganist is ook het onderwerp van een vroege potloodtekening, Organist St. Bavokerk Haarlem. [8]

De formaten van de vier monochrome etsen die in de monografie van De Stadshof uit 1998 worden gegeven, lijken niet helemaal juist. Zo zijn Minsk en Tunnel Napels ongeveer even groot, maar krijgen ze respectievelijk de maten 53 x 63 cm en 30 x 40 cm. Ook Colonnade krijgt die laatste maten, maar omdat het hier een staande afbeelding betreft (en de maten steeds als hoogte maal breedte worden gegeven) is dit in ieder geval onjuist. De etsen zijn formeel afgedrukt in oplagen van 13 (Minsk), 14 (Tunnel Napels), 5 (Colonnade) en 5 (Silja Line), maar er bestaan afdrukken in sepia en lichtgroen, hetgeen wijst op meerdere drukgangen. Dit zou kunnen verklaren waarom op een inventarislijst van Museum Dr. Guislain Minsk achtmaal voorkomt, Tunnel Napels zesmaal, Colonnade eveneens zesmaal (!) en Silja Line driemaal. Het museum bezit ook de vier etsplaten.

De etsen waren voor Van Genk niet meer dan een kortstondig uitstapje van zijn schilderijen en collages. In de loop van de jaren tachtig, toen de verkoop van zijn werk bij galerie Hamer enigszins op gang begon te komen, bedacht hij dat ze wel eens een uitkomst zouden kunnen bieden: ‘Willem begint zich bij de verkopen steeds ongemakkelijker te voelen en houdt mij voor dat ik alleen nog maar etsen moet verkopen. Hij wil zijn jeugddromen en reisherinneringen liever om zich heen houden.’ [9] Helaas was (en is) er weinig belangstelling voor grafiek van outsiderkunstenaars, vanwege het taboe op professionaliteit. Ook vroeg hij Van der Endt op enig moment om posters van zijn werk te maken, maar deze moest hem opnieuw teleurstellen. [10]

Litho's ingelijst

Zonder titel | ca. 1995 | zes lithografieën (15) | 10 x 7,5 cm  (beeld) elk| foto: Jack van der Weide

In 1994 leek zich een nieuwe mogelijkheid tot grafische reproductie voor te doen:

Eind van het jaar bezoek uit Frankrijk van grafisch atelier Le Petit Jaunais uit Nantes. Men wil met Willem een kleine serie lithografieën vervaardigen, bestaande uit 6 kleine aparte voorstellingen in een oplage van vijftien. Willem betekent de meegebrachte stenen, maar heeft het verzoek niet goed begrepen en maakt er een slecht samenhangend geheel van. Sommige tekeningen stellen een deel van een kerk voor, andere zijn vage perronscènes. Toch worden de stenen afgedrukt en ik krijg in januari 1996 de lithootjes toegezonden, maar Willem zal er nooit toe komen ze van nummering en signatuur te voorzien. [11]

Van der Endt schonk enkele setjes van zes litho’s aan musea en hield de overige zelf – het ontbreken van nummering en signatuur hield verdere verkoop tegen.

Het gaat bij de litho’s inderdaad om tweemaal drie series afbeeldingen, van respectievelijk het bovenste deel van een kerk en een perronscène. Binnen de twee series is de samenhang tussen de afbeeldingen echter verschillend. De drie kerkdelen passen aan elkaar en vormen samen één voorstelling, met van links naar rechts een rasterstructuur – de vitrage voor een raam? – en het dak van de zijvleugel van de kerk; de kerktoren; en opnieuw een rasterstructuur, mogelijk het skelet van een nieuw gebouw. De drie perronscènes zijn eerder te beschouwen als variaties op een thema: links staan steeds twee personen, rechts een man met een hoofddeksel, wellicht een conducteur. Tussen hen in is een wolk van een stoomtrein te zien, boven dit alles de gerasterde stationsoverkapping. Op één van de drie afbeeldingen staat rechts een paal met een bordje waarop in spiegelbeeld de tekst VOIE (spoor).

