Brief

Brief van Willem van Genk aan de familie Van der Wal, 30 november 1958 (detail)

Willem van Genk was geen groot briefschrijver. Toen ik aan mijn biografie werkte, kon ik tot 1985, het jaar waarin de kunstenaar achtenvijftig werd, vier brieven en drie ansichtkaarten achterhalen. Dat is nog altijd meer dan de twee brieven waarmee de auteurs van Willem van Genk. Een getekende wereld het in 1998 moesten doen. Het belette Ans van Berkum niet om op grond van die twee brieven enkele conclusies te trekken over de geestesgesteldheid van Van Genk: ‘De toenemende complexiteit van zijn tweedimensionale werken kan in verband worden gebracht met de ontwikkeling van zijn schizofrenie. Ook in de brieven die hij schrijft wordt dat patroon halverwege de jaren zestig zichtbaar. Een brief van 25 maart 1964 aan Pieter Brattinga laat een helder schrift zien en behandelt slechts één onderwerp, de vraag of hij naar Amerika of naar Rusland zal kunnen reizen, die zomer. […] In de linkerbovenhoek van de brief is één zonnetje getekend.’

Deze brief uit 1964 staat volgens Van Berkum in schril contrast met een exemplaar van vierentwintig jaar later: ‘De brief die hij op 19 februari 1988 aan Françoise Henrion, eigenaar van galerie Art en Marge in Brussel, stuurt, toont een heel ander beeld. Net als bij Brattinga gebruikt hij de afstandelijke aanhef ‘beste lezer’, maar hij zet de naam van de geadresseerde rechtsboven, omgevormd tot ‘Francaîse Henrion’. Hij laat zijn associaties compleet de vrije loop en het hangt maar van toevallige weetjes af of er iets van te volgen is. […] Op pagina twee mengt het schrift zich met een tekening waarin hij via het stratenplan van Brussel uitkomt bij de Centrale Vervoersdienst Gemeente Arnhem en en passant melding maakt van een haringbar, die daar, zoals je dan moet weten, sinds jaar en dag op de hoek van het Stationsplein staat. Bijzonder is dat hij het antwoord van Françoise Henrion/Francaîse Henrîon aan de schrijver zelf vast geeft […].’1

Brief van Willem van Genk aan Françoise Henrion, 19 februari 1988 (detail)

Van Berkum suggereert dat de twee brieven exemplarisch zijn, maar het zijn mogelijk de enige twee waarover ze beschikt.2 Nog afgezien daarvan is het ironisch dat ze op grond van de brieven iets denkt te kunnen zeggen over Van Genks mentale gesteldheid (‘De lijder aan schizofrenie kampt door zijn ziekte met een toenemend isolement. De wereld buiten en de wereld binnen komen steeds verder uit elkaar te liggen, waarbij uiteraard de binnenwereld voor de lijder de meest reële is’, en zo verder), terwijl het waarschijnlijk is dat de diagnose schizofrenie, die hij op enig moment kreeg, onjuist was.

Volgens Jim van Os, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Utrecht, wees Van Genks gedrag in de richting van een tamelijk specifieke psychische variatie in de domeinen van denken, voelen, perceptie en gedrag: ‘Zo je Van Genk psychiatrisch-diagnostisch zou willen duiden, past veel van wat er over hem bekend is binnen wat tegenwoordig bekend staat als het autismespectrum.’ Personen die binnen een dergelijk autismespectrum vallen, ontwikkelen verschijnselen die als psychotisch kunnen worden geduid. ‘Ook bij Van Genk lijkt dit het geval geweest te zijn. Uitingen van paranoia bij mensen in het autismespectrum zijn te begrijpen vanuit beperkingen in het begrijpen van de sociale wereld.’3

