Postuum

2019-12-18 13.17.26 (800x600)

Het overlijden van Willem van Genk op 12 mei 2005 kreeg weinig aandacht. Er waren enkele korte meldingen in landelijke dag- en weekbladen met algemene opmerkingen, halve waarheden en stereotype karakteriseringen van kunstenaar en werk. In Raw Vision, het tijdschrift dat exclusief aan outsider art was gewijd, was de ruimte die Nico van der Endt mocht gebruiken voor zijn In Memoriam gering. Desalniettemin wist hij in tweehonderd woorden een beeld te schetsen van het leven en de kunst van Van Genk, eindigend met de observatie: ‘With Van Genk the last of the great true Outsiders seems to have disappeared. His death marks the end of an era.’ [1]

Iets minder compact kon Marcel van Eeden zijn in zijn beschouwing voor het tijdschrift Kunstbeeld. [2] Van Eeden stak de loftrompet over zijn overleden collega, van wie hij een verklaard bewonderaar was (en is) en die hij in 2001 al eerde met een tekening met de opdracht ‘voor W.F.A.M. v. G.’ Het betrof een blik op het Centraal Station in Amsterdam in de jaren vijftig, geïnspireerd op de centrale voorstelling in het onderste deel van Van Genks collage Centraal Station Amsterdam (ca. 1965). In 2006 beleefde Van Eeden zijn internationale doorbraak op de Biënnale van Berlijn, met onder meer de serie tekeningen K.M. Wiegand – Life and work. De kameleontische Wiegand heeft in twee tekeningen het uiterlijk van Willem van Genk, waarbij Van Eeden zich baseerde op beelden uit de reportage van Brandpunt naar aanleiding van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid.

050 MvE vs. WvG

Links: tekeningen uit K.M. Wiegand – Life and Work (Marcel van Eeden). Rechts: stills uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid

Al enkele jaren vóór 2005 waren de collecties van zowel Stichting Collectie De Stadshof als Stichting Willem van Genk ondergebracht bij Museum Dr. Guislain in Gent, dat zichzelf omschrijft als ‘een cultureel ijkpunt met betrekking tot de geschiedenis van en actuele discussies over psychiatrie en geestelijke gezondheid, zorg, en kunst en waanzin’. [3] Het museum beschikte daarmee over veruit de grootste verzameling werken van Van Genk ter wereld. Was de collectie van Stichting Collectie De Stadshof duidelijk afgebakend, voor het bezit van Stichting Willem van Genk lag dit moeilijker. An Remmerswaal had ooit – formeel als bestuurslid van de stichting maar in feite op eigen initiatief – een aantal werken geschonken aan het museum in Gent, waarvan de katholieke signatuur aansloot bij haar eigen levensbeschouwing. [4]

Door de bijna onvermijdelijke betrokkenheid van Museum Dr. Guislain bij tentoonstellingen met werk van Willem van Genk was een psychiatrische context rond de kunstenaar nooit ver weg. Zo was in de zomer van 2008 in het Deutsches Architekturmuseum (DAM) in Frankfurt de tentoonstelling Heterotopia te zien, met als ondertitel Arbeiten von Willem van Genk und anderen. Het betrof een grote tentoonstelling in een gerenommeerd museum, waarbij een fraai uitgegeven catalogus hoorde met op het omslag Van Genks World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven). Toch ging het in de eerste alinea’s van het voorwoord al meteen over psychiatrische inrichtingen en kregen Guislain-medewerkers Patrick Allegaert en Frederik De Preester de gelegenheid om het werk van Van Genk in verband te brengen met psychotische wanen. [5]

Op instigatie van Museum Dr. Guislain verscheen in het najaar van 2010 het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, in samenwerking met Stichting Willem van Genk en met onder andere elf afbeeldingen van werken uit het bezit van Stichting Collectie De Stadshof. Een bijbehorende tentoonstelling onder dezelfde titel was te zien bij architectuurcentrum Casla in Almere, waar Ans van Berkum op dat moment directeur was. Van Berkum, voorzitter van Stichting Willem van Genk en hoofdauteur van Willem van Genk bouwt zijn universum, probeerde Casla (en Van Genk) ook in te zetten bij een plan voor een centrum voor outsiderkunst in Almere, maar dit plan strandde uiteindelijk. [6]

In het voorjaar van 2014 publiceerde Nico van der Endt een boek over zijn samenwerking met Van Genk, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking. Hoewel ook persoonlijke verhalen niet ontbraken, kenmerkte het boek zich vooral door een sobere objectiviteit met veel feiten, geldbedragen, tentoonstellingen en gebeurtenissen rondom Van Genk. Zoals Van der Endt tijdens de presentatie van het boek aangaf: ‘Ik heb opgeschreven wat ik nog weet, wat ik niet zeker meer weet heb ik niet opgeschreven.’ Die presentatie was tevens de opening van een tentoonstelling in Galerie Hamer met twaalf werken van Van Genk, uit eigen bezit en uit de collecties van particulieren, van Stichting Collectie De Stadshof en van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. [7]

Hoogtepunt in 2014 was een tentoonstelling in het American Folk Art Museum in New York, van 10 september tot 30 november: Willem van Genk – Mind Traffic, een coproductie met Museum Dr. Guislain. Naast zeventien grotere tweedimensionale werken en zes bus-assemblages waren er ook kleinere tekeningen en reisdocumenten te zien plus een ‘installatie’ van de raincoats. In de tentoonstelling waren slechts drie werken opgenomen van Stichting Collectie De Stadshof, die vrijwel tegelijkertijd in Parijs een eigen expositie had, Sous le vent de l’art brut 2. Collection De Stadshof. De tentoonstelling omvatte 350 werken van veertig kunstenaars, onder wie uiteraard ook Van Genk. In augustus was al een fors boek over de collectie verschenen, Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection.

050 Omslagen

In de zomer 2015 werd een kleiner (maar nog steeds omvangrijk) deel van de Stadshof-collectie getoond in het Gemeentemuseum in Den Haag, met opnieuw een belangrijke rol voor Van Genk. Ook nu was er een overlapping met een andere tentoonstelling met werk van Van Genk, Essenties I in Het Dolhuys in Haarlem. In Het Dolhuys was al in het oprichtingsjaar 2005 de expositie De wereld van Willem van Genk te zien geweest, een eerste samenwerking met Stichting Willem van Genk. Voor Essenties I was daarnaast geput uit de collectie van een nicht van Van Genk, die enkele jaren later twee werken aan het Haarlemse museum zou verkopen. De connecties met Stichting Willem van Genk bleken in 2016 nog nauwer te zijn geworden, toen het Dolhuys een speciale ‘Willem van Genk-kamer’ opende met werk dat was teruggehaald uit Gent. In 2017 werd Dolhuys-directeur Hans Looijen voorzitter van Stichting Willem van Genk. [8]

Een belangrijke gebeurtenis in 2016 was de opening van het Outsider Art Museum (OAM) in Amsterdam, een samenwerking tussen Het Dolhuys, de Hermitage Amsterdam en zorginstelling Cordaan, met als directeur Hans Looijen. [9] Stichting Collectie De Stadshof was vanuit Het Dolhuys benaderd voor structurele samenwerking, in de zin dat men voor het nieuwe museum vrijelijk wilde kunnen putten uit de collectie, maar de (exclusief) psychiatrische invalshoek vormde een onoverkomelijk obstakel. Hierdoor kwam nog meer nadruk te liggen op de collectie van Stichting Willem van Genk, die anderzijds de band met Museum Dr. Guislain steeds verder leek los te maken.

In mei 2019 verscheen tweede, ingrijpend gewijzigde druk van Dick Walda’s boek Koning der stations. Naast tekstuele aanpassingen, een andere structuur en vooral een geheel nieuwe vormgeving, had Walda ook een aantal tekstgedeeltes toegevoegd ten opzichte van de eerste druk, toen hij ‘uit coulance rekening [had gehouden] met de twee nog levende zusters van Willem van Genk, die hun broer altijd liefdevol bleven bejegenen. Walda wilde de dames absoluut niet confronteren met de vaak bizarre fantasieën en daden van hun broer.’ [10] Toegevoegd waren onder meer een verslag van een bezoek aan Jacqueline van Genk (‘Zal ik jullie wat eten voor thuis meegeven?’) en een tekst over Van Genks avonturen met de prostitué Zwarte Lola. [11] Jacqueline van Genk was in 2010 overleden, haar zuster Tiny in 2007.

