Persoonskaart

Luchtfoto van het De Constant Rebecqueplein en omgeving in Den Haag, 1982 (foto: Haags Gemeentearchief)

Over het leven van Willem van Genk tussen 1945 en 1964 is weinig bekend. Toch waren dit vormende jaren, waarin hij zich ontwikkelde van een tekenaar met talent tot een volbloed kunstenaar. Wat we weten heeft vooral betrekking op de laatste vijf jaar van de genoemde periode, als Van Genk zich heeft gemeld bij bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten en er een artikel over hem verschijnt in het Wekelijks Bijvoegsel van de Haagsche Courant. Van Genk is dan al sinds 1947 tewerkgesteld in een AVO-werkplaats (“Arbeid Voor Onvolwaardigen”) aan de Sirtemastraat in zijn woonplaats Den Haag.

Veel van wat we over de genoemde periode weten, komt uit het stuk van Bibeb over Van Genk dat in april 1964 verscheen in Vrij Nederland. Ze vraagt onder meer ‘hoelang hij al in die werkplaats voor onvolwaardigen zit’, waarop Van Genk antwoordt: ‘Van ’47… toen had ik m’n boekenkast nog.’ Die laatste toevoeging heeft betrekking op een treurig verhaal dat zus Tiny in de jaren negentig ook nog tegen Dick Walda zal vertellen: Van Genks kosthuis hield op enig moment op te bestaan en in de paniek van het moment verkocht hij zijn boekenverzameling. ‘Hij kreeg een appel en een ei voor de boeken. Wim kreeg daar een dag later verschrikkelijk veel spijt van. Toen hij zich bij de koopman vervoegde om de boeken terug te kopen, was de vraagprijs niet op te brengen. Dat heeft hem bijzonder veel pijn en verdriet gedaan.’1

Bibeb geeft ook een beschrijving van het pension waar Van Genk op dat moment woont: ‘Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’’2 Ook Van Genk zelf zal in de jaren negentig tegen Dick Walda iets dergelijks vertellen: ‘Ik moest in een kosthuis, kon niet bij mijn zusters wonen. […] Vandaar dat ik in een kosthuis kwam. Een café van niks. Alles was even treurig en daar moest je ook je kop houden. Betalen — eten — slapen — klaar. Ik kon er niet tekenen.’3

Tiny vertelt Walda eveneens over het kosthuis, maar hier doet zich iets opmerkelijks voor. In de eerste druk van Walda’s boek Koning der stations, uit 1997, zegt ze:

U moet weten dat het kosthuis van Wim – hij heeft er vijf jaar gewoond – een café van laag allooi was.
Ze hadden verlof A.
Hij had er een kamertje van 2 bij 2, samen met een andere commensaal. De omgangsvormen waren er rauw en onbehouwen. Als het eten klaar was riep de kostbaas: ‘Aan tafel en vréten!’
De maaltijden bestonden uit diverse stamppotten. Grote porties, dat wel, vertelde Wim. En er werd veel pap gegeten. Karnemelksepap, havermout- en griesmeelpap. Toen Wim een keer ziek was, wilde ik hem opzoeken. Ik mocht niet naar boven van de kostbaas.4

In 2019 verscheen een tweede, herziene druk van Walda’s boek. Nu zijn Tiny’s woorden een klein beet je aangepast en noemt ze een naam: ‘Als het eten klaar was riep de reusachtige bazin Troekie Spigt: ‘Aan tafel en vréten!’ […] Toen Wim een keer ziek was, wilde ik hem opzoeken. Ik mocht niet naar boven van de kostbaas Spigt.’5 De naam ‘Troekie Spigt’ valt ook in het hoorspel dat Walda in 1998 over Van Genk maakte, eveneens met de titel Koning der stations. Het zou zonder meer kunnen dat Van Genk wérkelijk een kostbaas met die naam had, maar Walda is de enige bron.

Still uit de Brandpunt-reportage over de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid – de maaltijd in het kosthuis van Van Genk

Een lange inleiding om te zeggen dat het voor mij als een grote verrassing kwam toen ik eind juli een mailtje van het CBG kreeg met een digitale kopie van de persoonskaart van Willem van Genk. Ik had nergens meer op gerekend, omdat mijn laatste mailwisseling over het onderwerp uit februari stamde. Van 1939 tot 1994 bestond van iedere inwoner van Nederland een fysieke, handgeschreven of getypte kartonnen kaart die door gemeenten werd bijgehouden, met naam, ouders, huwelijken, kinderen, beroep, religie en adressen. Hierna kwam de digitale opvolger in de Basisregistratie Personen (BRP) voor personen die vanaf oktober 1994 waren overleden, de persoonslijst. Van Willem van Genk bezat ik deze persoonslijst, waarop de meeste maar niet alle gegevens van de persoonskaart waren overgenomen.

Ik wilde dus graag een kopie van deze persoonskaart van Willem van Genk, die nog moest bestaan en die mogelijk ook zijn adressen tussen 1947 en 1964 bevatte. De persoonslijst begon met het adres Harmelenstraat 28, waar Van Genk vanaf 2 december 1964 stond ingeschreven. Tot 1947 woonde hij in ieder geval met zijn vader en een aantal zusters op het adres Magnoliastraat 10. De persoonskaart van zijn vader, waarvan ik wél een kopie bezat, vermeldde zoon Willem Franciscus Antonius Maria tot 19 februari 1948. Dit was de datum dat Jozef van Genk verhuisde naar Lijsterbesstraat 121, waar hij introk bij zijn latere echtgenote Leonarda Pennekamp. Willem bleef achter bij zijn zusters Leny, Isabella en Willy in de Magnoliastraat.

Mijn wachten werd beloond, want inderdaad bevatte de persoonskaart twee adressen die ik nog niet kende:

Persoonskaart Willem van Genk (detail)6

Kennelijk was Van Genk negen maanden na het vertrek van zijn vader ook zelf verhuisd, maar kwam hij in mei 1950 weer in de Magnoliastraat wonen. In januari 1953 verhuisde hij opnieuw, tot hij eind 1964 in de Harmelenstraat landde.

Het eerste adres betrof dus 2e Sweelinckstraat 78. De AVO-werkplaats van Van Genk, die viel onder de Vereniging Dr. Schroeder van der Kolk, bracht een aantal van zijn cliënten onder in eigen pensions. Een van die pensions bevond zich inderdaad in de 2e Sweelinckstraat, zij het schijnbaar op een ander nummer: in de archieven van Schroeder Van der Kolk is sprake van ‘het pension van de familie D. van Dongen, 2e Sweelinckstraat 65 te Den Haag’. De familie Van Dongen bleek echter zelf op nummer 65 te resideren, terwijl hun ‘verzorgingstehuis “Caritas”‘ gevestigd was in de panden 63 en (aan de overkant van de straat) 78. Het ging hier derhalve om een officieel pension c.q. verzorgingstehuis in een relatief nette buurt, en zeker niet om een ‘café van laag allooi’.

2e Sweelinckstraat in Den Haag, 2023. De voordeur van nummer 78 is te zien tussen de lantaarnpaal en de boom (foto: Google maps)

Het tweede adres, De Constant Rebecqueplein 10, was moeilijker te duiden. Het plein in het Regentessekwartier in Den Haag is vooral bekend vanwege de ‘Electriciteits Fabriek’ uit 1906, tegenwoordig een gemeentelijk monument, en de latere elektriciteitscentrale. Naast de fabriek, op nummer 20, kent het plein een aantal woningen, aan beide zijden van de De Constant Rebecquestraat. De nummering is per zijde doorlopend: aan de zuidkant bevinden zich nummer 20 tot en met 34A, aan de noordkant 2 tot en met 7. Er lijken dus nummers te ontbreken, waaronder nummer 10 en zelfs (afgaande op oude krantenadvertenties) 10A.

Het raadsel van de ontbrekende nummers bleek vrij eenvoudig op te lossen: in 2007 was een sloopvergunning afgegeven voor een aantal panden in wat genoemd werd het ‘energiekwartier’. Onder meer werd een bouwblok met acht woningen gesloopt, met drie adressen aan de Joseph Ledelstraat en vijf aan het De Constant Rebecqueplein: de nummers 8, 9, 10, 10A en 11. Oude foto’s van het plein waren er in het Haags Gemeentearchief genoeg, maar meestal betroffen die de elektriciteitsfabriek en -centrale. Toch bleek er ook een foto te bestaan van het blok met nummer 10:

De Contant Rebecqueplein in Den Haag, 1993. Links onder de erker, bij het geparkeerde aanhangwagentje, de ingang naar de nummers 9 en 10 (foto: Haags Gemeentearchief)

De Constant Rebecqueplein 10 bevindt zich op minder dan een kilometer van de AVO-werkplaats in de Sirtemastraat, hetgeen de locatie logisch maakt. Bibeb merkt in haar tekst op dat Van Genk ‘elke avond [te voet] naar ’t huis van zijn jongste zuster’ in de Harmelenstraat gaat: ‘We lopen bijna een uur door een bar stuk van Den Haag, o.a. de Loosduinsekade af’. Ook dit kan kloppen met het adres aan het De Constant Rebecqueplein, vanwaar het zo’n vijftig minuten lopen is naar de Harmelenstraat (waar Van Genks jongste zuster Willy woont) via onder meer de Loosduinsekade. Toch is er een aantal problemen:

  • Tiny zegt tegen Dick Walda dat haar broer vijf jaar in het kosthuis woonde, maar volgens de persoonskaart verbleef Van Genk meer dan elf jaar aan het De Constant Rebecqueplein 10.
  • Volgens Jan Cremer (zie hier) bevond het pension zich ‘ergens in de buurt van het Rijswijkseplein’. Dit is niet in overeenstemming met de locatie van het De Constant Rebecqueplein.
  • De episode met de verkochte boeken suggereert dat er (minimaal) twee pensions waren, waarvan er één ophield te bestaan. Er waren volgens de persoonskaart inderdaad twee pensions, maar dat in de 2e Swelinckstraat was in 1980 nog steeds in functie voor cliënten van de Vereniging Dr. Schroeder Van der Kolk.

Dat van Genk in zijn AVO-tijd een aantal jaren in de kost was bij ‘een arm café’, lijkt vast te staan. De bazige vrouw die het pension runde, komt eveneens in alle verhalen terug. Voor de naam ‘Troekie Spigt’ is Dick Walda echter de enige, niet erg overtuigende bron. Hoe dan ook brengt de persoonskaart ons weer een stapje dichter bij het leven van Willem van Genk tussen 1945 en 1964.


NOTEN

  1. Walda, Koning der stations (1997), p. 35. ↩︎
  2. Bibeb, ‘Ik ben een stuk grijs pakpapier’, p. 118. ↩︎
  3. Walda, Koning der stations (1997), p. 26. ↩︎
  4. Ibid., p. 34. ↩︎
  5. Walda, Koning der stations (2019), p. 47. ↩︎
  6. GV = ‘s-Gravenhage, PB = persoonsbewijs, gew = gewijzigd – er bestaat in Den Haag zowel een Sweelinckstraat als een 2e Sweelinckstraat. ↩︎

Brief

Brief van Willem van Genk aan de familie Van der Wal, 30 november 1958 (detail)

Willem van Genk was geen groot briefschrijver. Toen ik aan mijn biografie werkte, kon ik tot 1985, het jaar waarin de kunstenaar achtenvijftig werd, vier brieven en drie ansichtkaarten achterhalen. Dat is nog altijd meer dan de twee brieven waarmee de auteurs van Willem van Genk. Een getekende wereld het in 1998 moesten doen. Het belette Ans van Berkum niet om op grond van die twee brieven enkele conclusies te trekken over de geestesgesteldheid van Van Genk: ‘De toenemende complexiteit van zijn tweedimensionale werken kan in verband worden gebracht met de ontwikkeling van zijn schizofrenie. Ook in de brieven die hij schrijft wordt dat patroon halverwege de jaren zestig zichtbaar. Een brief van 25 maart 1964 aan Pieter Brattinga laat een helder schrift zien en behandelt slechts één onderwerp, de vraag of hij naar Amerika of naar Rusland zal kunnen reizen, die zomer. […] In de linkerbovenhoek van de brief is één zonnetje getekend.’

