Broeders en zusters

Detail Colonnade St. Pieter (1966)

In een van de eerste posts van deze blog schreef ik naar aanleiding van alle (en naar mijn mening: te grote) aandacht voor het leven van Willem van Genk: ‘in het geval van Willem van Genk bestaat er geen twijfel over het belang van zijn ervaringen, obsessies en mentale problemen voor zijn werk. Door echter alleen op zijn leven te focussen doet men dat werk ernstig te kort.’ Waaraan ik toevoegde dat het tegelijkertijd wel goed is om een meer gedegen biografische basis te leggen en om tegelijkertijd aan te geven welke zaken verder onderzoek verdienen, omdat we nog over veel te weinig gegevens beschikken, met name waar het gaat om Van Genks jeugd en vroege volwassenheid. 

Inmiddels begint er steeds meer informatie te komen over het leven van Willem van Genk: er dook een stiefbroer op, er bleek een setje gezinskaart uit de jaren dertig te zijn, de contouren van Jozef van Genk gingen zich duidelijker aftekenen, jeugdliefde ‘Madeleintje Storio’ kon worden geïdentificeerd en zo verder. Mijns ondanks ben ik steeds verder verstrikt aan het raken in de levensfeiten van Willem van Genk en het einde is nog bepaald niet in zicht. Want waar is de geboorteakte? Welke opleidingen volgde hij, en waar? Wat waren zijn eerste baantjes? Hoe kwam hij onder de aandacht van Nico Speijer? Wie was Troekie Spigt? En zo verder, ongetwijfeld.

Volgens de monografie over Willem van Genk van De Stadshof uit 1998 ‘is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld.’ [1] Waarom dit ‘bekend’ is, is niet duidelijk; desalniettemin is het de enige verwijzing naar Huijbergen en Harreveld waar we over beschikken. Uit korte mededelingen in kranten bleek dat Willem/Wim van Genk in mei 1939 uit Voorburg was vertrokken naar Harreveld en dat hij in juli 1940 weer terugkeerde, naar Den Haag waar Jozef van Genk inmiddels met zijn dochters woonde. Het archief van het internaat in Harreveld was bij een brand verloren gegaan, zodat we het met die gegevens moesten doen.

Huijbergen dan. Volgens zijn oudste zuster Tiny Van Genk werd haar broer na de dood van zijn moeder ‘door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [2] Huijbergen noemt zij niet en Van Genk zelf laat zich evenmin over dit verblijf over uit. In Huijbergen, een paar kilometer ten zuiden van Bergen op Zoom, was inderdaad een “pensionaat voor jongeheeren” genaamd Sainte/Sint Marie, een jongenskostsschool die was ondergebracht in het Wilhelmietenklooster van de Broeders van Huijbergen. In het archief van het pensionaat was echter niets over Van Genk te vinden. Gelukkig bezat mijn contactpersoon, nadat ik had vermeld dat de moeder was overleden, de tegenwoordigheid van geest om ook te kijken in het archief van het eveneens door de Broeders van Huijbergen bestierde weeshuis, en dit keer was het raak:

Informatie uit het archief van de Broeders van Huijbergen betreffende:

Wim F. van Genk, geboren 2 april 1927

Naam en geboortedatum komen voor op een lijst persoonsgegevens van de leerlingen die in 1941 in het weeshuis verbleven, toegezonden aan de Nederlandsche bond tot kinderbescherming. Hierbij moest worden aangegeven of zij “geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede” waren. (De ondertekenaar laat overigens weten dat hij niet op de hoogte is van de komst van deze kinderen.)

Hij verbleef in het weeshuis te Huijbergen van september 1940 tot 26 juli 1941 en volgde de 5e klas.

Dit blijkt uit: een register waarin de maandelijkse (gedrags)punten vermeld staan; en een aantekening in het register van aankomst, waarvan hier alleen vermeld is dat hij een volledige uitzet bij zich had, en de datum van zijn vertrek. [3]

Bijgevoegd waren foto’s van de genoemde documenten.

Details van documenten uit het archief van de Broeders van Huijbergen

Van Genk was dus pas naar Hijbergen gegaan ná zijn verblijf in Harreveld en al tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit verklaart ook waarom er op de gezinskaarten uit de Voorburgse periode niets te zien is over een eventueel vertrek naar Huijbergen: hij woont dan nog thuis. Dat hij op dertienjarige leeftijd in de vijfde klas wordt geplaatst, zegt iets over zijn leerproblemen. Zijn gedrag was daarentegen redelijk voorbeeldig. Wat de rol was van de kinderbescherming, helemaal tijdens de bezetting, zou verder moeten worden onderzocht. Opmerkelijk vind ik ook dat Van Genk bijna acht jaar na het overlijden van zijn moeder pas naar een weeshuis wordt gestuurd – en dat hij na een jaar weer terugkeert. [4]

Hoe ver moet je gaan bij het zoeken naar biografische gegevens? Willem van Genk had negen zusters, van wie in ieder geval Riet (1919-1995), Agnes (1920-1988) en Isabella (1922-1965) weinig invloed op zijn leven hebben gehad. Dit lijkt ook het geval te zijn met Leny, de tweede dochter van het gezin. Helena Eleonora Maria van Genk werd geboren op 14 januari 1915, net als haar één jaar oudere zuster Tiny in Roosendaal; hierna verhuisde het gezin naar Den Haag, waar de andere zeven dochters werden geboren. Tiny, Leny en hun zusje Nora (1916-1984) verbleven van oktober 1920 tot januari 1922 in het pensionaat Sacré Coeur in Moerdijk. Van februari 1927 tot juli 1929 verbleef Leny met een aantal van haar zusjes in internaat Duinzigt in Oegstgeest, in het najaar van 1929 gingen alle dochters naar een kostschool in Leuven. In een brief die vader Van Genk aan zijn kinderen in Leuven schreef, vraagt hij hen de groeten te doen aan ‘de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.

Leny van Genk

Hierna keren de meisjes één voor één terug naar Voorburg, Leny in augustus 1938 als laatste; ze is dan al drieëntwintig. Op een foto die waarschijnlijk uit die tijd stamt, heeft ze een habijt aan: Leny had de ambitie om in te treden en verder als kloosterzuster door het leven te gaan. Volgens haar neef Albert Roozenburg, zoon van Riet van Genk, zou dat er uiteindelijk nooit van komen. [5] Op enig moment vertrok ze naar Noordwijkerhout waar ze ging werken in Sancta Maria, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize die in 1928 was opgericht door de congregatie van Zusters van liefde voor Jezus en Maria. [6] In 1957 werd zij hier patiënt: ‘Bij vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ’s Gravenhage dd. 30 augustus 1957 is op eigen verzoek onder curatele gesteld; Helena Eleonora Maria van Genk, momenteel verblijvend Huize Sancta Maria te Noordwijkerhout.’ [7] Albert Roozenburg:

Ik ben vaak in Sancta Maria geweest bij haar en heb daar nog wel herinneringen aan. Ze kwam ook bij ons thuis in Den Haag op visite. Ik heb ooit een mooie puzzel van Nederland van haar voor mijn verjaardag gehad. In Sancta Maria viel het mij wel op dat zij eigenlijk een van de betere patiënten was: volgens mij hielp ze het verplegend personeel ook met de zorg voor andere patiënten.

Leny van Genk overleed in Noordwijkerhout op 10 december 1967. Ze was tweeënvijftig jaar.

Grafsteen van Leny van Genk (foto: Jan Vellekoop)

Willem van Genk had weinig op met het katholicisme van zijn familie. Desalniettemin was hij gedwongen om zijn eerste buitenlandse reizen te maken met katholieke reisverenigingen. Er staan opvallend vaak nonnen afgebeeld op zijn werken uit de jaren zestig, al hoeft dit niet meteen te worden gezien als een verwijzing naar Leny: het gaat met name om afbeeldingen die in Italië zijn gesitueerd, al zijn er ook nonnen te vinden op onder meer Praag en Madrid. Op de achterkant van Colonnade St. Pieter is de Amerikaanse televisieserie De vliegende non het onderwerp van een knipsel. Geen vreemde associatie waar het Vaticaanstad betreft.

Detail Waarheidsfestival (1972)

Of de geestesgesteldheid van Leny licht zou kunnen werpen op die van haar broer is maar zeer de vraag, aangezien we niets weten over haar diagnose. Overigens had het weinig gescheeld of Willem van Genk zelf was eveneens opgenomen in Noordwijkerhout, waar ook een instelling was voor mánnelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize (Sint Bavo). Bibeb in 1964:

Het jaar dat dit interview werd geschreven werd hem het werk en z’n salarisje waarvan hij kon sparen voor z’n reizen afgenomen. Hij kreeg voor wat hij van 8 tot 5.30 uur deed 5 gulden in handen. Na zijn paniek hierom wilden bepaalde instanties hem naar de inrichting te Noordwijkerhout sturen. Dit is voorkomen. [8]

Het had dus ook heel anders kunnen lopen met Willem van Genk.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[2] Walda, Koning der stations, p. 31.

[3] E-mail van broeder Bram aan Jack van der Weide, 5 januari 2021.

[4] Van Genks jongste zuster Willy in 1964 tegen Bibeb: ‘[Vader] deed Wim, toen hij klein was, in een weeshuis, omdat ie geen zin had in leren.’ Dit blijkt dus te kloppen

[5] E-mail Albert Roozenburg aan Jack van der Weide, 1 augustus 2020.

[6] ‘Tot ver na de oorlog ademde Sancta Maria tot in alle hoeken en gaten een volstrekt katholieke geest uit. Dagelijks werd er een Heilige Mis opgevoerd, nonnen en patiënten baden tot heil van iedereen en de kapel bleef het middelpunt van de inrichting. De directie-secretaris: “Het is nauwelijks te geloven hoe sterk het katholicisme hier heerste. Zelfs een nieuwe motorspuit voor de brandweer of een nieuwe kapsalon werd nog met wijwater ingewijd”. Pas in 1971 verlieten de nonnen Sancta Maria’. Monica Wesseling, “Gedenkboek over 60 jaar Sancta-Maria”, in: Leidsch Dagblad, 27 januari 1988.

[7] Volgens deze website. Bron was Marijke Bijmans, dochter van Agnes van Genk. Tiny van den Heuvel-van Genk werd curator.

[8] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 111.

Madeleintje (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over een jeugdliefde van Willem van Genk. Het eerste deel is hier te vinden.