Op 18 september 2019 opende in het Outsider Art Museum de tentoonstelling WOEST, aanvankelijk aangekondigd als Thrills of Power. Uitgangspunt was initieel geweest om alle traceerbare werken van Van Genk voor de tentoonstelling bijeen te brengen, maar dat plan moest al snel worden losgelaten. In het voorwoord bij de catalogus spreek Hans Looijen over ‘het kunsthistorisch onderzoek van curator Ans van Berkum’ voor de tentoonstelling, dat bij zou hebben gedragen ‘aan de verdere duiding van Van Genks oeuvre […]. Het OAM vindt het van cruciaal belang dat wetenschappelijk onderzoek naar leven en werk van Van Genk is gedaan’. [12] De getoonde tekeningen, schilderijen, collages en assemblages waren voor een belangrijk deel afkomstig van Stichting Willem van Genk en La Collection de l’Art Brut, aangevuld met werk uit de collecties van een aantal particulieren, Galerie Hamer en enkele Europese musea en instellingen. Stichting Collectie De Stadshof leverde slechts twee werken, waaronder Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waarmee de expositie opende.


 

NOTEN

[1] Nico van der Endt, “Obituary: Willem van Genk 1927-2005”, in: Raw Vision 51 (2005), p. 20.

[2] Marcel van Eeden, “Willem van Genk 1927-2005”, in: Kunstbeeld 30 (2005), nr. 6, p. IV (Kunstwereld).

[3] Website Museum Dr. Guislain.

[4] Mededeling Ans van Berkum, 15 november 2014. An Remmerswaal was bestuurslid van de Stichting Willem van Genk van de oprichting op 13 juli 2000 tot 7 april 2003.

[5] ‘Die Mythologie van Genks zeigt alle Symptome eines psychotischen Wahns auf.’ Patrick Allegaert en Frederik De Preester, “Andere Orte. Einige Betrachtungen über Raum und Kreativität”, in: Yorck Förster en Peter Cachola Schmal (red.), Heterotopia. Arbeiten von Willem van Genk und anderen, Frankfurt 2008, pp. 60-63 (aldaar 61).

[6] “Museum voor Outsiderkunst krijgt geen geld” (geraadpleegd 13 mei 2020). Zie ook dit document (geraadpleegd 13 mei 2020).

[7] Cf. Kees Keijer, “Van Genk zag alles”, in: Het Parool, 17 april 2014.

[8] “Bedrijfsprofiel – Stichting Willem van Genk” (Kamer van Koophandel), 17 februari 2018.

[9] Anna van Leeuwen, “Museum vol buitenbeentjes”, in: de Volkskrant, 16 maart 2016.

[10] Walda, Koning der stations (tweede druk), p. 231. Walda hecht er waarde aan te benadrukken dat zusters Tiny en Jacqueline de stille krachten achter Van Genk waren: ‘Die stille krachten werden door Willem met de grootst mogelijke tegenzin geaccepteerd. Maar Tiny en vooral Jacqueline zorgden er voor dat Willems kleding werd gewassen en gestreken en dat hij er uitzag als ‘een bankdirecteur uit Meppel’ zoals hij zelf eens vertelde.’ (E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 18 mei 2020)

[11] Walda heeft in zijn boek duidelijk nog een paar appeltjes te schillen met Ans van Berkum, curator An Remmerswaal en een nicht van Van Genk die zich volgens Jacqueline van Genk schilderijen van haar oom zou hebben toegeëigend. Over Van Berkum en An Remmerswaal: ‘De curator […] wilde ‘niets met de smerigheid’ van Van Genk te maken hebben en verbood Nico van der Endt en mij schriftelijk Willem langer te bezoeken. Wij trokken ons vanzelfsprekend van dat verbod niets aan. De zelfbenoemde expert van Van Genk’s werk speelde onder één hoedje met de curator en durfde zelfs in de rechtbank te melden dat (ik citeer even de griffier van de Haagse rechtbank): ‘Willem weer volop aan het werk is en door de komst van Van der Endt en Walda raakt de kunstenaar van slag.’ Willem was na zijn herseninfarcten tot niets meer in staat, laat staan ‘werken’.’ (p. 204)

[12] Hans Looijen, “Voorwoord”, in: Hans Looijen e.a., Woest, p. 5.

Knipsels

2018-09-19 09.30.26 (1024x721)

Zonder titel (Keulen, 1 mei) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

In de monografie bij de overzichtstentoonstelling in Museum De Stadshof in 1998 onderscheidt Ans van Berkum binnen het werk van Willem van Genk vier hoofdonderdelen:

Eerst is er het tweedimensionale werk, waarin hij schilderingen en tekeningen aaneenrijgt en af en toe ook reliëf aanbrengt. Daarnaast vormt zijn collectie regenjassen een wezenlijk onderdeel. De derde categorie bestaat enkele tientallen trolleybussen, die hij maakte van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal. Tenslotte is er het interieur van zijn flat aan de Harmelenstraat, een ‘Gesamtkunstwerk’. [1]

Twaalf jaar later zijn er van deze indeling nog drie onderdelen overgebleven en noemt Van Berkum achtereenvolgens ‘circa honderd tweedimensionale werken’ (waartoe zij ook Van Genks brieven rekent); ‘zijn collectie regenjassen’ (die volgens haar bewerkt zijn met insignes); en ‘enkele tientallen trolleybussen, die hij met behulp van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal vervaardigde, en die naar mijn mening een onderdeel vormen van de grote installatie Trolleybusstation Arnhem, die in zijn flat aan de Harmelenstraat in Den Haag in de woonkamer was opgesteld.’ [2]

Over deze indelingen van het oeuvre van Van Genk valt veel te zeggen. In het algemeen is het denk ik zinvol om in ieder geval het tweedimensionale en driedimensionale werk te onderscheiden. Binnen de eerste categorie vallen alle tekeningen, schilderijen, collages, etsen en litho’s die Van Genk maakte. Met name het onderdeel “tekeningen” is uitermate breed en omvat naast de stadspanorama’s en late balpen-tekeningen ook nog nauwelijks geïnventariseerd werk uit de jaren veertig en vijftig. Of ook de brieven tot het tweedimensionale werk moeten worden gerekend, is zeer de vraag. Weliswaar zijn het meestal opmerkelijke objecten die soms ook nog grotere of kleinere tekeningen bevatten, maar de documentatieve waarde lijkt groter dan de artistieke. Daarbij zou inclusief de brieven het aantal tweedimensionale werken vele malen groter zijn dan ‘circa honderd’. Het driedimensionale werk bestaat uit enerzijds de bus-assemblages en anderzijds het busstation. De regenjassen zijn in deze blog al uitgebreid aan de orde geweest, met als conclusie dat ze voor mij (en voor de meeste beschouwers) geen deel uitmaken van Van Genks oeuvre. Het interieur van de woning in de Harmelenstraat vormt een aparte categorie die ik op een andere plaats zal bespreken.

De tweede indeling van Van Berkum was in 2010 te lezen in het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, een gezamenlijke publicatie van Museum Dr. Guislain en Stichting Willem van Genk. Aanleiding was volgens het voorwoord vooral de toegenomen kennis van zijn werk; daarbij zouden ‘het belang van de medische achtergrond van Willem van Genk voor zijn oeuvre, evenals zijn liefde voor muziek, zijn encyclopedische fascinaties en zijn kijk op architectuur verder [zijn] onderzocht.’ [3] Waar men vraagtekens kan zetten bij de diepgang van dit onderzoek, zijn in ieder geval de illustraties in het boek de moeite waard. Naast werken die al bekend waren uit de monografie uit 1998 plus enkele nieuwe tekeningen en schilderijen, bevat de uitgave zo’n dertig ‘knipsels, uit de bibliotheek van Willem van Genk’.

Knipsels - KOLN 002

Detail titelloos document (ca. 1950)

De eerste tekst in Willem van Genk bouwt zijn universum, van de hand van Patrick Allegaert en Bart Marius, is getiteld “KUNST REIZEN BOEKEN De reisbibliotheek van Willem van Genk in Museum Dr. Guislain Gent”. Delen van de inboedel van Van Genk, met name diens boekenverzameling, waren na de onttakeling van het appartement in de Harmelenstraat terechtgekomen bij Museum Dr. Guislain. De auteurs betogen dat ook deze bibliotheek kan worden gezien als een onderdeel van het kunstenaarschap van Van Genk. Zoals Robert Geilfuss echter aangeeft, ligt hier een probleem:

Although Allegaert and Marius argue for the exceptional import of van Genk’s library, claiming that “it is part of his artistic production,” they only show how van Genk used his library as source material, an image bank to draw on and transform in his drawings, paintings, and collages: “And herein lies the importance of his library,” they write. “The realism and accurateness of his work were made possible thanks to the visual memory bank to which van Genk had access in his books.” It is not uncommon, however, for artists to use books as source material. What is uncommon is to consider the source material part of the artistic production. [4]

Evenmin als de regenjassen is voor Geilfuss daarmee de bibliotheek onderdeel van het oeuvre van Van Genk – waarmee nadrukkelijk niet is gezegd dat beide zaken, jassen en boeken, niet belangrijk kunnen zijn bij het begrijpen en interpreteren van dat oeuvre.