Deze brief uit 1964 staat volgens Van Berkum in schril contrast met een exemplaar van vierentwintig jaar later: ‘De brief die hij op 19 februari 1988 aan Françoise Henrion, eigenaar van galerie Art en Marge in Brussel, stuurt, toont een heel ander beeld. Net als bij Brattinga gebruikt hij de afstandelijke aanhef ‘beste lezer’, maar hij zet de naam van de geadresseerde rechtsboven, omgevormd tot ‘Francaîse Henrion’. Hij laat zijn associaties compleet de vrije loop en het hangt maar van toevallige weetjes af of er iets van te volgen is. […] Op pagina twee mengt het schrift zich met een tekening waarin hij via het stratenplan van Brussel uitkomt bij de Centrale Vervoersdienst Gemeente Arnhem en en passant melding maakt van een haringbar, die daar, zoals je dan moet weten, sinds jaar en dag op de hoek van het Stationsplein staat. Bijzonder is dat hij het antwoord van Françoise Henrion/Francaîse Henrîon aan de schrijver zelf vast geeft […].’1

Brief van Willem van Genk aan Françoise Henrion, 19 februari 1988 (detail)

Van Berkum suggereert dat de twee brieven exemplarisch zijn, maar het zijn mogelijk de enige twee waarover ze beschikt.2 Nog afgezien daarvan is het ironisch dat ze op grond van de brieven iets denkt te kunnen zeggen over Van Genks mentale gesteldheid (‘De lijder aan schizofrenie kampt door zijn ziekte met een toenemend isolement. De wereld buiten en de wereld binnen komen steeds verder uit elkaar te liggen, waarbij uiteraard de binnenwereld voor de lijder de meest reële is’, en zo verder), terwijl het waarschijnlijk is dat de diagnose schizofrenie, die hij op enig moment kreeg, onjuist was.

Volgens Jim van Os, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Utrecht, wees Van Genks gedrag in de richting van een tamelijk specifieke psychische variatie in de domeinen van denken, voelen, perceptie en gedrag: ‘Zo je Van Genk psychiatrisch-diagnostisch zou willen duiden, past veel van wat er over hem bekend is binnen wat tegenwoordig bekend staat als het autismespectrum.’ Personen die binnen een dergelijk autismespectrum vallen, ontwikkelen verschijnselen die als psychotisch kunnen worden geduid. ‘Ook bij Van Genk lijkt dit het geval geweest te zijn. Uitingen van paranoia bij mensen in het autismespectrum zijn te begrijpen vanuit beperkingen in het begrijpen van de sociale wereld.’3

Vermoedelijk werd bij Van Genk al vroeg de diagnose ‘schizofrenie’ gesteld, waar hij vervolgens niet meer vanaf kwam. Van Os: ‘Het model van behandeling van schizofrenie was (en blijft in belangrijke mate) vooral medisch, gericht op medicatie en controle van symptomen. Echter wat de persoon in het autismespectrum vooral nodig heeft is psycho-educatie, pedagogische interventies gericht op communicatie en navigatie van de sociale wereld en begeleiding bij opleiding en werk. In afwezigheid daarvan soelaas zoeken in een model van antipsychotische medicatie voor een niet-primair psychotisch probleem is niet constructief.’ Toch was het wel degelijk een dergelijke antipsychotische medicatie die Van Genk kreeg voorgeschreven.4

Paranăsky Kultur (detail)

Je kunt je afvragen hoe de ‘diagnose’ van Willem van Genk door Jim van Os zich verhoudt tot de Goldwater rule, de ethische richtlijn voor psychiaters die stelt dat zij geen professionele diagnose of oordeel mogen geven over de mentale gezondheid van een publiek persoon zonder die persoon persoonlijk te hebben onderzocht. Desalniettemin is het verfrissend om te lezen dat de schizofrenie-diagnose in het geval van Van Genk hoogstwaarschijnlijk onjuist is geweest en dat bepaalde aspecten van zijn gedrag eerder vanuit zijn autisme moeten worden gezien.5

Het aspect van de illustraties in de brief aan Françoise Henrion, om daarop in te zoomen, is bepaald niet iets dat Van Genk pas later ontwikkelde. Al in november 1958, meer dan zes jaar vóór de door Van Berkum geciteerde brief aan Brattinga, stuurt hij een rijk geïllustreerde brief aan het gezin van zijn stiefbroer Henk van der Wal in Arnhem. Van der Wal is de zoon uit het eertste huwelijk van Leonarda Pennekamp, de derde echtgenote van Jozef van Genk. In december 2021 kreeg Hans Looijen, toenmalig voorzitter van de Stichting Willem van Genk, de brief in handen via de zoon van Henk van der Wal. Deze had naar aanleiding van de tentoonstelling Woest een e-mail gestuurd aan het Outsider Art Museum, maar het gebruikte mailadres was verouderd. Pas meer dan een jaar later stuitte een stagiaire op het mailbericht, waarna Looijen contact opnam en de brief verwierf – samen met een balpentekening (WVG-2008) en twee prentbriefkaarten uit 1964.

In de brief beschreef Van Genk vooral wat hij zoal had gezien tijdens zijn bezoekjes aan ‘de Expo […], weet U wel die bewuste wereldtentoonstelling die [in] Brussel al weer te ziele is gegaan. […] Ik ben naar die Expo 2 keer heen geweest en wou wat babbelen over dit evenement van 1958. Och we zijn ’t er allemaal over eens dat kapitalistischen landen naast socialistischen landen vreedzaam naast mekaar kunnen bestaan, maar er zal nog heel wat water door de Hudson, de Theems, de Rhijn en de Moskva moeten vloeien eer de grote heren ’t met mekaar eens zijn. Doch niet tegenstaande is de Expo een schone gebeurtenis der vrede en opbouw, voor ’n betere toekomst v/het wereldgebeuren.’ Van Genk ging met name in op de paviljoens van de Sovjet-Unie en Japan, twee landen waar hij duidelijk door gefascineerd was.

De brief aan het gezin Van der Wal is een van de weinige documenten waarin gegevens te vinden zijn over Van Genks leven in deze periode en het enige waarin hij zelf aan het woord komt. Als gezegd is er maar een handvol brieven van hem bewaard gebleven, waarvan deze de oudste en meteen ook meest uitgebreide is. Van Genk schreef over zijn reizen naar Arnhem, over het overlijden van zijn vader, over zijn leven en ambities, over zijn politieke ideeën, maar vooral over de wereldtentoonstelling in Brussel. De beschrijving van de Expo brak hij abrupt af, aan het einde van het tweede volgekriebelde vel: ‘De Expo besloot met een groot vuurwerk boven Brussel ’s nachts. einde.’

Brief van Willem van Genk aan de familie Van der Wal, 30 november 1958 (detail)

Over het overlijden van zijn vader, op het moment van schrijven nog geen twee maanden geleden, was Van Genk kort en zelfs enigszins ironisch: ‘En mijn vader mocht die 1 Mei brief niet lezen… nu ja… Hij zal deze ook wel niet meer lezen. Ik kan nu niet bepaald zeggen dat het verlies van m’n vader veel indruk op me gemaakt heeft. O ja geen kwaad over de doden rust zacht… nee dat behoeft geen nader betoog.’ Om nog op dezelfde regel te vervolgen met zijn eigen situatie en de plannen die hij had: ‘Mogelijk is de dag niet ver meer dat ik “v/d Heem N.V.” vaarwel zeg en mijn gaat oriënteeren in illustratief tekenen, waar U in deze brief ’n voorproefje van heeft’.6 De marges van de brief zijn volgetekend met de meest uiteenlopende illustraties in pen en potlood, in verschillende kleuren en rijkelijk voorzien van begeleidende teksten.

De illustraties in de brieven aan Van der Wal en Henrion zijn verschillend gemotiveerd. In de brief uit 1958 wilde Van Genk laten zien wat hij in zijn mars had op het gebied van ‘illustratief tekenen’. Met de beschrijving van de Expo 58 leverde hij zelf de bijbehorende tekst, een poging tot een journalistiek verslag met historische feiten, verwijzingen naar de actualiteit en zo verder. In de brief uit 1984 zijn de tekeningen een strategie van Van Genk om indruk te maken op Henrion met zijn vaardigheden als kunstenaar: ‘Wel ik schrijf U een briefje… wat “artistique” volgekladdert is (in de geest van Karel Appel).’ Hij had duidelijk een boontje voor Henrion en wilde op deze manier haar aandacht trekken.

Dat de brieven van Willem van Genk uit de jaren tachtig en negentig slordiger en warriger zijn dan die uit eerdere decennia, is duidelijk. Om daaruit als leek de conclusie te trekken dat dit te maken heeft met de ontwikkeling van zijn schizofrenie is uitermate bedenkelijk, helemaal als aannemelijk is dat er helemaal geen sprake was van schizofrenie. Mogelijk waren het juist de antipsychotica, de medicijnen tégen de vermeende schizofrenie die na jaren zijn mentale gesteldheid hadden aangetast. Maar bij die suggestie wil ik het (eveneens als leek) laten.


NOTEN

  1. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 27. De brief (collectie museum Art et Marges, Brussel) aan Henrion is in facsimile afgedrukt op pp. 1-2 van Een getekende wereld. ↩︎
  2. Er waren ook nog enkele relatief late brieven aan Dick Walda, maar die pasten misschien minder goed in de analyse. ↩︎
  3. Jim van Os, ‘De labels van Willem van Genk’, website Stichting Willem van Genk. ↩︎
  4. Van Os: ‘Vooral bij hoge doses is bekend dat antipsychotica interfereren met de motivatie en het creatieve proces van de persoon – wellicht is dit Van Genk bespaard gebleven. Enkele bewaarde antipsychoticarecepten voor hem lijken te duiden op een zeer lage dosis, en werden geschreven door een psychiater die zijn cliënt vanuit een meer persoonlijke en menselijke benadering tegemoet trad. Die mogen we dankbaar zijn: je kunt je afvragen hoe zijn artistieke activiteit en ontwikkeling anders verlopen zouden zijn.’ Die psychiater was Hans Grelinger. ↩︎
  5. Van Berkum meldt eveneens dat bij Van Genk ‘behalve schizofrenie ook autisme wordt geconstateerd’ (Een getekende wereld, p. 27). Ze gaat hier niet verder op in. De autisme-diagnose stamt ook van veel latere datum, vermoedelijk uit de jaren negentig. ↩︎
  6. Van der Heem N.V. was een Haagse fabrikant van elektronica waarvoor de ‘onvolwaardigen’ van Van Genks AVO-werkplaats productie draaiden maar waarvoor hij beslist niet rechtstreeks werkte. ↩︎

Heverlee

Acht van de negen zusjes Van Genk in de tuin van het Heilig Hartinstituut in Heverlee, rond 1930 (inkleuring: AI)

Onlangs verscheen nieuwsbrief #53 van Cultureel Erfgoed Annuntiaten Heverlee, met een bijdrage over de zusters van Willem van Genk. De nieuwsbrief is hier te lezen, hieronder de tekst over de zusjes Van Genk.