Gezinskaart Pierre Stordiau (Haags gemeentearchief)

Met de kennis dat de Haagse portrettist Pierre Stordiau bekend was bij Willem van Genk en een dochter had die geboren was in 1928 en Madeleine heette, was het duidelijk dat “Madeleintje Storio” (zoals zuster Tiny haar noemde) in feite Madeleine Stordiau was. De inzet werd nu om een nakomeling van Pierre Stordiau te vinden, die dit zou kunnen bevestigen. Zijn jongste zoon Guido (1935) was verrassend snel te traceren en hij liet mij in een e-mail weten dat hij mijn verzoek om inlichtingen had besproken met zijn zuster Madeleine Mengarduque-Stordiau: ‘Mijn zuster is inmiddels 92 jaar maar zij kan zich Willem van Genk nog goed herinneren.’ Hij gaf mij haar mailadres: ‘Wellicht kan zij u verdere inlichtingen geven.’ [1]

Twee dagen later ontving ik al een zeer vriendelijk antwoord van het meisje op wie Willem van Genk zo’n tachtig jaar geleden verliefd was: ‘“Madeleintje” is inmiddels 92 jaar en weet niet zo heel veel meer van de oude tijd. Neemt niet weg dat ik best bereid ben om u het een en ander te vertellen over wat ik mij herinner uit een inmiddels ver verleden.’ In de mail zelf gaf zij al heel wat informatie, die zij verder toelichtte tijdens een telefoongesprek dat ik begin januari met haar had. Meteen hielp zij al het misverstand de wereld uit als zou zij violiste zijn: ‘Mijn tak van de familie is zeer muzikaal, twee van mijn broers waren musici (Gregor was violist en getrouwd met een fluitiste, Guido was slagwerker en getrouwd met een zangeres); maar al houd ik veel van muziek, ik heb zelf nooit een instrument bespeeld.’ [2]

Haar herinneringen bleken met name vader Jozef van Genk te betreffen, die tijdens de Tweede Oorlog regelmatig bij haar ouders op bezoek kwam, al dan niet in gezelschap van zijn kinderen:

Tijdens de oorlog woonde ik bij mijn ouders in een hofje in de Haagse Riemerstraat. Mijn vader was de Belgische schilder Pierre Stordiau, hij was getrouwd met de Friezin Annetje Gorter, mijn moeder. Ze ontvingen, ook tijdens de oorlog, in hun hofje altijd veel vrienden en kennissen, vaak uit de Haagse artiestenwereld […]. Uit wat er om mij heen werd gezegd begreep ik dat tijdens de oorlog Van Genk altijd klaar stond om mensen die moeilijkheden hadden te helpen, maar dat hij daar na de oorlog nooit enige erkenning of erkentelijkheid voor heeft mogen ontvangen. Hij was daarover, begrijpelijk, zeer teleurgesteld en gefrustreerd.

Deze woorden uit het e-mailbericht lichtte zij tijdens het telefoongesprek uitgebreid toe: Jozef van Genk noemde zij “goeiig”, ‘die man die was zo bedroefd dat … hij was bescheiden, heel bescheiden, dus … hij was niet bekend, wel als ze ‘m nodig hadden, dan was-ie wel bekend, dan hadden ze ‘m wel gevonden, maar om te bedanken: nooit. En daar was-ie vreselijk treurig over, hij zegt: nou ik zó veel gedaan heb, zó veel mensen geholpen, is er nou niet één die zegt van: goh, die man heeft mij het leven gered, maar ja …’

Net als Jozef van Genk was Pierre Stordiau een man die altijd klaar stond voor anderen (‘als-ie kon helpen dan deed-ie dat’) en die dankzij zijn uitgebreide netwerk – hij was onder meer lid van de Haagse Kunstkring – ook veel contacten had: ‘Stordiau kent iedereen!’ Het hofje waar zijn woning was, was uitgegroeid tot een kleine artistieke enclave binnen Den Haag, waar regelmatig mensen logeerden. Madeleine Mengarduque herinnerde zich dat zij dan soms haar kamer moest afstaan om in het atelier van haar vader te slapen. De kinderen Stordiau kregen nooit fysiek straf van hun vader: ‘Er mocht bij ons niet geslagen worden. Nooit van z’n leven hebben wij lijfstraf gekregen, want dat mocht niet. Zelfs als je vervelend was dan … je kreeg op je kop, zoals wij dat noemden, een flink standje … of je moest het betalen uit je spaarpot – zei mijn vader maar dat gebeurde niet, want je spaarpot was ook niet zo vet …’

Moeder Annetje Stordiau-Gorter was een belezen vrouw die onder meer advies gaf aan de directeur van de Openbare Leeszaal over aan te schaffen boeken. Bij de geboorte van Guido Stordiau was zij al veertig jaar en omdat ze zich toen eigenlijk te oud vond om een kind op te voeden, liet zij dit grotendeels over aan haar dochter. Die rolde daardoor als vanzelf in het vak van kinderverzorgster, behaalde na de oorlog een diploma als verzorgster in koloniehuizen en vertrok in 1953 naar Frankrijk. Daar werkte ze in verschillende kindertehuizen tot ze trouwde in 1960.

Detail Kathedraal Pilsen (ca. 1965)

Het beeld dat Madeleine Mengarduque-Stordiau schetst van Jozef van Genk, komt overeen met wat ik eerder over hem te weten kwam: een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel deed voor anderen maar daar nooit in enige vorm erkenning voor had gekregen. Kwam hij daarin in zekere zin overeen met Pierre Stordiau, de verschillen tussen beide mannen waren aanzienlijk: Jozef van Genk was een burgerlijk-katholieke middenstander/ambtenaar, Stordiau een kunstenaar die zich in artistiek-intellectuele kringen bewoog en die weinig gaf om bezit of geloof. [3] Het is dus inderdaad zeer goed denkbaar dat Willem van Genk zich bij het gezin Stordiau thuis voelde, zoals zijn zuster Tiny aangaf. Daarbij zal het ontbreken van enige vorm van lijfstraffen, als hij daarvan op de hoogte was, hem ook hebben aangesproken.

Opmerkelijk is dat Willem van Genk zelf bij Madeleine nauwelijks lijkt te zijn opgevallen, terwijl zij toch goed was met kinderen en bijvoorbeeld kinderen die bang waren voor de oorlog, op haar kamer een schuilplaats aanbood. Van Genk had wellicht ook toen hij al volwassen was nog contact met Pierre Stordiau: de 2e de Riemerstraat ligt op enkele honderden meters van de Sirtemastraat, waar de sociale werkplaats was gevestigd waar Van Genk jarenlang “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. Stordiau was lange tijd mogelijk de enige kunstenaar die hij persoonlijk kende.

Een laatste punt is de zwarte overjas waarin Pierre Stordiau altijd werd gezien, een kledingstuk dat lijkt op de raincoats die Van Genk droeg en verzamelde. Het valt zeker niet uit te sluiten dat deze kledingkeuze – ‘Zo ziet een kunstenaar er dus uit!’ – indruk heeft gemaakt op Van Genk en van invloed is geweest op zijn latere obsessie. Bij de nadruk die (al dan niet terecht) vaak op de jassen wordt gelegd, zou in ieder geval verder kunnen worden gekeken dan alleen naar de SD of Gestapo. Naar de vader van Madeleintje Storio, bijvoorbeeld.


NOTEN

[1] E-mail van Guido Stordiau aan Jack van der Weide, 17 december 2020.

[2] E-mail van Madeleine Mengarduque-Stordiau aan Jack van der Weide, 19 december 2020. Het telefoongesprek vond plaats op 2 januari 2021. Guido Stordiau liet mij desgevraagd weten ‘dat er geen verwantschap bestaat tussen de familie Andriessen en de fam. Stordiau. Ik heb gestudeerd met Louis Andriessen, de componist op het Kon. Conservatorium te Den Haag’ (e-mail, 10 januari 2021).

[3] Madeleine Mengarduque gaf tijdens het telefoongesprek aan dat haar moeder zich tot het katholicisme had bekeerd, ‘maar mijn vader had daar niet om gevraagd’. Op de gezinskaart van Pierre Stordiau staat in de kolom “kerkgenootschap” bij zijn naam ‘geen’.

Madeleintje

Engelenburcht | ca. 1965 | olieverf op board | 60 x 61,5 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Museum van de geest

“Wim had twee liefdes, maar het is helaas nooit wat geworden.” Aldus Tiny van den Heuvel-van Genk in 1997 tegen Dick Walda, als ze het heeft over de jonge jaren van haar broer. “De een was Madeleintje Storio, een beeldschoon meisje, heel talentvol. Speelde prachtig viool. Jarenlang heeft Wim naar haar gekeken, want de foto hing boven zijn bed. Hij kon Madeleintje zien vanaf zijn kussen. Ze vertrok naar Parijs en wat bleef was het verlangen van Wim naar dat meisje. En dan was er nog dat buurmeisje, een Indische. Die woonde beneden Wim en daar was hij in het geheim ook verliefd op. Zij is naar Den Briel verhuisd, hij hoopt haar nog eens te zien. Vandaar dat hij af en toe van zichzelf naar Den Briel moet.” [1] Het Indische buurmeisje wordt een jaar later niet genoemd in Een getekende wereld, Madeleintje wel:

[…] zegt Tiny van den Heuvel. “De vader van het meisje op wie hij verliefd was, Madeleintje Storio, heeft eens tegen mij gezegd, ‘hij is goochemer dan jullie met z’n allen bij elkaar!’ In dat gezin was aandacht voor muziek en architectuur. Daar trok Willem zich aan op. Daar voelde hij aansluiting. Op een gegeven moment zijn ze naar Parijs verhuisd en is Willem hen uit het oog verloren. Een foto van Madeleintje , een begaafd violiste, heeft hij op de dag van vandaag  in zijn slaapkamer staan. Hij verloor zijn droom, maar niet zijn adoratie. De wereld van die mensen had iets met de zijne te maken.” [2]

In een voetnoot bij dit citaat wordt toegevoegd: “Volgens Tiny van den Heuvel-van Genk was deze familie in de verte verwant aan de Van Genks en aan de familie Andriessen, waaruit enkele componisten zijn voorgekomen.”

Wie was Madeleintje Storio? Via internet leek ze niet te vinden – mogelijk was ze getrouwd en had ze een andere achternaam gekregen. De achternaam ‘Storio’ leverde in het gemeentearchief van Den Haag geen treffers op. Violistes met de voornaam ‘Madeleine’ kwamen wel voor op internet: er was een Madeleine Massart, geboren in 1929, en een Madeleine Vautier uit Marseille die in de jaren vijftig een aantal recitals in Nederland gaf. Geen van beiden leek echter een band met Den Haag te hebben, laat staan met de familie Van Genk of – een vermelding in een krantenartikel had voor de hand gelegen – met de familie Andriessen. Op Brooklyn Bridge (ca. 1970) is wel de Hongaarse violiste Johanna Marzy afgebeeld, haar naam wordt expliciet vermeld.

In Een getekende wereld beschrijft Ans van Berkum bij een bezoek aan de woning van Willem van Genk het werk Engelenburcht (“Van Genk heeft dit werk altijd bewaard op de plank boven zijn opklapbed”), waarbij ze onder meer het meisje met het ijsje rechtsonder op de afbeelding noemt: “We zullen haar nog vaker aantreffen. Ze zal zelfs uitgroeien tot een soort herkenningsmelodie. Zullen we ooit weten waar ze werkelijk vandaan komt?” [3] Van Berkum beseft niet hoe warm ze is: inderdaad is op Engelenburcht een aanwijzing te vinden over de identiteit van een meisje dat veel voor Van Genk heeft betekent, alleen bevindt die aanwijzing zich in een andere hoek van het werk.