Vermoedelijk werd bij Van Genk al vroeg de diagnose ‘schizofrenie’ gesteld, waar hij vervolgens niet meer vanaf kwam. Van Os: ‘Het model van behandeling van schizofrenie was (en blijft in belangrijke mate) vooral medisch, gericht op medicatie en controle van symptomen. Echter wat de persoon in het autismespectrum vooral nodig heeft is psycho-educatie, pedagogische interventies gericht op communicatie en navigatie van de sociale wereld en begeleiding bij opleiding en werk. In afwezigheid daarvan soelaas zoeken in een model van antipsychotische medicatie voor een niet-primair psychotisch probleem is niet constructief.’ Toch was het wel degelijk een dergelijke antipsychotische medicatie die Van Genk kreeg voorgeschreven.4

Paranăsky Kultur (detail)

Je kunt je afvragen hoe de ‘diagnose’ van Willem van Genk door Jim van Os zich verhoudt tot de Goldwater rule, de ethische richtlijn voor psychiaters die stelt dat zij geen professionele diagnose of oordeel mogen geven over de mentale gezondheid van een publiek persoon zonder die persoon persoonlijk te hebben onderzocht. Desalniettemin is het verfrissend om te lezen dat de schizofrenie-diagnose in het geval van Van Genk hoogstwaarschijnlijk onjuist is geweest en dat bepaalde aspecten van zijn gedrag eerder vanuit zijn autisme moeten worden gezien.5

Het aspect van de illustraties in de brief aan Françoise Henrion, om daarop in te zoomen, is bepaald niet iets dat Van Genk pas later ontwikkelde. Al in november 1958, meer dan zes jaar vóór de door Van Berkum geciteerde brief aan Brattinga, stuurt hij een rijk geïllustreerde brief aan het gezin van zijn stiefbroer Henk van der Wal in Arnhem. Van der Wal is de zoon uit het eertste huwelijk van Leonarda Pennekamp, de derde echtgenote van Jozef van Genk. In december 2021 kreeg Hans Looijen, toenmalig voorzitter van de Stichting Willem van Genk, de brief in handen via de zoon van Henk van der Wal. Deze had naar aanleiding van de tentoonstelling Woest een e-mail gestuurd aan het Outsider Art Museum, maar het gebruikte mailadres was verouderd. Pas meer dan een jaar later stuitte een stagiaire op het mailbericht, waarna Looijen contact opnam en de brief verwierf – samen met een balpentekening (WVG-2008) en twee prentbriefkaarten uit 1964.

In de brief beschreef Van Genk vooral wat hij zoal had gezien tijdens zijn bezoekjes aan ‘de Expo […], weet U wel die bewuste wereldtentoonstelling die [in] Brussel al weer te ziele is gegaan. […] Ik ben naar die Expo 2 keer heen geweest en wou wat babbelen over dit evenement van 1958. Och we zijn ’t er allemaal over eens dat kapitalistischen landen naast socialistischen landen vreedzaam naast mekaar kunnen bestaan, maar er zal nog heel wat water door de Hudson, de Theems, de Rhijn en de Moskva moeten vloeien eer de grote heren ’t met mekaar eens zijn. Doch niet tegenstaande is de Expo een schone gebeurtenis der vrede en opbouw, voor ’n betere toekomst v/het wereldgebeuren.’ Van Genk ging met name in op de paviljoens van de Sovjet-Unie en Japan, twee landen waar hij duidelijk door gefascineerd was.

De brief aan het gezin Van der Wal is een van de weinige documenten waarin gegevens te vinden zijn over Van Genks leven in deze periode en het enige waarin hij zelf aan het woord komt. Als gezegd is er maar een handvol brieven van hem bewaard gebleven, waarvan deze de oudste en meteen ook meest uitgebreide is. Van Genk schreef over zijn reizen naar Arnhem, over het overlijden van zijn vader, over zijn leven en ambities, over zijn politieke ideeën, maar vooral over de wereldtentoonstelling in Brussel. De beschrijving van de Expo brak hij abrupt af, aan het einde van het tweede volgekriebelde vel: ‘De Expo besloot met een groot vuurwerk boven Brussel ’s nachts. einde.’