Heimwee in Heverlee

De Nederlandse kunstenaar Willem van Genk (1927-2005) was de jongste in een katholiek gezin met tien kinderen. Hij had negen oudere zussen en was zelf een nakomertje. Hun vader, Jozef van Genk, had een fruithandel en wilde dat zijn kinderen een goede opleiding kregen. Oudste zus Tiny vertelde hierover toen zij in de jaren negentig werd geïnterviewd: ‘Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden.’

In het najaar van 1929 vertrokken de negen zusjes vanuit Voorburg, bij Den Haag, naar het Heilig Hartinstituut van de Zusters Annuntiaten in Heverlee. Ze hadden er een moeilijke tijd: ze spraken aanvankelijk geen woord Frans en sommigen van hen waren nog erg jong – Agnes, Isabella en Willy van Genk waren respectievelijk acht, zeven en zes jaar oud. Desalniettemin verbleven ze jarenlang in Heverlee, de drie jongsten zelfs tot 1936. Alleen in de vakanties keerden ze korte tijd terug naar Voorburg, en zelfs dat was niet altijd het geval. Het lange verblijf had ook te maken met het overlijden van moeder Maria van Genk-Hoogstraten, in 1932.

De zusjes Van Genk in Heverlee, rond 1930. Voorste rij: Jacoba (Jacqueline), Adriana (Addy), Helena (Lena/Leny), Maria (Riet), Eleonora (Nora). Achterste rij: Alberdina (Tina/Tiny), Isabella, Agnes, Wilhelmina (Willy)

Vader Jozef van Genk schreef in januari 1931 een brief aan zijn dochters, die bewaard is gebleven. In die brief is hij niet al te lang van stof, maar hij getroost zich duidelijk wel moeite om al zijn dochters ook even individueel aan te spreken: ‘Zeg Wilhelmientje hebt ge braaf gebeden, jongens wat een groote meid al en mooie punten, maar Isabella ook hoor, en Agnes hewel meske, kunde gij al Vlaamsch klappen’, en zo verder. Ze deden goed hun best en hadden bijna allen een mooi kerstrapport, op Nora na. Jozef van Genk: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld. … Over zes maanden is het weer groote vacantie die tijd schiet op, gebruikt ze nu daarom erg nuttig. […] Nu kinderen nu ga ik eindigen hoor vele groeten de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.

Lena van Genk, die goed kon leren, verbleef van 1929 tot 1938 in Heverlee. Ze trad op 26 september 1932 in, waarschijnlijk was het ziekbed en naderende overlijden van haar moeder daarbij een factor. Lena was op dat moment zeventien jaar oud. Ze ging hierna zes jaar door het leven als ‘Lidwina’. Die kloosternaam verwees naar de heilige Liduina van Schiedam, patrones van de chronisch zieken en ook de naamgeefster van de parochie van het gezin Van Genk. In 1938 trad ze weer uit. Midden jaren dertig werd een foto van haar gemaakt in habijt, bij de Lourdesgrot in de tuin van het instituut.

Lena van Genk (Lidwina) in Heverlee, midden jaren dertig

Het uittreden van Lena van Genk kan ook te maken hebben gehad met mentale problemen, die veelvuldig voorkwamen in de familie van haar moeder. Een oom en tante waren in 1897 door het rijk onder curatele gesteld wegens ‘krankzinnigheid’, een andere oom en tante heetten ‘minder begaafd’ te zijn. In een brief uit 1946 schreef vader Jozef van Genk dat Lena ‘sinds jaren zenuwziek’ was en ook haar broer Willem kreeg al bij zijn eerste tentoonstelling het etiket ‘geestelijk gestoord’ mee. Lena van Genk verhuisde na de Tweede Wereldoorlog naar Sancta Maria in Noordwijkerhout, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize. In 1957 werd haar oudere zus Tiny haar curator.

Uiteraard overleden de zusjes Van Genk één voor één, zij het bepaald niet in volgorde van leeftijd. De altijd ziekelijke Isabella, de op een na jongste, werd slechts drieënveertig en was in 1965 de eerste die stierf. Oudste zus Tiny werd daarentegen drieënnegentig jaar oud en overleed pas in 2007. Alleen Jacqueline (1919-2010) overleefde haar, ondanks het feit dat zij een kettingrookster was.

Acht van de negen zusjes Van Genk in de tuin van het Heilig Hartinstituut, rond 1930

Twee vragen blijven wat mij betreft over. Allereerst: waar haalde vader Jozef van Genk, winkelier, het geld vandaan om negen dochters jarenlang op een buitenlandse kostschool onder te brengen? Hun verblijf zal zeker niet gratis zijn geweest. Dan is natuurlijk ook de vraag waarom hij juist koos voor het Heilig Hartinstituut in Heverlee. Mogelijk had dit te maken met zijn echtgenote, die volgens het bidprentje bij haar overlijden ‘Lid der Derde Orde’ was geweest, tertiares dus. Ook de Annuntiaten zijn een orde van tertiarissen en tertiaressen.

En hun broertje Willem? Die keerde zich af van het geloof van zijn familie en kreeg communistische sympathieën. Twee collages van hem belandden in het universiteitsmuseum van Louvain-la-Neuve, een kleine dertig kilometer van Heverlee. Nog in 1997 zei hij in een interview: ‘Maar ik heb mijn hele leven een zwerm zusters gehad. Gisteren nog, het was maar een droom. Ze zaten aan m’n bed. Allemaal. En dat praat nog een keer door mekaar. Je kan er niks van verstaan, negen moeders die m’n bed willen opmaken. En toch ben je eenzaam.’

Jack van der Weide

Kunsthuis, Moskou, Amsterdam

Trolleybus (detail)

Velp is een ‘dorp’ met bijna 20.000 inwoners in de gemeente Rheden in Gelderland. Het ligt tegen de stad Arnhem aan. Toen Arnhem in september 1949 de trolleybus invoerde, was het eerste traject Velp-Oranjestraat, enkele maanden later uitgebreid tot Velp-Oosterbeek. Deze lijn (tot 1944 een tramlijn) bleef decennialang in stand. De verbondenheid van Arnhem en Velp blijkt ook uit de straatnamen Velperplein en Velperweg, en uit de stationsnaam Arnhem Velperpoort. Op de vele werken van Willem van Genk die Arnhem als onderwerp hadden, wordt Velp zeer regelmatig genoemd. De plaats zelf beeldde hij bij mijn weten nooit af.

In 1989, van 8 juni tot 3 september, was in cultureel centrum Kunsthuis 13 in Velp de groepstentoonstelling Het speelse element te zien. Een van de exposanten was Willem van Genk, wiens ster weliswaar was gerezen sinds zijn tentoonstelling bij La Collection de l’Art Brut in 1986, maar die zeker nationaal nog relatief onbekend was. Er was in de landelijke kranten geen aandacht voor Het speelse element, maar tussen de nagelaten papieren van Nico van der Endt trof ik een fotokopie aan van een recensie uit waarschijnlijk De Gelderlander. Kunstcriticus Jan Nieland lijkt wel de kwaliteit van het werk van Van Genk te zien, al toont hij zich niet meteen een bewonderaar. Ook vindt hij het werk bepaald niet speels:

Willem van Genk schildert weinig opwekkend de draconische ideeën waarmee hij zelf schijnt om te moeten gaan. De met grote dwangmatigheid tot stand gekomen werken gunnen ons een blik in een wereld die vervuld is van angsten en duisterheid. We treden in de schemerachtige overkapte stations uit de vorige eeuw, in tunnels en in de ellende van een wereld die vol is van fobieën. Van Genk schijnt erdoor te worden beheerst en schept met zijn beelden één grote niet aflatende schreeuw.1

De tekst van de recensie was geplaatst rond een grote afbeelding geplaatst van Reiseland Italien (WVG-0037). Afgaand op de recensie als geheel leek Van Genk inderdaad de meest opvallende exposant te zijn.

Van Genk bezocht de tentoonstelling2 en ook Nico van der Endt deed dat. Hij herinnerde zich dat de kunstenaar hem ook om een boodschap probeerde te sturen: ‘Bij een bepaalde bakkerij in Arnhem kon je een cake kopen, verpakt in een soort bouwdoos […]. Ik herinner mij een keer, toen ik terloops meldde dat ik naar Arnhem moest (vanwege de expositie in Velp) hij mij vroeg een cake te kopen.’3 Later voegde hij hieraan nog toe, op mijn vraag of hij zich de naam van de bakker nog wist te herinneren: ‘Een naam/adres werd er toen niet bij genoemd, waarschijnlijk omdat ik niet erg enthousiast reageerde …’4

Brief aan aan Françoise Henrion, 19 februari 1988 (detail)

Het woord ‘Velp’ komt ook voor op het tweede blad van de brief die Van Genk op 19 februari 1988 aan Françoise Henrion stuurde en die in facsimile staat afgedrukt op pp. 1-2 van Een getekende wereld: ‘visit the Gorky Bollar Expo Velp Kastanjelaan’. Bollar, afkomstig uit Uruguay maar sinds 1976 woonachtig in Amsterdam, werd eveneens vertegenwoordigd door galerie Hamer. Hij exposeerde inderdaad in de eerste maanden van 1988 in Velp5 – ook bij Kunsthuis 13, gevestigd aan de Kastanjelaan nummer 13.  

***

Nog een keer terug naar Moskou. In mijn vorige post schreef ik over de ets Minsk, in het bijzonder over de teksten op die ets. Ik vergat daarbij een tekst aan de onderkant van de ets, gedeeltelijk verborgen door de bloemenrand om de afbeelding:

Minsk (detail)

In enigszins gestileerde letters valt het woord BERJOSKA te lezen, met links en rechts daarvan twee ingekaderde teksten in kleinere letters. ‘Berjoska’ (Berjozka, Beryozka; in het Russisch Берёзка, letterlijk ‘berkje’) was de naam van twee door de staat gerunde winkelketens in de Sovjetunie, waar men met Westerse valuta luxe consumptiegoederen kon kopen. Aardig is de beschrijving van vertaler en schrijver Charles B.Timmer:

Een aantal jaren geleden (de juiste datum is mij niet bekend), kwam er in Rusland een variant op het ‘Torgsin-systeem’ in zwang: de zogenaamde ‘Berjozka’-winkels (de ‘Berkeboom-winkels’), waarin tegen bescheiden prijzen aantrekkelijke goederen aan buitenlanders worden aangeboden. Iedere harde valuta (dus niet die van de bevriende Oosteuropese buurlanden en bondgenoten) is welkom, – maar voor sowjetonderdanen gelden hier strengere bepalingen: in de ‘Berjozka’-winkels hangt een plakkaat met de mededeling: ‘verkoop tegen valuta aan buitenlanders; sowjetburgers in bezit van valuta gelieven zich te wenden tot dat-en-dat bureau, waar zij hun valuta kunnen inwisselen tegen coupons’, – m.a.w. voor de sowjetburgers is een controle-apparaat ingeschakeld, dat nagaat, waar die valuta vandaan komt, – en dit maakt uiteraard het bezoek van die sowjetburgers aan de valutawinkels ‘Berjozka’ in sommige opzichten minder aantrekkelijk: illegaal door kontakten met buitenlanders, journalisten, diplomaten, enz. verworven valuta kan aanleiding geven tot pijnlijke vragen.6

ChatGPT wist in Moskou de locaties te vinden van zes Berjoska-winkels, onder andere in het Intourist-hotel in de Tverskaja-straat (‘hier zat een typische Beryozka-winkel’). Hoewel in de buurt, mag dit hotel niet worden verward met hotel Minsk, een fout die ik aanvankelijk ook zelf maakte. Hotel Intourist bestond tussen 1970 en 2022, en was de eerste decennia uitsluitend bedoeld voor buitenlandse toeristen. Het was dus niet verwonderlijk dat er een Berjoska-winkel zat. Maar omdat de ets Minsk uit 1967 stamt en het Intourist-hotel uit 1970, zal dit niet de specifieke winkel zijn waarnaar op het werk wordt verwezen. Ook op een ander werk van rond 1967, 50 jaar Sovjetunie, noemt Van Genk BERJOSKA SHOP in combinatie met INTURIST. Dat laatste zal hier dus evenmin een verwijzing naar het gelijknamige hotel zijn.