De zogenoemde “knipsels” zijn in de praktijk een aantal tekeningen en documenten van verschillende omvang, vaak met een uitgeknipt gedeelte; een enkele keer vormt juist dat uitgeknipte deel zelf het knipsel. Door het ontbreken van formaten in de bijschriften is het onmogelijk een goed beeld te krijgen van de afmetingen. Ook de titels variëren, naast de generieke naam ‘knipsel’ komt eveneens ‘zonder titel’ voor of zelfs een daadwerkelijke naam (‘Geldersche tramwegen’), waarna de materiaaltypering ‘knipsel’ is. De toevoeging ‘uit de bibliotheek van Willem van Genk’ doet vermoeden dat de tekeningen zijn aangetroffen in of tussen de boeken van Van Genk, maar ook dit is onduidelijk.

De in- of uitgeknipte tekeningen zijn uiteraard van groot belang bij onderzoek naar het werk van Van Genk, waarbij een eerste stap zou kunnen zijn om vast te stellen of, waar en hoe een uitgeknipt gedeelte is gebruikt in een groter werk. Ten tijde van de samenstelling van Willem van Genk bouwt zijn universum leek hier nog weinig aandacht voor te zijn: het tondo dat hoorde bij de ronde lacune in een tekening die was afgedrukt op bladzijde 8, was enkele pagina’s eerder op zijn kop afgedrukt onder de inhoudsopgave. Vier jaar later werd in een vitrine in het Gemeentemuseum in Den Haag het verband tussen beide delen van dezelfde tekening wél gelegd.

Knipsels - GTW 002

GTW Geldersche Tramwegen | ca. 1950  | gemengde techniek op papier | 47 x 62 cm | Museum Dr. Guislain, Gent

De tekening GTW Geldersche tramwegen is in het boek twee keer afgebeeld, op de achterkant van het omslag en op bladzijde 34. Uit de tekening is een tondo geknipt dat eveneens in het boek te vinden is, zij het met moeite: op bladzijde 49 is het werk Urbanisme et Architecture (ca. 1965) te zien, waar Van Genk in het middendeel het uitgeknipte tondo heeft gebruikt. De associatie is duidelijk: het tondo bevat een schematische weergave van het openbaar-vervoernet in en rond Arnhem, de stad die ook het onderwerp vormt van het middendeel van Urbanisme et Architecture. [5]

Knipsels - GTW 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

Blijven we bij Urbanisme et Architecture, dan zien we in het linkerdeel van dat werk in uitgeknipte letters het woord KOLN staan. Waar dit linkerdeel vooral gewijd lijkt te zijn aan Stockholm, is ook Duitsland in het algemeen en Keulen in het bijzonder meerdere malen vertegenwoordigd. Naast de letters zien we onder meer afbeeldingen van de spitsen van de Keulse Dom tijdens onweer en een tondo met daarin de bovenleidingen van een Duitse spoorweg. [6] Een deel van het document waaruit de letters K O L N zijn geknipt, is afgedrukt op bladzijde 8 van Willem van Genk bouwt zijn universum. Het betreft een lijst met boeken over vooral Duitsland met de titel Plaatwerken land en volkerenkunde. De letters K O L N zijn geknipt uit het gedeelte over Duitsland, waardoor vorm en inhoud met elkaar in relatie staan.

Knipsels - KOLN 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

We stuiten hier op een principe dat Van Genk vaker toepaste: letters werden geknipt uit een door hemzelf opgesteld document dat informatie bevatte over het land of de stad waarop het door de letters gevormde woord betrekking had. Ook in Brooklyn Bridge (ca. 1970) is dit aanwijsbaar: de woorden USA (links aan de onderkant) en AMERICANO (midden onder) zijn opgebouwd uit letters die zijn geknipt uit documenten over de Verenigde Staten. In USA is aan de bovenkant leesbaar “Werken (Lektuur) der U.S.A.” en betreft het duidelijk een literatuurlijst. In het geval van AMERICANO gaat het om een document met topografische informatie, met aanduidingen als 42e straat, Riverside Park, Yosemitedal en Los Angeles. In het middendeel van Urbanisme et Architecture is het woord ARNHEM opgebouwd uit letters die geknipt zijn uit een document over de tram- of trolleylijnen in die stad: lijn 1 – Velp – Arnhem – Oosterbeek.

Knipsels - BB 001

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

Een laatste opmerking over Urbanisme et Architecture betreft een detail in het rechterdeel, waar Moskou centraal staat, met uiteraard ook verwijzingen naar 1 mei. Aan de bovenkant is een tondo aangebracht met een afbeelding van een 1 mei-optocht, waarbij de deelnemers zich echter niet in Moskou bevinden maar in Keulen: de teksten op de meegedragen borden zijn in het Duits, op de achtergrond is HOTEL KÖLNERHOF te zien. De tekening waaruit het tondo afkomstig is bevindt zich eveneens in Museum Dr. Guislain, kon ik in het najaar van 2018 vaststellen. Er valt daar nog veel te ontdekken.


 

NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 25.

[2] Van Berkum, “Een vogel boven de stad”, pp. 57-58. Als onderbouwing van de opvatting dat alle trolleybussen onderdeel vormen van de busstation-installatie, haalt Van Berkum in noot 44 een uitspraak aan die ze toeschrijft aan Nico van der Endt (ibid., p. 101). De geciteerde uitspraak is echter afkomstig van Caroline Satink, Van der Endt is deze mening juist níet toegedaan.

[3] Patrick Allegaert & Annemiek Cailliau / Ans van Berkum, “Woord vooraf”, in: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 4.

[4] Wikipedia, “Willem van Genk” (geraadpleegd op 4 mei 2020). Geilfuss schreef het lemma in 2014 aan de hand van Engelse teksten over Van Genk, tijdens een stage bij het American Folk Art Museum (e-mail van Robert Geilfuss aan Jack van der Weide, 10 oktober 2014).

[5] Een grotere afbeelding van Urbanisme et Architecture is te vinden in Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 62-63. Van Berkum in haar bespreking van dit werk: ‘Opvallend in dit werk is de plaats die Van Genk inruimt voor de stedelijke vervoerskanalen.’ (ibid., p. 63)

[6] Dat het om een Duitse spoorweg gaat wordt aangegeven door het logo DB en de tekst DIE DEUTSCHE BUNDESBAHN WÜNSCHT IHNEN EINE AANGENEHME REISE! De tekening waaruit dit tondo is geknipt, was eveneens in 2014 in het Gemeentemuseum in Den Haag te zien.

Zwakzinnigen nazorg (3)

Dit is het derde en laatste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier.

ZZN - detail 004

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg lijken de afbeeldingen in de twee onderste stroken van het werk het meest persoonlijk te zijn. De afbeelding in vlak 10, links naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een gevelrij met enkele huizen en een fabrieksgebouw. Tegen de huizen staat een handkar geleund, voor de fabriek komt een kar met twee paarden voorbij. Bovenop de fabriek staan de letters ZHB, aan de voorkant is graffiti aangebracht: CPN LIJST 6. Vlak boven de letters ZHB staat Heineke, in de rechter benedenhoek den Haag Sirtemastraat. Rechtsboven staan omlijnd de woorden Thans gesloopt, daarnaast “Schroeder [onleesbaar],  daaronder PSYCHIATRIE IN DE USSR.