Linksonder op Engelenburcht is een schilder afgebeeld die op de lage kade langs de Tiber een Japanse dame portretteert. Naast de schilder staat een man met een blauw jasje die naar de kunstenaar gebaart en gekke bekken lijkt te trekken. GEORGES LAMPE staat op de pijpen van zijn broek geschreven. Georg Lampe (1921-1982) was een schilder en graficus uit Den Haag die was opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Lampe was van 1964 tot 1982 directeur van de Vrije Academie, een meer progressieve kunstopleiding in dezelfde stad – Jan Cremer, die begin 1958 was begonnen aan de Koninklijke Academie, zou al na enkele maanden verhuizen naar de Vrije Academie, waar hij zich beter thuis voelde. Lampe was getrouwd met interviewster Bibeb, die Van Genk in 1964 interviewde voor Vrij Nederland. In 1967 kreeg Van Genk uit handen van Lampe de prijs uitgereikt voor beste amateurschilder van Zuid-Holland in de teken- en schilderwedstrijd van Co-op Nederland.

Detail Engelenburcht (foto: Jan Vellekoop)

Ook de schilder op Engelenburcht heeft een aantal teksten om zich heen. Blijkens opschriften op zijn schoudertas en ezel werkt hij met v. GOGH VERF en REMBRANDT PRODUKT, terwijl op de poten van de ezel ook de aanduiding BRAGAH STUDIO te lezen is – een indicatie dat dit werk dus ná de kennismaking met Pieter Brattinga is geschilderd, aangezien het niet om een latere toevoeging lijkt te gaan. Het belangrijkste opschrift is echter te vinden op de schilderkist aan de voet van de ezel: ATELIER STORDIAU 105 2 RIEMERSTR den HAAG HOLLANDE  ANVERS. De schilder is daarmee te identificeren als (afkomstig uit het atelier van) de Haagse portrettist Pierre Stordiau, die in de verte geparenteerd was aan Willem van Genk en een dochter had genaamd Madeleine.

Petrus Josephus Maria Stordiau werd op 12 november 1887 geboren in Antwerpen en kwam in de jaren tien van de vorige eeuw naar Den Haag, waar hij bleef wonen en op 20 december 1969 overleed. Stordiau woonde in Den Haag aan de 2e De Riemerstraat 105. Op een website over dit “oudste woonerf van Den Haag”:

Tot 1923 bestond er slechts één De Riemerstraat, vernoemd naar de Haagse geschiedschrijver mr. Jacob de Riemer (1676-1762). Door de aanleg van de Vondelstraat, die de bereikbaarheid van het centrum moest vergroten, werd de straat verdeeld in een 1e en 2e De Riemerstraat. […] In de 2e De Riemerstraat ligt een hofje verscholen. In 1913 vestigde de kunstschilder Pierre Stordiau zich in het hofje. Deze baarde opzien in de buurt door altijd gekleed te gaan in een zwarte overjas, zwarte flambard met pellerini (een korte cape) waaronder donker haar tot op de schouders. Erbij een zwarte lavalière (gestrikte das met breed uitlopende einden) en een ebbenhouten wandelstok met zilveren knop. Ook zijn vrouw ging steeds in het zwart gekleed. Zij droeg een zogenoemd polkakapsel met zwarte baret. [4]

De ouders van Pierre Stordiau waren Hieronymus Eduardus Maria (Jérôme) Stordiau (1858-1911), een diamantair uit Antwerpen, en Cornelia Elisabeth van der Ouderaa (1857-1926) uit Bergen op Zoom. Ze hadden tien kinderen. Cornelia van der Ouderaa was een halfzuster van Alphonsus Franciscus Johannes van der Ouderaa, wiens zoon Kees getrouwd was met een zuster van de moeder van Willem van Genk: de tante uit Bergen op Zoom bij wie Van Genk na het overlijden van zijn moeder korte tijd woonde. Pierre Stordiau volgde een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar hij een leerling was van Pierre Jean (eigenlijk: Petrus Johannes) van der Ouderaa, een neef van zijn moeder.

Pierre Stordiau, ca. 1940 (foto: Haags gemeentearchief)

Pierre Stordiau trouwde in 1919 met Anna Helena Wilhelmina Gorter (1895-1964) uit Sneek. Ze kregen vier kinderen, die allen met hun tweede en derde voornaam naar hun ouders werden vernoemd: Jérôme Pierre Anne (1924), Madeleine Pierre Anne (1928), Grégoire Pierre Anne (1929) en Guido Pierre Anne (1935). Guido Stordiau werd slagwerker bij het Haagse residentieorkest en trouwde met de sopraan Germaine de Gruyl, die daarna door het leven ging (en bekend werd) als Germaine Stordiau.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 38.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p 12.

[3] Ibid., p. 26.

[4] “Het oudst woonerf van Den Haag”. Volgens een gezinskaart in het Haags gemeentearchief vestigde Stordiau zich pas in 1919 op dit adres.

Jan Cremer

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk aan de maaltijd in zijn kosthuis

Jan Cremer kwam eerder zijdelings ter sprake op deze blog in de context van het drieluik Kollage van de haat (1971). Enkele maanden geleden zocht en vond ik contact met Cremer, die Willem van Genk inderdaad eind jaren vijftig vluchtig had meegemaakt. Naar aanleiding daarvan schreef ik onderstaande tekst voor het literatuurhistorische tijdschrift De Parelduiker, die uiteindelijk niet werd gepubliceerd – de redactie vond na rijp beraad de link met literatuur te klein.


‘Jan Cremer, Jan Cremer heeft er ook gezeten.’

In 1965 verscheen de bundel Bibeb & VIP’s, waarin vijfentwintig interviews waren verzameld die Bibeb voor Vrij Nederland had gehouden tussen februari 1962 en februari 1965. Daarbij was de literatuur goed vertegenwoordigd: maar liefst elf geïnterviewden waren afkomstig uit de wereld van de letteren, van Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Lucebert tot Simon Vestdijk, Jan Wolkers en Gerard (toen nog: van het) Reve. Ook Jan Cremer kwam aan bod. Het interview met hem was van september 1964, toen hij pas vierentwintig jaar oud was maar er van zijn roman Ik, Jan Cremer in een half jaar tijd al bijna 100.000 exemplaren waren verkocht. Bibeb liet hem vooral praten over zijn succes en geld: ‘Als de 100.000 vol is, komt  er een gouden boek, dat kost een paar duizend gulden. Echt goud, ik kan ’t altijd verpatsen.’ [1]

Een andere geïnterviewde in het boek was Wim/Willem van Genk (1927-2005), een kunstenaar uit Den Haag die begin 1964 korte tijd in de schijnwerpers stond met zijn eerste tentoonstelling. Ook het actualiteitenprogramma Brandpunt maakte een reportage over hem, waarbij men niet om de hete brij heen draaide bij de vraag naar de reden voor alle ophef: ‘In de kantine van De Jongs steendrukkerij in Hilversum kan men met de bizarre tekeningen van deze zondagsschilder kennismaken. […] De expositie heeft nogal wat publiciteit getrokken. Willem van Genk is namelijk geestelijk gestoord.’ [2] De tentoonstelling werd geopend door W.F. Hermans, die veel bewondering had voor het werk van Van Genk: ‘Zijn tekeningen zijn huiveringwekkend mooi, maar zullen velen herinneren aan iets dat zij liever vergeten.’ [3]

“Geestelijk gestoord” was Van Genk niet, wel was hij autistisch en waarschijnlijk schizofreen. Na een aantal mislukte baantjes was hij eind jaren veertig terecht gekomen op een zogeheten AVO-werkplaats, waarbij AVO stond voor Arbeid Voor Onvolwaardigen. Hier moest hij afwasborsteltjes in elkaar zetten of stukjes kabel in zakjes doen. Hij woonde in een armoedig pension, op een minuscule kamer die hij met een zwakzinnige grondwerker moest delen. Van Genk verdiende veertig gulden per week, waarvan hij vijf gulden in handen kreeg als zakgeld. ’s Avonds liep hij vier kilometer naar zijn jongste zuster Willy – geld voor de tram had hij niet – om in haar warme huiskamer te kunnen tekenen. Inmiddels worden voor werken van Van Genk bedragen van zes cijfers betaald

Jan Cremer en Willem van Genk kenden elkaar. Cremer was in 1958 naar Den Haag gekomen waar hij zich had ingeschreven aan de Academie voor Beeldende Kunsten, die hij nog geen half jaar later zou verruilen voor de Vrije Academie. Ook Van Genk had zich een eind 1958 met zijn tekeningen bij de Academie voor Beeldende Kunsten gemeld, waarbij toenmalig directeur Joop Beljon onmiddellijk zag dat hij met een groot talent van doen had. Toen ik Jan Cremer een paar maanden geleden per e-mail vroeg of hij zich zijn toenmalige stadsgenoot nog wist te herinneren, antwoordde hij onmiddellijk bevestigend: ‘Jazeker heb ik Willem van Genk gekend, eerder veel “meegemaakt”. Lieve zachtaardige knaap die volkomen onbegrepen en als een zwerver behandeld werd.’ [4] Hun wegen bleken elkaar te hebben gekruist op Van Genks woon- en eetadres:

Als Rijkspupil was ik gebonden aan een meldingsplicht ondanks dat ik dagelijks op de academie zat. Dat bracht mij op allerlei vreemde eetadressen waar ik me met etenstijd moest melden zodat men overzicht had op mijn leven. Zo kwam ik terecht in een sober, armoedige, naar doorgekookt eten ruikend pension ergens in de buurt van het Rijswijkseplein. Daar zat ik naast Willem van Genk, de enige waar ik aanspraak mee had omdat wij tweeën over kunst konden praten. De rest van de eetpubliek bestond uit een zooitje werklozen, daklozen, zwervers, recidivisten en zojuist uit de gevangenis ontslagen dinergasten, veel reclasseringdiscipelen die weer aan de maatschappij moesten wennen.

Van Willem herinner ik me nog goed hoe hij altijd, ook tijdens het eten van de dagelijkse stamppot, koortsachtig en snel tekende op het papieren tafelkleed en daar helemaal in opging – zeer tot ongenoegen van de waardin die hem hard verwensingen toeschreeuwde terwijl ze het volgetekende papier woest onder zijn bord vandaan trok en verfrommelde. Als een geschrokken vogeltje dook hij dan ineen. Later werd hij bekend en las ik over hem in krant of weekblad en dacht daarbij altijd aan dat schreeuwende wijf. Wat had zij  een prachtige kunstcollectie gehad kunnen hebben.

In een tweede mail voegt hij nog een paar details toe: ‘Ik herinner me nu ook weer dat de waardin kwaad zijn potlood in tweeën brak en dat ik hem een setje B6 Caran d’Ache heb gegeven.’

Jan Cremer (1964)

Cremers beschrijving past bij de impressie die Bibeb geeft van het pension:

Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof-A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’ Ze gehoorzamen, bijna zonder geluid. Van Genk zit met de rug naar me toe, het hoofd naar voren, net als de anderen, doodstil. De vrouw schudt op elk bord een schep rode kool, haar mollige teenager-dochter doet er een schep aardappels bij, de zoon, Joop deelt dunne jus uit. Volgt ’t commando: ‘bidden!’, en ’t eten, haastig, onderworpen. [5]

De enige keer dat Jan Cremer in het interview met Bibeb wordt genoemd, is inderdaad als het over het pension gaat in een gesprek tussen Van Genk en zijn zuster Addy:

De zuster: ‘Hij is in een kosthuis, hij draagt z’n geld daar af, ze zorgen voor hem.’

