Balpen

Zonder titel 1990 (1024x517)

Zonder titel | ca. 1990 | gemengde techniek op papier | 40 x 60 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Frans Smolders

Rond het midden van de jaren tachtig stopte Willem van Genk met schilderen en ging hij zich toeleggen op het vervaardigen van trolleybussen (en trams) uit kartonnen doosjes en straatafval. Begin jaren negentig ontstond toch weer tweedimensionaal werk in de vorm van tekeningen, hoofdzakelijk gemaakt met vierkleurenbalpen. Met behulp van een kopieerapparaat maakte hij (meestal: kleuren-) kopieën van de tekeningen, soms op groter formaat, die hij vervolgens aan elkaar plakte en opnieuw bewerkte. [1] Aan het kleine corpus van ongeveer vijf werken dat op die manier ontstond, lag een groot aantal kopieën, knipsels en halfproducten ten grondslag die een goed beeld geven van het ontstaan van dit deel van zijn oeuvre.

Van Genk gebruikte de vierkleurenbalpen al vanaf de jaren zeventig, voor brieven en schetsen maar ook voor het aanbrengen van aanvullende teksten en tekeningetjes op (min of meer) voltooid werk. Een overgangswerk is een titelloze tekening van rond 1990, waarvoor hij naast de vierkleurenbalpen ook gebruik maakte van kleurpotloden, viltstiften, vetkrijt en gouacheverf. Het betreft een schijnbaar weinig gestructureerde voorstelling waarin motieven uit zijn eerdere werk en persoonlijke obsessies over elkaar heen buitelen. Ruwweg is sprake van een drieluik met links als centrale voorstelling het Kievstation in Moskou met een dubbele rij hoogspanningsmasten (achter het silhouet van een vredesduif); in het midden een in het groen geklede vrouw met een tiara op het hoofd en een blonde vlecht, met voor haar een fles wodka; en rechts het silhouet van een eland. De twee zijluiken bestaan elk uit drie verticale stroken papier, het middenluik uit twee stroken.

De centrale voorstellingen worden omringd door en doorschreven met een bombardement aan beelden en woorden, waarbij Berlijn, Arnhem en vooral Moskou een belangrijke rol spelen. Alleen de meest geduldige en ingewijde beschouwer kan spinnen, trolleybussen, Matheus Engel, Ik financierde Hitler, het Kremlin, Intercoiffure Paris International, een lachende zon, Kölnisches Wasser, een zeppelin boven het Olympisch stadion in Berlijn, RAI radio Vaticana en Haarhuis (om maar enkele teksten en beelden te noemen) plaatsen binnen het universum van Willem van Genk. Het beeldmotief van het treinstation uit het linkerluik keert terug in een indrukwekkende balpentekening van enkele jaren later, Gare de Bruxelles. Hiervan bestaan verschillende versies plus een aantal fragmenten en kopieën, waardoor we een beeld krijgen van het werkproces.

Gare de Bruxelles (Zander) (1024x302)

Gare de Bruxelles | ca. 1994 | gemengde techniek op papier | ca. 50 x 152 cm | Sammlung Zander, Bönnigheim

Gare de Bruxelles toont een binnenaanzicht van het voormalige Zuidstation in Brussel, waarbij het duidelijk nog om een kopstation gaat. De afbeelding is vrijwel symmetrisch, met op de voorgrond een hek dat links, rechts en in het midden een doorgang heeft naar de perrons. Bij de doorgangen aan de linker- en rechterkant is een aantal reizigers afgebeeld, boven het middelste perron hangen twee rijen lampen. Links en rechts worden de perrons begrensd door stenen muren met pilasters, waaraan metalen steunbogen voor de overkapping zijn bevestigd. Het hek, de reizigers, de lampen en de steunbogen zijn geaccentueerd met gele gouacheverf, voor het overige is de tekening uitgevoerd in vooral blauwe, rode en zwarte balpen. Opvallend is de kennelijke afwezigheid van treinen in het station, uitzonderlijk binnen het werk van Van Genk die bijna altijd de mogelijkheid aangreep om vervoersmiddelen in zijn tekeningen en schilderijen op te nemen.

Van Genk beeldde het Zuidstation van architect Auguste Payen uit 1869 af en niet het huidige station Brussel-Zuid, dat uit 1952 stamt en geen kopstation meer is. Gare de Bruxelles lijkt in alles een illustratie bij een passage uit de tekst die W.F. Hermans dertig jaar eerder (!) over het werk van Van Genk schreef:

Van Genks voorkeur gaat meer uit naar de meer of minder anonieme negentiende-eeuwse bouwsels, groot, maar niet als groots te boek staand, niet voorbeeldig, wel beklemmend door de pseudostijlen waarin zij opgetrokken zijn. En wat het belangrijkste is, de details die voor de stand van de techniek die toen modern was, tekenend zijn, worden door Van Genk met nadruk naar voren gehaald. Ik bedoel de gietijzer- en staalconstructies. Een enorme stationshal zoals ze in onze tijd niet meer worden gebouwd, maar toen wel, zogenaamd om de rook van de locomotieven de ruimte te geven, maar in werkelijkheid om het plezier een materiaal ontdekt te hebben, waarmee men, betrekkelijk eenvoudig en goedkoop kolossale constructies in elkaar kon zetten, zoals ze nog nooit vertoond waren. In de negentiende eeuw laat het ijzeren tijdperk zien dat het zich op het toppunt van zijn macht bevindt […] en het bouwt reusachtige tempels waarin het publiek nederig de ijzeren goden van de snelheid, die vuur in hun buik dragen, aanbidden mag. [2]

Gare du Midi

Impressies van het oude Brusselse Zuidstation

Waar de titelloze tekening van rond 1990 weinig gestructureerd lijkt, benadert de symmetrie en de (voor Van Genk) sobere voorstelling van Gare de Bruxelles het andere uiterste. Een eerdere versie op kleiner formaat laat echter zien dat de afbeelding oorspronkelijk veel minder symmetrisch was, dat er links en rechts geen doorgangen of personen te zien waren, dat de gele gouacheverf bijna uitsluitend het schijnsel van de lampen aangaf en dat minder zwaar aangezette, blauwe balpenlijnen overheersten. Vervolgens bestaat er een versie waarin gekopieerde, uitvergrote delen van die eerdere tekening aan elkaar zijn gepast, met schetsmatig aangegeven lijnen op wit papier voor de ontbrekende vlakken. In de latere, afgeronde versie heeft Van Genk zodanig veel balpenlijnen aangebracht, in diverse kleuren, dat de plaklijnen nauwelijks meer te zien zijn. De gele gouacheverf versterkt die nieuwe eenheid. Ten slotte maakte hij minimaal twee exemplaren van de afgeronde versie, die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Van der Endt, onwetend van de verdubbeling, verkocht een van de twee in 1995 aan de Duitse verzamelaar Charlotte Zander ‘voor haar nieuw te openen museum’, voor fl. 6.000. [3] Nummer twee kwam in het bezit van een nicht van Van Genk.