ZZN - detail 005

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

De woorden Thans gesloopt hebben betrekking op het fabriekscomplex eronder, van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB). Het complex werd in 1881 in gebruik genomen, werd in 1974 gesloten en gesloopt, en grensde inderdaad voor een deel aan de Haagse Sirtemastraat, zoals expliciet aangegeven door de kunstenaar. Belangrijker binnen de autobiografie van Van Genk is echter het enigszins uitspringende pand náást het complex. Op deze plaats, Sirtemastraat 179, was de sociale werkplaats van de Vereniging Schroeder van der Kolk gevestigd, waar Van Genk vanaf het einde van de jaren veertig tot 1964 “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. De tekst VOORMALIGE GEESTESZORG in het aangrenzende vlak 11, met een pijl naar vlak 10, bevestigt dit. Met die kennis ontstaat er een sterke relatie met de ZWAKZINNIGENNAZORG in het centrale vlak 1. Ook wordt een verband gelegd met nog een ander motief uit met name vlak 1, de verhouding tussen Nederland en de Sovjet-Unie, via de tekst PSYCHIATRIE IN DE USSR en zelfs de graffiti CPN LIJST 6.

De afbeelding in vlak 12, rechts naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een vrouw naast een auto. Ze draagt een geel-rood-bruin geruite jas en heeft lang bruin haar. Vanaf haar oog loopt een stippellijn naar rechts, als om aan te geven dat ze ergens naar kijkt – haar rechterarm is geheven, mogelijk richt ze een pistool op iets of iemand. De rode auto heeft aan de bovenkant van de achterruit een Datsun-logo, op de kofferruimte staat DATSUN. Op de muur achter de auto staat in krullende letters Salon Amércain en TARIEF; links is een klein stukje van een kapperspaal te zien. Over de auto staat in blauwe letters BOUWEN  IN HET DERDE RIJK G. TROOST. [1] Enerzijds is er daarmee een verband met het motief van gebouwen en sloop, ook via het automerk Datsun – vgl. DATSUN CENTER op de nieuwbouw in de grote afbeelding rechts van het portret. Anderzijds kent de afbeelding een duidelijk autobiografische component in het lange haar van de vrouw en haar voorgenomen of juist afgelegde bezoek aan de kapsalon Salon Amér[i]cain, een expliciet verwijzing naar het haarfetisjisme van Van Genk.

Dat laatste element keert terug in de afbeelding in de onderste strook van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waar een kapsalon te zien is met twee klanten wier haren worden gewassen door twee kapsters. In de ruimte ernaast zijn twee andere kapsters twee mannen aan het scheren. Op de ramen/muren staat HOOGKATHARIJNE, STATIONSKAPPER en 4711. Van Genk toont hier een voor hem uiterst opwindende (en dus zeer persoonlijke) scène, die ook in narratieve zin een voortzetting zou kunnen zijn van de afbeelding van de vrouw bij de Datsun: ze stapt uit de auto bij een kapper en laat daar haar haar wassen.

Rond het tafereel in de kapperszaak zijn drie tondo’s aangebracht die er inhoudelijk weinig verband mee lijken te hebben: de afbeeldingen links (kleiner) en rechts zijn vrijwel identiek en tonen een koetsier op de bok van een koets, met op de achtergrond een gebouw met een toren. [2] De koetsier draagt een zwarte jas, een hoge hoed en een bril. Het middelste tondo toont twee kussende vrouwen, waarschijnlijk op een vliegveld: boven hen staat de tekst KLM SCHIPHOL, ernaast LUFTHANSA, SOVIET AIR, EL AL air, POLSKI AIR en IBERIA. Zowel de koetsier als de kussende vrouwen (met lang haar) lijken een kledingstuk te dragen dat voor Van Genk eveneens een seksuele lading had, een lange plastic regenjas of raincoat.

Is de seksuele lading van sommige afbeeldingen in het onderste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg impliciet, de teksten zijn dat minder. MENSCH UND SEXUALIÄT DR. FRIEDRICH DAMASKOW staat links van het kleinste koetsier-tondo, met daaronder GAY-INT. [3] Ook andere teksten in dit deel van het werk verwijzen specifiek naar (homo)seksualiteit, vrijwel steeds in een Duitse context. Links naast het tondo met de kussende vrouwen staat RWV BERLINER SCHWULEN ’81 der ROSA WINKEL VERLAG, rechts onder andere PRINZ EISENHERZ en HIRSCHFELD. Respectievelijk gaat het daarbij om een Duitse uitgeverij en een boekhandel in Berlijn die voortkwamen uit de Duitse homobeweging, en een Duitse seksuoloog wiens werk onder meer gericht was op de emancipatie van homoseksuelen (Magnus Hirschfeld).

ZZN - homoseksualiteit

Middelste foto: in het appartement van Willem van Genk

Elders in Zelfportret – Zwakzinnigennazorg treffen we eveneens tekstuele verwijzingen naar homoseksualiteit aan. Het meest opvallend zijn uiteraard de prominente roze en paarse driehoeken in de zes rood-gele vlakken met voornamelijk tekst. Homoseksuelen als groep lijken door Van Genk te worden geschaard in het kamp van de onderdrukten, net als ‘onvolwaardige’ zwakzinnigen. Zijn verhouding tot homoseksualiteit was complex en komt onder meer naar voren in De grote naïeven (ca. 1975) en Pink Pronkjewail (ca. 1985). Na de deceptie van het communisme zocht Van Genk een andere groepering waar hij bij kon horen, en in combinatie met twijfels over zijn seksuele identiteit dacht hij die in de jaren zeventig en tachtig gevonden te hebben in de homobeweging. Op Zelfportret in De Ark staat te lezen “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Nico van der Endt, naar aanleiding van de tekst: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee nee, dat was een vergissing”.’ [4]

ZZN - signatuur

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is gesigneerd in het vlak met paarse driehoeken onder de centrale afbeelding.  Naast het logo met zijn naam, woonplaats en het jaartal 1975, is een plakbanddoosje met een stuk plakband afgebeeld: NITTO Plastic Tape Highest Quality. Willem van Genk toont zich in dit zelfportret een kunstenaar die gebukt gaat onder kwalificaties van onvolwaardigheid of zwakzinnigheid, die worstelt met zijn seksuele driften en twijfels, en die het Amerikaans/Japanse kapitalisme beschouwt als de boze macht achter de sloop van monumentale gebouwen. Tegen de macht van dat kapitalisme is hij echter niet opgewassen, hij is er zelfs van afhankelijk. De Nitto-tape is Made in Japan, de kunstenaar kan niet anders dan werken met het materiaal (tape, verf, lak, spijkertjes, boardplaten) dat hem wordt verstrekt door het grootkapitaal dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zijn stad. [5]


 

NOTEN

[1] Bouwen in het Derde Rijk is de Nederlandse vertaling van Das Bauen im Neuen Reich uit 1943 van kunsthistorica Gerdy Troost, echtgenote van nazi-architect Paul Troost.

[2] In het rechter, iets meer gedetailleerde tondo staan boven de koets de letters C.R.M.

[3] In de reeks Mensch und Sexualität van uitgeverij Wilhelm Heyne verscheen in 1972 als nummer 25 Fetischismus. Abart oder Stimulans van de Duitse seksuoloog Friedrich Damaskow. Mogelijk was dit één van de boeken die Van Genk leende van zijn psychiater Hans Grelinger. In de woorden van zuster Tiny in de documentaire Ver van huis: ‘En dat Wim … die heeft zijn probleem, hij heb een probleem … en dat heeft-ie in de boeken … die dokter, die psychiater die die eerst had, die is ook al een tijdje dood, en die begreep ‘m, en die gaf ‘m zíjn boeken, want Wim was ‘r zuinig op, en dan mocht-ie lezen of zijn probleem misschien in die boeken … dat-ie dat … dat het daarin stond, maar die dokter zei tegen mij: het bestaat, dat probleem, maar niet in de … hij heb ’t heel erg, hè? Zijn mensen die het hebben …  hairfetiïsme, hè? … die dat hebben, maar hij heb ’t heel erg.’

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[5] Het LaM in Lille bezit een aantal documenten van Van Genk met aantekeningen van of voor zijn buitenlandse reizen. Een van deze documenten heeft betrekking op een bezoek aan Berlijn in de zomer van 1981 en vermeldt onder meer ‘Buchladen Prinz Eisenherz’ en ‘”Fetischismus” Abart oder Stimulans / Dr. Friedrich Damaskow’. Een mail met een verzoek voor beter leesbare foto’s van de documenten werd niet beantwoord.

Zwakzinnigen nazorg (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen.