Litho's 001

Voorstelling op basis van drie lithografieën

Er zijn diverse verbanden tussen de afbeeldingen op de litho’s en ander werk van Van Genk, met enerzijds verwijzingen naar stations met stoomtreinen en anderzijds oude kerken naast nieuwbouw. Wel zijn de litho’s eigenlijk alleen interessant omdát ze gemaakt zijn door Van Genk – een intrinsieke artistieke waarde hebben ze nauwelijks. Van de zes is het exemplaar met de kerktoren als afzonderlijk werk het sterkst. Nadere beschouwing leert dat er om de toren vage contouren te zien zijn van bouwsteigers, maar dit was het geval bij een groot aantal kerken die Van Genk in zijn leven moet hebben gezien. Onder andere bij de Eusebiuskerk in Arnhem die na de Tweede Wereldoorlog tientallen jaren in de steigers stond, maar laten we oppassen voor hineininterpretierung.


 

NOTEN

[1] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 111. Tijdens de tentoonstelling bij Artotheek Den Haag in 1999 schafte ook de artotheek zelf drie etsen aan. Deze hadden in 2007, toen ik twee van de etsen leende, een verzekeringswaarde van € 952 elk. Mijn pogingen om de etsen tegen het dubbele bedrag te kopen liepen op niets uit: de werken waren nadrukkelijk NIET te koop. Enkele jaren later verkocht men ze desalniettemin toch, onder andere aan galerie Hamer.

[2] Ibid., p. 117.

[3] Ibid., p. 25.

[4] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 111.

[5] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 28 maart 2020.

[6] Informatie ontleend aan “Galleria della vittoria, l’opera urbana più imponente d’Europa”.

[7] Tegen Bibeb zei Van Genk in 1964: ‘Rome. Daar ben ik geweest. […] Ik ben na Rome naar Tsjechoslowakije gegaan.’ (Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, pp. 112-113) De reis naar Tsjechoslowakije vond plaats in juni 1963, de reis naar Rome zal dus in 1961 of 1962 zijn geweest.

[8] Een afbeelding van de tekening is te zien in: Museum Dr. Guislain / Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum (Tielt 2010), p. 5.

[9] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 51.

[10] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 28 maart 2020. Vgl. een opmerking uit Kroniek van een samenwerking bij het jaar 1992: ‘Later in het jaar wordt de tentoonstelling in beperkte vorm herhaald in de gemeentelijke Kunstgalerij Lochem te Lochem, waar van Willem een tweetal etsen wordt getoond. Hij maakte nooit enig bezwaar tegen verkoop van zijn grafiek. Hij heeft mij eens aangeraden reproducties van zijn werk te maken en te verkopen, maar het leek mij commercieel niet haalbaar.’ (p. 85)

[11] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 93.

Het orkest van Coburg

Orkest van Coburg

Orkest van Coburg | ca. 1960-1980 | gemengde techniek op papier | 93 x 130 cm | Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed / Musem Het Dolhuys, Haarlem

De Rijksdienst Beeldende Kunst meldt zich in 1989 bij galerie Hamer van Nico van der Endt voor aankopen ten behoeve van de Collectie Nederland en schaft twee werken aan: ‘de laatste grote Moskou en het Orkest van Coburg voor resp. fl. 12.000 en fl. 16.500’. [1] Over het eerste werk schreef ik eerder. Het tweede werk staat bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed vermeld als ‘pentekening’ onder nummer K89407, met als titel inderdaad ‘Orkest van Coburg’ en als beschrijving ‘symmetrische compositie opgebouwd uit regels tekst en een orkestopstelling’. Standplaats (in april 2018): ‘in bruikleen bij Museum Het Dolhuys, Haarlem’; materialen: ‘inkt, acrylverf, waterverf, balpen, papier’. [2]

Orkest van Coburg komt voorbij in de eerste pagina’s van Koning der stations van Dick Walda:

Van Genk – die grote problemen heeft met de vergankelijkheid – gebruikt voorbije, unieke gebeurtenissen in zijn schilderijen. Dat deed hij bijvoorbeeld in […] het prachtige werk “Letzter Konzert Coburgerorchester”.
Hij heeft het gevoel – zegt hij – dat hij dan het voorbije heeft overwonnen. [3]