Van Genk: ‘Er komen daar ook volmaakte arbeiders, de jongens van de avo zijn de kneusjes, die iedereen veracht. We zijn de achterlijken. […] Jan Cremer, Jan Cremer heeft er ook gezeten.’ [6]

Wie de beide interviews van Bibeb leest, ziet dat het contrast tussen de twee kunstenaars schrijnend is: de schlemiel Van Genk komt niet goed uit zijn woorden, is straatarm, verricht arbeid voor onvolwaardigen en is afhankelijk van zijn familie. Cremer is een spraakwaterval die in korte tijd schatrijk is geworden en alleen maar meer, groter en verder wil. Het is voorstelbaar dat Van Genk jaloers op zijn dertien jaar jongere kunstbroeder was: de man die net als hij een achtergrond had op de Haagse kunstacademie en die net als hij was geprezen door W.F. Hermans, maar die het wél had gemaakt, die wél was doorgebroken, die bovendien avonturen had beleefd en reizen had gemaakt waarvan Van Genk alleen maar kon dromen.

Detail Kollage van de haat (1971)

Begin jaren zeventig verkeerde Van Genk in een persoonlijke crisis en schilderde hij een aantal werken waarop hij zijn angsten en obsessies de vrije loop liet. Op een van die werken, Kollage van de haat (1971), beeldde hij het omslag van Ik, Jan Cremer af, met duidelijk zichtbaar een opdruk die aangeeft dat het om de tweeëntwintigste druk ging. Hij had al een veel eerdere druk in bezit kunnen hebben: Cremer bevestigde desgevraagd dat hij Van Genk een exemplaar van zijn boek had gestuurd toen het in maart 1964 was verschenen. Volgens een nicht van Van Genk had diens (zeer katholieke) oudste zuster Tiny de zending onderschept, omdat ze het een vies boek vond en dus niet geschikt voor haar broertje. [7]

Bijna zestig jaar later was Cremer duidelijk nog steeds begaan met Van Genk. ‘Afgrijselijk hoe een talent kapot is gemaakt’, besloot hij zijn laatste e-mail.


Naschrift: kort na publicatie van deze blogtekst kreeg ik van Albert Roozenburg, zoon van Willem van Genks zuster Riet, de bevestiging dat het verhaal over het onderschepte exemplaar van Ik, Jan Cremer klopte, “maar ik weet niet zeker of het Tiny was die het boek heeft achtergehouden. Ik vermoed Addy. Jan Cremer heeft inderdaad een boek gestuurd aan Willem (6e druk), p/a P.A. Persoon.” De zesde druk verscheen in juli 1964.

Het briefje bij het exemplaar van Ik, Jan Cremer dat de auteur aan Willem van Genk stuurde


NOTEN

[1] Bibeb, Bibeb & Vip’s (Amsterdam 1965), p. 211.

[2] De reportage van Brandpunt is integraal opgenomen in de documentaire Ver van huis. Een zoektocht naar het werk en leven van Willem van Genk van Dick Walda en Jan Keja (IKON 2001). Deze documentaire is ook te vinden op YouTube.

[3] W.F. Hermans, “De werkelijkheid van Willem van Genk”, in: Kunst van nu 1 (1963-1964), 5, pp. 8-9. Willem Otterspeer geeft in het tweede deel van zijn Hermansbiografie een verslag van de opening (De zanger van de wrok [Amsterdam 2015], pp. 362-364).

[4] Alle citaten van Jan Cremer komen uit twee e-mails die hij mij stuurde op 14 oktober 2020.

[5] Bibeb en VIP’s, p. 118.

[6] Idem, p. 114.

[7] Mededeling van Irene Zalme, 18 september 2019.

Overzicht

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

1. Woest

Over deze blog, met als directe aanleiding de grote Van Genk-tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum in Amsterdam.

2. Penning

Over het publieke debuut van Willem van Genk als kunstenaar, via een artikel van R.E. Penning op zaterdag 6 december 1958 in de Haagsche Courant.

3. Hilversum

Over de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid, in 1964 bij Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum (deel I).

4. Hilversum (2)

Over de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid, in 1964 bij Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum (deel II).

5. Oudejans

Over een filmpje dat Har Oudejans in 1964 maakte bij de opening van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid.

6. Leningrad

Over de beide tekeningen van Leningrad die in 1964 te zien waren tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid.

7. Rome

Over het werk Rome Termini.

8. Pilsen

Over een reis naar Tsjechoslowakije en het werk Kathedraal Pilsen.

9. Willem Franciscus Antonius Maria

Over de geboorte van Willem van Genk.

10. Grootouders

Over de grootouders van Willem van Genk.

11. Jozef van Genk

Over de ouders  van Willem van Genk.

12. Nieuwe Realisten

Over de tentoonstelling Nieuwe Realisten, in 1964 bij het Haags Gemeentemuseum.

13. Schmela

Over de tentoonstelling Van Genk’s phantastische Wirklichkeit, in 1964 bij Galerie Schmela in Düsseldorf. 

14. Zondagsschilder

Over de wederwaardigheden van Willem van Genk binnen het circuit van zondagsschilders en naïeven in de tweede helft van de jaren zestig.

15. Wimmie (volgens Willy en Jacqueline)

Over de jeugd van Willem van Genk door de ogen van zijn zusters Willy en Jacqueline.

16. Wimmie (volgens Tiny)

Over de jeugd van Willem van Genk door de ogen van zijn zuster Tiny.

17. Wimmie (volgens Willem)

Over de jeugd van Willem van Genk door zijn eigen ogen.

18. Moskou

Over de eerste pogingen van Willem van Genk om Moskou te bezoeken.

19. Brattinga vs. Persoon

Over de samenwerking tussen Willem van Genk en Pieter Brattinga.

20. Brattinga vs. Van Genk

Over het roerige slot van de samenwerking tussen Willem van Genk en Pieter Brattinga.

Leipzig | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 50 x 65 cm | coll. Arnulf Rainer, Wenen

21. Lijstje

Over enkele werken die Willem van Genk rond 1970 maakte.

22. Collages

Over enkele werken die Willem van Genk in het begin van de jaren zeventig maakte.

23. Zelfportret in De Ark

Over de periode van Willem van Genk bij Galerie De Ark in Boxtel (deel I).

24. De waarheid van Willem van Genk

Over de periode van Willem van Genk bij Galerie De Ark in Boxtel (deel II).

25. Zeppelins

Over de zeppelins van Willem van Genk.

26. Project Asbery

Over de beide Project Asbery-werken van Willem van Genk.

27. Nico van der Endt

Over Willem van Genk en Nico van der Endt.

28. Jassen

Over de raincoats van Willem van Genk.

29. Keulen

Over de tekening Keulen (deel I).

30. Keulen (2)

Over de tekening Keulen (deel II).

31. USA

Over de reis van Willem van Genk naar New York.

32. Keleti

Over het werk Keleti Station.

33. Dick Walda

Over Willem van Genk en Dick Walda.

34. Arnhem

Over de tekening Arnhem.

35. Trolleybussen

Over de bus-assemblages van Willem van Genk (deel I).

36. Ratelband

Over de bus-assemblages van Willem van Genk (deel II).

37. Balpen

Over de balpentekeningen van Willem van Genk (deel I).

38. Zagreb etc.

Over de balpentekeningen van Willem van Genk (deel II).

39. Het orkest van Coburg

Over het orkest van Coburg binnen het werk van Willem van Genk.

Detail Collage ’78 (1978) – links het gebouw waar Galerie De Ark in Boxtel van 1973 tot 1976 was gevestigd

40. Grafiek

Over de etsen en litho’s van Willem van Genk.

41. Krabbegat

Over Willem van Genk en Bergen op Zoom.

42. Jeugd

Over Willem van Genk en Harreveld.

43. Düsseldorf revisited

Over de zoektocht van Nico van der Endt naar verdwenen werken van Willem van Genk.

44. Onverbiddelijk

Over het op verschillende wijze duiden van Willem van Genk.

45. Op weg naar het einde

Over de laatste jaren van Willem van Genk.

46. Zwakzinnigen nazorg

Over het werk Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (deel I).

47. Zwakzinnigen nazorg (2)

Over het werk Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (deel II).

48. Zwakzinnigen nazorg (3)

Over het werk Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (deel III).

49. Knipsels

Over de in- en uitgeknipte tekeningen van Willem van Genk.

50. Postuum

Over boeken en tentoonstellingen over Willem van Genk in de periode 2005-2020.

51. Harmelenstraat

Over het appartement waar Willem van Genk van 1964 tot 1998 woonde (deel I).

52. Harmelenstraat (2)

Over het appartement waar Willem van Genk van 1964 tot 1998 woonde (deel II).

53. Herman

Over de stiefbroer van Willem van Genk (deel I).

54. Harmelenstraat (3)

Over het appartement waar Willem van Genk van 1964 tot 1998 woonde (deel III).

55. Herman (2)

Over de stiefbroer van Willem van Genk (deel II).

56. Harmelenstraat (4)

Over het appartement waar Willem van Genk van 1964 tot 1998 woonde (deel IV).

57. Blauwe Tram

Over het afscheid van de Blauwe Tram binnen het werk van Willem van Genk.

Detail Bahnhöfe van weleer (ca. 1965)

58. Japan

Over Japan binnen het werk van Willem van Genk (deel I).

59. Japan (2)

Over Japan binnen het werk van Willem van Genk (deel II).

60. Vader en kinderen

Over Jozef van Genk en zijn kinderen.

61. Pa

Over Jozef van Genk en de Tweede Wereldoorlog.

62. Schwebebahn

Over het werk Schwebebahn Wuppertal (deel I).

63. Schwebebahn (2)

Over het werk Schwebebahn Wuppertal (deel II).

64. Bovenbuurman

Over enkele teruggevonden werken.

65. Voorburg

Over de periode dat het gezin Van Genk in Voorburg woonde.

66. Bouwend ’s Gravenhage

Over de collage Bouwend ’s Gravenhage.

67. Plaatsen

Over Haarlem, Madurodam en Nijmegen bij Willem van Genk.

68. Amsterdam

Over de collage Amsterdam (deel I).

69. Amsterdam (2)

Over de collage Amsterdam (deel II).

70. Overzicht

Over de teksten die tot op heden op deze blog zijn verschenen.

Met dank aan Marijke Bijmans, Nico van der Endt, Albert Roozenburg, Frans Smolders, Jan Vellekoop, Dick Walda, Irene Zalme en vele anderen.

Amsterdam (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over de collage Amsterdam. Het eerste deel is hier te vinden.