ZZN - detail 001b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wordt het centrale portret van Willem van Genk geflankeerd door twee vlakken waarop de sloop van gebouwen is afgebeeld. Links (vlak 2) zien we een kerk die wordt afgebroken. [1] Uit de muren die nog overeind staan steken metalen spijlen, enkele glas-in-lood ramen lijken nog intact. Aan de linkerkant is de arm van een kraan met een sloopkogel te zien, op een muur bevinden zich vijf bouwvakkers in overall met hamers en houwelen. Op een schutting staat in witte letters AANN. BEDRIJF de WILDE B.V. met daaronder SLOOP, waarbij de twee O’s in een gezichtje met bril zijn verwerkt. Rechts staat op een schutting, eveneens in witte letters, HIER KO BEJAARD HUIS RK, daaronder in blauwe letters WANTED en daar weer onder in geel, groen en bruin van 8t. Naast de afbeelding staat in ballpoint: Monumentensloperij in Nederland; Wat stelt de zg Heemschut-serie in de praxis voor? Kunst voor wie? Afbeelding: de sloping der Haagse St Jozefkerk, armen wijk … [2]

De rechter afbeelding (vlak 3) toont eveneens een gebouw dat wordt afgebroken, met op de achtergrond het skelet van een nieuw gebouw. Naast het gebouw in afbraak staat een kraan op rupsbanden met een sloopkogel, met op de cabine de tekst MADE in USA. De kogel heeft een bres geslagen in het slooppand, één muurdeel lijkt om te vallen. In de graffiti op het gebouw is SLOOP ZIONISM en twee keer SLOOP te lezen. Het blauw skelet van het nieuwe gebouw draagt links de tekst Hier komt Louwman N.V., rechts DATSUN CENTER en daartussen enkele Oosters aandoende karakters met daaronder NISSAN. Boven DATSUN CENTER staat, moeilijk leesbaar, Parqui b.v. en E.V.N. Louwman & Brouine. De tekst in ballpoint naast de afbeelding: Haage huizen en gebouwen / 7 eeuwen bouwkunst in de hofstad … 7 eeuwen sloop en afbraak / het sanneeringsmonster Binnenhof …

In haar interpretatie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wijst Ans van Berkum op het belangrijke motief van ‘de sloop en opbouw van zijn stad Den Haag; een activiteit die [Van Genk] meestal met scepsis beschouwt’. [3] Inderdaad had de kunstenaar grote moeite met de veranderingen in Den Haag, de stad waar hij vrijwel zijn gehele leven woonde. De ingevoegde tondo’s in de beschreven vlakken kunnen nader licht werpen op de context van die veranderingen in zijn werk. Aan de linkerkant beginnen we nog een stap eerder met de afbeelding in vlak 7. Ook hier is een kerk afgebeeld die wordt afgebroken, het uiteinde van een kraan met een sloopkogel komt boven het gebouw uit. Op de achtergrond zijn de contouren te zien van een bouwskelet, rechtsboven is een tekst toegevoegd: den Haag afbraak Regentessekerk 74, met eronder op last v. CRM.

De Regentessekerk was een hervormde kerk die aan het Regentesseplein in stond. De kerk werd tussen 1899 en 1901 gebouwd, sloot in het begin van de jaren zeventig haar deuren wegens teruglopend kerkbezoek en werd in 1974 gesloopt. De Sint-Josephkerk in het vlak eronder was een rooms-katholieke kerk in de Schilderswijk in Den Haag die tussen 1886 en 1888 werd gebouwd. Ook hier was teruglopend kerkbezoek er de oorzaak van dat de kerk in 1971 werd gesloten en in 1974-1975 gesloopt. Of het gebouw in vlak 3 eveneens de Sint-Josephkerk voorstelt, is onduidelijk, al wordt dit wel gesuggereerd door de symmetrie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.

ZZN - Afbraak Jozefkerk

Ca. 1975, afbraak Sint-Josephkerk (foto: J.H. van As )

Het tondo linksboven in vlak toont de Sint-Josephkerk vóór de sloop – thans gesloopt staat in vage letters boven het dak van het middenschip. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in groene letters tegen een oranje achtergrond: OPENBAAR KUNSTBEZIT N.T.S. B.R.T. RADIO T.V. HAAGSCHE HUIZEN EN GEBOUWEN V.V.V. [onleesbaar] ABBONNEEER U OP [onleesbaar]. Rondom de buitenrand staat in gele letters eveneens een tekst: den HAAG en WIJ BOUWEND ’s GRAVENHAGE … IN BEELD RE [onleesbaar] V.V.V. [onleesbaar]. Vanuit dit tondo wijst een groene pijl naar de afbeelding eronder, opnieuw een tondo met de Sint-Josephkerk maar nu inclusief de arm van een kraan met een sloopkogel (opschrift: MADE IN USA) die een bres heeft geslagen in het dak van het middenschip. Rond het tondo staat in rode letters de tekst van STADVERNIEUWERIJ TOT STADVERNIELERIJ STICHTING: BEJAARDENHUIS REVALIDATIE … Een uitgaande groene pijl wijst naar de hoofdafbeelding in vlak 2, waar de sloop van de kerk in volle gang is.

ZZN - detail 002b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk verwijt landelijke en vooral lokale bestuurders dat zij monumenten slopen, zo lijkt het, met als voorbeeld de Sint-Josephkerk. Vanuit de hoofdafbeelding in vlak 2 loopt een pijl naar een derde tondo, waarin een tekenaar of architect aan het werk is. Op het vel papier voor hem staat een lijnenstructuur met daarboven de teksten AFD. SLOOPKERKEN ’74, BLUE PRINT ’75 en GEM. WERKEN. Boven hem hangt aan de muur een afbeelding van een halfnaakte vrouw met de teksten BROADWAY en show biz ness. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in blauwe letters tegen een witte achtergrond: van HOUTEN HAM tot BALLAST NEDAM RECONSTRUCTIEPLAN ’s GRAVENHAGE B.V. OPENBAAR KULTUURBEZIT ’74-75 STICHTING BEJAARDENHUIS A [onleesbaar]. Rondom de buitenrand, in gele letters: IN HET GOUDEN ATOOMTIJDPERK PANIEKRAPORT 034 CALCAR PRESTIGE OBJECTEN [onleesbaar].

Dat de kranen die de sloopwerkzaamheden uitvoeren het opschrift MADE IN USA krijgen, is de meest directe uiting van de opvatting (van Van Genk) dat het kapitalisme ten grondslag ligt aan de vermeende afbraakwoede van de gemeente. In dat opzicht is ook de ‘decadente’ afbeelding aan de muur van de tekenaar veelzeggend. Handlanger van de Verenigde Staten is in dit wereldbeeld Japan, meer in het bijzonder de Japanse auto-industrie. De afbeelding aan de rechterzijde van het centrale portret wordt nu duidelijker: een modern gebouw van Datsun/Nissan is in aanbouw vlak naast de plaats waar een monument wordt gesloopt. De namen Louwman en Parqui, Haagse importeurs van Japanse auto’s, zorgen voor de connectie met de gemeentepolitiek.

ZZN - detail 003b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk laat weinig misverstanden bestaan over relaties die er zouden zijn tussen verschillende, in zijn ogen abjecte praktijken. Hij schildert een groene pijl tussen de nieuwbouw van Datsun/Nissan en een tondo met zes Arabische mannen, die lachend een rund de keel doorsnijden. Aan de pijl voegt hij bovendien een stralende zak met een dollarteken toe – Amerikaans geld, het kapitalisme, is de oorzaak van alle kwaad. Aan de binnenrand van het tondo staat met rode letters tegen een gele achtergrond LEVE DE DIERENBESCHERMING MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR ’74. Rondom de buitenrand, in rode letter: WORLDRELIGIËNS DIE BIROBIDSJANER STERN DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME S.O.S. Dus: de auto-industrie is een symptoom van dat kapitalisme, het kapitalisme is een vorm van fascisme (MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER), het kapitalisme heeft een verbond gesloten met de Arabische wereld (FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR), de zwaksten van de samenleving – hier: dieren – zijn vooral het slachtoffer (LEVE DE DIERENBESCHERMING), het conflict in het Midden-Oosten is een strijd tussen kwaad en goed (DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME) en ook in de Sovjet-Unie woedt deze strijd, rond de Joods-autonome enclave Birobidzjan (DIE BIROBIDSJANER).

Met de twee andere tondo’s in vlak 3 wordt aangegeven dat er ook een relatie is tussen de auto-industrie en de Sovjet-Unie. Van Genk verwijst in het meest rechtse tondo naar Toljatti, een stad aan de Wolga die ook wel de ‘autohoofdstad van Rusland’ werd genoemd. De in Toljatti gevestigde fabriek AvtoVAZ, waar onder andere Lada’s werden geproduceerd, werkte sinds het begin van de jaren zeventig samen met Fiat. Kapitalisme en communisme zijn daarmee één pot nat (MULTINATIONALS AN DER WOLGA). Het andere tondo brengt vervolgens ook het communisme weer in verband met de afbraak van monumenten (ZERSTÖRT BERLINER STADTSCHLOSS DDR), evenals het fascisme (BEELD UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG DE VERNIETIGING VAN […] CENTRUM VAN WARSCHAU).