Brief van Willem van Genk aan de familie Van der Wal, 30 november 1958 (detail)

Over het overlijden van zijn vader, op het moment van schrijven nog geen twee maanden geleden, was Van Genk kort en zelfs enigszins ironisch: ‘En mijn vader mocht die 1 Mei brief niet lezen… nu ja… Hij zal deze ook wel niet meer lezen. Ik kan nu niet bepaald zeggen dat het verlies van m’n vader veel indruk op me gemaakt heeft. O ja geen kwaad over de doden rust zacht… nee dat behoeft geen nader betoog.’ Om nog op dezelfde regel te vervolgen met zijn eigen situatie en de plannen die hij had: ‘Mogelijk is de dag niet ver meer dat ik “v/d Heem N.V.” vaarwel zeg en mijn gaat oriënteeren in illustratief tekenen, waar U in deze brief ’n voorproefje van heeft’.6 De marges van de brief zijn volgetekend met de meest uiteenlopende illustraties in pen en potlood, in verschillende kleuren en rijkelijk voorzien van begeleidende teksten.

De illustraties in de brieven aan Van der Wal en Henrion zijn verschillend gemotiveerd. In de brief uit 1958 wilde Van Genk laten zien wat hij in zijn mars had op het gebied van ‘illustratief tekenen’. Met de beschrijving van de Expo 58 leverde hij zelf de bijbehorende tekst, een poging tot een journalistiek verslag met historische feiten, verwijzingen naar de actualiteit en zo verder. In de brief uit 1984 zijn de tekeningen een strategie van Van Genk om indruk te maken op Henrion met zijn vaardigheden als kunstenaar: ‘Wel ik schrijf U een briefje… wat “artistique” volgekladdert is (in de geest van Karel Appel).’ Hij had duidelijk een boontje voor Henrion en wilde op deze manier haar aandacht trekken.

Dat de brieven van Willem van Genk uit de jaren tachtig en negentig slordiger en warriger zijn dan die uit eerdere decennia, is duidelijk. Om daaruit als leek de conclusie te trekken dat dit te maken heeft met de ontwikkeling van zijn schizofrenie is uitermate bedenkelijk, helemaal als aannemelijk is dat er helemaal geen sprake was van schizofrenie. Mogelijk waren het juist de antipsychotica, de medicijnen tégen de vermeende schizofrenie die na jaren zijn mentale gesteldheid hadden aangetast. Maar bij die suggestie wil ik het (eveneens als leek) laten.


NOTEN

  1. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 27. De brief (collectie museum Art et Marges, Brussel) aan Henrion is in facsimile afgedrukt op pp. 1-2 van Een getekende wereld. ↩︎
  2. Er waren ook nog enkele relatief late brieven aan Dick Walda, maar die pasten misschien minder goed in de analyse. ↩︎
  3. Jim van Os, ‘De labels van Willem van Genk’, website Stichting Willem van Genk. ↩︎
  4. Van Os: ‘Vooral bij hoge doses is bekend dat antipsychotica interfereren met de motivatie en het creatieve proces van de persoon – wellicht is dit Van Genk bespaard gebleven. Enkele bewaarde antipsychoticarecepten voor hem lijken te duiden op een zeer lage dosis, en werden geschreven door een psychiater die zijn cliënt vanuit een meer persoonlijke en menselijke benadering tegemoet trad. Die mogen we dankbaar zijn: je kunt je afvragen hoe zijn artistieke activiteit en ontwikkeling anders verlopen zouden zijn.’ Die psychiater was Hans Grelinger. ↩︎
  5. Van Berkum meldt eveneens dat bij Van Genk ‘behalve schizofrenie ook autisme wordt geconstateerd’ (Een getekende wereld, p. 27). Ze gaat hier niet verder op in. De autisme-diagnose stamt ook van veel latere datum, vermoedelijk uit de jaren negentig. ↩︎
  6. Van der Heem N.V. was een Haagse fabrikant van elektronica waarvoor de ‘onvolwaardigen’ van Van Genks AVO-werkplaats productie draaiden maar waarvoor hij beslist niet rechtstreeks werkte. ↩︎

Ingekleurd (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over het inkleuren van verdwenen werken van Willem van Genk. Het eerste deel is hier te vinden.