7

Zonder titel | ca. 1994 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Collectie Irene Zalme, Den Haag

Een oude versie van Gare de Bruxelles, iets schetsmatiger en zonder gele gouacheverf, is vastgemaakt aan een tekening met afbeeldingen van onder meer de dom van Keulen en een tram met een groepje personen voor of uit een rijtuig, met op de voorgrond een naar sjabloon getekende vrouw.  De tram is een visuele echo van de tekening Laatste blauwe tram die Van Genk eind jaren vijftig maakte naar aanleiding van de laatste rit van de zgn. ‘blauwe tram’ tussen Den Haag en Voorburg op 10 mei 1958 – vaarwel adieu staat op de zijkant van de tram, rond een reclame voor het sigarettenmerk Turmac. Boven de tram rijdt een stoomlocomotief over een spoorbrug, met ernaast de woorden Laatste stoomtrein Maasbrug Rotterdam, eveneens een afscheidsgroet aan een vorm van openbaar vervoer die uit de roulatie werd genomen.

Een vergelijkbare associatie lijkt de belendende tekst betreft the Zagreb tram te hebben, maar het omvangrijke tramnetwerk van Zagreb rijdt ook anno 2020 nog rond. ZET op de tekening is thuis te brengen als de naam van het lokale openbaarvervoerbedrijf, Zagrebački Električni Tramvaj (Electrische Tram Zagreb). Van Genk was in 1991 samen met Nico van der Endt in Zagreb, voor de tentoonstelling Willem van Genk & Gorki Bollar in het Kroatisch Museum voor Naïeve Kunst. [4] De tekening met de tram en de sjabloondame zou hij verder uitwerken tot het middendeel van een groter werk, Zagreb, volgens Van der Endt ‘een versluierde herinnering’ aan dat bezoek aan de stad. [5]


NOTEN

[1] ‘Ja, dan heb je meerdere kleintjes’, is Van Genks verklaring voor het maken van de kopieën (geciteerd in Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 56).

[2] W.F. Hermans, “De werkelijkheid van Willem van Genk”, p. 9.

[3] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 97. Als maten vermeldt Van der Endt 120,5 x 61,5 cm, getallen die ook worden gegeven door Museum Charlotte Zander zelf en die worden herhaald in de catalogus bij de recente tentoonstelling Woest. De verhouding tussen breedte en hoogte van het werk is echter ongeveer 3:1.

[4] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 67.

[5] Idem, p. 105.

Ratelband

Busstation

Interieur appartement Willem van Genk met installatie Busstation Arnhem, ca. 1995 (foto: Stichting Collectie De Stadshof)

Een trolleybus is een door elektromotoren aangedreven bus die van spanning voorzien wordt met behulp van een tweedraads bovenleiding, aldus Wikipedia. De eerste trolleybussen in Nederland reden in Groningen, waar in 1927 een proef met het vervoermiddel werd gestart. Pas in 1949 volgde Arnhem als tweede stad, in 1952 kwam daar Nijmegen bij. De laatste trolleybus in Groningen reed in 1965, Nijmegen stopte de exploitatie in 1969. Vanaf dat moment waren alleen in Arnhem nog trolleybussen in gebruik, wat tot op heden zo is gebleven. In Vlaanderen reed de trolleybus vóór de Tweede Wereldoorlog in Antwerpen (vanaf 1929), Luik (vanaf 1930) en, minimaal, in Brussel (vanaf 1939).  ‘En dan de trein – dat herinner ik me uit mijn jeugd – overstappen op de tram. Of de trolleybus. Dat was ook fijn’, aldus Willem van Genk in 1996. [1]

De trolleybussen van Van Genk uit de jaren tachtig zijn ontegenzeggelijk Arnhems. Als om dit te benadrukken zijn vaak langs de dakranden prominent reclames aangebracht van twee oer-Arnhemse zaken, cafetaria Ratelband Hap-Hoek (meestal aan de linkerkant = trottoirkant van de bus) en, in iets mindere mate, Pattisérie-Bonbonnerie Léon (meestal aan de rechterkant = straatkant). Frans Ratelband had al voor de oorlog een bakkerij in de Arnhemse Nieuwstraat. Daaruit ontwikkelde zich in 1949 ook een lunchroom, waarna zoon Emile in 1978 een cafetaria opende in de Roggestraat, de Hap-Hoek (of Haphoek), die nog steeds bestaat. [2] Het logo van Ratelband, dat ook door Van Genk op zijn trolleybussen werd gebruikt, is een gele snee brood met een korenaar – een verwijzing naar de oorspronkelijke bakkerij. [3]

Naast Ratelband en Léon zijn er vele ander merknamen en logo’s die de bussen soms bijna lijken te overwoekeren. Specifiek voor Arnhem zijn onder meer, naast de al genoemde reclames, ‘Arnhemse koerier’, ‘Wegeling Papiertechniek bv Arnhem’, ‘Banketbakkerij Landman’ en de slogan ‘Arnhem trolleystad’. Meer algemeen komen opvallend veel reclames voor snoep, kauwgum, koek en frisdrank voor: Buys, Coca-Cola, Daim, Droste, Hero, Katja, Liga, Maltesers, Pepsi, Red Band, Sportlife, Stimorol, Stophoest, Toblerone, Topdrop, Verkade, Wrigley’s, Wybert etc. Ook andere voedingswaren hebben meestal een fastfood of snel-klaar component: Croky, Iglo, Knorr, La Vache Qui Rit, Maggi, McDonald’s, Wasa. Gelukkig wordt ook de tandpasta (Aquafresh, Macleans, Prodent) niet vergeten. Daarnaast zijn er onder meer winkelketens (Albert Heijn, C&A, Jamin, Vroom & Dreesman) en sigarettenmerken (Marlboro, Pall Mall, Peter Stuyvesant, Turmac), en lijken ook Van Genks eigen interesses en bezigheden een rol te spelen: doe-het-zelf en verf (Bison-Kit, Flexa, Histor), modeltreinen (Märklin, Pico) en speelgoed (Cavalinno Giocattoli).

De losse trolleybussen zijn verder uitgewerkt dan de meeste exemplaren die deel uitmaken van de installatie Busstation Arnhem. Ook onderling zijn er significante verschillen in de mate van detaillering. Zo heeft Van Genk in sommige gevallen minutieus het technische en mechanische gedeelte aan de boven- en onderkant van een bus weergegeven met behulp van zaken als stukken pvc-buis, metalen beugels, plastic fluitjes, tie-wraps, lipjes van frisdrank- of bierblikjes, stukken van rubberen snelbinders, lege strips van kauwgom en aspirine, plastic ringen van klappertjes voor een klappertjespistool, pennen en stiften. Aan het binnenwerk is incidenteel eveneens aandacht besteed, waarbij opengewerkte deuren vaak een indicatie zijn. Met enige moeite zijn in die gevallen stoeltjes met passagiers en soms ook een buschauffeur te onderscheiden. [4] Een praktisch probleem bij een dergelijke inventarisatie is dat de bussen in de loop der jaren verspreid zijn geraakt over de hele wereld. Zelfs in het geval van gedetailleerde foto’s is het vaak niet mogelijk details aan de onder- of binnenkant van de bussen te bestuderen.