Dat het hier om Orkest van Coburg gaat blijkt uit de afbeelding in het kleurenkatern van Walda’s boek. In Een getekende wereld, de monografie over Van Genk uit 1998, beschrijft Ans van Berkum het werk in het kader van Van Genks fascinatie voor muziek. Ze schrijft onder meer: ‘Een rood-gele band met daarin een slingermotief en een zilver-geschilderde rand omlijsten het geheel.’ Over de ruimte waarin het orkest speelt: ‘om welk bouwwerk het precies gaat […] blijft […] verhuld achter een massa tekst en beeld, waarin hij zoals gebruikelijk preludeert op de verdorven beramingen van ideologische machten’. Ook: ‘Het is er weer allemaal: het kapitalisme, het zionisme, de psychiatrie, communisme, religies en seksualiteit. Maar sleutels naar de muziek die hier klinkt, of de identiteit van het bouwwerk dat deze klanken uit de hemel tovert, blijven afdoende weggestopt.’ [4]

Inderdaad lijken de rood-gele band en de nadrukkelijke opschriften op Orkest van Coburg te wijzen op een datering van rond 1980, zeker als een van de teksten luidt PLASTIC PEOPLE ‘79. De rood-gele band met teksten maakt ook deel uit van onder meer Collage ’78 (1978), World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven; ca. 1970) en Zelfportret in de Ark (ca. 1974). De opschriften vertonen zowel naar vorm als naar inhoud verwantschap met die op Zelfportret-zwakzinnigennazorg (ca. 1978). Tot zover ben ik met Van Berkum eens. Kijken we echter naar het materiaal van Orkest van Coburg, dan is er iets vreemds aan de hand: tussen 1970 en 1990 werkte Van Genk slechts zelden op papier, en bij de enkele gevallen waar dat volgens de Stadshof-monografie wel gebeurde – Brooklyn Bridge, Cathedraal Pilsen, Vervoer USSR – gaat het om werken die hoogstwaarschijnlijk eerder zijn gemaakt. Daar komt bij dat in Orkest van Coburg duidelijk de aan elkaar geplakte stukken papier zichtbaar zijn die kenmerkend zijn voor de vroege werken van Van Genk.

Het interview met Bibeb uit 1964 biedt niet alleen een kijkje in het leven van Van Genk in die jaren maar bevat ook beschrijvingen van enkele werken. Eén van die werken lijkt bekend voor te komen:

Van Genk vouwt een tekening van bijna 2 meter open. Tegen een zwarte achtergrond zie ik rijen cellisten, violisten, zangeressen, omringd door vlaggen en opschriften: “Arbeiter aller Welt vereint Euch. Weltsprachen. Weltfrieden.” “Dat is ‘t Burgtheater, dat ‘t niet meer kon bolwerken, dit is ’t laatste concert van ‘t Coburger Orkest, onderwijl zijn ze de zaal al aan ’t afbreken. ‘t Hele gebouw is met de grond gelijk gemaakt.” [5]

Het door Bibeb beschreven werk bevat zowel verschillen als overeenkomsten met Orkest van Coburg zoals we dat kennen. Zo is er inderdaad sprake van een donkere achtergrond, zijn er vele cellisten en (minder duidelijk) violisten en zangeressen te zien, en zijn ook de teksten WELTSPRACHE en WELTFRIEDEN prominent links en rechts aanwezig. “Arbeiter alle Welt vereint Euch” kan ik niet ontdekken, wel staat midden boven de tekst Proletarier aller Welt Vereinigt euch. Opmerkelijk is wel dat Bibeb de zeer prominent aanwezige Franse lelie (fleur de lis) achter het orkest niet noemt.

Bibeb spreekt in het citaat hierboven van ‘een tekening van bijna 2 meter’, en dit is niet in overeenstemming met de 118 cm die Orkest van Coburg meet. Juist bij zijn tekeningen uit het begin van de jaren zestig wilde Van Genk nog wel eens in de buurt van de twee meter of meer komen, zoals bij Metrostation Opéra (160 cm), New Japan (203,5 cm) en Rome Termini (284 cm). Kijken we naar de opschriften linksonder op Orkest van Coburg, dan zien we bovendien dat enkele teksten zijn afgebroken, zoals EMMA GOLDMAN FRAUEN IN DER REVOLUT[ION] en KRITIK DER BÜRGERLICHE SEKS[UALITÄT]. Mijn hypothese is dat Orkest van Coburg als basis een werk van rond 1960 heeft, dat in de tweede helft van de jaren zeventig opnieuw is bewerkt met vooral teksten; dat door de kunstenaar aan beide kanten is bijgesneden om de symmetrie te bewaren; en dat onder andere een rood-gele band heeft gekregen om de latere coupures te verhullen.