Ca. 1915, de ouders van Willem van Genk in kleur volgens AI

Een derde door Schmela verkocht werk was Antwerpen, catalogusnummer 13 uit Hilversum. Afgebeeld is het Koningin Astridplein naast het Central Station, dat tot 1935 het Place de la Gare/Statieplein heette:

Antwerpen | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | ca. 70 x 100 cm

Ook hiervan wist AI een heel behoorlijke kleurenversie van te maken:

Antwerpen in kleur, volgens AI

De kleurstelling is hier opnieuw vrij overtuigend en zelfs de lucht is niet atypisch. De bussen en trams aan de rechterkant doen denken aan de bussen op WVG-1015.

Er waren in Hilversum negen werken met de titel ‘Mockba’, i.e. Москва = Moskou. Twee ervan bleken afbeeldingen van Leningrad, drie grote tekeningen waren aan de hand van de afmetingen te identificeren, twee werken waren afbeeldingen van een Russische tank. De twee overgebleven tekeningen toonden de binnenkant van stations. Een ervan werd door Nico van der Endt gefotografeerd (zie hier), de andere (waarschijnlijk catalogusnummer 24 in Hilversum) werd afgedrukt in de uitnodiging van Schmela:

Moskou (treinstation) | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | ca. 58 x 80 cm

Weer wist AI deze zwart-wit afbeelding redelijk geloofwaardig in te kleuren:

Moskou (treinstation) in kleur, volgens AI

Het ontbreken van lucht maakt het voor AI makkelijker om te overtuigen. Het is duidelijk dat het om een kopstation gaat – mogelijk het door Van Genk veelvuldig afgebeelde Kievstation – waarbij ook de vier (symmetrisch geplaatste) stoomlocomotieven opvallen. De webstructuur van het stationsdak, die al opviel in de zwart-wit foto, komt in kleur nog nadrukkelijker naar voren.

Ten slotte verwisselde via Schmela ook catalogusnummer 26 uit Hilversum van eigenaar, Wenen. Zoals ik eerder schreef: ‘Waar vrijwel alle werken die in Hilversum waren getoond uit één grote afbeelding bestonden, had Van Genk op [Wenen] links en rechts van de centrale voorstelling een aantal kleinere tekeningen toegevoegd. Die centrale voorstelling betreft een gezicht op Wenen, gezien vanaf de Stephansdom. De nadruk ligt evenwel niet op de stad maar op het dak en een van de torens van de kathedraal en op de muuropening waar je op de voorgrond doorheen kijkt. Als om die marginale rol van Wenen zelf te compenseren, zijn links en rechts de kleinere tekeningen toegevoegd, met allerlei gebouwen en locaties die samen een beeld van de stad geven – als in een brochure van een reisbureau.’1 Van Wenen bestaat een foto, net als die van Antwerpen in bezit van de Collection de l’Art Brut in Lausanne:

Wenen | ca. 1960 | gemengde techniek op papier | ca. 72 x 152 cm

Het resultaat:

Wenen in kleur, volgens AI

Ook hier een geloofwaardige kleurenversie, die enigszins doet denken aan sommige latere collages (Kathedraal Pilsen, Minsk-Mosca, Vervoer USSR). De lucht is beter ingevuld dan op andere kleurenversies. De zonsopkomst of -ondergang is een toevoeging die weliswaar niet stoort maar die hoogstwaarschijnlijk niet door Van Genk is geschilderd.

