
Luchtfoto van het De Constant Rebecqueplein en omgeving in Den Haag, 1982 (foto: Haags Gemeentearchief)
Over het leven van Willem van Genk tussen 1945 en 1964 is weinig bekend. Toch waren dit vormende jaren, waarin hij zich ontwikkelde van een tekenaar met talent tot een volbloed kunstenaar. Wat we weten heeft vooral betrekking op de laatste vijf jaar van de genoemde periode, als Van Genk zich heeft gemeld bij bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten en er een artikel over hem verschijnt in het Wekelijks Bijvoegsel van de Haagsche Courant. Van Genk is dan al sinds 1947 tewerkgesteld in een AVO-werkplaats (“Arbeid Voor Onvolwaardigen”) aan de Sirtemastraat in zijn woonplaats Den Haag.
Veel van wat we over de genoemde periode weten, komt uit het stuk van Bibeb over Van Genk dat in april 1964 verscheen in Vrij Nederland. Ze vraagt onder meer ‘hoelang hij al in die werkplaats voor onvolwaardigen zit’, waarop Van Genk antwoordt: ‘Van ’47… toen had ik m’n boekenkast nog.’ Die laatste toevoeging heeft betrekking op een treurig verhaal dat zus Tiny in de jaren negentig ook nog tegen Dick Walda zal vertellen: Van Genks kosthuis hield op enig moment op te bestaan en in de paniek van het moment verkocht hij zijn boekenverzameling. ‘Hij kreeg een appel en een ei voor de boeken. Wim kreeg daar een dag later verschrikkelijk veel spijt van. Toen hij zich bij de koopman vervoegde om de boeken terug te kopen, was de vraagprijs niet op te brengen. Dat heeft hem bijzonder veel pijn en verdriet gedaan.’1
Bibeb geeft ook een beschrijving van het pension waar Van Genk op dat moment woont: ‘Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’’2 Ook Van Genk zelf zal in de jaren negentig tegen Dick Walda iets dergelijks vertellen: ‘Ik moest in een kosthuis, kon niet bij mijn zusters wonen. […] Vandaar dat ik in een kosthuis kwam. Een café van niks. Alles was even treurig en daar moest je ook je kop houden. Betalen — eten — slapen — klaar. Ik kon er niet tekenen.’3
Tiny vertelt Walda eveneens over het kosthuis, maar hier doet zich iets opmerkelijks voor. In de eerste druk van Walda’s boek Koning der stations, uit 1997, zegt ze:
U moet weten dat het kosthuis van Wim – hij heeft er vijf jaar gewoond – een café van laag allooi was.
Ze hadden verlof A.
Hij had er een kamertje van 2 bij 2, samen met een andere commensaal. De omgangsvormen waren er rauw en onbehouwen. Als het eten klaar was riep de kostbaas: ‘Aan tafel en vréten!’
De maaltijden bestonden uit diverse stamppotten. Grote porties, dat wel, vertelde Wim. En er werd veel pap gegeten. Karnemelksepap, havermout- en griesmeelpap. Toen Wim een keer ziek was, wilde ik hem opzoeken. Ik mocht niet naar boven van de kostbaas.4
In 2019 verscheen een tweede, herziene druk van Walda’s boek. Nu zijn Tiny’s woorden een klein beet je aangepast en noemt ze een naam: ‘Als het eten klaar was riep de reusachtige bazin Troekie Spigt: ‘Aan tafel en vréten!’ […] Toen Wim een keer ziek was, wilde ik hem opzoeken. Ik mocht niet naar boven van de kostbaas Spigt.’5 De naam ‘Troekie Spigt’ valt ook in het hoorspel dat Walda in 1998 over Van Genk maakte, eveneens met de titel Koning der stations. Het zou zonder meer kunnen dat Van Genk wérkelijk een kostbaas met die naam had, maar Walda is de enige bron.

Still uit de Brandpunt-reportage over de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid – de maaltijd in het kosthuis van Van Genk
Een lange inleiding om te zeggen dat het voor mij als een grote verrassing kwam toen ik eind juli een mailtje van het CBG kreeg met een digitale kopie van de persoonskaart van Willem van Genk. Ik had nergens meer op gerekend, omdat mijn laatste mailwisseling over het onderwerp uit februari stamde. Van 1939 tot 1994 bestond van iedere inwoner van Nederland een fysieke, handgeschreven of getypte kartonnen kaart die door gemeenten werd bijgehouden, met naam, ouders, huwelijken, kinderen, beroep, religie en adressen. Hierna kwam de digitale opvolger in de Basisregistratie Personen (BRP) voor personen die vanaf oktober 1994 waren overleden, de persoonslijst. Van Willem van Genk bezat ik deze persoonslijst, waarop de meeste maar niet alle gegevens van de persoonskaart waren overgenomen.
Ik wilde dus graag een kopie van deze persoonskaart van Willem van Genk, die nog moest bestaan en die mogelijk ook zijn adressen tussen 1947 en 1964 bevatte. De persoonslijst begon met het adres Harmelenstraat 28, waar Van Genk vanaf 2 december 1964 stond ingeschreven. Tot 1947 woonde hij in ieder geval met zijn vader en een aantal zusters op het adres Magnoliastraat 10. De persoonskaart van zijn vader, waarvan ik wél een kopie bezat, vermeldde zoon Willem Franciscus Antonius Maria tot 19 februari 1948. Dit was de datum dat Jozef van Genk verhuisde naar Lijsterbesstraat 121, waar hij introk bij zijn latere echtgenote Leonarda Pennekamp. Willem bleef achter bij zijn zusters Leny, Isabella en Willy in de Magnoliastraat.
Mijn wachten werd beloond, want inderdaad bevatte de persoonskaart twee adressen die ik nog niet kende:

Persoonskaart Willem van Genk (detail)6
Kennelijk was Van Genk negen maanden na het vertrek van zijn vader ook zelf verhuisd, maar kwam hij in mei 1950 weer in de Magnoliastraat wonen. In januari 1953 verhuisde hij opnieuw, tot hij eind 1964 in de Harmelenstraat landde.
Het eerste adres betrof dus 2e Sweelinckstraat 78. De AVO-werkplaats van Van Genk, die viel onder de Vereniging Dr. Schroeder van der Kolk, bracht een aantal van zijn cliënten onder in eigen pensions. Een van die pensions bevond zich inderdaad in de 2e Sweelinckstraat, zij het schijnbaar op een ander nummer: in de archieven van Schroeder Van der Kolk is sprake van ‘het pension van de familie D. van Dongen, 2e Sweelinckstraat 65 te Den Haag’. De familie Van Dongen bleek echter zelf op nummer 65 te resideren, terwijl hun ‘verzorgingstehuis “Caritas”‘ gevestigd was in de panden 63 en (aan de overkant van de straat) 78. Het ging hier derhalve om een officieel pension c.q. verzorgingstehuis in een relatief nette buurt, en zeker niet om een ‘café van laag allooi’.

2e Sweelinckstraat in Den Haag, 2023. De voordeur van nummer 78 is te zien tussen de lantaarnpaal en de boom (foto: Google maps)
Het tweede adres, De Constant Rebecqueplein 10, was moeilijker te duiden. Het plein in het Regentessekwartier in Den Haag is vooral bekend vanwege de ‘Electriciteits Fabriek’ uit 1906, tegenwoordig een gemeentelijk monument, en de latere elektriciteitscentrale. Naast de fabriek, op nummer 20, kent het plein een aantal woningen, aan beide zijden van de De Constant Rebecquestraat. De nummering is per zijde doorlopend: aan de zuidkant bevinden zich nummer 20 tot en met 34A, aan de noordkant 2 tot en met 7. Er lijken dus nummers te ontbreken, waaronder nummer 10 en zelfs (afgaande op oude krantenadvertenties) 10A.
Het raadsel van de ontbrekende nummers bleek vrij eenvoudig op te lossen: in 2007 was een sloopvergunning afgegeven voor een aantal panden in wat genoemd werd het ‘energiekwartier’. Onder meer werd een bouwblok met acht woningen gesloopt, met drie adressen aan de Joseph Ledelstraat en vijf aan het De Constant Rebecqueplein: de nummers 8, 9, 10, 10A en 11. Oude foto’s van het plein waren er in het Haags Gemeentearchief genoeg, maar meestal betroffen die de elektriciteitsfabriek en -centrale. Toch bleek er ook een foto te bestaan van het blok met nummer 10:

De Contant Rebecqueplein in Den Haag, 1993. Links onder de erker, bij het geparkeerde aanhangwagentje, de ingang naar de nummers 9 en 10 (foto: Haags Gemeentearchief)
De Constant Rebecqueplein 10 bevindt zich op minder dan een kilometer van de AVO-werkplaats in de Sirtemastraat, hetgeen de locatie logisch maakt. Bibeb merkt in haar tekst op dat Van Genk ‘elke avond [te voet] naar ’t huis van zijn jongste zuster’ in de Harmelenstraat gaat: ‘We lopen bijna een uur door een bar stuk van Den Haag, o.a. de Loosduinsekade af’. Ook dit kan kloppen met het adres aan het De Constant Rebecqueplein, vanwaar het zo’n vijftig minuten lopen is naar de Harmelenstraat (waar Van Genks jongste zuster Willy woont) via onder meer de Loosduinsekade. Toch is er een aantal problemen:
- Tiny zegt tegen Dick Walda dat haar broer vijf jaar in het kosthuis woonde, maar volgens de persoonskaart verbleef Van Genk meer dan elf jaar aan het De Constant Rebecqueplein 10.
- Volgens Jan Cremer (zie hier) bevond het pension zich ‘ergens in de buurt van het Rijswijkseplein’. Dit is niet in overeenstemming met de locatie van het De Constant Rebecqueplein.
- De episode met de verkochte boeken suggereert dat er (minimaal) twee pensions waren, waarvan er één ophield te bestaan. Er waren volgens de persoonskaart inderdaad twee pensions, maar dat in de 2e Swelinckstraat was in 1980 nog steeds in functie voor cliënten van de Vereniging Dr. Schroeder Van der Kolk.
Dat van Genk in zijn AVO-tijd een aantal jaren in de kost was bij ‘een arm café’, lijkt vast te staan. De bazige vrouw die het pension runde, komt eveneens in alle verhalen terug. Voor de naam ‘Troekie Spigt’ is Dick Walda echter de enige, niet erg overtuigende bron. Hoe dan ook brengt de persoonskaart ons weer een stapje dichter bij het leven van Willem van Genk tussen 1945 en 1964.
NOTEN
- Walda, Koning der stations (1997), p. 35. ↩︎
- Bibeb, ‘Ik ben een stuk grijs pakpapier’, p. 118. ↩︎
- Walda, Koning der stations (1997), p. 26. ↩︎
- Ibid., p. 34. ↩︎
- Walda, Koning der stations (2019), p. 47. ↩︎
- GV = ‘s-Gravenhage, PB = persoonsbewijs, gew = gewijzigd – er bestaat in Den Haag zowel een Sweelinckstraat als een 2e Sweelinckstraat. ↩︎



















