***

En ook nog een keer terug naar Amsterdam. In mijn vorige post maakte ik melding van een tekening van Willem van Genk die een paar weken geleden opdook op de website van de Outsider Art Fair 2026 en die werd aangeboden door de New Yorkse galerie Ricco/Maresca voor een bedrag van USD 125.000, Amsterdam Centraal Station. Na ampel onderzoek blijkt dit de tekening te zijn die galerie Hamer twee keer verkocht, eerst in 1987: ‘In februari en maart toon ik in de galerie onder de titel Contrasten een mengeling van naïeve kunst en art brut, waaronder een klein werk van Willem Centraal Station Amsterdam (gemengde techniek op papier en linnen, 52 x 40 cm) voor fl. 4250 […] waar hij niet bijzonder aan hecht en verkocht mocht worden aan een Amsterdamse verzamelaar.’7 Bij het citaat staat een voetnoot: ‘Uit het legaat van deze relatie zal de tekening in 2004 naar de V.S. verkocht worden als één van de drie werken die daar tot op heden via Galerie Hamer terecht komen.’

Amsterdam Centraal Station (detail)

Ik was even op een dwaalspoor gezet omdat Van der Endt andere maten geeft dan Ricco/Maresca. Het gaat echter wel degelijk om hetzelfde werk, bevestigde ook de Amerikaanse koper uit 2004. Dat jaartal is overigens aan twijfel onderhevig, volgens een andere bron moet het 2006 zijn geweest. Daarnaast is er nog een tweede tekening die door Van der Endt met dezelfde titel wordt aangeduid: ‘Bij een verzamelaar in Düsseldorf bevinden zich twee tekeningen, een Panorama Moskou […] en een vroeg gezicht op het centraal station van Amsterdam, Centraal Station, Amsterdam (gem. techniek op papier op doek, 52 x 40 cm). Een jaar later verwerf ik beide tekeningen’.8 Het gaat hier om WVG-0014, door Hamer in 2003 verkocht aan een particuliere verzamelaar. De tekening was eerder te zien geweest bij de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid bij Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum in 1964. Volgens de tentoonstellingscatalogus waren de maten van het werk, catalogusnummer 14, 67 x 51 cm.9


NOTEN

  1. Jan Nieland, ‘Speels, maar geen spelletje. Kunsthuis 13 Velp pakt flink uit in zomertentoonstelling’, in: De Gelderlander, [1989]. ↩︎
  2. ‘In de zomer doet Willem mee met een vijftal werken aan de zomerexpositie van het gemeentelijke Kunsthuis 13 te Velp onder de titel Het speelse element. Willem is bijzonder tevreden dat hij vanaf station Arnhem met een trolleybus naar zijn expositie kan reizen en zegt mij: “Je hebt weer vuurwerk gemaakt!”.’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63) ↩︎
  3. E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 11 mei 2014. ↩︎
  4. E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 9 juni 2016. ↩︎
  5. E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 17 februari 2020. ↩︎
  6. Charles B.Timmer, ‘Russische notities’, geciteerd uit: Tirade, jrg.15 (1971), p. 229. ↩︎
  7. Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 57. ↩︎
  8. Ibid., p. 125. ↩︎
  9. Van Genk’s fantastische werkelijkheid (tent. cat. Hilversum), p. 14. ↩︎

IJsjes, Cuypers, Hotel Minsk

Minsk (detail)

In juni 1986 vond bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne de opening plaats van de langverwachte tentoonstelling van werk van Willem van Genk, door directeur Michel Thévoz al sinds 1980 in het vooruitzicht gesteld. Rond de tentoonstelling verscheen ook het veertiende nummer van de reeks L’art brut, een prestigieuze serie bundels over art brut-kunstenaars die door Jean Dubuffet in 1964 was begonnen. In nummer veertien waren tweeëntwintig pagina’s ingeruimd voor Van Genk, die naast een flink aantal afbeeldingen gevuld waren met een inleidende tekst door Joop Bromet (een bewerking van zijn tekst voor het boek nederlandse naïeve kunst uit 1979) en een interview met de kunstenaar door Nico van der Endt. Op 7 februari 1986 toog laatstgenoemde naar de woning van Van Genk in de Harmelenstraat in Den Haag, gewapend met fototoestel en cassetterecorder – om de woorden van de kunstenaar vast te leggen en om foto’s te maken van het interieur van diens flat, als illustraties bij het interview.

De slaapkamer van Willem van Genk, 1986 (detail; foto: Nico van der Endt)

Dit alles als inleiding op aanvullende informatie bij mijn eerdere opmerkingen over de blonde, vaak ijs etende meisjes die op verschillende werken van Willem van Genk terugkeren. Op een van de foto’s die Nico van der Endt in 1986 maakte, is te zien dat de meisjes teruggaan op twee bronnen: een sjabloon en een afbeelding, die sterk op elkaar lijken. Beide zijn boven het opklapbed van Van Genk bevestigd aan de bovenkant van twee van zijn werken, Engelenburcht en Smolny Kathedraal. Een contactafdruk laat nog iets meer van de afbeelding zien, mogelijk staat naast het meisje verticaal het woord REIZEN.

De slaapkamer van Willem van Genk, 1986 (foto: Nico van der Endt)

Zo’n tien jaar later maakten Ans van Berkum of Bart van Hattum of Pim Leutholff een foto van de slaapkamer waarop eveneens de ombouw van het opklapbed te zien is.1 De afbeelding is verdwenen (of niet te zien), het sjabloon is er nog steeds, bevestigd aan de bovenkant van Smolny Kathedraal. Te zien is dat de tekst Bezoek de druivenfeesten in Naaldwijk! geel is en de tronies rond het sjabloonmeisje oranje.

De slaapkamer van Willem van Genk, ca. 1998 (Een getekende wereld)

***

Pierre Cuypers was vooral een architect van kerken, maar is het bekendst van het Rijksmuseumgebouw (1876-1885) en het Centraal Station (1881-1889), beide in Amsterdam. De twee gebouwen leken voor relatieve buitenstaanders dusdanig op elkaar, dat galeriehouder Manfred Schmela in 1964 Van Genks tekening Amsterdam (WVG-0014) abusievelijk omschreef als ‘Amsterdam (Reichsmuseum)’.2 Het Rijksmuseum werd door Van Genk bij mijn weten nooit afgebeeld, het Centraal Station des te vaker, onder meer op Amsterdam Prins Hendrikkade (WVG-0005), Amsterdam (WVG-0047) en Amsterdam, gezicht op CS (WVG-0113).

Nog meer in close-up is de tekening Amsterdam Centraal Station (WVG-0083), die al jaren uit zicht was en die dus ook niet te zien was geweest tijdens de tentoonstelling Woest. Een paar weken geleden dook het werk ineens op op de website van de Outsider Art Fair, waarvan de 34e editie werd gehouden in New York van donderdag 19 tot en met zondag 22 maart 2026.3 De tekening werd aangeboden door de New Yorkse galerie Ricco/Maresca, voor een bedrag van USD 125.000. Afmetingen waren volgens de website 58,4 x 38,1 cm, terwijl als jaartal 1959 werd genoemd. Navraag leerde dat dat laatste was overgenomen uit Een getekende wereld.4 Op de laatste dag van de Outsider Art Fair verschenen op het Facebook- en Instagram-account van de beurs enkele foto’s van het werk, met de toevoeging ‘A rare find’.

Amsterdam Centraal Station (detail)

***

De ets die bekend is onder de titel Minsk zou eigenlijk Hotel Minsk moeten heten. Afgebeeld is een straat in Moskou met, inderdaad, het genoemde hotel. De tekst aan de onderkant van de ets specificeert een en ander: (MIHCK) MINSK = STALINPROSPEKT = (WFAM VAN GENK • ‘S GRAVENHAGE) = CENTRAAL • POSTKANTOOR = HOTEL • MINSK (INTOURIST) • CCCP. In mijn biografie van Willem van Genk schreef ik dan ook dat hij op de ets ‘een straatscène af[beeldde] bij hotel Minsk aan de Stalinprospekt in Moskou, ter hoogte van het centraal postkantoor.’5 Dat bleek niet helemaal te kloppen.

Hotel Minsk was een hotel in Moskou dat in 1964 opende en gelegen was aan de Gorkistraat. In 2005 werd het hotel afgebroken en vervangen door een multifunctioneel complex, met daarin het Tverskaya Hotel, een winkelgebied en een kantorencentrum.6 ‘Gorkistraat’ was tussen 1932 en 1990 de naam van de Tverskayastraat; waar Van Genk derhalve ‘Stalinprospekt’ (of Stalinstraat/-laan) vandaan haalde, is onduidelijk. Mogelijk was hij op de hoogte van het feit dat de Gorkistraat vroeger een andere naam had, maar wist hij niet welke. Een andere optie is dat Van Genk het over EEN Stalinprospekt had: onder Stalin was de straat hernoemd, verbouwd, dertien meter verbreed en voorzien van Stalin- architectuur. Ook de trolleybussen, veelvuldig te zien op afbeeldingen van de straat, werden onder Stalin ingevoerd.

Hotel Minsk in de jaren zestig

Een andere kwestie was die van het centraal postkantoor. Er was een postkantoor(tje) in hotel Minsk, maar dit kon zeker niet gelden als centraal postkantoor. Anderzijds was (en is) er natuurlijk een hoofdpostkantoor in Moskou, in een bezienswaardig gebouw, maar dat lag niet in de buurt van hotel Minsk. Waar Van Genk precies op doelde, is derhalve onduidelijk. Wat hij met ‘Intourist’ bedoelde, is wel duidelijk: dit was in de tijd van de Sovjetunie de enige organisatie die buitenlandse toeristen mocht opvangen, huisvesten en rondleiden. Intourist – Интурист, een samentrekking van Иностранный турист (inostrannyj toerist), ‘buitenlandse toerist’ – exploiteerde ook hotels en het is zeer wel mogelijk dat hotel Minsk er daar één van was.