De houding ten opzichte van landen als Duitsland en de Sovjet-Unie is bij Van Genk een dubbele: ze schrikken af en trekken aan. Vijf van de zes vlakken in het bovenste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bevatten steeds in tekst of beeld verwijzingen naar vliegtuigen of vliegreizen in combinatie met de reeds genoemde landen. Met name de Sovjet-Unie (of in bredere zin Oost-Europa) lijkt aantrekkingskracht uit te oefenen. Vanaf het midden van de jaren zestig, als hij zelf waarschijnlijk zijn eerste vliegreizen heeft gemaakt, is luchtvaart sterk vertegenwoordigd in het werk van Van Genk. Er is een nadrukkelijk verband met het autobiografische motief: de in vlak 1 prominent genoemde VERENIGING NEDERLAND USSR (VERNU) organiseerde reizen waarmee belangstellenden per vliegtuig de Sovjet-Unie konden bezoeken. Van Genk maakte hier veelvuldig gebruik van, ook nog nadat de communistische heilsstaat voor hem van haar voetstuk was gevallen.


 

NOTEN

[1] De nummers van de vlakken corresponderen met die in het schema uit het eerste deel van deze analyse.

[2] De Heemschutserie was een serie boekjes die tussen 1940 en 1954 verscheen. De verschillende delen gingen over specifieke steden of dorpen, dan wel aspecten van architectuur, volkskunst of landschap. In 1943 verscheen als deel 27 De historische schoonheid van ’s-Gravenhage, door Hendrik Enno van Gelder.

[3] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 48-49.

Keleti

Keletistation Budapest (766x800)

Keleti Station | ca. 1980-1990 | gemengde techniek op karton | ca. 91 x 72 cm | The Museum of Everything, Londen

Willem van Genk tegen Dick Walda, zoals opgetekend door die laatste in zijn boek Koning der Stations: ‘Het allermooiste station van Europa vind ik het Kalettistation van Boedapest, dat ligt als een koningin in een plantsoen. Mooie bloemperken er omheen. Je vermoedt niet dat daar dreigende perrons achter zitten. Je denkt dat je een kathedraal binnen loopt, zo groots, zo monumentaal. Jaren geleden ben ik dat station gaan schilderen, maar er kwam steeds meer bij. Het staat nog steeds in m’n slaapkamer, boven m’n opklapbed.’ [1] Later in zijn boek, in een aantekening gedateerd 4 maart 1997, beschrijft Walda een werk van Van Genk waarop het genoemde station is afgebeeld:

Een van de allerfraaiste tableaus van Van Genk bestaat uit vier lagen: ooit begon hij aan het Boedapester Kaletti-station. Ik herinner mij nog hoe hij er jaren geleden drukdoende mee was. Hij zette zijn kunstwerk zo neer, dat hij er vanuit zijn opklapbed naar kon kijken. Later bevestigde hij er een stuk hardboard onder en maakte daarop het Berlijnse station, met o.a. het opschrift ‘Bezoek het druivenfeest in Naaldwijk’. Daaronder kwam de New Yorkse subway. Van Genk was blijkbaar niet te stuiten en verzon er nog een vierde laag onder: de Moskouse metro. Je ziet een wirwar van treinen, perrons, dicht op elkaar gepakte mensen. Voorzichtig informeer ik hoe lang hij eraan heeft gewerkt. Van Genk denkt en zucht. — Dat gevraag van jou. Waarom heb ik al die stations boven mijn bed gemaakt? Ik weet het niet. Het moest gewoon gebeuren. [2]

Het betreft hier het werk dat we kennen onder de naam Keleti Station of Keleti. Inderdaad bestaat dit werk in grote lijnen uit vier lagen of stroken. De bovenste strook toont het kopstation Budapest Keleti pályaudvar (“ooststation”) uit 1884 vanaf de buitenkant. De afbeelding maakt de indruk te zijn afgesneden aan de onderkant en de zijkanten. De tweede strook bestaat uit een aantal kleinere afbeeldingen die bijna alle te maken hebben met openbaar vervoer in met name Berlijn. Daar weer onder bevindt zich een strook met een scène in een metrowagon in New York. De onderste strook bestaat opnieuw uit een aantal kleinere afbeeldingen, die alle de metro tot onderwerp hebben. Rondom het werk zijn negen kleine plaatjes met afbeeldingen aangebracht, waardoor het werk geen egale zijden heeft.

In 1979 legt Galerie Hamer het eerste contact met La Collection de l’Art Brut in Lausanne met betrekking tot Van Genk, een jaar later leidt dit tot de eerste aankopen van die collectie: Collage ’78 en Parnasky Culture, elk voor fl. 3000. [3] Het gaat wat ver om te zeggen, zoals Ans van Berkum doet, dat Keleti Station die eerste contacten ‘reflecteert’, maar inderdaad zijn er in het werk verwijzingen naar Lausanne en art brut te vinden. Van Berkum signaleert drie keer de woorden ART BRUT in de bovenste laag van Keleti Station. In de onderste laag zijn de woorden The Lausanne Métro te vinden. [4]

Keleti detail I

Detail Keleti Station (ca. 1980-1990)

Minstens zo belangrijk zijn de verwijzingen van Van Genk in Keleti Station naar zijn eigen werk in de tweede, ‘Berlijnse’ strook. Twee van de afbeeldingen daar blijken herhalingen op kleine schaal te zijn van oudere werken die hij aan het begin van de jaren tachtig niet meer in zijn bezit had en dus waarschijnlijk uit zijn hoofd heeft nageschilderd. Allereerst is linksonder in de strook het werk herhaald dat we kennen onder de naam Station Berlin Ost. Het was in het midden van de jaren zestig gemaakt en was te zien op de tentoonstelling De eigen wereld van 12 vrijetijdsschilders (1967) in de Haarlemse Vishal. In de catalogus bij die tentoonstelling werd het omschreven als Berlijn (1964-1966)’. Station Berlin Ost maakte deel uit van een aantal werken die Dick Heesen in 1976 had verkregen ‘als betaling voor onkosten’. Van der Endt verkocht het aan dezelfde verzamelaar die eerder een van de twee Hilversumse Leningrad-tekeningen verwierf. [5]

Berlin Station Ost

Station Berlin Ost | ca. 1965 | olieverf op board | 65 x 51 cm | coll. De Ruuk, Amsterdam

Keleti detail II

Detail Keleti Station (ca. 1980-1990)

Een tweede verwijzing naar eigen werk bevindt zich rechtsonder in de strook. In dit geval gaat het om Bahnhof Friedrichstrasse, een klein schilderij dat in bezit was van Joop Beljon en dat pas recentelijk weer opdook. [6] Nadat Ans van Berkum een afbeelding ervan had gezien in een boek van Beljon, [7] legde zij contact met diens zoons die het in hun bezit hadden. Zijn het bij Station Berlin Ost met name de rode trein links en het plafond van het station die duidelijk overeenkomen (en uiteraard het bord met de tekst BERLIN OST), bij Bahnhof Friedrichstrasse vallen vooral de twee vrouwen in het midden van de afbeelding op. Meer in het algemeen tonen de twee ‘reproducties’ welke beeldelementen voor Van Genk belangrijk waren.

Bahnhof Friedrichstrasse

Bahnhof Friedrichstrasse | 1964 | olieverf op board | 17,5 x 25 cm | coll. Joop Beljon, Strijen

‘Het schilderij is onvoltooid gebleven’, aldus Nico van der Endt in 2014 over Keleti Station. [8] Volgens hem was het de methode van Van Genk bij de werken op board om eerst de afzonderlijke plaatjes te beschilderen en deze daarna samen te voegen. Keleti Station vormde hierop een uitzondering, daar begon hij al te timmeren toen het werk nog niet klaar was. [9] Uit de opmerkingen van Dick Walda valt inderdaad op te maken dat sprake is geweest van een dergelijk proces, waarbij het werk min of meer organisch in omvang toenam zonder dat het ooit werd afgerond. Van der Endt dacht Keleti Station (‘dat hij met nog meer kleine zijpaneeltjes wilde voltooien, maar wat nooit meer is gebeurd’) in 2000 te verkopen aan een Duitse verzamelaar voor fl. 35.000 maar besloot het uiteindelijk toch zelf te behouden. [10]

Eind 2004 verkocht hij het werk alsnog aan de Amerikaanse galeriehouder Andrew Edlin. Deze toonde het in januari 2005 op de Outsider Art Fair in New York. The New York Times hierover: ‘Andrew Edlin has the leading candidate for best in show. This is “Keleti Station” (1980-1990), possibly the first painting to be exhibited in this country by Willem van Genk […]. Mr. Van Genk’s consuming fascination with transportation is powerfully represented here by this densely worked multi-tiered amalgam of above- and below-ground panoramas; depicted are subways and train stations from around the world, New York included’. [11] Edlin verkocht het werk ‘voor een bedrag met tenminste zes cijfers’, waarmee Van Genk op dat moment de duurst levende outsiderkunstenaar werd. [12] Keleti Station kwam uiteindelijk terecht in de collectie van het Museum of Everything van James Brett.