De ruimte waarin het orkest is afgebeeld wordt in het citaat van Bibeb gespecificeerd als ‘’t Burgtheater’. Te denken valt daarbij aan het Burgtheater in Wenen, een stad die Van Genk enkele jaren eerder had bezocht. [6] Wel zijn in dat geval de toevoegingen ‘dat ’t niet meer kon bolwerken’ en ‘‘t Hele gebouw is met de grond gelijk gemaakt’ wat merkwaardig: het Weense Burgtheater brandde weliswaar in 1945 uit maar werd gerestaureerd en bestaat nog steeds. In Coburg zelf (in het noorden van de Duitse deelstad Beieren) is eveneens een groot theatergebouw dat soms wordt aangeduid als het Coburger Theater, maar dit is evenmin het slachtoffer van sluiting of sloop geweest. Het orkest lijkt in de tekening van Van Genk in een koepelvormige zaal te spelen met een duidelijke rasterstructuur zoals we die eerder tegenkwamen, met associaties met een stationshal of een zeppelin.

IMG_9865

Detail Kathedraal Pilsen (ca. 1965).

Een vroege(re?) afbeelding van de scène is te vinden op een van de inzetstukken op Kathedraal Pilsen. De tekening is slordiger en minder gedetailleerd dan Orkest van Coburg, maar het gaat duidelijk om dezelfde voorstelling van een zaal met een orkest in een vergelijkbare opstelling, met in het midden van de achtergrond eveneens een reusachtige Franse lelie onder het woord SAROF. Portretten van de componisten Antonín Dvořák (rechts) en Bedřich Smetana (links) onttrekken een deel van de afbeelding aan het zicht. Naast de uitsluitend Duitse teksten op Orkest van Coburg (LETZTER KONZERT COBURGER ORCHEST VEREIN etc.) kent het inzetstuk ook Tsjechische en Russische teksten, waarbij 1 МАЯ (1 mei) weer opvalt.

Het acroniem SAROF wordt door Van Genk in zowel Orkest van Coburg als het inzetstuk op Kathedraal Pilsen verduidelijkt met het voluit geschreven SOZIALISTISCHEN ARBEITER FEDERATION. De wens kan hier de vader van de gedachte te zijn geweest, want SAROF stond voor de bepaald niet socialistisch gezinde Salvation Army Radio Operators Fellowship, een eind jaren vijftig opgerichte organisatie van radioamateurs die was verbonden met het Leger des Heils. [7] Anderzijds leiden de woorden ‘Sozialistischen Arbeiter Federation’ niet tot het gewenste acroniem, waarbij bovendien de verbuigings-n in Sozialistischen onjuist is. Het lijkt aannemelijk dat Van Genk hier de realiteit in zijn richting heeft gebogen, waarbij mogelijk een radio-uitzending van SAROF, een concert en politieke aspecten ingrediënten zijn geweest.

WvG met radio

Willem van Genk bij een radio, ca. 1950.

De Franse lelie is een ander mysterieus element in de afbeelding. De lelie wordt in tal van familiewapens en wapens van steden, provincies en genootschappen gebruikt, en is onder meer terug te vinden in de vlaggen en logo’s van veel scouting-bewegingen. Er is echter geen verband met Coburg, muziek of socialisme. Boven SAROF en de kreet Arbeiter aller Welt Vereinigt euch is aan de bovenkant van Orkest van Coburg een afbeelding te zien van engelen die op bazuinen blazen, met tussen hen in het woord ESPERANTO. Dit verklaart de teksten WELTSPRACHE WELFRIEDEN! aan beide zijden van de zaal, maar er is evenmin een verband tussen het Esperanto en de Franse lelie. De in principe niet onlogische combinatie van een socialistische boodschap met die van het Esperanto moet op het conto van Van Genk zelf worden geschreven. [8]