NOTEN

  1. De foto staat op p. 73 van Een getekende wereld, samen met een aantal andere foto’s. Uit de credits op p. 144 is niet op te maken welke foto van wie is. Vermoedelijk is de foto van Pim Leutholff, die rond dezelfde tijd de korte film Willem van Genk. Een tocht door zijn huis maakte, met vergelijkbare beelden. ↩︎
  2. Manfred Schmela aan Pieter Brattinga, 2 december 1964 (archief Pieter Brattinga). ↩︎
  3. Hier is een impressie van de beurs te zien. Het werk van Van Genk is enkele seconden in beeld vanaf 13:22. ↩︎
  4. E-mail van Suzy Bucky aan Jack van der Weide, 17 maart 2026. ↩︎
  5. Van der Weide, De eenheid van het spinnenweb, p. 137. ↩︎
  6. Informatie ontleend aan de Russische Wikipedia-pagina over hotel Minsk. ↩︎

Van Naaldwijk naar Rome (via Leningrad)

Smolny Kathedraal | 1964 | gemengde techniek op karton | 55,5 x 41 cm | particuliere collectie

Van Willem van Genk zijn twee tekeningen bekend die het Westland als onderwerp hebben, Druivenkas (WVG-1035) en Naaldwijk (WVG-1036). Beide lijken te maken te hebben met de familie van zijn moeder, bijna geheel uit Naaldwijk afkomstig. Naast die twee tekeningen was er ook nog een sjabloonachtige afbeelding die hij boven zijn bed met een wasknijper aan een ander werk had bevestigd: ‘Onder de tekst * bezoek de druivenfeesten in Naaldwijk * en enkele schertsende mannentronies, is de contour van het bekende meisje met de blonde krul uitgesneden.’1

Detail van de muur boven het bed van Willem van Genk

Over dat ‘bekende meisje met de blonde krul’ dadelijk meer, eerst blijven we nog even in Naaldwijk. Enkele zussen van Willem van Genk (en ook hijzelf) verbleven daar in de jaren dertig soms enige tijd bij hun ooms Jan en Arie Hoogstraten, die op het adres He(e)renstraat 1 een sigarenwinkel dreven. In het geval van twee zussen, Tiny en Nora, was dat verblijf dusdanig lang dat hun verhuizing werd opgenomen in de gemeentelijke administraties. Uit een setje gezinskaarten in het Gemeentearchief in Den Haag blijkt dat Nora op 5 september 1935 vanuit Voorburg naar Naaldwijk is vertrokken, dat Tiny zich op 22 augustus 1936 bij haar heeft gevoegd, dat Nora op 6 oktober 1938 vanuit Naaldwijk naar Voorburg is teruggekeerd en dat zij op 17 januari 1939 weer naar haar ooms gaat. Een aparte kaart vermeldt dat Tiny op 11 oktober 1938 is verhuisd vanuit Naaldwijk, Heerenstraat 1, naar Den Haag, Stadhouderslaan 70.

Het lag derhalve voor de hand dat Tiny en Nora zouden voorkomen in het bevolkingsarchief van Naaldwijk. Inderdaad was dit het geval. Tiny wordt op 9 september 1936 ingeschreven vanuit Voorburg en vertrekt op 6 oktober 1938 naar Den Haag.2 Nora wordt op 5 september 1935 ingeschreven vanuit Voorburg, gaat op 6 oktober 1938 daarheen terug en wordt op 17 januari opnieuw ingeschreven in Naaldwijk. Tot zover niets nieuws. In de index van het Naaldwijkse bevolkingsarchief komen echter nóg twee Van Genks voor, Jacoba M. A. en Josephus J. M. – een derde zus (Jacqueline) en de vader van Willem van Genk.

Tiny, Nora, Jacqueline en Willem van Genk, jaren dertig

Jacqueline van Genk, om met haar te beginnen, blijkt op 23 maart 1942 naar Heerenstraat 1 in Naaldwijk te zijn gegaan vanuit Magnoliastraat 10 in Den Haag, het adres van het gezin Van Genk sinds juli 1939. Op 10 juni 1942 wordt zij officieel ingeschreven in Naaldwijk.3 Ook haar beroep staat vermeld: ‘costuumnaaister’ – een echo van het beroep van haar moeder, die bij haar huwelijk in 1913 ‘modiste’ was.

Dat Jozef van Genk vóór zijn huwelijk een jaar in Naaldwijk had gewoond, was bekend. Hij vertrok op 31 mei 1911 op drieëntwintigjarige leeftijd vanuit Steenbergen naar Naaldwijk, de woonplaats van zijn toekomstige echtgenote. Op 11 juni 1912 bleek hij zich te hebben gevestigd in Berlicum, als tuinman en met als vorige woonplaats Naaldwijk. Het lag dus voor de hand dat hij voorkwam in het bevolkingsregister van Naaldwijk en dat was ook zo, met exact dezelfde data en net als zijn voogd boomkweker van beroep (zie hier). Al eerder sprak ik het vermoeden uit dat hij naar Naaldwijk verhuisde om een opleiding te volgen aan de daar in 1896 opgerichte Rijkstuinbouw winterschool.4

Waar woonde Jozef van Genk in Naaldwijk in 1911-1912? Op zijn persoonskaart staat het wijknummer B151a vermeld en dit correspondeert met het huidige adres Kleine Achterweg 14. Jozef van Genk huurde hier een kamer bij de toenmalige hoofdbewoner van dit adres, H.M. (Hendricus Matheus) van Uffelen. Op de achterkant van diens woningkaart staan de namen van alle ‘inwonende personen en dienstboden, die niet aan het gezinshoofd verwant zijn’ uit de periode 1910-1930 (de woning stamde uit 1910) met bovenaan ‘Josephus Joh. Maria van Genk’. Over H.M. van Uffelen is weinig meer te vinden dan zijn levensjaren (1879-1940), zijn beroep (tuinder) en, gezien de namen van zijn kinderen, zijn religie (rooms-katholiek). Een connectie met de families Van Genk en/of Hoogstraten lijkt er niet te zijn geweest.5

Terug naar de sjabloon Bezoek de druivenfeesten in Naaldwijk. In de beschrijving en foto op bladzijde 26 van Een getekende wereld is deze met een wasknijper bevestigd aan het werk Engelenburcht (WVG-0085). De associatie is helder, want inderdaad is het meisje met het ijsje in de rechter benedenhoek van dit werk te zien, naast een ander figuurtje dat eveneens naar een sjabloon lijkt te zijn geschilderd. Op bladzijde 10 van Een getekende wereld is de sjabloon andermaal zichtbaar, maar hier is zij bevestigd aan het werk Smolny Kathedraal (WVG-0091). Ook op dit werk is het meisje met het ijsje in de rechter benedenhoek te zien, naast een ander meisje dat eveneens ijs eet – uit een coupe. Smolny Kathedraal is gedateerd 1964 en is, tamelijk uitzonderlijk binnen het oeuvre van Willem van Genk, op karton geschilderd.6

Beide werken, Engelenburcht en Smolny Kathedraal, bevonden zich boven het bed van Willem van Genk, beide waren niet te zien op de overzichtstentoonstelling in Boxtel in 1976 en beide bevatten dus het sjabloonmeisje met het ijsje. Een bijzondere, persoonlijke betekenis ligt voor de hand, waarbij het meisje met het ijsje een overeenkomst is. Omdat op Engelenburcht Pierre Stordiau is afgebeeld, is het mogelijk dat het sjabloonmeisje een weergave is van diens dochter Madeleine, op wie Willem van Genk heimelijk verliefd zou zijn geweest (zie hier). Verdere aanwijzingen hiervoor ontbreken vooralsnog.

Ook het meisje met de ijscoupe keert terug, op Kathedraal Pilsen en (in spiegelbeeld) op Rode plein Moskou (1 mei parade) en Vervoer USSR. Hetzelfde meisje, herkenbaar aan haar jas en kapsel, is te zien op een Spaans metrostation op Tram- en spoorwegen (Blauwe trein | Victoriastation). Mogelijk is zij ook afgebeeld aan de onderkant van Ravenna, naast de fotograaf.

Links: Kathedraal Pilsen (detail), daarnaast: Rode Plein Moskou (detail), daarnaast boven: Vervoer USSR (detail), daaronder: Ravenna (detail), rechts: Tram- en spoorwegen (detail)

Het sjabloonmeisje op Engelenburcht vinden we nog op twee andere plaatsen. Op de achterzijde van Colonnade St. Pieter (WVG-0038) herhaalde Van Genk een deel van Engelenburcht, namelijk de rechter benedenhoek.7 Het hoofd en de schouders van het sjabloonmeisje zijn hier alleen in contour aanwezig, de hand met het ijshoorntje is getekend (op de kademuur: campina ijs). In de contour is een geel/oranje knipsel geplakt, waarvan de bron elders terug te vinden is: op Amsterdam Moskou per KLM (WVG-0048) is hetzelfde sjabloonmeisje te zien als op Engelenburcht, zonder ijsje maar met bril en rode halsdoek. Ze is uitgeknipt uit een achtergrond met vliegtuigen en tekst, waarna het uitgeknipte deel kennelijk is aangebracht op de achterkant van Colonnade St. Pieter.

Links: Engelenburcht (detail), midden: Colonnade St. Pieter (achterkant; detail), rechts: Amsterdam Moskou per KLM (detail)

Amsterdam Moskou per KLM (hier afgebeeld) is een ietwat atypische collage, met gebruik van de etsen Rondvaart en Minsk. Het voert te ver om in dit verband het hele werk te bespreken, maar genoemd kan worden de veelvuldige aanwezigheid van de ‘schertsende mannentronies’ van de sjabloon Bezoek de druivenfeesten in Naaldwijk (onder andere links en rechtsboven in het middelste blok); de datering (1966) en signatuur in de rechter benedenhoek van de ets Minsk; de uitgeknipte achthoek rechts beneden waarvan het uitgeknipte deel links beneden weer is gebruikt; en het gebouw aan de rechterkant, onder de rode letters CCCP: dit is opnieuw de Smolny-kathedraal uit Leningrad.

Vrijwel alle werken die ik hier heb genoemd, stammen uit de periode 1964-1969, waarbij Willem van Genk ook weer oudere tekeningen hergebruikte. Het is duidelijk dat het blonde, ijs etende meisje met het gele jasje hem in ieder geval in deze tijd bezig hield en dat er connecties lijken te zijn met Italië en de Sovjet-Unie. Hoe en of Naaldwijk binnen dit geheel past, is onduidelijk.