 

NOTEN

[1] Dick Walda, Koning der stations, p. 23.

[2] Idem, p. 129.

[3] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 43-45.

[4] Ans van Berkum, “Zijn leven tekenen. Willem van Genk en de kunstwereld”, in: Marjan Teeuwen (red.), Tekenen des tijds (‘s-Hertogenbosch 2002), pp. 28-35.

[5] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[6] Cf. een artikel op de website van het Outsider Art Museum (geraadpleegd 25 januari 2020).

[7] J.J. Beljon, Ogen Open (Amsterdam 1987), p. 125.

[8] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[9] Mededeling Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 25 november 2015.

[10] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 121-123.

[11] Roberta Smith, “Untamed Art From the Fringes Is a Gust of Bracing Air”, in: The New York Times, 28 januari 2005.

[12] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 125. Van der Endt dateert de verkoop aan Edlin abusievelijk enkele jaren te vroeg.

USA

USA

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

In het interview met Bibeb uit 1964 kwamen de reiswensen van Van Genk al aan het begin ter sprake. Via Brattinga was er op dat moment uitzicht op een reis naar de Verenigde Staten in combinatie met een tentoonstelling daar, maar de kunstenaar zelf wilde eerst naar Moskou. Zwager Peter Persoon was daar geen voorstander van: ‘’t Is verstandiger eerst naar de States te gaan. De kans bestaat, als je eerst naar Moskou gaat, dat je Amerika niet meer in komt.’ [1] In een al eerder geciteerde brief aan Brattinga woog Van Genk braaf de voors en tegens van beide reisbestemmingen af, maar het was wel duidelijk waar zijn hart lag:

Nu die Amerikaanse reis had ik gaarne ’t volgend jaar gemaakt, de Amerikaanse reis kost (f 2.677) tweeduizendzeshonderdzevenenzeventig gulden hierbij zijn excursies per bus door New York en Washington (DC) bezocht wordt New York na een vermoeiende reis vol gevaren van 8 uur … per vliegtuig wordt New York (city) doorkruist per tourbus. […] New York … met zijn Hudsonrivier en negersongs en chinezenstad deze reis duurt … 20 dagen. Van New York gaat de reis naar Washington (DC) met herinneringen aan (wijlen) Kennedy en Pittsburg (hel zonder deksel) staalfabrieken, Detroit hier worden de Fordautofabrieken bezocht vervolgens Buffalo Niagara watervallen Toronto (Canada) Montreal de grote stad … met wolkenkrabbers Burlington (ook bij Boston) alles wordt per continental Trailways in de USA bereden (tourbus) En de Wereldtentoonstelling het gebouw der verenigde Naties Dit is de Amerikaanse reis, de reis gaat per KLM weer terug n. Amsterd. Geachte lezer ik had ’t liefst deze reis ’t volgend jaar gemaakt. Ik weet niet hoe die reis van de ‘Islander’ er uit gaat zien, doch 8 uur vliegen in eens wel te veel van ’t goede, er blijft altijd een risico aan. [2]

Van Genk legde de nadruk op het financiële aspect en de reisduur, maar ook zonder die twee zaken was zijn voorkeur zonneklaar.

Amerika wordt nog lange tijd uitgesteld. In november 1967 wint Van Genk de Co-op schilder- en tekenwedstrijd voor zondagsschilders, zijn prijs bestaat uit een veertiendaagse vliegreis naar de Verenigde Staten en Canada. Addy Persoon-van Genk zou hiernaar kunnen verwijzen als zij Alfred Schmela in februari 1969 schrijft: ‘Mijn broer Willem van Genk vertoeft de hele maand april in Amerika’. [3] Maar ook deze reis ging niet door, om welke reden dan ook. Nico van der Endt: ‘Een maand lang alleen op stap, niet in een groep? Misschien geen begeleiding gevonden, reis afgezegd. Dit lijkt mij het meest waarschijnlijk’. [4]

In een brief aan Dick Walda uit 1982 meldt Van Genk, als hij zijn belangrijkste levensfeiten opsomt: ‘ik heb ook een klein reisje naar de USA gemaakt (tijdens de goedkope dollar).’ [5] Dat kleine reisje vond plaats in 1980, toen Galerie Hamer deelnam aan de kunstbeurs Art Expo in New York met een solo-presentatie van kunstenaar Gorki Bollar. Art Expo werd dat jaar van 6 tot 10 maart voor de eerste keer gehouden en zou uitgroeien tot een van de grootste internationale evenementen op het gebied van beeldende kunst. Nico van der Endt:

Als Van Genk hiervan hoort, vraagt hij of hij mee mag naar New York. Na overleg met mijn vrouw en de zuster van Willem gaan wij schoorvoetend akkoord. Uit voorzichtigheid boek ik een groepsreis met vliegtuig, transfers en hotels, zodat een host of hostess ter plaatse zo nodig ook assistentie kan bieden. Van Genk wordt in een eenvoudig hotel ondergebracht in verband met zijn haarfetisjisme: een kapsalon in het hotel zou tot problemen leiden. Af en toe bel ik hem op, ook reizen we soms samen in de ondergrondse, waarin hij met verbluffend gemak zijn weg weet te vinden, wij volgen. Zelfs in deze onbekende metropool voelt hij zich als een vis in het water, zowel bovengronds als ondergronds.

Op de terugweg blijkt Van Genk een groot aantal plastic regenjassen te hebben aangeschaft, ‘zo veel, dat wij problemen vrezen bij de douane. We nemen elk een viertal jassen onder onze arm en passeren bij thuiskomst ongehinderd de douane.’ [6]

De reis maakte uiteraard indruk op Van Genk, ook in kleine zaken. Dick Walda herinnerde zich ‘dat Willem enorm drammerig sprak over een hoed die hij wilde hebben. Vond dat helemaal niet bij Willem passen. Hij had gelogeerd in New York in een hotel waar uitsluitend handelsreizigers kwamen. Het was inderdaad in de hoedentijd. Ik ben daar nooit op in gegaan.’ [7] De indrukken die hij opdeed in de ondergrondse van New York, legde Van Genk vast in een van zijn laatste werken in olieverf: ‘Het middenpaneel van […] Keleti Station is na de reis ontstaan en verbeeldt een scène uit een ondergrondse trein van New York. Een klein affiche maakt reclame voor de kunstbeurs Art Expo ‘80.’ [8]

Keletistation Budapest

Detail Keleti Station (ca. 1980-1985)

Het zal ook na deze reis zijn geweest dat Van Genk de woorden ART EXPO NY en NEW YORK C ’80 aanbracht op het middenpaneel van Collage 200 Beljon Inc. Opnieuw Nico van der Endt: ‘In 1980 reisde Willem met ons mee naar New York, waar ik de kunstenaar Gorki Bollar exposeerde op de eerste editie van “de eerste kunstbeurs” van Amerika. Onuitgesproken bleef de wens van Willem daar ook te exposeren. Tekortkoming van Nico! Beljon had dat wel kunnen regelen!’ [9]

Van Genks zuster Addy in 1964 tegen Bibeb: ‘Is dat wat voor een kunstenaar, Amerika? Is daar kunst?’ [10] Vijftig jaar later kwam het antwoord, toen in het American Folk Art Museum in New York de tentoonstelling Willem van Genk: Mind Traffic te zien was. Volgens The New York Times ging het om ‘an in-depth introduction to an outstanding artist you’ve barely heard of’, een ‘concise, electrifying survey of Willem van Genk’. [11] Het tijdschrift The Brooklyn Rail was nog enthousiaster:

Willem van Genk: Mind Traffic, the American Folk Art Museum’s current exhibition of 43 works by the Dutch artist, which range from large-scale paintings and collages, to an installation of the artist’s prized raincoats, is an historical victory, a correction of a curious oversight in the art historical annals of U.S. institutions. To pronounce an exhibition “historical” is usually an abuse of hyperbole (and a pledge that exhibitions rarely honor). Mind Traffic, however, delivers on its promises. [12]

Van Genk had het gemaakt in de VS, maar dat had wel even geduurd.