Amsterdam (catalogus Willem van Genk, Boxtel 1976). De rode lijn geeft aan tot waar de linkerkant later is bijgeknipt

Teksten kunnen soms helpen om onderdelen van de collage thuis te brengen. Daarbij zijn drie categorieën te onderscheiden: teksten die horen bij een afgebeeld gebouw (GASTHOF VICTORIA HOTEL, VROOM & DREES […], DE BIJENKORF, KAPPER); teksten die waarschijnlijk ooit zijn toegevoegd aan de oorspronkelijke tekeningen (ZINGENDE TOREN, VERKADE KOEKEN, JA…. DE BIJENKORF HEEFT HET!”….. ); en teksten die aan de collage als geheel zijn toegevoegd. In die laatste categorie valt het centrale titelwoord AMSTERDAM, maar ook een aantal teksten in rood/oranje als tramways yesterday exit (bij de tram langs de Westerkerk) en BENELUX (in de tekening van de omgeving van het Muntplein). Dat laatste lijkt weer verband te houden met toevoegingen rondom de meeste tondo’s die te maken hebben met de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958: EXPO […] WORLDFAIR BRU […], EXPO 1958, BRUXELLES EXPO en zo verder. Tekstuele verwijzingen naar die tentoonstelling komen overigens op zowel de voor- als achterkanten van veel meer werken van Van Genk voor.

Sommige gebouwen of locaties werden door Van Genk vaker afgebeeld, ook op tekeningen die niet zijn opgenomen in de collage. Van de omgeving van het Weesperpoortstation, een  kopstation dat van 1843 tot 1939 in gebruik was, bestaat een separate tekening die te zien was tijdens de tentoonstelling Woest. Het station had een gietijzeren overkapping naar Brits ontwerp en was het vertrekpunt voor de spoorverbinding naar Utrecht en Arnhem. Een andere locatie die Van Genks aandacht had was de Haarlemmerpoort: de Stichting Willem van Genk bezit een tekening met vrijwel exact hetzelfde perspectief als dat op de tekening die werd gebruikt in de collage. Bovendien is er een opvallende overeenkomst met de ets Colonnade.

De omgeving van de Dam keert verschillende malen terug op Amsterdam, met tekeningen van het Koninklijk Paleis, de Nieuwe Kerk, de Bijenkorf en het Beurspoortje. De Dam wordt ook weergegeven op Drieluik Amsterdam, in een wijds perspectief van het Paleis tot aan de Damstraat. De hoek van de Dam met de Nieuwendijk is op het ‘drieluik’ vrijwel identiek aan de afbeelding rechts beneden op Amsterdam, inclusief het spandoek met de tekst DE BOEKENWEEK. Kunstenaar Marcel van Eeden schonk in 2014 aan Stichting Collectie De Stadshof een fotoboek dat hij bij een antiquariaat in Den Haag had gevonden, met Van Genk naamstempel plus het jaartal 1947: ‘Van Genk gebruikte zulke platenboeken voor zijn stadstaferelen.’ Als voorbeeld toont de website met het bericht het middendeel van Drieluik Amsterdam naast een foto van de Dam uit het boek. [1]

Detail Drieluik Amsterdam (middendeel)

De collage Amsterdam werd in 1976 getoond tijdens de tentoonstelling Willem van Genk in galerie De Ark in Boxtel. In de bijbehorende catalogus stond een foto van het werk die vrij korrelig was afgedrukt, waardoor details vrijwel niet te onderscheiden waren. Wel was er een drietal foto’s toegevoegd van individuele tekeningen. De collage mat volgens de catalogus 98 x 227 cm. Na 1976 verdween Amsterdam jarenlang uit zicht. In een lijst die Nico van der Endt in 2000 opstelde met nog te verkopen werken van Willem van Genk, staat onder het kopje NIET GELOKALISEERDE WERKEN onder meer “Amsterdam tekeningen collage”.

Van der Endt maakte geen melding van Amsterdam in de lopende tekst van zijn boek Kroniek van een samenwerking uit 2014. Wel staat er een afbeelding van de collage in het boek, met de vermelding dat deze in het bezit is van het Museum of Everything van James Brett en dat de maten nog maar 97 x 216 cm zijn. In vergelijking met de catalogusfoto uit 1976 mist het werk inderdaad een strook links, die dus ca. 11 cm breed en 97 cm lang zou zijn. Navraag leerde dat Van der Endt in 2013 Amsterdam namens Dick Walda had verkocht aan James Brett, minus de strook aan de linkerkant. [2] In 2016 was het werk te zien tijdens de tentoonstelling van het Museum of Everything in de Kunsthal in Rotterdam.

Vorig jaar kreeg ik een aantal van de foto’s toegestuurd die waren gebruikt in de catalogus van De Ark uit 1976. [3] Daaronder was ook de foto van Amsterdam, waarop nu duidelijker de verdwenen strook te onderscheiden viel. Te zien was dat de twee grote tekeningen aan de linkerkant (met respectievelijk het Beurspoortje en de Bijenkorf) verder doorliepen; dat de tekening daartussen ook veel groter was en het Damrak ter hoogte van het Beursplein afbeeldde; en dat in de tekening met de Bijenkorf nog een inzetstuk was geplaatst van een gebouw met veel ramen en een torentje. Enkele weken eerder was de tweede druk verschenen van Dick Walda’s boek over Willem van Genk Koning der stations. De twee fragmenten van Amsterdam die hij daarin afdrukte, bleken afkomstig uit de verdwenen strook. Het gebouw van het inzetstuk was het Paleis op de Dam [4]

Dick Walda liet recentelijk weten dat hij het werk rond 2000 van Jacqueline van Genk had gekregen, samen met het stadsgezicht Arnhem:

Ik kreeg – in het bijzijn van regisseur Jan Keja en curator Remmerswaal – een rol mee die onder haar bed had gelegen.
Terug in Amsterdam bleek het om twee werken van Willem te gaan:
Arnhem en Amsterdam.
Amsterdam was vrij groot en ik had geen plaats om het op te hangen.
De rol verdween naar de kelder en het is een wonder boven wonder dat de twee werken behouden zijn gebleven.

[…]

Toen ik in Amsterdam ruimer ging wonen heeft Amsterdam een tijdje in mijn werkkamer gehangen.
De tekening was er slecht aan toe en ik vroeg een papier-restaurateur om advies.
De randen waren in slechte staat en verfomfaaid.
De man (die nooit van Willem had gehoord) sneed de rafelranden van
Amsterdam af die ik cadeau deed aan Mattheus Engel, de fotograaf die Willem vele malen fotografeerde.
Een rondje later haalde Nico van der Endt er opnieuw een papier-restaurateur bij die ook zorgen had over de slechte staat van het werk dat hij uiteindelijk aanbood aan de Engelsman Brett, toentertijd een fanatiek verzamelaar van Willem’s werk.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik weinig affiniteit had met
Arnhem en Amsterdam, vooral door de deplorabele staat waarin de tekeningen verkeerden. [5]

Arnhem schonk Walda aan regisseur Jan Keja, met wie hij de documentaire Ver van huis had gemaakt. Het bezoek aan Jacqueline kreeg, enigszins verdicht, eveneens een plaats in de tweede druk van Koning der stations. [6]


NOTEN

[1] Het bericht is hier te vinden.

[2] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 9 november 2020.

[3] Met dank aan mw. A. Heesen-Gennissen.

[4] De fragmenten zijn te zien op p. 140 en p. 150.

[5] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 11 november 2020.

[6] Cf. pp. 53-56.

Amsterdam

Amsterdam | ca. 1967 | gemengde techniek op papier | 97 x 216 cm | Museum of Everything, Londen

Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 kregen vijf tekeningen in de catalogus de titel “Amsterdam”. Drie keer betrof het impressies van het afscheid van de (Noord-Hollandse) Blauwe Tram, twee keer een stadsgezicht met in de verte het centraal station. Amsterdam lijkt een grote aantrekkingskracht op de Hagenaar Van Genk te hebben uitgeoefend, gezien de hoeveelheid werken die hij aan de stad wijdde. Opvallend vaak maakt het centraal station deel uit van de voorstelling, geheel of gedeeltelijk. Zo bezit Stichting Collectie De Stadshof onder meer de collage Centraal Station Amsterdam en Stichting Willem van Genk Drieluik Amsterdam en een historisch gezicht op het station vanaf de linkerkant, met op de voorgrond een haventafereel. [1] Een tekening getiteld Amsterdam Centraal Station, afgebeeld in Een getekende wereld (1998) en daar gedateerd ‘ca. 1959’, verdween begin deze eeuw uit zicht en was tot voor kort in handen van een Amerikaanse collectioneur die er in 2019 € 125.000,- voor vroeg. [2]

Net als in het geval van Den Haag verwerkte Van Genk een groot aantal vroege tekeningen van Amsterdam in een collage. Werd dit voor Den Haag Bouwend ’s Gravenhage (naar een prominente, centraal geplaatste test), voor Amsterdam was het resultaat Amsterdam (idem). Opnieuw werden de tekeningen soms verknipt of op een andere manier bewerkt. Een poging tot datering brengt de inmiddels bekende problemen met zich mee: de oorspronkelijke tekeningen stammen grofweg uit de periode 1945-1960, de collage als zodanig zal in de tweede helft van de jaren zestig zijn ontstaan. Nico Van der Endt dateert het werk ‘ca. 1950-1975’, maar dat laatste jaartal lijkt te laat. [3]

Amsterdam heeft een oppervlakte van iets meer dan twee vierkante meter waarop zo’n zestig afbeeldingen te zien zijn die sterk variëren in omvang. Ook in die opzichten is de collage daarmee te vergelijken met Bouwend ’s Gravenhage. Wel lijkt dat laatste werk iets evenwichtiger opgebouwd, door de plaatsing van de tekeningen maar ook door een zekere herhaling van bepaalde afbeeldingen (Binnenhof, Vredespaleis, Stadhuis). Het procedé om fragmenten van gebruikte tekeningen elders in het werk te plaatsen, ontbreekt in Amsterdam. Anders dan in Bouwend ’s Gravenhage zijn daarentegen in Amsterdam de verschillende onderdelen van de collage steeds rood of oranje omrand en is een aantal kleinere fragmenten monochroom in rood uitgevoerd. [4] Het is mogelijk dat deze rode fragmenten alle afkomstig zijn uit één grote tekening, maar hiervoor zijn geen verdere aanwijzingen – afgezien van twee fragmenten linksonder die aan elkaar passen.

Meest opvallend in het rechterdeel van Amsterdam is een grote tekening aan de onderkant, waarop afgebeeld een bocht in de Amstel ter hoogte van het Martin Luther Kingpark, voorheen het Amstelpark. Beperken we ons tot de grotere tekeningen in dit rechterdeel, dan zien we in de strook boven de Amsteltekening van links naar rechts het voormalige Weesperpoortstation, de Haarlemmerpoort en de omgeving van het Muntplein. Daar weer boven zijn afgebeeld het Amstelhotel, de Sint-Nicolaaskerk, het centraal station (achter- en voorzijde) en de toren van de Oude Kerk. Helemaal rechts zijn van boven naar beneden te zien de Oudezijdsvoorburgwal vanaf de Armbrug, de Zuiderkerk vanaf Staalmeestersbrug en de hoek van de Dam met de Nieuwendijk.