***

Meer verdwenen werken van Willem van Genk zijn er volgens mij niet. In de aanloop naar de tentoonstelling Woest in 2019 dook Berlin Bahnhof Friedrichstrasse (WVG-0082) op, tot op dat moment alleen bekend van een afbeelding in een boek van Joop Beljon. Eerder schreef ik over Piazza Venezia, dat het monument voor Victor Emanuel II aan het Piazza Venezia in Rome toont. Ik beschouwde dit werk als verdwenen, tot ik enkele maanden geleden een inventarislijst van Museum Dr. Guislain kreeg toegestuurd waar het op voorkwam als ‘Tokyo’. Daarnaast zijn er natuurlijk ettelijke werken waarvan weliswaar een kleurenfoto bestaat maar waarvan de verblijfplaats niet meer te achterhalen is. Maar dat is weer een ander verhaal.


NOOT

  1. Van der Weide, De eenheid van het spinnenweb, p. 129. ↩︎

Heverlee

Acht van de negen zusjes Van Genk in de tuin van het Heilig Hartinstituut in Heverlee, rond 1930 (inkleuring: AI)

Onlangs verscheen nieuwsbrief #53 van Cultureel Erfgoed Annuntiaten Heverlee, met een bijdrage over de zusters van Willem van Genk. De nieuwsbrief is hier te lezen, hieronder de tekst over de zusjes Van Genk.

Heimwee in Heverlee

De Nederlandse kunstenaar Willem van Genk (1927-2005) was de jongste in een katholiek gezin met tien kinderen. Hij had negen oudere zussen en was zelf een nakomertje. Hun vader, Jozef van Genk, had een fruithandel en wilde dat zijn kinderen een goede opleiding kregen. Oudste zus Tiny vertelde hierover toen zij in de jaren negentig werd geïnterviewd: ‘Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden.’

In het najaar van 1929 vertrokken de negen zusjes vanuit Voorburg, bij Den Haag, naar het Heilig Hartinstituut van de Zusters Annuntiaten in Heverlee. Ze hadden er een moeilijke tijd: ze spraken aanvankelijk geen woord Frans en sommigen van hen waren nog erg jong – Agnes, Isabella en Willy van Genk waren respectievelijk acht, zeven en zes jaar oud. Desalniettemin verbleven ze jarenlang in Heverlee, de drie jongsten zelfs tot 1936. Alleen in de vakanties keerden ze korte tijd terug naar Voorburg, en zelfs dat was niet altijd het geval. Het lange verblijf had ook te maken met het overlijden van moeder Maria van Genk-Hoogstraten, in 1932.

De zusjes Van Genk in Heverlee, rond 1930. Voorste rij: Jacoba (Jacqueline), Adriana (Addy), Helena (Lena/Leny), Maria (Riet), Eleonora (Nora). Achterste rij: Alberdina (Tina/Tiny), Isabella, Agnes, Wilhelmina (Willy)

Vader Jozef van Genk schreef in januari 1931 een brief aan zijn dochters, die bewaard is gebleven. In die brief is hij niet al te lang van stof, maar hij getroost zich duidelijk wel moeite om al zijn dochters ook even individueel aan te spreken: ‘Zeg Wilhelmientje hebt ge braaf gebeden, jongens wat een groote meid al en mooie punten, maar Isabella ook hoor, en Agnes hewel meske, kunde gij al Vlaamsch klappen’, en zo verder. Ze deden goed hun best en hadden bijna allen een mooi kerstrapport, op Nora na. Jozef van Genk: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld. … Over zes maanden is het weer groote vacantie die tijd schiet op, gebruikt ze nu daarom erg nuttig. […] Nu kinderen nu ga ik eindigen hoor vele groeten de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.