Na 1980 zou Van Genk er nog een paar keer blijk van geven dat het orkest van Coburg in zijn hoofd was blijven zitten. In Kapsalon (1988) is twee keer een orkestscène te zien in diagonaal doorsneden afbeeldingen (tweede rij, eerste en derde afbeelding van rechts). De Franse lelie en de dirigent zijn beide keren herkenbaar, met in de rechter afbeelding bovendien het woord COBURG. Ook de onderste strook van de balpen-collage Zagreb (ca. 1995) toont het orkest van Coburg, inclusief Franse lelie en SAROF. Door de positie binnen het werk lijkt de scène zich ondergronds af te spelen – Van Genk reserveerde vaak de onderste delen van samengestelde werken voor ondergrondse taferelen, met name metrolijnen en metrostations. [9] De afbeelding leidde in bewerkte vorm tot een zelfstandig werk, met nieuwe randen en een kleine uitbreiding van het publiek. ‘Ik maak een orkest in Zagreb’, liet Van Genk Dick Walda weten, ‘maar wat ze spelen weet niemand. Ze zullen het nooit horen, de kijkende mensen. Alleen ik weet wat ze spelen.’ [10]


NOTEN

[1] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63.

[2] E-mail van Cor Mulders (Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) aan Jack van der Weide, 4 april 2018.

[3] Dick Walda, Koning der stations, p. 10.

[4] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 50-53.

[5] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 120.

[6] ‘Wenen, daar ben ik wel geweest’, merkte Van Genk in 1964 in het interview met Brandpunt op. Ook Beljon haalde in zijn tekst in de catalogus bij de Hilversumse tentoonstelling dit bezoek aan (“Tien hoofdstukken schaal 1:100”, IX). Op de Hilversumse tentoonstelling was een stadsgezicht van Wenen te zien, dat in Düsseldorf werd verkocht en waarvan geen afbeelding bekend is.

[7] Het acroniem stond oorspronkelijk voor Salvationist Amateur Radio Operators Fellowship. Cf. SATERN’s 30 Year History (geraadpleegd 27 maart 2020).

[8] Esperantisten werden in de Sovjet-Unie lange tijd vervolgd.

[9] Onder meer in New Japan (ca. 1960), Madrid (ca. 1965), Het project Asbery – Havanna (ca. 1970-1980) en Keleti Station (ca. 1980-1990).

[10] Dick Walda, Koning der stations, p. 9.

Zagreb etc.

SH6080.tif

Zagreb | ca. 1995 | gemengde techniek op papier | 87,5 x 140 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Marcel Köppen

Zagreb (ca. 1995) bestaat uit fotokopieën en balpointtekeningen, waarbij ook de kopieën weer met balpoint zijn bewerkt. Het combineert een aantal afbeeldingen met elkaar, op een manier die aansluit bij de assemblage- en collagetechniek van Van Genk uit de jaren zestig en zeventig. Aan het werk ten grondslag lijkt de tekening te liggen die ik in mijn vorige post beschreef, met de dom van Keulen, een tram en een naar sjabloon getekende vrouw. Die tekening werd opgeblazen en verder uitgebreid, onder meer met op de voorgrond een tweede gesjabloneerde vrouw zodat het lijkt of beiden een gesprek staan te voeren tegen een stadsachtergrond met een tram. Naast de tweede vrouw beeldde Van Genk een terrasscène af met enkele mannen die een krant lezen en een ober met een dienblad.

De terrasscène wordt deels aan de blik van de kijker onttrokken door een raster van gele gouacheverf, links en rechts van de pratende vrouwen. Nog verder naar de rand van het werk gaat het raster over in opgeplakte stukjes van een oranje sinaasappelnet, waarachter met enige moeite de in tweeën gesplitste afbeelding van de dom van Keulen kan worden ontwaard. Door het net is de ‘oorspronkelijke’ versie van Zagreb (in het bezit van Stichting Collectie De Stadshof) goed te onderscheiden van een tweede, gekopieerde versie die zich bevindt in Museum Dr. Guislain in het Belgische Gent.

Boven en onder de gerasterde afbeelding voegde Van Genk enkele nieuwe tekeningen toe, waardoor een werk in drie stroken ontstond. Over de gehele breedte van de onderkant is dat een afbeelding van een orkest dat voor een publiek speelt. De bovenste strook van Zagreb bestaat uit drie tekeningen, met respectievelijk de al eerder beschreven stoomlocomotief op een spoorbrug, een rij trolleybussen op het stationsplein in Arnhem en een binnenaanzicht van het Kölner Hauptbahhof. [1] De drie stroken zijn aan elkaar gelijmd, waarbij de overgangen worden verdoezeld door smalle banen met vaak onleesbare teksten. De banen zijn onderdeel van een procedé waarbij Van Genk overgangen tussen delen van de afzonderlijke tekeningen en kopieën probeerde weg te werken met nieuwe balpenstrepen, gouacheverf of extra beeldelementen – vaak in de vorm van palen of andere verticale structuren.