De vraag naar het verband tussen de installatie Busstation Arnhem en de losse trolleybussen, tussen de grote en de kleinere assemblages, is niet eenvoudig te beantwoorden. Ans van Berkum ziet alles als een geheel:

[…] trolleybussen, […] die naar mijn mening een onderdeel vormen van de grote installatie Trolleybusstation Arnhem, die in zijn flat aan de Harmelenstraat in Den Haag in de woonkamer was opgesteld. Ook al zijn veel bussen daarvan losgemaakt en als enkelvoudige stukken verkocht en verspreid, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze tot dat grote, finale werk behoren dat daar stond; die unieke wereld waarin Van Genk uiteindelijk de scepter moet hebben gezwaaid als conducteur van de trolleybussen. [5]

Caroline Satink, co-auteur met Van Berkum van de monografie uit 1998, deelt deze mening: ‘Ans en ik hebben het idee dat de losse trolleybussen bij dit busstation horen. Dat het geheel nog niet af is. Misschien moet er uiteindelijk een heel netwerk van bussen met leidingen door zijn huis lopen.’ [6] Nico van der Endt spreekt eveneens in 1998 over ‘een gigantisch emplacement’ en ‘een masterplan waarin hij als superbaas van de bussen ze kon laten vertrekken op zijn moment’, waarbij hij het echter uitsluitend over de installatie lijkt te hebben. [7] Later zal hij over de trolleybussen in het algemeen vaststellen dat slechts de helft ervan ‘af’ is en daarmee wat hem betreft de moeite waard. [8] Toen het appartement van Van Genk in 1998 werd ontruimd, werd ook Busstation Arnhem ontmanteld. Van januari 2016 tot september 2019 was een versie van de installatie te zien in museum Het Dolhuys in Haarlem. Een vergelijking met de opstelling in het appartement van Van Genk maakte duidelijk dat het daarbij niet om een reconstructie maar om een interpretatie ging. [9]

Opvallend binnen de reclames die te zien zijn op de trolleybussen is het tabaksmerk Turmac, als enige een niet-contemporain product. Het merk ontstond rond 1920, de naam is een afgekorte samentrekking van Turkije en Macedonië, de landen waar de tabak vandaan kwam. De verkoop van Turmac-sigaretten liep in de jaren vijftig terug en de productie (in Zevenaar, niet ver van Arnhem) stopte in 1960. Er zullen daarom geen Turmacreclames te zien zijn geweest op de trolleybussen die Van Genk in Arnhem kan hebben gezien vanaf 1960, en hooguit sporadisch in de jaren vijftig. Nadere beschouwing leert dat het inderdaad geen trolleybussen zijn waarop deze Turmacreclame is aangebracht. Er zijn minimaal drie assemblages waarop het sigarettenmerk prominent te zien is, en steeds gaat het om trams – herkenbaar aan de schaar- dan wel sleepbeugel in plaats van trolleystangen.

Trolley SWvG 01a (Velp–Oosterbeek Trolley) (tram)

Zonder titel (tram) | ca. 1985-1995 | gemengde techniek | 25,5 x 58,5 x 13,5 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Guido Suykens, Gent

De duidelijkste tram is, ironisch genoeg, het werk dat in de kleine catalogus bij de Amerikaanse tentoonstelling over Van Genk uit 2014 stond aangeduid als Velp – Oosterbeek Trolley. [10] Het gaat inderdaad om lijn 1 Velp – Oosterbeek, maar de assemblage stelt zonder enige twijfel een tram voor, geen trolleybus. Interessant is een opmerkelijke overeenkomst met een gedetailleerd weergegeven tram op het Velperplein in een vroege tekening. In beide gevallen gaat het om lijn 1 en om een voertuig van hetzelfde type en dezelfde kleur. Beide trams hebben een reclame voor Turmac langs de dakrand en aan de voorkant een bordje met de tekst 1 manswagen. Ook een tram met een Turmac-reclame uit een andere vroege tekening, bij het Dudok-gebouw op het Willemsplein, kent een equivalent in een assemblage uit de jaren tachtig. Meer in het algemeen is te stellen dat een Turmac-reclame bij Van Genk zonder uitzondering een indicatie is van een situatie uit het verleden, vaak van vóór het einde van de Tweede Wereldoorlog. In Arnhem is een dergelijke scheidslijn zichtbaar in het openbaar vervoer, met enerzijds de tram (tot september 1944) en anderzijds de trolleybus (vanaf september 1949).


 

NOTEN

[1] Dick Walda, Koning der stations, p. 21.

[2] Begin 2020 vierde Rolls Ratelband, die in 2015 de bedrijfsvoering van de cafetaria in de Roggestraat had overgenomen van zijn vader Emile, het 70-jarig bestaan van de Haphoek. Daarbij deelde hij niet alleen gratis frites uit: ‘Om de verjaardag nog wat sterker te markeren, tracht Rolls Ratelband een werk van Nederlands bekendste outsider-kunstenaar Willem van Genk op de kop te tikken. Hij maakte tijdens zijn leven, dat in 2005 eindigde, modellen van trolleybussen uit restafval.’ (John Bruinsma, “Gratis frites in Arnhem: Ratelband viert 70e verjaardag”, in: De Gelderlander, 10 januari 2020).

[3] Ans van Berkum: ‘Van Ratelband Haphoek, een zaak die lange tijd gevestigd is op het stationsplein in Arnhem, schijnt hij alle afval te verzamelen om zijn busconstructies mee te versieren. Stukjes van de papieren zakken met het embleem van een boterham met een korenaar in het midden zie je telkens weer opduiken aan de dakranden.’ (“Een vogel boven de stad”, p. 87)

[4] Bij een bus in de verzameling van de Collection d’Art Brut in Lausanne is (een uitgeknipte afbeelding van) Kapitein Iglo tot buschauffeur gepromoveerd.

[5] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 58.

[6] Yvonne Beelen, “Wapens tegen het gespuis. Willem van Genk in museum De Stadshof”, in: Witte wolken 3 (1998), nr. 17, pp. 14-19 (aldaar p. 18).

[7] Helena van den Enden, “De vrienden van Willem van Genk”, p. 7.

[8] Mededeling van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 20 september 2014.

[9] Volgens Nico van der Endt was de omvang van de installatie in Het Dolhuys ongeveer een verdubbeling van de oorspronkelijke omvang in het appartement (e-mail aan Jack van der Weide, 14 februari 2020). De opstelling van Het Dolhuys werd min of meer overgenomen in de tentoonstelling Woest.

[10] Willem van Genk: Mind Traffic, catalogusnummer 13.