Lena van Genk, die goed kon leren, verbleef van 1929 tot 1938 in Heverlee. Ze trad op 26 september 1932 in, waarschijnlijk was het ziekbed en naderende overlijden van haar moeder daarbij een factor. Lena was op dat moment zeventien jaar oud. Ze ging hierna zes jaar door het leven als ‘Lidwina’. Die kloosternaam verwees naar de heilige Liduina van Schiedam, patrones van de chronisch zieken en ook de naamgeefster van de parochie van het gezin Van Genk. In 1938 trad ze weer uit. Midden jaren dertig werd een foto van haar gemaakt in habijt, bij de Lourdesgrot in de tuin van het instituut.

Lena van Genk (Lidwina) in Heverlee, midden jaren dertig

Het uittreden van Lena van Genk kan ook te maken hebben gehad met mentale problemen, die veelvuldig voorkwamen in de familie van haar moeder. Een oom en tante waren in 1897 door het rijk onder curatele gesteld wegens ‘krankzinnigheid’, een andere oom en tante heetten ‘minder begaafd’ te zijn. In een brief uit 1946 schreef vader Jozef van Genk dat Lena ‘sinds jaren zenuwziek’ was en ook haar broer Willem kreeg al bij zijn eerste tentoonstelling het etiket ‘geestelijk gestoord’ mee. Lena van Genk verhuisde na de Tweede Wereldoorlog naar Sancta Maria in Noordwijkerhout, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize. In 1957 werd haar oudere zus Tiny haar curator.

Uiteraard overleden de zusjes Van Genk één voor één, zij het bepaald niet in volgorde van leeftijd. De altijd ziekelijke Isabella, de op een na jongste, werd slechts drieënveertig en was in 1965 de eerste die stierf. Oudste zus Tiny werd daarentegen drieënnegentig jaar oud en overleed pas in 2007. Alleen Jacqueline (1919-2010) overleefde haar, ondanks het feit dat zij een kettingrookster was.

Acht van de negen zusjes Van Genk in de tuin van het Heilig Hartinstituut, rond 1930

Twee vragen blijven wat mij betreft over. Allereerst: waar haalde vader Jozef van Genk, winkelier, het geld vandaan om negen dochters jarenlang op een buitenlandse kostschool onder te brengen? Hun verblijf zal zeker niet gratis zijn geweest. Dan is natuurlijk ook de vraag waarom hij juist koos voor het Heilig Hartinstituut in Heverlee. Mogelijk had dit te maken met zijn echtgenote, die volgens het bidprentje bij haar overlijden ‘Lid der Derde Orde’ was geweest, tertiares dus. Ook de Annuntiaten zijn een orde van tertiarissen en tertiaressen.

En hun broertje Willem? Die keerde zich af van het geloof van zijn familie en kreeg communistische sympathieën. Twee collages van hem belandden in het universiteitsmuseum van Louvain-la-Neuve, een kleine dertig kilometer van Heverlee. Nog in 1997 zei hij in een interview: ‘Maar ik heb mijn hele leven een zwerm zusters gehad. Gisteren nog, het was maar een droom. Ze zaten aan m’n bed. Allemaal. En dat praat nog een keer door mekaar. Je kan er niks van verstaan, negen moeders die m’n bed willen opmaken. En toch ben je eenzaam.’

Jack van der Weide

Ingekleurd

Ca. 1929, Willem van Genk en zusters in kleur volgens AI. V.l.n.r. Willem, Willy, Isabella, Agnes, Riet,
Jacqueline, Addy, Nora, Leny en Tiny

Het is een inmiddels wijdverbreide techniek: oude zwart-wit foto’s inkleuren met behulp van AI. Hierboven is dit gedaan met een bekende foto van Willem van Genk, genomen rond 1930. Interessanter is om de techniek toe te passen op een aantal werken van Van Genk waarvan de verblijfplaats onbekend is en waarvan alleen zwart-wit afbeeldingen bestaan. Het gaat hierbij om zes werken die te zien waren tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid die begin 1964 werd gehouden bij Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum.