NOTEN

  1. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 26. ↩︎
  2. Een vertrek op 29 juli 1937 naar Voorburg is doorgestreept. ↩︎
  3. Tussen Jacquelines oude adressen staat bij de datum 6 februari 1942 ‘PB 110413’: het nummer van haar persoonsbewijs. ↩︎
  4. Van der Weide, De eenheid van het spinnenweb, p. 19.  ↩︎
  5. Met veel dank aan Historisch Archief Westland, bij monde van Ingrid Nuijten. ↩︎
  6. Het werk bevindt zich in een particuliere collectie. ↩︎
  7. Zoals ik eerder schreef: ‘Een aantal werken van Willem van Genk kent een rijk bewerkte achterkant, met knipsels, tekeningen en teksten die in verband lijken te staan met de voorstelling op de voorkant. Vaak heeft die voorstelling betrekking op een stad of land, waardoor ook de verschillende onderdelen van de achterkant naar die geografische omgeving verwijzen’. ↩︎

Trolley, Naaldwijk, Tokio

Internationale (detail)

Toch nog even terugkomen op de veiling in Tokio van zaterdag 15 november. Enkele uren na het einde van die veiling stuurde ik mijn contactpersoon Yuki Sato een mailtje waarin ik hem feliciteerde met de opbrengt en hem vroeg naar de nationaliteit van de koper. Twee dagen later stuurde ik hem de link naar mijn tekst op dit blog over de veiling. Weer twee dagen later kreeg ik een antwoord: het veilinghuis zou wel degelijk op de hoogte zijn geweest van de mogelijke waarde van een Van Genk, ‘but the artist was not so famous among Japanese art collectors, and our goal for this sale was “100%” sold. That’s why we set the estimate very low. But when we think it back, maybe our estimate price was too low.’ Sommige belangstellenden hadden zelfs gevraagd of het, gezien de lage prijs, om een print ging.1

Hij liet verder weten wat de nationaliteit van de koper was. Met die informatie was het voor mij mogelijk een educated guess te doen, die bleek te kloppen. De koper gaf aan van plan te zijn om het werk in een enigszins prestigieuze setting te presenteren, waaronder hij niet de Outsider Art Fair (die ik had gesuggereerd) verstond. Artnet vermeldde diezelfde dag nog het verkoopbedrag inclusief veilingkosten: $ 100.477. Mijn voorspelling als zou Internationale weer decennialang uit zicht zijn, bleek dus gelukkig onjuist.

***

Dan iets over de datering van Willem van Genks trolleybus-assemblages. Die worden algemeen, ook door mij, beschouwd als zijnde gemaakt in de jaren tachtig. Het is moeilijk de vinger achter een meer precieze datering te krijgen, omdat de bussen niet van een jaartal zijn voorzien – zo nam ik altijd aan. De Collection de l’Art Brut in Lausanne bezit drie trolleybus-assemblages, waarvan er twee op hun website staan. Nummer drie, net als de andere twee eind jaren negentig aangeschaft via galerie Hamer, staat afgebeeld in de catalogus van de tentoonstelling Woest op bladzijde 82,

Woest, 3 oktober 2019: de drie trolleybus-assemblages van de Collection de l’Art Brut

De getoonde kant van de bus (WVG-6007; zie hier) blijkt zowel het jaartal 1989 als ’89 te bevatten. In 1989 bestond de trolleybus in Arnhem veertig jaar, wat ongetwijfeld gevierd zal zijn. Ik hoop nog steeds een keer te stuiten op een jubileumfilmpje o.i.d. waarbij ineens Willem van Genk in beeld verschijnt.

Trolleybus (detail)

***

De moeder van Willem van Genk, en dus ook en flink deel van zijn familie, kwam uit Naaldwijk. In mijn biografie De eenheid van het spinnenweb ga ik daarom kort in op haar genealogische achtergrond, de manier waarop Jozef van Genk haar mogelijk heeft ontmoet en de banden tussen de families Van Genk en Hoogstraten. In de jaren dertig verbleven enkele kinderen Van Genk, onder wie Willem, kortere of langere tijd bij hun ooms Jan en Arie Hoogstraten.

Misboek Willem van Genk, ‘bij adres: Hoogstraten, Heerenstraat 1 Naaldwijk’ (collectie Museum Dr. Guislain)

In het Historisch Jaarboek Westland 2025 staat een artikel van kunsthistoricus Martha Vollering over Willem van Genk en Naaldwijk.2 Helaas bevat het artikel weinig nieuws ten opzichte van mijn biografie, die ze weliswaar noemt als bron maar die ze hier en daar ook schaamteloos citeert, zonder de citaten als zodanig te markeren.3 Vollering vermeldt dat vier van de broers en zussen van Maria Hoogstraten ‘Petrus, Hendrika, Johanna en Adrianus, “ter zake van krankzinnigheid” onder curatele [werden] gesteld’ in 1898. ‘Je zou kunnen stellen dat Willem van Genk behoorlijk erfelijk belast was, gezien deze ooms en tantes.’4

Met dat laatste ben ik het min of meer eens, al formuleer ik het in mijn biografie iets voorzichtiger (‘Wat mogelijk ook een rol speelde bij de psychische constitutie van Willem van Genk, was een erfelijke factor’).5 Wel opmerkelijk vond ik de mededeling als zouden in 1898 niet twee maar vier gezinsleden onder curatele zijn gesteld, terwijl maar van twee vermelding zou zijn gemaakt in de Nederlandsche Staatcourant (zie hier). Verzamelaar X toog naar het Historisch Archief Westland voor opheldering. Daar bleek dat het wel degelijk om slechts twee personen ging:

‘… onder curatele gesteld’ (archief Westland)

De accolades waren niet helemaal duidelijk, maar het leek toch echt om slechts twee personen te gaan, Petrus Adrianus en Johanna Maria. Wel hadden ook Adrianus/Arie en Adriana/Jaantje psychische problemen, maar zij werden niet al in 1898 onder curatele gesteld. Daarbij was Adriana toen pas 9 jaar oud.


NOTEN

  1. E-mail Yuki Sato aan Jack van der Weide, 19 november 2025. ↩︎
  2. Martha Vollering, “De bekende outsiderkunstenaar Willem van Genk en het Westland”, in: Historisch Jaarboek Westland 2025, pp. 53-67. ↩︎
  3. Een voorbeeld. In mijn biografie schrijf ik over de moeder van Willem van Genk: ‘Alleen haar grootvader Petrus Ferdinandus Hoogstraten, geboren in 1803 in Bloemendaal en chirurgijn annex vroedmeester van beroep, kwam niet uit de buurt. Hij trouwde in 1831 met Johanna Hekkers, geboren in 1801 in Naaldwijk. Johanna beviel in 1833 van een zoon, Jacobus Engelbertus Adolphus, en overleed – het beroep van haar man ten spijt – enkele weken later. Petrus Hoogstraten hertrouwde nog tweemaal en kreeg in totaal acht kinderen alvorens in 1844 zelf te sterven.’ (p. 19). Vollering: ‘Alleen haar grootvader Petrus Ferdinandus Hoogstraten, geboren in 1803 in Bloemendaal en chirurgijn en vroedmeester van beroep, kwam niet uit de buurt. Hij trouwde in 1831 met Johanna Hekkers, geboren 1801 in Naaldwijk. Johanna beviel in 1833 van een zoon, Jacobus, en overleed – het beroep van haar man ten spijt – enkele weken later. Petrus Hoogstraten hertrouwde nog tweemaal en kreeg in totaal acht kinderen alvorens in 1844 zelf te sterven.’ (p. 56) ↩︎
  4. Vollering, “De bekende outsiderkunstenaar Willem van Genk en het Westland”, p. 56. ↩︎
  5. Van der Weide, De eenheid van het spinnenweb, p. 71. ↩︎

Veiling, Schniewind, Harreveld

Panorama Moskou (detail)

En weer een veiling met werk van Willem van Genk. Dit keer zijn het geen etsen die onder de hamer komen, maar een trolleybus en een tekening. De veiling, Art Brut & Compagnie – Antoine de Galbert Collection, vindt plaats op woensdag 24 september bij veilinghuis PIASA aan de Rue du Faubourg Saint-Honoré 118 in Parijs. Zoals de naam al doet vermoeden, betreft het een veiling van (zo’n tweehonderd) werken uit de collectie van verzamelaar Antoine de Galbert.1

Kavel 175 betreft een trolleybus van Van Genk die ook te zien was tijdens de tentoonstelling Woest en die in mijn “Aanzet tot een catalogue raisonné” de aanduiding WVG-6028 kreeg. Het gaat om een onvoltooide bus (zonder wielen) met de basis van de trolleycake-doos nog zeer duidelijk herkenbaar. De website vaan PIASA geeft als datering 1990, in de catalogus van de veiling staat over Van Genk dat ‘En 1988, il oriente sa production vers la fabrication de maquettes d’autobus’ – opvallend exacte jaartallen. Het gaat om een Arnhemse trolleybus, met de bekende reclames Ratelband Hap-Hoek en Patisserie-Bonbonnerie Léon langs de dakranden. De voorgedrukte lijn en bestemming 2 GEITENKAMP is nog steeds leesbaar op de voorkant, al lijkt Van Genk bezig te zijn geweest dit te veranderen in lijn 9 vanaf ARNH station via de looyerstraat naar de laar (west).

De trolleybus van Antoine de Galbert tijdens Woest

Kavel 174 betreft de tekening Panorama Moskou die eveneens te zien was tijdens de tentoonstelling Woest en die in mijn “Aanzet tot een catalogue raisonné” de aanduiding WVG-0016 kreeg. De tekening was voor het eerst te zien in 1964 tijdens de tentoonstelling Willem van Genk’s fantastische werkelijkheid, bij Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum, met als vraagprijs hfl. 10.000. Later dat jaar maakte zij deel uit van de tentoonstelling Van Genk’s phantastische Wirklichkeit bij Galerie Schmela in Düsseldorf, met als vraagprijs DM 5.000. Pieter Brattinga beweerde in 1973 dat hij het werk dat jaar had verkocht, maar hoogstwaarschijnlijk was dat al eerder gebeurd door Schmela. De koper was copywriter Werner Butter, die het werk in 2001 doorverkocht aan Nico van der Endt. Deze toonde het werk in 2002 in zijn galerie Hamer tijdens de expositie willem van genk en sieben wiemer glastra en verkocht het voor € 60.000 aan de Franse galeriehouder Ritsch-Fisch. Die verkocht het op zijn beurt rond 2010 aan Antoine de Galbert.

Panorama Moskou tijdens Woest

De trolleybus heeft als richtprijs € 30 000 / 40 000. Dit lijkt mij aan hoge kant, voor een bepaald niet vlekkeloze bus. Panorama Moskou heeft als richtprijs € 150 000 / 200 000, en dit lijkt me juist aan de lage kant. Er is niet heel veel vergelijkingsmateriaal (werken van Van Genk komen zelden ter veiling), dus de daadwerkelijke opbrengst gaat belangrijk zijn voor de komende jaren. Er komen veel klinkende namen uit de wereld van de Art Brut en de outsider art voorbij in de Parijse catalogus, waarbij slechts twee werken (van Henry Darger en Louis Souter) hoger zijn getaxeerd dan Panorama Moskou.

Panorama Moskou tijdens Willem van Genk’s fantastische werkelijkheid (1964)

***

Eind april 1939 verhuisde Willem van Genk naar het internaat Huize Alexander (“het Jongenshuis”) in het Gelderse Harreveld. Afgaande op twee vermeldingen in De Graafschapsbode verbleef hij daar ongeveer een jaar – het archief van het internaat zou bij een brand zijn vernietigd. Dat bleek niet het geval te zijn, op de website van het Erfgoedcentrum voor Nederlands Kloosterleven zag ik dat het archief van Harreveld werd en wordt beheerd door de Broeders van Amsterdam in Voorhout. Daar bleek men ook de persoonskaart van Willem van Genk te bezitten:

Persoonskaart Willem van Genk, Harreveld 1929

Archivaris Loes Hermans wist mij te vertellen dat “Huis No …” een interne nummering van het aantal plaatsen in het internaat was: ‘Het huis had ongeveer 200 plaatsen. Een nieuwkomer kreeg een opengevallen nummer. In het internaat waren acht afdelingen met verblijfszalen oplopend naar leeftijdsgroep. Afdeling C was voor de jongste jongens die naar school gingen. Daarna schoof je steeds een afdeling verder. In Afdeling E zaten jongens tot 19 jaar.’ De Sint Vincentius Vereniging, waaronder het internaat viel, had verspreid door het land Commissies van Kinderverpleging en Kinderbescherming opgericht. ‘Deze commissies namen de voogdij op zich van verwaarloosde jeugd. “Commissie Den Haag” betekent dat Willem van Genk door de Commissie Kinderbescherming uit Den Haag op Harreveld is geplaatst.’