Trolleybussen

Trolley SWvG 02a (Toblerone Trolley)

Zonder titel (trolleybus) | ca. 1985-1995 | gemengde techniek | 25,5 x 48,5 x  13,5 cm| Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Guido Suykens, Gent

‘In Van Genk’s huis zijn tientallen trolleybussen te zien, die hij in het diepste geheim de laatste jaren heeft gemaakt van alles wat hij op straat vond. Nooit sprak hij er met iemand over, zelfs niet met Nico van der Endt, zijn galeriehouder.’ Aldus Dick Walda als hij de situatie beschrijft in de woning van Willem van Genk in februari 1997. [1] Van Genk is waarschijnlijk in het midden van de jaren tachtig begonnen met het maken van de bussen. [2] In die tijd werkte hij ook aan de installatie Busstation Arnhem, die hij in zijn woonkamer opbouwde. Deze installatie bestond eveneens voornamelijk uit trolleybussen en werd (wellicht uit praktische overwegingen) niet verborgen gehouden voor bezoekers. Van der Endt signaleerde dan ook al in 1994 ‘de bouw van zijn gestaag groeiende autobusstation onder het raam in de woonkamer. Ik herken in onderdelen wat hij op straat uit afvalbakken meeneemt als we de hond eens uitlaten.’ [3]

De daadwerkelijke ontdekking van de individuele bussen vond begin 1996 plaats. Van Genk werd op 4 januari gedwongen opgenomen in de Lucas Lindenboomkliniek, een gesloten afdeling in de psychiatrische inrichting Bloemendaal. Nico van der Endt bracht de volgende dag samen met Van Genks oudste zuster Tiny een bezoek aan het vervuilde appartement van de kunstenaar:

Ik wist dat trolleybussen hem fascineerden en tijdens mijn bezoeken (enkele jaren geleden) had ik hem wel bezig gezien aan één zo’n bus, maar het was werkelijk een schok voor mij toen ik in zijn douchecel wel veertig of vijftig van die schitterende bussen tot aan het plafond opgestapeld zag. […] Het huis was sterk vervuild door de stront van hond Coco, die hij niet meer durfde uit te laten. Het was een uiterst vervreemdende en treurige situatie: je staat tot je enkels in de hondenstront, je weet dat Van Genk is afgevoerd en je ontdekt dan de trolleybussen, waarover hij nooit met me heeft gesproken, laat staan dat ik ze mocht zien. Een verbijsterende ervaring. Het was voor mij – en ik overdrijf niet – de ontdekking van een geheime schatkamer. Pas toen begreep ik waarmee hij de laatste jaren in het diepste geheim bezig was geweest. [4]

Later zou Van der Endt zich ook nog herinneren dat hij erbij was toen Van Genk in 1987 één bus had getoond aan Madeleine Lommel van het Art Brut-museum L’Aracine uit Neuilly-sur-Marne. [5]

Vanaf de ontdekking van de bussen in januari 1996 ging Van der Endt deze, uiteraard met toestemming van de kunstenaar, verkopen. Via zijn galerie kwamen twee van de bussen terecht bij Museum De Stadshof, één bij de kunstenaar Arnulf Rainer in Wenen, zes bij de Franse kunsthandelaar Jean-Pierre Ritsch-Fisch, drie bij La Collection de l’Art Brut in Lausanne en één bij museum L’Aracine. [6] Ritsch-Fisch zou een aantal van zijn bussen weer verkopen aan het reizende Museum Of Everything van James Brett. In september 1998 merkte Van der Endt dat Ans van Berkum, op dat moment directeur van Museum De Stadshof, buiten hem om via de familie twee bussen had verworven. [7] Het was het begin van een breuk tussen beiden.

Volgens Van der Endt gaat het in totaal om ongeveer zeventig bussen, opgebouwd uit ‘afvalmateriaal en vaak op basis van een bouwplaat’. [8] De bouwplaten worden ook genoemd door Ans van Berkum, die spreekt over ‘trolleybussen, die hij maakt van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal’ en ‘bouwplaten voor treinwagons die hij ergens bemachtigt’. [9] Elders beschrijft zij uit eigen waarneming het ‘knutselmateriaal’ voor de trolleybussen als ‘lege sigaretten-, kaas- en boterdoosjes, bouwplaten voor trams en bussen, uitgeknipte cijfers, karton, koffiebekers, ijzerdraad’. [10] Van der Endt zal later desgevraagd het aspect van de bouwplaten nuanceren: ‘Bij een bepaalde bakkerij in Arnhem kon je een cake kopen, verpakt in een soort bouwdoos, die heeft hij dus op alle mogelijke manieren weten op te tuigen, etc. Ik herinner mij een keer, toen ik terloops meldde dat ik naar Arnhem moest (misschien vanwege de expositie in Velp) dat hij mij vroeg een cake te kopen.’ [11]

GVA trolleybus 101 Arnhem

GVA trolleybus 101, Arnhem

Er zijn in Arnhem drie soorten kartonnen trolleybussen geweest. Allereerst werden rond 1980 door het toenmalige Gemeentelijk Vervoerbedrijf Arnhem (GVA) bouwplaten verspreid van de nieuwe B7900-trolleybus, die begin 1979 in gebruik was genomen. Voorop de bus staat ‘3 Station’. Daarnaast kwamen eind jaren tachtig kartonnen doosjes in de vorm van trolleybussen op de markt, ontworpen door bakker Eef Willemsen. De doosjes waren korter en dikker dan de bussen op basis van de bouwplaten. Ze bevatten vaak de zogeheten ‘trolleycake’, die precies in de doosjes paste, en werden door verschillende banketbakkers en patissiers verkocht. Voorop de bus staat ‘2 Geitenkamp’. Henk Jurjus van bakkerij Van Asselt bracht korte tijd later licht aangepaste kopieën van de doosjes uit, voor de verpakking van zijn Arnhemse meisjes. Deze laatste doosjes, met voorop ‘1 Arnhem’, bestaan nog steeds en zijn verkrijgbaar bij onder meer de Arnhemse VVV. De doosjes van Landman en Van Asselt werden gemodelleerd naar een trolleybus uit de eerste serie (BUT 101-136), zoals die vanaf 1949 in Arnhem reed. De koekdoosjes en de bouwplaten van het GVA zijn terug te herkennen als basis van een flink aantal van Van Genks trolleybussen, zowel in de installatie Busstation Arnhem als in de losse bussen.


 

NOTEN

[1] Dick Walda, Koning der stations, p. 126.

[2] Nico van der Endt: ‘Hij moet er rond 1985 mee begonnen zijn. Hij kwam toen met het verhaal: “Ik stop met schilderen, ik doe alleen nog maar die jassen.” […] Op het moment dat hij met dat verhaal kwam is hij waarschijnlijk aan die autobussen gaan werken.’ (Helena van den Enden, “De vrienden van Willem van Genk”, p. 7)

[3] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 93. Van der Endt zal later opmerken dat hij het busstation steeds als één geheel had beschouwd en pas bij het zien van de individuele trolleybussen ‘zicht kreeg op een andere dimensie’ (e-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 2 mei 2016).

[4] Dick Walda, Koning der stations, p. 45.

[5] Helena van den Enden, “De vrienden van Willem van Genk”, p. 7; en Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 61.

[6] Cf. idem, p. 105, 109, 113, 115.

[7] Idem, p. 115.

[8] Idem, p. 25.

[9] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 58, 87.

[10] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31.