De Haarlemmerpoort in Amsterdam – links: detail Amsterdam; rechts: tekening uit de collectie van Stichting Willem van Genk

Het linkerdeel van Amsterdam is iets gefragmenteerder en de verschillende onderdelen zijn minder scherp afgesneden. Boven het midden is een tekening geplaatst van de Dam omstreeks 1900: zowel de oude Beurs van Zocher als de toren van de Beurs van Berlage zijn te onderscheiden. Daaronder is vier keer het 12-verdiepingenhuis van J.F. Staal aan het Victorieplein te zien. In het midden is het Paleis op de Dam afgebeeld. De verticale strook helemaal links toont aan de bovenkant het in 1912 gesloopte Beurspoortje, dat vanaf het Rokin toegang gaf tot de Dam en herinnerde aan het vroegere Beursgebouw van Hendrick de Keyser. Aan de onderkant is de hoofdingang van de Bijenkorf te zien.

Kleinere afbeeldingen zijn er in feite in drie soorten: de genoemde rood-monochrome tekeningfragmenten, tondo’s en overige inzetstukken. De negen rode fragmenten zijn relatief klein, waardoor de afbeelding vaak moeilijk thuis te brengen is. Linksboven is het gebouw van de Engels Hervormde Kerk aan het Begijnhof te zien; meer naar rechts, overlappend met de tekening van de historische Dam, is de toren van de Zuiderkerk afgebeeld. In de grote Amsteltekening is in het water een rood fragment geplaatst met eenzelfde voorstelling.

Ook de meeste afbeeldingen in de tondo’s zijn lastig te duiden. De tondo boven de historische Dam-tekening toont een deel van een stadsplattegrond van Amsterdam, geknipt uit een grotere tekening waarvan het overgebleven deel te zien was in een van de vitrines van de tentoonstelling Woest. Dat laatste geldt voor nog drie andere tondo’s, waarvan echter de voorstelling onduidelijk is. De tondo tussen de vier afbeeldingen van het 12-verdiepingenhuis toont de niet meer bestaande Maria Magdalenakerk van Pierre Cuijpers aan de Spaarndammerstraat. Dat de kerk in 1965 werd afgebroken, zal Van Genk alleen maar hebben gevoed in zijn gevoelens van onmacht waar het om de afbraak van historische gebouwen ging.

Blijven over zo’n twintig inzetstukken van uiteenlopende omvang, die in sommige gevallen zelfstandige tekeningen zouden kunnen zijn geweest maar in andere gevallen overduidelijk uit- of afsneden zijn. De voorstellingen zijn in een aantal gevallen thuis te brengen, waarbij soms sprake lijkt van associaties, geografisch of anderszins. Zo staan tegen de bovenrand links, boven de historische damtekening, afbeeldingen van het oude Hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal, het Victoria Hotel aan het begin van het Damrak en de Mozes en Aäronstraat die tussen het Paleis op de Dam en de Nieuwe Kerk loopt – locaties die min of meer bij elkaar in de buurt liggen. Het fragment rechtsonder, met een detail van de voorgevel van de Bijenkorf, past daar ook bij maar een aangrenzend inzetstuk met een tram die langs de Westerkerk rijdt, lijkt hier weinig mee te maken te hebben. De twee grote inzetstukken boven de Amsteltekening stellen mogelijk het afscheid van de Blauwe Tram in de Raadhuisstraat (links) en de kruising Reguliersgracht/Keizersgracht voor.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Drieluik Amsterdam stond op 19 september 2019 prominent afgedrukt in de bijlage van Het Parool over de tentoonstelling Woest.

[2] Mededeling Ans van Berkum, 5 februari 2019. De tekening (60 x 40 cm) staat in Een getekende wereld afgebeeld op p. 113.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 54. In Een getekende wereld krijgt de collage de datering ‘ca 1959’ (p. 107).

[4] In Willem van Genk bouwt zijn universum zijn op p. 1 en p. 7 voorbeelden te zien van monochrome tekeningen in rood.

Plaatsen

Vaarwel tram | ca. 1957 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

Voor een onderzoeker die Nederland niet of niet goed kent, moet het een opgave zijn om het werk van Willem van Genk te bestuderen. Zelf kom ik een heel eind als het om Arnhem gaat – in het geval van Van Genk eigenlijk onontbeerlijk – en lukt het aardig in het geval van Amsterdam en Den Haag om locaties thuis te brengen, maar het blijft desalniettemin vaak een hele speurtocht. Bovenstaande tekening staat afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum, op dezelfde pagina als een tekening van de Hofplaats in Den Haag. Dientengevolge, en ook omdat het hier (weer) leek te gaan om het afscheid van de Blauwe Tram, veronderstelde ik dat het om een locatie in Den Haag of Voorburg ging. Het gebouw links op de tekening kon daarbij mogelijk een aanknopingspunt vormen.

Te rade gaand bij een inwoner en kenner van Den Haag, gaf deze onmiddellijk aan dat het volgens hem ging om de Amsterdamse Poort in Haarlem, de enig overgebleven stadspoort aan het einde van de oude route van Amsterdam naar Haarlem. Uiteraard was dit helemaal correct en klopte het opschrift VAARWEL TRAM eveneens met de historische laatste rit van de Noord-Hollandse Blauwe Tram op 31 augustus 1957, die reed op het traject Amsterdam – Zandvoort en daarbij ook Haarlem aandeed. Dat die specifieke kennis iets toevoegt aan inzicht in het oeuvre van Van Genk in het algemeen, moge duidelijk zijn. Onder meer draagt het bij aan de kennis over de wijze waarop Van Genk een locatie weergaf; aan kennis over zijn fascinatie met vervoersmiddelen in het algemeen en de Blauwe Tram in het bijzonder; aan kennis over het motief van de vergankelijkheid in zijn werk; en zo verder.

Wel degelijk Haags is een tekening op de achterkant van Station Berlin Ost (ca. 1965), waarbij Van Genk zelf de clou in feite al weggaf door het nadrukkelijke opschrift VISIT MADURODAM plus kleinere, moeilijk leesbare aantekeningen waaronder de reisaanduiding met lijn 3 van de Haagse Tram. Afgebeeld is de omgeving van het oude stadhuis in Den Haag, met ook herberg ’t Goude Hooft – of, zoals Van Genk schrijft, Het Gouden Hoofd. Verder zijn onder meer aangeduid een [R]ywielstalling en Café het ZUID. Voor de huizen rijdt een tram met een schaarbeugel.

Detail Station Berlin Ost (ca. 1965)

Is het tegenwoordig lijn 9 waarmee men Madurodam bereikt, ook historisch gezien was lijn 3 eigenlijk niet de aangewezen tramlijn voor de miniatuurstad. Wel deed deze tram het Valkenbosplein aan, op enkele minuten lopen van de Magnoliastraat, waar de familie Van Genk jarenlang woonde. In het algemeen is de kans groot dat Madurodam indruk op de kunstenaar heeft gemaakt, vanwege het structurele vogelvluchtperspectief bij de bezoeker. Anderzijds is het een – wat mij betreft: intrigerende – vraag wat een tekening van de Dagelijke Groenmarkt in Den Haag doet op de achterkant van een werk over Berlijn.

Van Den Haag naar Gelderland: Van Genks liefde voor trolleybussen lijkt er nooit toe te hebben geleid dat Nijmegen een belangrijke rol ging spelen binnen zijn werk. Altijd was Arnhem de trolleystad, terwijl het vervoermiddel tussen 1952 en 1969 toch ook nog geen vijfentwintig kilometer naar het zuiden te bezichtigen was. Dit doet vermoeden dat de fascinatie met Arnhem eerst kwam en dat de liefde voor trolleybussen daar een afgeleide van was, in plaats van andersom. Nijmegen moet het doen met enkele aanduidingen op tekeningen van landkaarten en plattegronden; een tondo met de torenspits van de Sint-Stevenkerk op Geldersche tramwegen; en een titelloze tekening die is afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum. [1]

Op die tekening is de Nijmeegse tramlijn 2 te zien, ook wel “het bergspoor” genoemd. Van Genk toonde waar die bijnaam vandaan kwam: tussen 1912 en 1955 liep de lijn van het centrum van de stad naar het naburig Berg en Dal, via een voor Nederlandse begrippen behoorlijk heuvelachtig terrein. De tekening beeldt twee trams af op en bij het viaduct over de Van Randwijckweg tussen Beek en Berg en Dal. Dit was een geliefd plaatje in toeristische gidsen en op prentbriefkaarten, zodat aangenomen mag worden dat Van Genk de scène ook van foto’s kende.

Zonder titel (District Mooi Nederland) | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 23,5 x 34 cm | Museum Dr. Guislain, Gent

Afgebeeld is de situatie waarbij een tram met twee wagons op het viaduct staat, terwijl een volgtram nog onder het viaduct rijdt. Links op de tekening zien we twee Nederlandse wegwijzers van de V.V.V. met de aanduidingen Beek en Berg en Dal, rechts een Duitse wegwijzer met de richtingen Deutschland en Nimwegen. Op de voorgrond staat een driehoekig waarschuwingsbord met een doodshoofd en de tekst GEVAARLIJKE HELLING! De tram op het viaduct draagt het cijfer 2; op de twee wagons is reclame te zien voor Coca-Cola (rechts) en Boers en Zn (links). De volgtram heeft het getal 10 op een deur staan. In de volgtram staat een conducteur, ernaast een rangeerder met een seinvlag. Wat verder opvalt bij beide trams zijn de beugels tussen de wagens en de bovenleiding: het zijn ouderwetse sleepbeugels, niet de ruitvormige, dubbele schaarbeugels (tweebeenpantograaf) van de meeste Nijmeegse trams van na de oorlog. Links op de achtergrond is nog wel een stukje van een tram met een duidelijke schaarbeugel te zien.

Berspoor – Berg en Dal (ansichtkaart), ca. 1950

Vanwege de vele foto’s is het niet moeilijk de tekening van Van Genk te vergelijken met de historische situatie. Waar de weergave in grote lijnen overeenkomt, lijken verschillende details ontsproten aan de verbeelding van de kunstenaar. Zo zijn de wegwijzers en het waarschuwingsbord weliswaar historisch correct, maar waren ze niet op de betreffende locatie te vinden in deze constellatie. Ook de reclame op de tramstellen komt niet overeen met de Nijmeegse realiteit in de jaren veertig en vijftig. Op geen van de honderden foto’s die ik heb gevonden, is een reclame voor Coca-Cola of het (mij onbekende) bedrijf Boers & Zn te zien. ‘Draper van den Broek’ (een bekende Nijmeegse meubelhandel) was veruit de meest voorkomende tekst. Een naam die mij zelf vertrouwd in de oren klinkt, maar die Van Genk weinig zal hebben gezegd.


NOOT

[1] Toen ik in 2015 een bestand met de tekening van Museum Dr. Guislain kreeg toegestuurd, was de titel daarvan District Mooi Nederland. ‘Bergspoor Mooi Nederland’ was de naam die vaak werd afgedrukt op ansichtkaarten met foto’s van de tramlijn.