Het eerste werk is Amsterdam, catalogusnummer 2 uit Hilversum. De beste afbeelding hiervan komt uit de catalogus van galerie De Ark uit 1976:

Amsterdam (Dam) | ca. 1958 | gemengde techniek op papier | ca. 30 x 40 cm

Het betreft een tekening van de laatste rit van de Blauwe Tram op 31 augustus 1957, op het traject Amsterdam – Zandvoort. Op die rit had Van Genk vier werken gebaseerd, die alle vier te zien waren op de tentoonstelling in Hilversum, onder de titels Amsterdam (3x) en Den Haag (1x). In de catalogus van galerie De Ark uit 1976 staan de werken afgebeeld op twee achtereenvolgende pagina’s, steeds met de titel Amsterdam. In de catalogus van De Stadshof uit 1998 kregen ze de titels Amsterdam laatste blauwe tramAmsterdam laatste blauwe tram NZTM (2x) en Raadhuisstraat.1 Gekeken wordt vanuit de Damstraat in de richting van de Dam. Het Paleis op de Dam is duidelijk herkenbaar.

Ingekleurd door AI levert dit het volgende resultaat op:

Amsterdam (Dam) in kleur, volgens AI

Kijken we naar de drie andere ‘Amsterdammertje’, dan blijkt dit werk de meeste overeenkomst te vertonen met Amsterdam (Raadhuisstraat), dat in bezit is van een particuliere verzamelaar in Maastricht (zie hier). De twee andere werken, beide in bruintinten, vormen eveneens een paar.

Waar Amsterdam (Dam) na 1976 bleef, is onbekend. Van vijf andere werken uit Hilversum weten we in ieder geval dat ze verkocht werden door de Duitse galeriehouder Alfred Schmela, tijdens of kort na de expositie Van Genk’s phantastische Wirklichkeit in het najaar van 1964 in Düsseldorf. Schmela verkocht in totaal negen tekeningen, waarbij er van vijf alleen zwart-wit afbeeldingen bestaan.2 De eerste van die vijf, Tokio (catalogusnummer 6 uit Hilversum, daar gespeld als ‘Tokyo’), levert voor AI meteen de meeste problemen op. Voor een belangrijk deel komt dit door het feit dat de inkleuring zich moet baseren op een niet heel erg scherpe krantenfoto:3

Tokio | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | ca. 44 x 77 cm

Het minst onbevredigende resultaat:

Tokio in kleur, volgens AI

De kleurstelling is duidelijk niet die van andere werken van Van Genk, de helderblauwe lucht is volkomen atypisch. Wel geeft de nieuwe afbeelding een beter idee van hoe het werk eruit heeft gezien, met name voor wat betreft de beeldelementen.

Eveneens door Schmela verkocht werd Keulen, waarvan een niet heel erg goede afbeelding stond in de catalogus bij de Hilversumse tentoonstelling:

Keulen | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | ca. 72 x 80 cm

Tot mijn verbazing wist AI hier een heel behoorlijke kleurenversie van te maken:

Keulen in kleur, volgens AI

De lucht is ook hier duidelijk niet ingekleurd zoals Van Genk dit zou hebben gedaan, de verdere kleurstelling is redelijk overtuigend.

(wordt vervolgd)


NOTEN

  1. Zie hier, ook voor afbeeldingen van de vier werken, ↩︎
  2. Nummer zes, Metrostation Opéra, werd verkocht aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. De drie overige werken werden in 2000 opgespoord door Nico van der Endt (zie hier). ↩︎
  3. De tekening was de illustratie bij: Bibeb, ‘Wim van Genk: Ik ben een stuk grijs pakpapier’ (Vrij Nederland, 4 april 1964). De foto werd gemaakt door Eddy de Jongh en bevindt zich in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam (inventarisnummer EDJ-2775-4). ↩︎