[11] E-mail Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 11 mei 2014. Met ‘de expositie in Velp’ doelde Van der Endt op de tentoonstelling Het speelse element die werd gehouden van 8 juli tot 3 september 1989 in Velp bij Arnhem. Hier waren ook vijf werken van Van Genk te zien. In zijn boek schrijft Van der Endt dat Van Genk zelf de expositie eveneens bezoekt: ‘Willem is bijzonder tevreden dat hij vanaf station Arnhem met een trolleybus naar zijn expositie kan rijden.’ (Kroniek van een samenwerking, p. 63)

Arnhem

Arnhem 2019 01 (800x323)

Arnhem | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 25,8 x 66,8 cm | particuliere collectie | foto: galerie Hamer

Willem van Genk woonde vrijwel zijn hele leven in Den Haag, maar had een opvallende belangstelling voor Arnhem. De Gelderse hoofdstad figureerde al regelmatig in een aantal van de oudste tekeningen die we van hem kennen, met vaak een apart soort nostalgie: er marcheren soldaten op straat, er is een boekenstalletje met het opschrift ‘N.S.D.A.P.’ en soms rijden er zelfs tanks. Twee andere tekeningen hebben het gezamenlijke onderschrift ‘stadsgezichten van Arnhem in 1933 (vóór de verwoesting der binnenstad)’, maar er is ook een schets in zwart-wit, zonder oorlogsverwijzingen maar met bijschriften als ‘Arnhem Velperplein’, ‘de mooiste stad van Nederland’, ‘gezien vanuit ’t raam van Vroom & Dreesman’. De overeenkomst tussen alle tekeningen is dat steeds bussen of trams in het straatbeeld te zien zijn, geheel in lijn met Van Genks fascinatie met vervoersmiddelen.

Toen Van Genk zich in de jaren vijftig ging toeleggen op het tekenen van grote stadspanorama’s, koos hij naast Frankfurt, Moskou, Berlijn en Amsterdam ook voor Arnhem. Bij de expositie in Hilversum in 1964 kreeg Arnhem in de catalogus een vraagprijs van 4.000 gulden en de maten 68 x 45 cm. Hierna was de tekening in oktober 1964 te zien bij galerie Schmela in Düsseldorf, waar evenmin een verkoop werd gerealiseerd en waar de vraagprijs rond de DM 2.000 zal hebben gelegen. In 1976 was het werk te zien tijdens een expositie bij galerie De Ark in Boxtel en werd het ook afgebeeld in de bijbehorende catalogus, nog steeds met de maten 68 x 45 cm. Het moest dit keer tussen de 2.000 en 3.000 gulden opbrengen maar vond opnieuw geen koper. De laatste keer dat Arnhem aan het publiek werd getoond was tijdens de tentoonstelling Vijf x vijf – naïeve kunst in het kasteel van Rhoon, van 15 december 1989 tot 29 januari 1990 in Rhoon. Onder catalogusnummer 6 kreeg het de maten 41,5 x 67,5 cm.

Na de tentoonstelling in Rhoon verdween Arnhem zicht. Naar later bleek had Van Genk de tekening waarschijnlijk zelf mee naar huis genomen, zonder medeweten van zijn galeriehouder Nico van der Endt. Hij schonk het werk aan zijn zuster Jacqueline, die het op haar beurt in de tweede helft van de jaren negentig aan Dick Walda gaf: ‘Moet jij een stukkie van Wim hebben in ruil voor het benzinegeld dat je toe komt? Ik vind het drie keer niks, want d’r zit geen kleur of wat dan ook in. Oost-Indische inkt en zo drukdruk. Het is pas een schilderij als er kleur in zit. Het ligt onder mijn bed dat rolletje. Het gaat over Arnhem, daar was hij vaak met vader geweest.’ [1] Ook Walda gaf het werk weer weg, aan regisseur Jan Keja met wie hij de televisiedocumentaire Ver van huis (2001) over Van Genk had gemaakt. Uiteindelijk verzocht Keja in juli 2019 Nico van der Endt om het werk namens hem en Walda te verkopen.

Arnhem 1976 01

Arnhem (catalogus De Ark 1976, p. 15)

Op de afbeelding in de catalogus bij de tentoonstelling in galerie De Ark uit 1976 is te zien dat Arnhem de kijker een zuidwaartse blik geeft op het centrum van de stad. Gekeken wordt vanaf het spoorwegviaduct over de Zijpendaalseweg, de zogeheten Zijpendaalse of Zijpse poort, die zich bevindt op het baanvak tussen de stations Arnhem Centraal en Arnhem Velperpoort. Onder in beeld zien we een stukje treinrails, de stenen balustrade van het viaduct en daarachter de stad, met prominent op de voorgrond het Vestagebouw van architect Willem Diehl. Ernaast is het Willemsplein afgebeeld met een krioelende massa trolleybussen, mensen en auto’s. Links staat de in 1959 gesloopte HBS met ernaast een leeg perceel waar het in 1944 gebombardeerde café-restaurant Royal stond. Aan de rechterrand van het beeld staat het gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845 van architect Willem Dudok.

Achter het Willemsplein zijn onder meer van rechts naar links de rivier de Rijn, de Koepelkerk, de gebombardeerde Eusebiuskerk, de twee torens van de Walburgiskerk en de John Frostbrug te onderscheiden. Achter het Vestagebouw van Diehl loopt de Jansbuitensingel tot aan het Velperplein, waaraan concertgebouw Musis Sacrum en de Sint-Martinuskerk zijn gelegen. Voor en naast het Vestagebouw staan enkele bomen en struiken, waarvan er een over de linkerzijkant van de tekening loopt. Helemaal rechts op de afbeelding is de Kleine Eusebiuskerk aan het Nieuwe Plein te zien, die in 1990 werd afgebroken.

Op de zijkant van het Vestagebouw is het opschrift N.V. BETUWSCHE BANK te lezen met links daarboven HET LEVEN OND 1918 VERZEKER ARNHEM en meer naar onderen GEVESTIGD TE TIEL BIJKANTOREN [V]OOR GEHEEL DE BETUWE. Op het Willemsplein staat een aantal stalletjes met aan de zijkant een spandoek met de tekst DE BOEKENWEEK en DER BÜCHERWOCHE. Op de zijkant van het Nederlanden-gebouw van Dudok staat de tekst DE NEDERLANDEN 1845 en ernaast, in spiegelschrift, NEDERL. Meer naar voren, in de rechterbenedenhoek van de afbeelding, staat op een gebouw tweemaal het woord RANZOWBANK. Achter het Nederlanden-gebouw zijn reclames te zien voor HOPPE, GROLSCH PILSNER en DE GRAAFSCHAPBODE. Aan de zuidzijde van de Jansbuitensingel staan de firmanamen SIPMANN, KRUISKAMP, KLUGKIST, VROEMEN en BLIKMANN. Achter de Sint-Martinuskerk staat op een gebouw SPORTFONDSENBAD.