Zagreb is in die zin een centraal werk binnen de balpentekeningen dat vrijwel alle motieven en technieken uit dat (kleine) corpus erin aanwijsbaar zijn, waarbij enerzijds kopieën van vroeger werk worden uitgebreid en anderzijds een aantal latere werken hier zijn oorsprong lijkt te hebben. De strook met het orkest leidde in bewerkte vorm tot een zelfstandig werk van vier decimeter hoog en meer dan twee meter breed, met nieuwe randen en een kleine uitbreiding van het publiek. Veel sterker is de uitgewerkte tekening van het stationsplein in Arnhem, die in zijn nieuwe vorm zowel evenwichtiger als aanmerkelijk expressiever is.

Ballpoint - 1996 Stationsplein Arnhem (1024x471)

Stationsplein Arnhem | 1996 | gemengde techniek op papier | 68 x 146 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem

Stationsplein Arnhem toont het oude stationsplein, gezien vanuit de zuidwesthoek. Centraal in de tekening staat een aantal trolleybussen keurig in het gelid (bestemmingen als Presikhaaf, Hoogkamp en Velp zijn te onderscheiden), met op de voorgrond enkele voorbijgangers en op de achtergrond het station met aangrenzende gebouwen. Wat vooral opvalt is de sterk geaccentueerde kluwen bovenleidingen, waar in het bijzonder de voorste bus geheel mee lijkt vergroeid. Ten opzichte van de tekening in de bovenste strook van Zagreb zijn deze bovenleidingen zwaarder aangezet, met name aan de rechterkant. Daarnaast is de afbeelding aan alle zijden verder uitgewerkt, waardoor – opnieuw vooral aan de rechterzijde – meer diepgang ontstaat. De overgangen tussen de verschillende papierstroken zijn met name aan de onder- en rechterkant van de oorspronkelijke tekening zichtbaar. Aan de bovenkant verhullen elektriciteitsdraden de overgang, aan de linkerkant een paal. De voorbijgangers op de voorgrond zijn duidelijk later ingetekend.

Vgl. Arnhem

Boven: detail Zagreb (ca. 1995). Onder: detail Stationsplein Arnhem (1996).

Een soort voorstudie van Stationsplein Arnhem is te vinden op een brief van Van Genk aan de Brusselse galeriehoudster Françoise Henrion, gedateerd 19 februari 1988. In de rechterbovenhoek van het tweede vel staan twee trolleybussen getekend, met erachter enkele gebouwen met opschriften: verkeershuis Arnhem, film week theater Arnhem Polskie film, Haarhuis – opnieuw gaat het om het stationsplein, ditmaal (min of meer) gezien vanaf kant van het stationsgebouw. Helemaal op de achtergrond zijn twee kerkspitsen te zien, links met de tekst Eusebiuskerk .. Markt, rechts sloopkerk: de Kleine Eusebiuskerk aan het Nieuwe Plein, die in 1990 werd afgebroken.  Onder de tekening staan teksten als centrale vervoersdienst gemeente Arnhem, de Arnhemse statie haringkar, Arnhem centraal, «the trolly song», visit the Expo Velp Gorky Bollar Kastanjelaan en ze rijden ook in Moskou. [2]

Brief FH 001

Detail brief aan Françoise Henrion (1988).