Bouwend ’s Gravenhage

Bouwend ‘s Gravenhage | ca. 1960 | gemengde techniek op papier | 102 x 212 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Museum van de Geest, Haarlem

Willem van Genk verhuisde in de zomer van 1940 vanuit Harreveld naar de Magnoliastraat in Den Haag. Hij was op dat moment dertien jaar en zou de rest van zijn leven in de Nederlandse residentie blijven wonen. Des te opmerkelijk is het dat Den Haag in zijn werk relatief zelden wordt afgebeeld – Arnhem, Amsterdam en zelfs Moskou komen veel vaker voor. Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 was een van de werken (catalogusnummer 20) getiteld Den Haag, maar hoogstwaarschijnlijk betrof het een tekening van de laatste rit van de Blauwe Tram in Amsterdam. Van Genk zelf was tot het laatste moment in het ongewisse gelaten over de tentoonstelling, dus de eventuele vergissing werd buiten zijn weten om gemaakt. [1]

Wat Van Genk tussen ca. 1940 en 1960 aan tekeningen van Den Haag had (en dat was toch nog wel flink wat), verwerkte hij grotendeels in de collage Bouwend ’s Gravenhage. Het gaat om een relatief vroege collage, weliswaar later dan Geldersche Tramwegen maar vroeger dan bijvoorbeeld Kathedraal Pilsen, Bahnhöfe van weleer of Internationale. Net als bij veel andere collages stelde Van Genk het werk samen uit oudere tekeningen, die hij soms verknipte of op een andere manier bewerkte. Bouwend ’s Gravenhage bestaat in grote lijnen uit twee stroken, en voor de overzichtelijkheid kan elke strook worden opgesplitst in twee delen, wat vier kwadranten oplevert:

De centrale afbeelding in kwadrant I is meteen de meest autobiografische component van de collage. Weergegeven is woningcomplex De Papaverhof dat in 1921 gebouwd werd naar ontwerp van De Stijl-architect Jan Wils. De Papaverhof is een Rijksmonument, bestaande uit 128 woningen die zijn aangelegd rond een (verdiept) plantsoen. Waarschijnlijk was de architectuur van Wils iets te modern naar de smaak van Van Genk, maar De Papaverhof lag en ligt tegenover Magnoliastraat 10. Zijn weergave van het complex correspondeert exact met het uitzicht vanuit de woning, die op de tweede verdieping is gesitueerd. [2] In het midden van zowel de boven- als onderkant van de grote tekening zijn nog twee kleine, bijna identieke tekeningen toegevoegd van het uitzicht vanuit een andere hoek.

Het tweede kwadrant heeft als meest in het oog springende afbeelding een tekening van het Vredespaleis tegen een donkere achtergrond, met eronder de woorden BOUWEND ’s GRAVENHAGE V.V.V. De letters zijn geknipt uit een document over Den Haag, wat onder meer te zien is aan de rode, nog leesbare afkorting H.T.M. (Haagsche Tramweg-Maatschappij). Hetzelfde procedé paste Van Genk toe in de afbeelding van de ooievaar in kwadrant III, eveneens afkomstig uit een document over tramlijnen in Den Haag. [3] Meest opvallend in dit kwadrant zijn de drie naast elkaar geplaatste tekeningen van het Oude Stadhuis aan de Groenmarkt. Kwadrant IV is ten slotte tegelijkertijd het kleinste en het drukste deel van de collage, met een groot aantal over elkaar heen geplakte tekeningen en knipsels. In dit kwadrant bevindt zich ook de signatuur van Van Genk, zij het niet helemaal in de uiterste hoek, plus zijn naam en woonplaats.

Voor Bouwend ’s Gravenhage knipte Van Genk vaak tekeningen op, verwisselde hij onderdelen of gebruikte hij gebouwen of voertuigen uit andere tekeningen waarvan de omtrekken niet meer in de collage voorkwamen (maar die hij meestal wel bewaarde). Voorbeelden van dat laatste zijn het gebouw boven het Vredespaleis in kwadrant II en de bus aan de onderkant van kwadrant III, beide afkomstig uit tekeningen waarvan de resten staan afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum. [4] De tekening helemaal links in kwadrant III kan op twee manieren worden aangevuld met fragmenten die in 2015 te zien waren tijdens de Stadshof-tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag: zowel de uitgeknipte tondo (met alleen maar een rasterstructuur) als de tekening waaruit de nieuwe tondo afkomstig was, lagen daar in de vitrines met een kleine greep uit de collectie van Museum Dr. Guislain.

Links: ‘Knipsel, uit de bibliotheek van Willem van Genk’ (Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 108); rechts: detail Bouwend ’s Gravenhage

Uit de grote tekening van het Vredespaleis in kwadrant II is linksboven een rechthoek geknipt, waarna op de vrijgekomen plaats een andere afbeelding van hetzelfde gebouw is aangebracht. Uit de verwijderde rechthoek knipte Van Genk het dakdeel en de toren, die hij respectievelijk iets naar rechts in kwadrant II en aan de onderrand van kwadrant IV opplakte. Ook van de tekening met de tram in kwadrant IV (met de tekst Het residentie orkest speelt ook voor U) is een gedeelte afgeknipt waarvan schuin daarboven weer een fragment is opgeplakt.

Een speciale categorie vormen de vijftien tondo’s in Bouwend ’s Gravenhage, die in meer dan de helft van de gevallen afkomstig zijn uit tekeningen in het werk zelf. Duidelijk te zien is dit in de rechter bovenhoek van kwadrant II, waar de tondo’s uit twee tekeningen van de Hofvijver zijn omgewisseld; en aan de onderkant van kwadrant IV, waar de gele kleur de uitwisseling toont. Bij de drie tekeningen van het Oude Stadshuis in kwadrant III heeft Van Genk het principe zelfs in drievoud toegepast op de toren van het gebouw.

De collage bevat een groot aantal afbeeldingen van kerken, die gedeeltelijk te identificeren zijn. De Grote of Sint-Jacobskerk komt een aantal keren voor, getekend vanuit verschillende hoeken. Aan de rechterkant van kwadrant II zien we de kerk vanuit de Prinsestraat; boven het verhoogde koor is een tondo toegevoegd van de andere kant van het koor. De tondo is afkomstig uit de tweede tekening van links in kwadrant III, waar de vrijgekomen ruimte is opgevuld met een tondo uit een kleinere tekening iets naar rechts. Daar verschijnt ook weer het torentje van het Oude Gemeentehuis. Iets naar beneden staat de toren van de Sint-Jabcobskerk afgebeeld, gezien vanaf de hoek Torenstraat/Riviervismarkt.

De tekening aan de linker zijkant van kwadrant III toont de Sint-Jacobus de Meerderekerk van Pierre Cuypers aan de Parkstraat, waarbij de omkadering suggereert dat het om een blik vanuit een raam gaat. De ingevoegde tondo is afkomstig uit een tekening van de Elandkerk aan het Elandplein, op enkele honderden meters van de Sirtemastraat waar de AVO-werkplaats was gevestigd. De kerk op het kruispunt van de vier kwadranten ten slotte is de Sint Barbarakerk aan de Beeklaan – de kerk waar in 2005 de uitvaartmis voor Willem van Genk werd gehouden.

Bouwend ’s Gravenhage 1946/8 en Bloeiend ’s Gravenhage 1948/1

Bouwend ’s-Gravenhage, met als ondertitel V.V.V. maandblad gewijd aan den stoffelijken en cultureelen opbouw van stad en badplaats, was een uitgave van het VVV in Den Haag in de jaren 1946-1947. Officieel was het een voortzetting van de Haagsche gids (‘officieel orgaan van de Vereeniging tot bevordering van het vreemdelingenverkeer te ‘s-Gravenhage, Scheveningen en omstreken’), die eind jaren twintig was begonnen maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd stopgezet. Bouwend ’s-Gravenhage ging in 1948 nog even verder als Bloeiend ’s Gravenhage, dat echter na tien nummers stopte. [5] Het zou te kort door de bocht zijn om Van Genks collage vanwege de woorden BOUWEND ’s GRAVENHAGE V.V.V. te dateren op 1946/1947. Wel is aannemelijk dat hij de publicatie bij het maken van de collage in zijn hoofd had.

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978) zou Van Genk nog een keer terugkomen op de titel Bouwend ’s Gravenhage, in de context van de afbraak van enkele historische kerken in Den Haag – kerken die overigens niet lijken voor te komen op de collage. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg kent als enig ander groter werk een nadrukkelijke Haagse component, maar verder is de stad opvallend afwezig in Van Genks oeuvre. Voor kleinere sporen moeten we ons wenden tot enkele vroege tekeningen, die hij kennelijk niet wilde verknippen voor de collage.

Hofplaats, Den Haag | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

Zo bezit Museum Dr. Guislain een tekening van de Hofplaats in Den Haag, een klein plein bij de kruising van Spui/Hofweg met Lange Poten/Spuistraat. Te zien zijn enkele trams en gebouwen, met op de voorgrond een parkeerplaats met auto’s en touringcars van onder andere Sommeling, Ebato en Hotam. Op een spandoek staat de tekst BOEKENWEEK WINKELSTAD SPUISRAAT POTEN etc. De tekening is afgedrukt in Willem van Genk bouwt zijn universum, met als titel Groot Arnhem. [6] Hoewel dit uiteraard een redactiefout kan zijn, zegt het ongewild iets over de alomtegenwoordigheid van Arnhem binnen het oeuvre van Van Genk versus de relatieve afwezigheid van Den Haag.


NOTEN

[1] ‘Gisteren hoorde de schilder pas van de heer Beljon, dat er een tentoonstelling van zijn werk was ingericht. De organisatoren hebben het niet eerder durven doen, omdat ze nog steeds benauwd waren dat hij het niet goed zou vinden, misschien dat hij bang zou worden.’ (Telegraaf, 18 januari 1964)

[2] Op de website Oozo.nl is een foto te zien van het uitzicht op De Papaverhof vanuit Magnoliastraat 10, dat vrijwel gelijk is aan de afbeelding op de tekening van Van Genk. Daar is ook te lezen dat Magnoliastraat 10 in 1924 is gebouwd en een oppervlakte heeft van 110 m2.

[3] De tekening waaruit de ooievaar in kwadrant II afkomstig was, was te zien in een van de vitrines van de tentoonstelling Woest.

[4] Respectievelijk betreft het de ‘Knipsels, uit de bibliotheek van Willem van Genk’ op p. 6 (onder) en p. 108 (boven). De tekening op pagina 6 toont het Stedelijk Badhuis Scheveningen, dat op de plaats stond van het latere Kurhaus en dat Van Genk dus uitsluitend van oude foto’s gekend kan hebben. Een mogelijke bron is hier te zien.

[5] Uit het voorwoord van het eerste nummer van Bloeiend ’s Gravenhage: ‘Een nieuw jaar – en een nieuwe naam. […] De naam is er een, welke wil aangeven dat voor ons het accent gelukkig weer kan worden verlegd van het wederopbouwen van de geschonden stad en badplaats naar de bloesems en vruchten, welke uit die wederopbouw te voorschijn zijn gekomen.’

[6] Op p. 142.