De persoonskaart vermeldt dat Willem van Genk op 12 juli 1939 werd “afgehaald”. Loes Hermans: ‘Deze formulering ben ik op de andere kaarten niet tegengekomen en het is onduidelijk wat dit inhoudt. Op de kaart staat ook niet aangegeven dat hij tot juli 1940 is gebleven. Misschien is deze aanvulling later vergeten op de kaart te zetten. Heel jammer, want dan had er op de kaart bij Handwerk waarschijnlijk wel een vakrichting gestaan. Nu is dat nergens meer te achterhalen, omdat er geen verdere persoonlijke  gegevens in het archief zijn bewaard.’2 Er is derhalve ruimte voor twijfel, maar het meest waarschijnlijke is dat Willem van Genk niet een jaar maar slechts enkele maanden in Harreveld verbleef. Een week na zijn terugkeer verhuisde Jozef van Genk met zijn gezin naar Den Haag.

***

Nogmaals terug naar Düsseldorf. Een paar weken geleden schreef ik dat “Frau Schniewind”, die in 1964 bij galerie Schmela een werk van Van Genk had gekocht, in werkelijkheid Annelies von Ribbentrop was, de weduwe van nazikopstuk Joachim von Ribbentrop. Echter, Annelies von Ribbentrop had een zuster die wérkelijk “Frau Schniewind” heette en die een bekend kunstverzamelaar was. Deze Franziska of Fänn Schniewind (1898–1980) was de tweede vrouw van zijdefabrikant Willy Schniewind (1890-1978) die veel contacten had in de wereld van de moderne kunst en zelfs meerder malen werd afgebeeld, onder andere door Max Beckmann. ‘Die umfangreiche Kunstsammlung der Schniewinds umfasst Werke der Klassischen Moderne und abstrakten Nachkriegskunst u.a. von Ernst Ludwig Kirchner, Georges Braque, Oskar Schlemmer,  Günther Uecker und Gerhard Richter. Als eine der ersten deutschen Sammlungen kauften die Schniewinds in den 1960er Jahren Werke der US-amerikanischen Pop-Art.’3

Otto Dix, Doppelbildnis Schniewind | 1956 | olieverf op doek | 160 x 90 cm

Het ligt dus veel meer voor de hand dat het Fänn Schniewind was die bij Schmela een werk van Willem van Genk kocht, en niet Annelies von Ribbentrop. Toch spreekt Charlotte Zander in haar fax aan Nico van der Endt over ‘Ihre Tochter Ursula, die heute als Madame Painvin in Paris lebt’, wat zonder enige twijfel op Annelies en niet op Fänn betrekking heeft. Ook Van Genk zelf heeft het over ‘De weduwe van Von Ribbentrop’ die werk van hem heeft gekocht (‘afgetroggeld’). Wie de koper was bij Schmela, blijft daarmee onduidelijk.


NOTEN

  1. Zie de website van de veiling. ↩︎
  2. Loes Hermans aan Jack van der Weide, 3 april 2023. ↩︎
  3. Zie hier. ↩︎

Marjo, Ronson, Rijksmuseum

Moskou (detail)

In 2016 verwierf het Rijksmuseum Amsterdam de tekening Moskou van Willem van Genk. Het ging hierbij om een overdracht van beheer vanuit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed – de Rijksdienst Beeldende Kunst had het werk in 1989 aangekocht.1 De tekening kreeg een plaats in de opstelling van de twintigste eeuw, maar werd vanwege lichtgevoeligheid slechts beperkt tentoongesteld. Begin augustus stuurde ik een mail naar het Rijksmuseum met de vraag of Moskou te zien was. Helaas: ‘De tekening bevindt zich in ons depot, CollectieCentrum Nederland. Ik kan niet achterhalen of de tekening binnenkort in het museum komt te hangen. Voorlopig lijken er geen plannen daartoe te zijn.’2 Onder bepaalde voorwaarden was het echter mogelijk om de tekening in het depot te bekijken.

Twee weken later togen verzamelaar X en ik naar Amersfoort, waar het gebouw van CollectieCentrum Nederland zich bevindt – een imposant gebouw van 31.500 m2, in 2021 geopend en speciaal neergezet voor het Nederlands Openluchtmuseum, museum Paleis Het Loo, het Rijksmuseum en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.3 Moskou was hier in goede handen, zo bleek ook tijdens de uitgebreide rondleiding door locatiemanager Wim Hoeben.

Wat onder meer opvalt bij het van dichtbij bekijken van een tekening als Moskou is de grote hoeveelheid tekst, op gebouwen, vervoermiddelen, richtingaanwijzers en wat al niet. Ook is goed te zien hoe de ondergrond bestaat uit verschillende, aan elkaar bevestigde stukken papier, die bovendien elk een iets andere tint hebben (of hebben gekregen). Daarnaast ontbreekt een signatuur, wat doet vermoeden dat de afbeelding is bijgesneden – al kan het zijn dat de tekening in eerste instantie niet bedoeld was voor andere ogen dan die van de kunstenaar zelf.

 Moskou in CollectieCentrum Nederland

***

In mijn vorige post schreef ik over de woorden REIZEN MARJO op de ets Siljaline uit 1967 (WVG-0064) en MARJO REIZEN, EXIT VERLEDEN tijd op de tekening Wodka Kasakoff uit 1990 (WVG-0101). Die laatste tekst bleek in ieder geval niets te maken hebben met Madeleintje Storio/Madeleine Stordiau, zoals Ans van Berkum suggereerde. Dick Walda kon mij desgevraagd geen opheldering verschaffen: ‘Helaas kan ik je niet helpen wat betreft “Marjo reizen”, heb Willem er nooit over gehoord, maar zou natuurlijk het reisbureau kunnen zijn waar hij zijn reisjes boekte.’4 Verzamelaar X beet zich echter vast in de materie en loste het raadsel op.

Aanvankelijk was er sprake van een “Sigarenmagazijn Marjo” aan de De La Reyweg 11 in Den Haag dat al eind jaren veertig fungeerde als verkooppunt voor reisbureau/busbedrijf Hotam, het vaste reisbureau van de familie Van Genk aan het Valkenbosplein. Op enig moment veranderde het sigarenmagazijn zélf in een reisbureau, op hetzelfde adres en onder dezelfde naam. Van Genk zal hier reizen hebben geboekt, onder andere de reis waarnaar Siljaline verwijst, en hij zal dusdanig aan Marjo verknocht zijn geraakt dat hij in 1990 het verdwijnen van het reisbureau nog vermeldt. Overigens overleed op 4 juli 1989 op 77-jarige leeftijd Reinder Dirk Groot, in wiens rouwadvertentie werd vermeld dat hij ‘voorheen eigenaar van Reisbureau Marjo’ was.5

Links: Wodka Kasakoff (detail), rechts: advertentie uit Het Vrije Volk, 5 mei 1962

***

In 1972 maakte Willem van Genk een schilderij dat van galeriehouder Dick Heesen de naam Paranasky Culture kreeg (WVG-0078). Zelf gaf hij het werk de titel The Paranăsky Kultur Kollage ’72. Elders op het werk staat ook nog Paranăsky Supersmi[le], weer met die breve boven de derde a. In 1980 behoorde het tot de eerste twee werken die Nico van der Endt verkocht aan de Collection de l’Art Brut in Lausanne, voor hfl. 3.000 elk. Door een druk- of typefout kreeg het werk binnen die collectie de naam Parnasky Culture. In haar tekst voor de catalogus bij de tentoonstelling Woest gebruikt Sarah Lombardi, directeur van de Collection de l’Art Brut, de tussenvorm Paranasky Kultur, een naam die ik zal aanhouden, zij het mét de breve.6

Wat is de betekenis van het woord ‘Paranăsky’? Op internet is het niet te vinden en dus weet ook ChatGPT geen antwoord. Wel kwam hij/zij met enkele mogelijke interpretaties, onder andere dat het om een Slavisch klinkende achternaam zou kunnen gaan (‘Het achtervoegsel -sky of -ski komt vaak voor in Slavische namen, al is “Paran” geen bekend basiswoord’). Daarbij is onduidelijk of de laatste lettergreep -sky misschien moet worden uitgesproken als het Engelse sky (lucht, hemel). De breve op de a komt eigenlijk alleen voor in het Roemeens, waar het wordt het gebruikt voor de klinker sjwa (ə), zoals in măr (appel).

Paranăsky Kultur (details)

Op het rechter deel van Paranăsky Kultur is linksboven een scène afgebeeld in een achthoekig tondo, die in zekere mate autobiografisch lijkt te zijn. We zien een wand met drie deuren en vier personen, een vrouw en drie mannen. De vrouw loopt naar binnen bij de linker deur van kamer 14, waarop onder meer SINGLE ROOM en EINZEL ZIMMER en FIRST CLASS staat. Boven haar hoofd staat de richting aangegeven naar een BOUTIQUE DE SEX en een SALOON for LADIES genaamd MAISON AMERICAIN. De twee mannen in het midden kijken naar haar en hebben een sleutel voor kamer 13, een DOUBLE ROOM dan wel DREI BETT ZIMMER die 75 $ DAY kost. De man rechts opent of sluit de derde deur, kennelijk die van een damestoilet (LAVATORY en WOMAN staat op de deur).

Met de tweede persoon van links, de man met het blauwe jasje en de bril, lijkt Van Genk zichzelf te hebben afgebeeld. Hij heeft een tas in zijn hand met daarop EL-AL; kennelijk heeft hij met deze Israëlische maatschappij gevlogen. De man naast hem gaat duidelijk dezelfde kamer in (hij heeft de sleutel) en heeft met zijn baard en pijp veel weg van de schilder die onder meer te zien is op Madrid (WVG-0033) en Engelenburcht (WVG-0085; zie hier en hier) en die kan worden geïdentificeerd als Pierre Stordiau – Van Genk en Stordiau waren ook al samen te zien op Collage 2000 Beljon Inc.7 De man rechts heeft boven zijn hoofd een tekstwolkje met het woord STÜMPERT. Onduidelijk is of hij dit denkt over een van de anderen of dat dit op hemzelf slaat.

Paranăsky Kultur (detail)

Het is een tafereel waarover veel te zeggen en te hypothetiseren valt. Waar het mij met name om gaat is de drie buizen/reclames/apparaten aan de muur links naast de deuren, steeds met het woord RONSONSERVICE. Eerder signaleerde ik al vergelijkbare beeldelementen op Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (WVG-0096) en Zelfportret in De Ark (WVG-0081) en vroeg ik me af wat hier wordt afgebeeld. Helaas biedt ook Paranăsky Kultur geen verklaring. Mocht iemand een idee hebben, over Paranăsky of over RONSONSERVICE, dan zou ik dat graag horen!