Arnhem was tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen door branden, bombardementen en beschietingen, waarbij in september 1944 de tramremise, een aantal tramstellen en een groot deel van de bovenleidingen werden verwoest. Na de oorlog besloot de gemeenteraad om voor het openbaar vervoer over te gaan op trolleybussen, hetgeen vanaf september 1949 gebeurde. ‘Na het einde van de oorlog vond een reconstructie plaats van de verwoeste binnenstad van Arnhem. Het Willemsplein kreeg voor het verkeer een circuitvorm, waardoor men voorlopig geen stoplichten hoefde te plaatsen. De tramhaltes op het middengedeelte werden vervangen door trolleyhaltes, met drie perrons, aan de zuidkant van het plein. Tussen de trolleyhaltes en het trottoir was ruimte vrijgehouden voor het autoverkeer richting de nieuwe Looierstraat en het Velperplein. Het middengedeelte werd een grasveld met een enkele boom. Om het grasveld kwam een twaalf meter brede weg. […] De Zijpse Poort werd opnieuw verbreed […].’ [2]

Willemsplein 1954

Het Willemsplein in Arnhem, 1954

De weergave van Van Genk is in zoverre correct dat vanaf het viaduct ook nu nog het Vestagebouw, het Willemsplein en een deel van het stadscentrum te zien zijn. Wel heeft hij het viaduct veel hoger geplaatst dan in werkelijkheid het geval is, waardoor er een vogelvluchtperspectief over de stad ontstaat dat vanaf dat punt niet bestaat. In de bewerkte versie van de tekening is een strook ter grootte van ongeveer zestien centimeter van de onderkant afgeknipt, waardoor de treinrails en de balustrade zijn verdwenen. Alleen helemaal linksonder is nog een klein restant te overgebleven. De randen van het werk lijken aan de boven- en rechterkant in originele staat, terwijl de onder- en linkerkant opvallend recht zijn. Een vergelijking van de huidige versie met de afbeelding in de catalogus van De Ark, in combinatie met de huidige maten ten opzichte van die in de catalogus van Rhoon, leert dat ook links een strook van minimaal enkele millimeters ontbreekt.

De ondergrond van Arnhem bestaat, zoals bij de meeste stadspanorama’s van Van Genk uit de jaren vijftig, uit een aantal aan elkaar geplakte vellen papier. Voor de Hilversumse expositie uit 1964 werden de tekeningen op linnen geplakt. [3] Ongeveer in het midden van de tekening loopt een verticale scheidslijn die met name boven de horizon duidelijk waar te nemen is. Op enkele plaatsen zijn langs deze lijn kleine openingen in het papier ontstaan, waardoorheen het linnen zichtbaar is. Ongeveer een centimeter onder de horizon kruist deze verticale lijn een horizontale, zodat er minimaal vier stukken papier lijken te zijn gebruikt. De afbeelding is hoofdzakelijk uitgevoerd in Oost-Indische inkt. Incidenteel zijn (delen van) daken en teksten licht aangezet met blauw of rood kleurpotlood. Omdat het papier niet houtvrij is, is in de loop der jaren door lichtinval zuurvorming opgetreden.


 

NOTEN

[1] Dick Walda, Koning der Stations (tweede druk), p. 34.

[2] Arneym, “Willemsplein geschiedenis – Verwoesting en opbouw, 1944-heden” (geraadpleegd 10 augustus 2019).

[3] ‘De heer De Hartog, die veel moeite heeft gehad met opplakken van de tekeningen op linnen, het inlijsten enz. […]’ (Bibeb, “Ik ben een grijs stuk pakpapier”, p. 122).

Dick Walda

carnaval 24 (800x534)

Willem van Genk en Dick Walda bezoeken het carnaval in Den Bosch (1996)

In 1998 verscheen in het tijdschrift Witte wolken de tekst “De vrienden van Willem van Genk. Gesprek tussen Nico van der Endt en Dick Walda”. Inderdaad verdienden Walda en Van der Endt als enigen de kwalificatie “vriend” waar het om Van Genk ging. Van der Endt balanceerde jarenlang tussen een zakelijke en een meer persoonlijke relatie met Van Genk, zoals hij beschreef in zijn boek Kroniek van een samenwerking (2014). Voor Walda lag dit anders, hij had geen enkel zakelijk belang om in de gaten te houden, het ging hem vooral om een fascinatie met een persoon wiens genialiteit hij herkende. Uit het gesprek tussen Walda en Van der Endt, nadat de psychiaters van Van Genk ter sprake zijn gekomen:

Dick: Maar hoe komt het Nico dat wij, zonder medische kennis, Willem begrijpen en een psychiater niet?
Nico: Juist omdat we geen psychiater zijn. Wij oordelen niet.
Dick: Is dat zo?
Nico: Ja,… waarom denk je dat ik in dit soort kunst zit? Omdat ik geen kunstgeschiedenis gestudeerd heb, ik ben een outsider, en wij zijn outsiders.
Dick: En dan?
Nico: En dan sta je er vers tegenover met je belangstelling, je bewondering. Dan herken je de juiste punten en de kwaliteiten. [1]

Walda leerde Van Genk kennen in 1981, toen hij voor een Haags studentendispuut een lezing hield over Siberië. ‘In het publiek bevond zich een heer, duidelijk als enige geen student. Hij viel mij op, omdat hij zijn jas (een zwarte raincoat van canvas) had aangehouden. Deze heer hoorde beslist niet tot het studentenvolkje en ik begrijp vandaag de dag nog niet hoe hij daar verzeild was geraakt. Ik heb het over Willem van Genk, die mijn lezing gefascineerd aanhoorde en ook de enige was die na afloop — in dat mooie Haags van hem —zinnige vragen stelde.’ [2] Na afloop bood Walda Van Genk een kop koffie aan en raakte hij geïntrigeerd. ‘Een drukke, maar fascinerende man. Dat hij een uniek talent als kunstenaar had, begreep ik pas later. Maar het was vooral die briljante chaos in zijn hoofd die me interesseerde. Een man die het verschil tussen links en rechts niet kende, niet kon klokkijken, maar wel over een encyclopedisch geheugen beschikte en bijvoorbeeld enorm veel wist over muziek. Die puzzel wilde ik ontcijferen.’ [3]

Walda ontwikkelde zich in de loop der jaren steeds meer tot de vertrouwenspersoon van Van Genk, die hem meestal ‘Diederik’ noemde. Hij stuurde Walda regelmatig brieven of kaarten, die door de ontvanger op waarde werden geschat en daarom zorgvuldig werden bewaard. [4] Af en toe probeerde Walda Van Genk gericht te vragen naar diens leven, werk en motieven, zoals een document uit begin 1986 laat zien. ‘VRAGENLIJSTJE VOOR WILLEM VAN GENK’, typt Walda netjes boven het blad, waarnaast Van Genk consciëntieus met potlood 27 januari Den Haag ’86 noteert, met daaronder als aanhef (Beste dick Walda). Eerste vraag van Walda: ‘Willem: wanneer was je voor het eerst van je leven op een station? Hoe vond je dat?’ Van Genk: ‘och Beste lezer dat is moeilijk (voor de oorlog) daar een antwoord op te geven […] dat zijn de stoomlocomotieven en de zeppelinachtige overkappings(fobie)angst het spinnenweb (†) etc.’ Na dit nog redelijk gestructureerde begin laat Van Genk zich bij latere vragen steeds meer meeslepen door zijn associaties en preoccupaties van dat moment. ‘Wat betekent reizen voor jou?’ typt Walda. Van Genk:

Beste lezer, het jaarlijkse uitje, het hoogtepunt in het jaar, (onverschillig voor het vrijdenken etc.) … wel dan voel ik me wel eenzaam zonder hond … De … trein … opa… reist … per … spoor … take the sprinter KLM maar dat kan ook het vliegtuig zijn, wat denk je van de nieuwe kanaaltunnel «Londen-Parijs» ? v.v. Neen beste lezer … ik ben blij als ik uit het openbaar vervoer ben, (de beulskar) (de zespijper) «de stoljapins» en de Blitz 40-45 … het verkeer van vandaag … een schrikbeeld New York op de buis – kaas – uit – de – vuist … vergeet het maar het beruchte momentenjaar … van Blansjaar … de koepelkerk … exit

Dat een zespijper een boevenwagen is; dat de “Stolypin wagon” (Столыпинский вагон) een type Russische treinwagon is waarin vaak gevangenen werden vervoerd; dat ‘Blansjaar’ waarschijnlijk een fonetische weergave is van ‘Blanchard’, een Franse ballonvaarder die ooit vanuit Den Haag opsteeg; [5] dat de Amsterdamse Koepelkerk aan de Stadhouderskade in 1972 gesloopt was – dat alles geeft aan dat er wel degelijk logica in het antwoord van Van Genk zit maar dat die niet meteen toegankelijk is. [6]

In een poging het werk van zijn vriend onder de aandacht te brengen, zorgde Walda voor een publicatie in het tijdschrift NU van de vereniging Nederlands-USSR. In verband daarmee vroeg hij Van Genk om enige biografische gegevens, maar het antwoord was niet echt bruikbaar: ‘Beste lezer ik ben n.l. in Voorburg ZH geboren in ‘27. Ja veel is gesloopt. Voorbij de Voorburgse tram NZH vergane glorie. Maar ach ik ben ook op een Roomsche Jongens Kostschool geweest (Nur für die Weiseknaben) stond op de WC’s of ‘Zum Hausverein’. Beste lezer dit is natuurlijk niks voor de NU … maar we gokken op een puriteinse opvoeding.’ En zo verder. [7]

De publicatie verscheen in oktober 1985 in NU. Het betrof een spread met Van Genks Moskou-tekening waarvan Pieter Brattinga had beweerd haar in 1973 verhandeld te hebben maar die hoogstwaarschijnlijk al jaren eerder door Schmela was verkocht. [8] Walda had zelf voor de begeleidende tekst gezorgd:

De Haagse beeldend kunstenaar Willem van Genk is iemand die op zijn tekeningen en schilderijen voornamelijk stadsgezichten afbeeldt. Ze zijn een samenballing van verscheidene gebouwen en buurten: de stad is in werkelijkheid niet zo; de onderdelen zijn dat wel. Door een fotografisch geheugen slaagt Van Genk erin datgene wat hij eens zag op knappe en minutieuze wijze tot één panorama te verenigen. Op de hier afgedrukte tekening is het centrum van Moskou te ontdekken met het Kremlin, alsook de Lomonosow-universiteit, de Moskwa en de Manege. Zó bestaat Moskou in Van Genk’s hoofd en zo heeft hij het op papier gezet. [9]

Moskou in NU 002b (1024x738)

‘Zó bestaat Moskou in Van Genk’s hoofd …’

Dat Walda koos voor een tekening van Moskou in het tijdschrift van de vereniging Nederlands-USSR, lag uiteraard enigszins voor de hand. Ook betrof het een relatief toegankelijk werk, waar meer recente schilderijen mogelijk te heftig waren geweest voor de lezers. Opmerkelijk was wel dat het om een afbeelding ging van een werk dat al jaren uit zicht was verdwenen en waarvan de verblijfplaats onbekend was. Hoe kwam Walda aan de foto? Desgevraagd zei hij dat hij deze van Van der Endt had gekregen, maar dat was niet het geval. [10] Waarschijnlijk ging het om een foto die in 1964 tijdens de tentoonstelling in Hilversum was gemaakt door Eddy de Jongh en waarvan Van Genk een afdruk bezat. [11]

Van Genk bewaarde het nummer van het tijdschrift met ‘zijn’ bijdrage, samen met een briefje van Walda waarin deze zich verontschuldigde voor een licht oponthoud van de publicatie: ‘Ik kan je meedelen dat ik Moskou in het oktobernummer zal meenemen. In september had ik te weinig ruimte. Ik wil de tekening graag zo groot mogelijk afdrukken. Ik las dat je momenteel exposeert bij De Hamer. Ik ga van de week eens kijken. Hoe staat het met je laatste schilderij: de metro van Boedapest? Is het al af? De hartelijke groeten (ook voor je hondje) van je toegegenegen, ik stotter al schrijvende, Dick Walda.’


 

NOTEN

[1] Helena van den Enden, “De vrienden van Willem van Genk. Gesprek tussen Nico van der Endt en Dick Walda”, in: Witte wolken 3 (1998), nr. 17, pp. 3-7 (aldaar p. 5).

[2] Dick Walda, Koning der stations, p. 48.

[3] Arjen Ribbens, “De briljante chaos in het hoofd van Willem van Genk”, in: NRC Handelsblad, 10 april 2019.

[4] Nico van der Endt: ‘Het is opvallend dat hij Dick Walda wel eens brieven schrijft, maar mij altijd opbelt.’ (Kroniek van een samenwerking, p. 97)

[5] Van Genk kon dit onder meer weten uit het boekje Luchtschepen en ballons van J. Boesman, deel 80 uit de Alkenreeks (Alkmaar z.j.). Titel en auteur komen voor op een etiket op de achterkant van Het project Abery – Moskou, met daarnaast het getal 80.

[6] Het document is afgebeeld in de tweede druk van Walda’s boek Koning der stations, p. 212.

[7] Ibid, p. 223. Walda geeft als datum bij het document ‘19 december 1982’, maar dat lijkt erg vroeg.

[8] Zie mijn tekst Brattinga vs. Van Genk.

[9] “Willem van Genk tekende Moskou”, in: NU 38 (1985), nr. 10, pp. 16-17.

[10] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 7 juni 2019. Van der Endt ontkende dit uiteraard.

[11] De foto is hier te zien.

 

Keleti

Keletistation Budapest (766x800)

Keleti Station | ca. 1980-1990 | gemengde techniek op karton | ca. 91 x 72 cm | The Museum of Everything, Londen

Willem van Genk tegen Dick Walda, zoals opgetekend door die laatste in zijn boek Koning der Stations: ‘Het allermooiste station van Europa vind ik het Kalettistation van Boedapest, dat ligt als een koningin in een plantsoen. Mooie bloemperken er omheen. Je vermoedt niet dat daar dreigende perrons achter zitten. Je denkt dat je een kathedraal binnen loopt, zo groots, zo monumentaal. Jaren geleden ben ik dat station gaan schilderen, maar er kwam steeds meer bij. Het staat nog steeds in m’n slaapkamer, boven m’n opklapbed.’ [1] Later in zijn boek, in een aantekening gedateerd 4 maart 1997, beschrijft Walda een werk van Van Genk waarop het genoemde station is afgebeeld:

Een van de allerfraaiste tableaus van Van Genk bestaat uit vier lagen: ooit begon hij aan het Boedapester Kaletti-station. Ik herinner mij nog hoe hij er jaren geleden drukdoende mee was. Hij zette zijn kunstwerk zo neer, dat hij er vanuit zijn opklapbed naar kon kijken. Later bevestigde hij er een stuk hardboard onder en maakte daarop het Berlijnse station, met o.a. het opschrift ‘Bezoek het druivenfeest in Naaldwijk’. Daaronder kwam de New Yorkse subway. Van Genk was blijkbaar niet te stuiten en verzon er nog een vierde laag onder: de Moskouse metro. Je ziet een wirwar van treinen, perrons, dicht op elkaar gepakte mensen. Voorzichtig informeer ik hoe lang hij eraan heeft gewerkt. Van Genk denkt en zucht. — Dat gevraag van jou. Waarom heb ik al die stations boven mijn bed gemaakt? Ik weet het niet. Het moest gewoon gebeuren. [2]

Het betreft hier het werk dat we kennen onder de naam Keleti Station of Keleti. Inderdaad bestaat dit werk in grote lijnen uit vier lagen of stroken. De bovenste strook toont het kopstation Budapest Keleti pályaudvar (“ooststation”) uit 1884 vanaf de buitenkant. De afbeelding maakt de indruk te zijn afgesneden aan de onderkant en de zijkanten. De tweede strook bestaat uit een aantal kleinere afbeeldingen die bijna alle te maken hebben met openbaar vervoer in met name Berlijn. Daar weer onder bevindt zich een strook met een scène in een metrowagon in New York. De onderste strook bestaat opnieuw uit een aantal kleinere afbeeldingen, die alle de metro tot onderwerp hebben. Rondom het werk zijn negen kleine plaatjes met afbeeldingen aangebracht, waardoor het werk geen egale zijden heeft.

In 1979 legt Galerie Hamer het eerste contact met La Collection de l’Art Brut in Lausanne met betrekking tot Van Genk, een jaar later leidt dit tot de eerste aankopen van die collectie: Collage ’78 en Parnasky Culture, elk voor fl. 3000. [3] Het gaat wat ver om te zeggen, zoals Ans van Berkum doet, dat Keleti Station die eerste contacten ‘reflecteert’, maar inderdaad zijn er in het werk verwijzingen naar Lausanne en art brut te vinden. Van Berkum signaleert drie keer de woorden ART BRUT in de bovenste laag van Keleti Station. In de onderste laag zijn de woorden The Lausanne Métro te vinden. [4]

Keleti detail I

Detail Keleti Station (ca. 1980-1990)

Minstens zo belangrijk zijn de verwijzingen van Van Genk in Keleti Station naar zijn eigen werk in de tweede, ‘Berlijnse’ strook. Twee van de afbeeldingen daar blijken herhalingen op kleine schaal te zijn van oudere werken die hij aan het begin van de jaren tachtig niet meer in zijn bezit had en dus waarschijnlijk uit zijn hoofd heeft nageschilderd. Allereerst is linksonder in de strook het werk herhaald dat we kennen onder de naam Station Berlin Ost. Het was in het midden van de jaren zestig gemaakt en was te zien op de tentoonstelling De eigen wereld van 12 vrijetijdsschilders (1967) in de Haarlemse Vishal. In de catalogus bij die tentoonstelling werd het omschreven als Berlijn (1964-1966)’. Station Berlin Ost maakte deel uit van een aantal werken die Dick Heesen in 1976 had verkregen ‘als betaling voor onkosten’. Van der Endt verkocht het aan dezelfde verzamelaar die eerder een van de twee Hilversumse Leningrad-tekeningen verwierf. [5]

Berlin Station Ost

Station Berlin Ost | ca. 1965 | olieverf op board | 65 x 51 cm | coll. De Ruuk, Amsterdam

Keleti detail II

Detail Keleti Station (ca. 1980-1990)

Een tweede verwijzing naar eigen werk bevindt zich rechtsonder in de strook. In dit geval gaat het om Bahnhof Friedrichstrasse, een klein schilderij dat in bezit was van Joop Beljon en dat pas recentelijk weer opdook. [6] Nadat Ans van Berkum een afbeelding ervan had gezien in een boek van Beljon, [7] legde zij contact met diens zoons die het in hun bezit hadden. Zijn het bij Station Berlin Ost met name de rode trein links en het plafond van het station die duidelijk overeenkomen (en uiteraard het bord met de tekst BERLIN OST), bij Bahnhof Friedrichstrasse vallen vooral de twee vrouwen in het midden van de afbeelding op. Meer in het algemeen tonen de twee ‘reproducties’ welke beeldelementen voor Van Genk belangrijk waren.

Bahnhof Friedrichstrasse

Bahnhof Friedrichstrasse | 1964 | olieverf op board | 17,5 x 25 cm | coll. Joop Beljon, Strijen

‘Het schilderij is onvoltooid gebleven’, aldus Nico van der Endt in 2014 over Keleti Station. [8] Volgens hem was het de methode van Van Genk bij de werken op board om eerst de afzonderlijke plaatjes te beschilderen en deze daarna samen te voegen. Keleti Station vormde hierop een uitzondering, daar begon hij al te timmeren toen het werk nog niet klaar was. [9] Uit de opmerkingen van Dick Walda valt inderdaad op te maken dat sprake is geweest van een dergelijk proces, waarbij het werk min of meer organisch in omvang toenam zonder dat het ooit werd afgerond. Van der Endt dacht Keleti Station (‘dat hij met nog meer kleine zijpaneeltjes wilde voltooien, maar wat nooit meer is gebeurd’) in 2000 te verkopen aan een Duitse verzamelaar voor fl. 35.000 maar besloot het uiteindelijk toch zelf te behouden. [10]

Eind 2004 verkocht hij het werk alsnog aan de Amerikaanse galeriehouder Andrew Edlin. Deze toonde het in januari 2005 op de Outsider Art Fair in New York. The New York Times hierover: ‘Andrew Edlin has the leading candidate for best in show. This is “Keleti Station” (1980-1990), possibly the first painting to be exhibited in this country by Willem van Genk […]. Mr. Van Genk’s consuming fascination with transportation is powerfully represented here by this densely worked multi-tiered amalgam of above- and below-ground panoramas; depicted are subways and train stations from around the world, New York included’. [11] Edlin verkocht het werk ‘voor een bedrag met tenminste zes cijfers’, waarmee Van Genk op dat moment de duurst levende outsiderkunstenaar werd. [12] Keleti Station kwam uiteindelijk terecht in de collectie van het Museum of Everything van James Brett.


 

NOTEN

[1] Dick Walda, Koning der stations, p. 23.

[2] Idem, p. 129.

[3] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 43-45.

[4] Ans van Berkum, “Zijn leven tekenen. Willem van Genk en de kunstwereld”, in: Marjan Teeuwen (red.), Tekenen des tijds (‘s-Hertogenbosch 2002), pp. 28-35.

[5] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[6] Cf. een artikel op de website van het Outsider Art Museum (geraadpleegd 25 januari 2020).

[7] J.J. Beljon, Ogen Open (Amsterdam 1987), p. 125.

[8] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[9] Mededeling Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 25 november 2015.

[10] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 121-123.

[11] Roberta Smith, “Untamed Art From the Fringes Is a Gust of Bracing Air”, in: The New York Times, 28 januari 2005.

[12] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 125. Van der Endt dateert de verkoop aan Edlin abusievelijk enkele jaren te vroeg.