Voorburg

Hoek Van de Wateringlaan/Van Wassenaerstraat in Voorburg. Op de benedenverdieping no. 25, het woon/winkelpand van het gezin Van Genk. Foto: Google Street View, april 2019

Het gezin van Jozef van Genk woonde tussen 1925 en 1939 in Voorburg, waar in 1927 zoon Willem werd geboren. Tot nog geen jaar geleden moesten we het voor wat betreft deze periode in het leven van de kunstenaar voornamelijk doen met de verhalen van zus Tiny, via de filters van Dick Walda en Ans van Berkum. De afgelopen maanden wist ik mondjesmaat gegevens boven water te krijgen die iets meer duidelijkheid schiepen over onder andere het tweede huwelijk van Jozef van Genk en de uiteindelijke verhuizing terug naar Den Haag. Recentelijk spoorde Jan Vellekoop in het Gemeentearchief in Den Haag een setje gezinskaarten op dat het bestaande beeld van de Voorburgse jaren aanzienlijk verscherpt.

Jozef en Maria van Genk verhuisden in juni 1925 van Den Haag naar Voorburg. Jozef was op dat moment 37 jaar oud, zijn vrouw 42 en er waren negen dochters, in de leeftijd van elf tot een. Het gezin kwam te wonen op het adres Van de Wateringelaan 25, een woon/winkelpand op de hoek met de Van Wassenaerstraat, waar op 1 september Van Genk’s Fruithandel officieel werd geopend. [1] Anderhalf jaar later, toen Maria van Genk op het punt stond opnieuw te bevallen, gingen dochter Leny (12), Nora (10), Jacqueline (8), Riet (7) en Agnes (6) naar het (uiteraard Rooms-katholieke) internaat Duinzigt in Oegstgeest, dat naast een kleuterschool en een lagere school ook een zevende en een achtste leerjaar kende. Oudste dochter Tiny (13) volgde begin juni, waarschijnlijk had zij tijdelijk de huishoudelijke taken van haar moeder opgevangen na de geboorte van Willem op 27 april. Ook Isabella (5) vertrok in september naar Oegstgeest, aan het begin van een nieuw schooljaar. Willy (4) en Addy (10) bleven daarmee als enige meisjes in Voorburg – Willy waarschijnlijk omdat zij nog te jong was, Addy mogelijk vanwege haar zwakke gezondheid. [2]

Eind juli 1929 keerden Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella uit Oegstgeest terug naar Voorburg; Nora volgde op 7 augustus. Half september vertrok Nora met Addy en Willy, die nog nooit van huis waren geweest, naar een kostschool in Leuven. Een maand later volgden de andere zes zusjes. Alle negen dochters waren daarmee het huis uit, alleen Willem woonde nog bij zijn ouders. In januari 1931 schreef Jozef van Genk de eerder geciteerde brief aan zijn dochters in België, waar alleen Nora niet goed haar best leek te doen: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld.

Op 25 november 1932 overleed Maria van Genk-Hoogstraten op 49-jarige leeftijd. Twee maanden later werd Van Genk’s Fruithandel opgeheven. [3] In februari 1933 keerden Tiny (19), Nora (16) en Jacqueline (14) na meer dan drie jaar vanuit Leuven terug naar Voorburg: de oudste dochters minus Leny en Addy, die in België bij de vier jongsten bleven. Kort daarvoor was Jozef van Genk verhuisd naar Van Aremberglaan 157 – het woon/winkelpand aan de Van de Wateringelaan, een paar honderd meter verderop, moest immers worden verlaten. Ook Addy (16) keerde begin augustus terug uit België, zij had kennelijk eerst het lopende schooljaar afgemaakt.

In 1934 leek Jozef van Genk een nieuw begin te (willen) maken. Op 9 mei trouwde hij in Den Haag op 46-jarige leeftijd met de 39-jarige weduwe Maria Heesen, wier zoon Herman (11) met haar meekwam naar Voorburg. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin van Genk naar Van Aremberglaan 86, tegenover de vorige woning aan Van Aremberglaan 157 waar ze slechts anderhalf jaar hadden gewoond. Dochter Riet (14) keerde eind september uit België terug naar huis; op het nieuwe adres woonden daarmee op dat moment negen personen. In april 1934 werden dat er tien, toen ook Maria Heesens dochter Christina (16) vanuit Enschede naar Voorburg kwam, waar ze een week later haar zeventiende verjaardag vierde. Haar verblijf was kennelijk geen succes, want nog geen zes weken later ging ze al weer terug naar Enschede.

Op 5 juni 1935 verscheen er een advertentie in de Haagsche Courant: ‘TUINMAN biedt zich aan voor het snoeien van fruitboomen, zomersnoei. Adres: J. van Genk, v. Aremberglaan no 86, Voorburg.’ Tiny zou later spreken over haar vader als eigenaar van een chocolaterie die daarna ging werken bij de Arbeidsinspectie in Den Haag. [4] De datum van die overstap is onduidelijk, maar op de kaarten van Voorburg wordt Jozef van Genk uitsluitend aangeduid als ‘fruithandelaar’. In ieder geval was de winkel al vanaf 1933 niet meer zijn eigendom en kluste hij kennelijk bij als tuinman – dat een fruithandelaar verstand had van fruitbomen, lag voor de hand. Drie jaar later bood hij zijn diensten nog steeds aan: ‘TUIN IN ORDE? Uw tuin één stukje natuurschoon. Advies gratis. Aanleg en onderhoud door vakman. Aanbev., JOS M VAN GENK’. [5]

V.l.n.r. Tiny, Leny en Nora van Genk, jaren dertig

In september 1935 vertrok de inmiddels jongvolwassen Nora (19) naar Naaldwijk. Haar nieuwe adres daar, Heerenstraat 1, was dat van haar ooms Arie en Jan Hoogstaten, twee ietwat zonderlinge maar zeer welgestelde broers van haar moeder die in Naaldwijk meerdere panden bezaten. Diezelfde maand ging Herman van Vlaardingen naar het internaat van de Kruisvaarders van St. Jan in Rijswijk, enkele dagen na zijn dertiende verjaardag. Hij zou niet meer naar Voorburg terugkeren. Het nu iets kleinere gezin Van Genk verhuisde opnieuw, dit keer naar Van Alphenstraat 93. Begin oktober vertrok Addy (18) naar haar oom en tante Van der Ouderaa in Bergen op Zoom. [6]

In maart 1936 keerden nog drie dochter terug uit België: Agnes (15), Isabella (14) en Willy (12) hadden zesenhalf jaar in Leuven gewoond. Leny hield het tot 1938 vol en was drieëntwintig toen ze terug naar Voorburg kwam. Dit suggereert dat zij al bezig was met haar voorgenomen intrede als kloosterlinge. In juni 1936 verhuisde Maria Heesen naar De Bilt; haar huwelijk met Jozef van Genk was kennelijk al na twee jaar officieus voorbij. In het najaar ging ook Tiny bij haar familie in Naaldwijk wonen, terwijl Addy in het voorjaar van 1937 juist weer terugkeerde naar Voorburg.

Begin 1939 gingen Addy en Jacqueline samen op kamers wonen op een adres in het centrum van Den Haag. [7] Een maand later vertrok Willem naar het internaat in Harreveld, waarna Jozef van Genk met zijn dochters Leny (23), Riet (19), Agnes (18), Isabella (17) en Willy (15) verhuisde naar Magnoliastraat 10 in Den Haag. Hier stoppen de gegevens op de gezinskaarten en zijn (vanuit die bron) de bewegingen van de Van Genks niet meer te volgen. Mogelijk voegden Addy en Jacqueline zich korte tijd later bij het gezin – in de Haagsche Courant stond op 1 juli 1939 een advertentie voor onder andere een ‘zo goed als nieuw, 2-persoons opklapbed’, met als adres Westeinde 195. De verhuizing van Voorburg naar Den Haag had mogelijk te maken met Jozefs nieuwe baan bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Een jaar later kwam ook Willem vanuit Harreveld weer naar huis. [8]


NOTEN

[1] Volgens de oude gezinskaart van Den Haag vertrokken de Van Genks naar het adres Van Heurnstraat 87 in Voorburg, volgens de gezinskaarten van Voorburg was het eerste adres in die gemeente Van de Wateringelaan 25. Het Handelsregister Zuid-Holland geeft 1 september als de officiële vestigingsdatum van ‘Van Genk’s Fruithandel – winkel in groenten en fruit, Van Wateringelaan 25 in Voorburg’.

[2] Volgens Tineke Dietvorst, dochter van een neef van de kinderen Van Genk, was Addy ‘heel fragiel’ (interview met Pierre en Tineke Dietvorst, 17 oktober 2018).

[3] In het Handelsregister Zuid-Holland staat op het document met oprichtingsgegevens de opmerking: ‘Handelszaak Januari 1933 opgeheven’. Een separaat document geeft aan dat Van Genk’s Fruithandel op 29 september 1933 formeel van eigenaar wisselde.

[4] Walda, Koning der stations, p. 31.

[5] Haagsche Courant, 22 november 1938.

[6] Willem was bij deze tante en oom opgevangen na het overlijden van zijn moeder, maar zijn woonplaats werd voor dit verblijf niet aangepast op de gezinskaarten.

[7] Het adres is Westeinde 195. In de Haagsche Courant staan rond deze tijd voortdurend advertenties voor woonruimte op dit adres, onder andere op 2 februari: ‘TE HUUR nette gemeubil. zit-sl.-kamer voor 2 personen, ƒ 4 per week.’

[8] De precieze data:

  • 19 juni 1925 – verhuizing vanuit Den Haag naar Van de Wateringelaan 25 in Voorburg
  • 28 februari 1927 – Leny, Nora, Jacqueline, Riet en Agnes vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 3 juni 1927 – Tiny vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 16 september 1927 – Isabella vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 27 juli 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 7 augustus 1929 – Nora vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 14 september 1929 – Nora, Addy en Willy vanuit Voorburg naar Leuven
  • 12 oktober 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Voorburg naar Leuven
  • 2 februari 1933 – verhuizing (Van Aremberglaan 157)
  • 16 februari 1933 – Tiny , Nora en Jacqueline vanuit Leuven naar Voorburg
  • 4 augustus 1933 – Addy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 8 mei 1934 – Herman van Vlaardingen vanuit Renkum naar Voorburg
  • 5 juni 1934 – verhuizing (Van Aremberglaan 86)
  • 28 juni 1934 – Maria Heesen vanuit Den Haag naar Voorburg
  • 28 september 1934 – Riet vanuit Leuven naar Voorburg
  • 13 april 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Enschede naar Voorburg
  • 25 mei 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Enschede
  • 5 september 1935 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 10 september 1935 – Herman van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Rijswijk
  • 11 september 1935 – verhuizing (Van Alphenstraat 93)
  • 1 oktober 1935 – Addy vanuit Voorburg naar Bergen op Zoom
  • 5 maart 1936 – Agnes, Isabella en Willy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 25 juni 1936 – Maria Heesen vanuit Voorburg naar De Bilt
  • 22 augustus 1936 – Tiny vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 14 april 1937 – Addy vanuit Bergen op Zoom naar Voorburg
  • 26 augustus 1938 – Leny vanuit Leuven naar Voorburg
  • 6 oktober 1938 – Nora vanuit Naaldwijk naar Voorburg
  • 17 januari 1939 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 15 maart 1939 – Addy en Jacqueline vanuit Voorburg naar Den Haag
  • 27 april 1939 – Willem vanuit Voorburg naar Harreveld
  • 28 juli 1939 – Jozef van Genk, Leny, Riet, Agnes, Isabella en Willy van Voorburg naar Den Haag