NOTEN

  1. ‘In 1989 meldde zich de Rijksdienst Beeldende Kunst bij Van der Endt voor aankopen ten behoeve van de Collectie Nederland. Er werden twee werken aangeschaft, de laatste grote Mockba en Orkest van Coburg.’ Van der Weide, De eenheid van het spinnenweb, p. 223. ↩︎
  2. Annepiet Nouwen aan Jack van der Weide, 5 augustus 2025. ↩︎
  3. Het gebouw bevat naast depotruimtes twee restauratieateliers, een röntgenkamer, een fotostudio, een projectruimte, een ruimte voor houtbewerking en een emballageruimte. Zie de website. ↩︎
  4. Dick Walda aan Jack van der Weide, 30 augustus 2025. ↩︎
  5. De Telegraaf, 6 juli 1989. ↩︎
  6. Sarah Lombardi, “Willem van Genk en de Collection de l’Art Brut: Een verhaal van ontmoetingen”, in: Hans Looijen e.a., Woest, pp. 29-31. Ook verderop in Woest wordt de titel Paranasky Kultur gehanteerd (p. 88). Op de website van de Collection de l’Art Brut heet het werk nog altijd Parnasky Culture. ↩︎
  7. Van der Weide, De eenheid van het spinnenweb, p. 150 ↩︎

Ditjes & datjes (2)

Zelfportret in De Ark (detail)

Eerder schreef ik over Zelfportret in De Ark (WVG-0081) dat Antwerpen/Anvers diverse malen in het werk terugkeert en dat het daarbij gaat om een locatie die al vanaf de vroegste tekeningen een rol speelt in het werk van Van Genk. Van belang is in dat verband dat zijn zuster Nora na de oorlog een aantal jaren woonde en werkte in de Belgische stad, waar ze een eigen studio voor portretfotografie had opgezet.1 Het meest Antwerpse deel van het zelfportret is te vinden in de middelste stroken van het rechterdeel te vinden (zie hierboven). In de bovenste van de twee stroken is een aantal mensen een tentoonstelling aan het bekijken die ook bij naam wordt genoemd: wereld v/d sience fiction, met de toevoeging Anvers.

Inderdaad was er in 1972 in Antwerpen een tentoonstelling genaamd ‘De wereld van de science fiction’, te zien bij het Internationaal Cultureel Centrum aan de Meir 50 van 5 februari tot en met 12 maart. De bezoekers op Zelfportret in De Ark bekijken een aantal informatiepanelen, waarop het onder meer gaat over La pensées de Jules Verne en waarop een SCHEMA te zien is van de KANAAL TUNNEL tussen DOVER en CALAIS. Ook wordt er melding gemaakt van LE PROJET URRS FEODOR ASBERY, met daarbij een afbeelding van een zeppelin. Bij de naam ‘Asbery’ denkt de liefhebber van het werk van Willem van Genk onmiddellijk aan de werken Het project Asbery – Moskou (Project Asbery I) en Het project Asbery – Havanna (Project Asbery II), respectievelijk WVG-0068 en WVG-0067. Feodor Asbery bleek genoemd te worden in het boek Alles over Russische vliegtuigen (1968) van Hugo Hooftman, als bedenker van een enorme Russische zeppelin – die er nooit kwam (zie hier).

Er was dus een externe bron voor de naam/het woord Asbery (Hooftman), waarmee het niet onmogelijk was te denken dat zijn zeppelinproject ook genoemd was in de Antwerpse science fiction-tentoonstelling. Er bleek een catalogus van de tentoonstelling te zijn, die de voormalige consigliere van Nico van der Endt zo vriendelijk was in Antwerpen te raadplegen; daarin geen spoor van Feodor Asbery. ChatGPT kende de naam evenmin: ‘Er blijkt geen algemeen bekende, levende persoon te zijn onder de naam “Feodor Asbery” – in plaats daarvan komt hij naar voren als een fictieve of historisch gelinkte ontwerper van een kolossaal atoomluchtschip in literaire en artistieke context’, waarna een samenvatting van mijn eigen blogpost volgt. ‘Kortom, “Feodor Asbery” is geen historisch bekende luchtvaartingenieur, maar een bron uit journalistieke fantasie over geavanceerde Sovjet‑luchtvaart, die Van Genk als artistieke inspiratie gebruikte.’2

Tentoonstellingsaffiche

Een van de informatiepanelen die Van Genk afbeeldt, heeft als koptekst POP ART NOW. Daaronder staan drie buisvormige voorwerpen met op elk het woord RONSON, met daaronder een half leesbaar woord dat begint met SERV.3 De voorwerpen komen bekend voor en zijn duidelijker afgebeeld op Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (WVG-0096), waar ook de tekst beter leesbaar is: RONSONSERVICE.

Links: Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (detail), rechts: Zelfportret in De Ark (detail)

Wat is dit? Er lijkt een verband te zijn met het aanstekermerk Ronson, dat inderdaad ook een servicepakket op de markt had gebracht, bedoeld voor het bijvullen en/of onderhouden van de aansteker. Daar stopt de connectie, de door Van Genk afgebeelde buizen lijken in niets op de elementen uit een dergelijk servicepakket, noch op een Ronson-aansteker. Mogelijk biedt de tekst POP ART NOW een verklaring: binnen de popart was het niet ongebruikelijk om gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven af te beelden, soms in opgeblazen vorm – denk aan het werk van Claes Oldenburg. Blijft de vraag om welk voorwerp het gaat en ook waarom de niet-roker Van Genk juist voor Ronson kiest. Heeft het te maken met zijn zuster Jacqueline, kettingrookster? Op de collage Brooklyn Bridge (WVG-0050) zweven twee kaasmolentjes rond; eveneens een poging tot popart?

***

Op zaterdag 29 november 1997 werd bij Galerie Hamer in Amsterdam het boek Koning der stations van Dick Walda gepresenteerd, in aanwezigheid van onder anderen de kunstenaar zelf en diens zuster Tiny. Twee weken eerder had Dick Walda aan Nico van der Endt geschreven: ‘Beste Nico, nog even over de presentatie op de 29ste november. Het lijkt mij aardig, nadat ik een kort woord heb gesproken en de boeken heb uitgedeeld (aan Willem, Tine en jou) vervolgens jou uit te nodigen iets te zeggen. Het lijkt mij een goed idee om even uit te leggen tot welke kunstrichting Van Genk wordt gerekend. Jij weet veel meer van zijn kunstachtergrond dan ik en dan wordt ook de oorkonde die je aanbiedt in de juiste context gezien.’4 Van der Endt hield de volgende toespraak:

Beste Willem, dames en heren,

Ook voor een galeriehouder is het een heel bijzonder moment als een kunstenaar die hij vertegenwoordigt, vereerd wordt met de publicatie van een boek over zijn werk of zijn leven. En wat voor een leven, dat leven van Willem van. Genk. Jarenlang belde hij mij midden in de nacht op om te vertellen, dat de vijand de deur bij hem zou intrappen. Vorig jaar is dat spookbeeld werkelijkheid geworden. Sindsdien gaat het niet meer zo goed met hem en nu kijken wij terug op het jaar 1997, het jaar waarin hij zeventig werd, als een jaar met aangrijpende dieptepunten en vererende hoogtepunten. Naast de publicatie van het boeiende boek van Dick Walda geldt als ander hoogtepunt de prijs die Willem van Genk ontving op de Triënnale voor Naïeve kunst en Outsider Art te Bratislava. Hij ontving hier de Grand Prix voor zijn inzending, die bestond uit een vijftal schilderijen en twee autobussen van afvalmateriaal.

Zijn werk wordt gerekend tot de zgn. kunst van outsiders, kunst die in het Franse taalgebied ook wel Art Brut genoemd wordt. Art Brut of Outsider Art is de kunst van eigenzinnige éénlingen, onopgeleiden, die bewogen door sterke innerlijke krachten, beelden van grote originaliteit en hoge intensiteit produceren. Zij hebben geen boodschap aan de mode van de dag, de stijlen uit de kunstgeschiedenis. Zij hebben geen boodschap aan de wereld, juist omdat zij een boodschap vóór de wereld hebben. De boodschap van Willem van Genk is zijn waarschuwing en aanklacht, dat het individu in het grote spel van politieke en culturele machten, in de onderdrukking en manipulatie die daarmee gepaard gaat, zichzelf niet kan en mag zijn. Dit spel, dat ons leven beheerst, en waar wij maar ten dele zicht op hebben, fascineert hem te meer, omdat hij zelf meent tot de machtelozen van deze aarde te behoren. Maar deze schijn heeft hij tegen. Een machtiger oeuvre dan het werk van. Willem van Genk is een zeldzaamheid in Nederland, zelfs een zeldzaamheid in de wereld. En voordat ik hem, namens de internationale jury van Bratislava de oorkonde mag uitreiken, een citaat.

Op dit moment is er in Wenen een grootse tentoonstelling te zien, getiteld Kunst und Wahn. In de formidabele catalogus staat een artikel van prof. Michel Thévoz, werelddeskundige op het gebied van de Art Brut. Hij besluit zijn opstel als volgt: ‘Ondanks de algemene trend van het chemisch dwangbuis in de psychiatrische klinieken, ondanks de triomf van de massamedia, ondanks een wereldwijd vast te stellen geestelijke en sociale “normalisering”, bestaan er weigerachtigen, die halsstarrig hun recht op uniekheid tegenover het conformisme verdedigen. Gevallen als Josef Wittlich, Reinhold Metz of Helmut N. in Duitsland, Willem van Genk in Nederland en Vojislav Jakic in het voormalige Joegoslavië bewijzen, dat ook in het tijdperk van de massamedia afzonderlijke individuen hun vermogen bewaard hebben een persoonlijk filosofisch systeem en een onafhankelijke beeldtaal te ontwerpen, die van hoge artistieke waarde is.’

Willem, we hebben heel wat samen beleefd, we waren in New York, Brussel, Parijs, Lausanne, Zagreb, en zeer onlangs nog samen in Stockholm. Het laat allemaal zijn sporen na, nog heel erg lang. De oorkonde die ik hier voor je heb is daarvoor het zoveelste bewijs. Dank u wel.5

***

Hierboven had ik het over ChatGPT. Chat kan niet alleen vragen beantwoorden, maar ook afbeeldingen maken. Prompts als ‘maak een afbeelding in de stijl van Willem van Genk’ geven vooralsnog twijfelachtige uitkomsten. Wat natuurlijk wel kan, geheel in de geest van een recente trend op TikTok, is om van Willem van Genk een action figure te maken. Een eerste poging leverde al een aardig resultaat op:

‘Genereer een afbeelding van een gepersonaliseerde action figure gebaseerd op een realistische foto [etc.].’

Maar het kan natuurlijk veel beter. Wordt vervolgd.


NOTEN

  1. “Baby Home”, aan de Schoenstraat 25. Technisch gesproken woonde en werkte Nora derhalve in Borgerhout, tot 1983 een zelfstandige gemeente. ↩︎
  2. ‘Wie was Feodor Asbery?’, vraag gesteld op 12 juni 2025. ↩︎
  3. Een vergelijkbare buis hangt een strook lager op Zelfportret in De Ark, in de Antwerpse tram, achter de Joodse man met het keppeltje. ↩︎
  4. Dick Walda aan Nico van der Endt, 15 november 1997 (archief Nico van der Endt). ↩︎
  5. Archief Nico van der Endt. ↩︎