Ook tekening van de stoomlocomotief, in de linkerbovenhoek van Zagreb, leek door Van Genk te zijn uitverkoren om tot een zelfstandig werk te worden gemaakt. Dick Walda in Koning der stations, in een aantekening die hij dateert op 1 april 1996:

De zuster offreert me een kopje thee met een Arnhems meisje en ik ben zo vrijpostig om een grote rol papier die er ligt open te vouwen en zie een schitterende tekening die Van Genk maakte. Het is zijn meest recente werk, waarover hij me in de auto heeft verteld:
‘Laatste stoomtrein over de Maasbrug’.
Ik zie een trein, vanuit het perspectief van de kunstenaar, die op de Maas lijkt te varen.
Met de bekende prachtige letters die hij maakt, lees ik: ‘Vaarwel Maasbrug’.
En in een hoek: ‘Knopen aanzetten zonder draad en naald. Handig’.
En helemaal schuin onderaan – als het ware zijn signatuur – ‘Vaticaan = Terreur’. [3]

Van de geciteerde teksten is op de versie in Zagreb alleen Vaarwel Maasbrug terug te vinden. Gezien de typering van de afbeelding lijkt Walda hier een werk te beschrijven dat niet meer bestaat of waarvan de verblijfplaats niet meer te achterhalen is, maar dat mogelijk op vergelijkbare manier is ontstaan als Stationsplein Arnhem. Ook elders in Koning der stations komt Laatste stoomtrein over de Maasbrug voorbij:

Enkele dagen na zijn derde terugkeer naar huis legde hij de laatste hand aan ‘Gezicht op Arnhem’, terwijl hij vlak voor zijn 70e verjaardag begon aan een nieuw tableau: ‘Laatste stoomtrein over de Maasbrug’. 

– Ik ben begonnen aan een nieuw werk, maar ik mag je nog niets laten zien. Alleen de titel ga ik je vertellen. Laatste stoomtrein over de Maasbrug. Alles verschwunden, maar niet in mijn hoofd. En straks voorgoed op papier, jaja. [26 maart 1997]

Geld mag geen rol spelen, misschien verkoop ik ‘Laatste stoomtrein over de Maasbrug’ wel aan een museum. [29 mei 1997]

Plotseling sta ik aan de Maasbrug en salueer, hand aan pet. Binnen de minuut ben je in je fantasie aan het strand van de Maas. Daar gaat de laatste stoomtrein, dat is verdrietig. [13 augustus 1997] [4]

Laatste stoomtrein over de Maasbrug zou het laatste voldragen werk van Willem van Genk kunnen zijn geweest. In zijn nalatenschap bevinden zich twee aanzetten van tekeningen die waarschijnlijk nog later moeten worden gedateerd maar die nooit tot een afgerond werk hebben geleid. De ene tekening (in balpen, kleurpotlood en aquarelverf) laat een trein- of tramwagon zien met een reclame voor Turmac, een prominente pantograaf en het woord MÄRKLIN. De maker was duidelijk geen kundig tekenaar meer: de lijnvoering is bibberig, rechte strepen zijn met behulp van een liniaal of ander hulpmiddel getrokken.

Nog een stap verder gaat het waarschijnlijk allerlaatste werk, een tekening in vierkleurenbalpen van het Haagse Leyenburg ziekenhuis waar Van Genk in 1997 tweemaal werd opgenomen na enkele beroertes. [5] Het gebouw lag op een paar honderd meter van zijn woning aan de Harmelenstraat. Van Genk lijkt nog wel te hebben geprobeerd procedés toe te passen om het werk meer te laten zijn dan enkel een tekening. Een kopie van een strook uit het midden van de afbeelding is aan de onderkant van een kopie van het hele werk geplakt, waarna het resultaat opnieuw met balpen en gouacheverf is bewerkt. Het eindproduct overtuigt niet.


 

NOTEN

[1] Dat het om dit station gaat is vooral af te leiden uit de cijfers 4711 aan het einde van de overkapping: de merknaam van de beroemde eau de cologne, nog steeds prominent zichtbaar in het Keulse hoofdstation.

[2] Voor een afbeelding van de brief zie: Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 1-2. “The Trolley Song” is een nummer van Judy Garland uit de film Meet Me In St. Louis (1944). Gorki Bollar exposeerde begin 1988 bij galerie Kunsthuis 13 aan de Kastanjelaan in Velp.

[3] Dick Walda, Koning der stations, p. 143.

[4] Ibid., p. 14, 139, 174, 181.

[5] ‘De nacht na zijn terugkeer werd hij door een tweede beroerte getroffen en opnieuw opgenomen in Leyenburg. Van Genk was – voor zijn reis – drukdoende om een groot tableau van dit ziekenhuis te maken.’ (ibid., p. 184) De genoemde reis vond plaats medio september 1997.