 

NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[2] Brief van Willem van Genk aan Pieter Brattinga, 25 maart 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[3] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Alfred Schmela, 12 februari 1969 (Galerie Schmela Records, Getty Research Insititute).

[4] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 30 juli 2018.

[5] Brief van Willem van Genk aan Dick Walda, 19 december 1982 (archief Dick Walda).

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[7] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 2 augustus 2018.

[8] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[9] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 8 januari 2020.

[10] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[11] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins”.

[12] Alana Shilling-Janoff , “WILLEM VAN GENK Mind Traffic”, in: The Brooklyn Rail , 3 oktober 2014.

Project Asbery

Genk, Willem van78x122

Het project Asbery – Havanna| ca. 1970-1980 | gemengde techniek op hardboard | 78 x 122 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

Parallel aan de ontwikkelingen in het Westen probeerde de Sovjet-Unie tussen de twee wereldoorlogen eveneens een eigen luchtschip te ontwikkelen – de naam “zeppelin” werd niet gebruikt, ook omdat men voortbouwde op een tsaristisch initiatief dat al in de negentiende eeuw was begonnen. De resultaten waren bescheiden, zeker in vergelijking met kolossen als de Graf Zeppelin en de Hindenburg. Hoogtepunt was halverwege de jaren dertig de USSR-W6 “Ossoawiachim”, met een lengte van 106 meter en een volume van 19.400 kubieke meter. De luchtschepen werden met name ingezet om afgelegen gebieden binnen de eigen landsgrenzen te bereiken. Ook het Sovjet-Russische luchtschipprogramma eindigde met een ernstig ongeval, toen de W6 in februari 1938 werd ingezet om een onderzoekteam in de Noordelijke ijszee te redden. Het vloog daarbij tegen een bergwand aan en dertien van de negentien inzittenden kwamen om. In 1950 kwamen de laatste binnenlandse vluchten ten einde. [1]

Niettegenstaande het feit dat er dus ná 1950 geen sprake meer was van Sovjet-Russische “zeppelins”, schildert Van Genk rond 1970 twee werken waarop prominent luchtschepen staan afgebeeld met teksten in Cyrillisch schrift, waaronder АЗРОФЛОТ en СССР: Het project Asbery – Moskou (Project Asbery I) en Het project Asbery – Havanna (Project Asbery II). Met name het laatstgenoemde werk heeft binnen het oeuvre van Van Genk een bijna iconische status gekregen, mede omdat het stond afgebeeld op het omslag van de monografie over de kunstenaar uit 1998. Dat jaar ook kwam het via galerie Hamer in bezit van museum De Stadshof, later Stichting Collectie De Stadshof. [2] De andere Asbery was in particulier bezit en werd pas in 2010 voor het eerst tentoongesteld. In 2017 kwam het werk in handen van museum Het Dolhuys in Haarlem. [3]

Het project Asbery – Havanna is op voor Van Genk in deze periode bekende wijze vormgegeven als cover van het tijdschrift Life, met in brede gele banden de aankondiging van een fictief hoofdartikel waar de illustratie bij hoort: GIANTS OF THE AIR | SOVIET AIRSHIPS TOMORROW | WORLDAIRCRAFT (2000) THE ADVENTURE  OF SPACE | THE AGE OF SPACE BEGINS | TRAVELLERS IN SPACE | GIANTS OF THE AIR | SOVIET A. Het laatste woord breekt af, met de suggestie dat de tekst als in een loop rondgaat. Daarnaast kent het werk kleinere teksten, waaronder Andrej Amalrik / HAALT DE SOVJETUNIE 1984? Dat laatste is een bestaande tekst uit 1969 van Sovjet-dissident Amalrik, een essay waarin hij de ineenstorting van de Sovjet-Unie voorspelt. Al met al lijkt er sprake te zijn van een blik in de nabije toekomst, waarin ook enorme Sovjet-Russische luchtschepen zouden kunnen bestaan.

PA 2x achterkant

Details achterzijden Het project Asbery – Havanna (onder) en Het project Asbery – Moskou (boven)

Waar komt de naam “Asbery” vandaan? Op de achterkanten van beide werken is een papiertje aangebracht met in grote letters […] ROJECT ASBERY en kleiner […] werp Feodor Asbery, luchtschepen in […] SR / drijfkracht atoom / science fiction. Maar wie is of was Feodor Asbery? Van Genk geeft indirect het antwoord zelf, met de vermelding op Het project Asbery – Moskou van het boek Alles over Russische vliegtuigen (1968) van Hugo Hooftman. Journalist Hooftman was een uitermate productief auteur van publicaties over allerlei aspecten van de luchtvaart, wiens boeken veelvuldig door Van Genk werden genoemd. In Alles over Russische vliegtuigen is de volgende passage te lezen:

Hooftman 003Opmerkelijk zijn de recente berichten uit Rusland die zeggen dat Aeroflot belangstelling heeft voor een groot atoom-luchtschip. Een zekere Feodor Asbery zou bezig zijn een dergelijk luchtschip te ontwerpen. Het zou in staat zijn om op 2 kilo uranium tweemaal om de aarde te vliegen. Het zal 302 meter lang worden en een diameter hebben van 52 meter. Het zou met 340.000 m3 helium in 17 reservoirs worden gevuld. Het zal met een bemanning van slechts tien koppen 500 tot 700 passagiers kunnen vervoeren. Er komen een bioscoopzaal en een zwembad aan boord. Het luchtschip zal vanaf het water opstijgen en er ook op landen, terwijl er aan boord een helikopterplatform komt. Zullen de Russen er werkelijk in slagen om het luchtschiptijdperk, dat met de ramp van de Duitse ‘Hindenburg’ op 6 mei 1937 definitief leek afgesloten, opnieuw op gang te brengen? Ook dit zou een primeur kunnen zijn van méér dan gewone betekenis. [4]

De optie van Sovjet-Russische luchtschepen voor binnenlands verkeer hield Van Genk eind jaren zestig duidelijk bezig. Op Märklin beeldt hij (links boven naast de stervorm) enkele zeppelins af, met daarboven de tekst SOVJET UNIE ZEPPELIN MINDET? Misschien nog wel duidelijker is hij op 50 jaar Sovjet-Unie, waar links in het midden de neus van een vliegtuig is afgebeeld met daaronder soviet airlines en rechts tegen het kader Rode zeppelinlijnen…?

PA 2x PA I

Het project Asbery – Moskou | ca. 1970-1980 | gemengde techniek op hardboard | 84 x 189 cm | Het Dolhuys, Haarlem. Boven: de afbeelding in de catalogus van De Ark uit 1976 (p. 50)

Het project Asbery – Moskou en Het project Asbery – Havanna staan beide afgebeeld in de catalogus van De Ark uit 1976. Hoewel het daarbij gaat om kwalitatief slechte reproducties in zwart-wit, is in het geval van Het project Asbery – Moskou toch te zien dat er enkele duidelijke verschillen zijn tussen de toenmalige en de huidige versie van het werk. De inzetstukken op de centrale afbeelding ontbreken, terwijl ook de lucht boven en rechts van het luchtschip vrijwel leeg lijkt. Toen het Dolhuys het werk in mei 2017 had aangekocht, werd op de eigen website als naam “Project Asbury I” vermeld en als datering “ca. 1977”. [5] Op een mail met vragen hierover kreeg ik de volgende reactie:

Asberry II en Asbery I vullen elkaar aan, maar hebben elk ook een eigen betekenis. In II zien we in de schaduw van het grote schip een Zeppelin die nog ligt vastgemeerd. Het gevaarte stijgt op, omgeven door heroïsche teksten. Staat op II in zilveren letters: Celebrating the National Air & Space Museum Smithsonian Washington, op het andere stuk zijn over de romp twee inleg-stukken geplaatst, die rechtstreeks beeldend verwijzen naar die gebeurtenis. Het ene is een afbeelding van het nieuwe museumgebouw dat in 1976 werd ingewijd, het andere toont een beeld van een varende Zeppelin verbonden met de flambouw van het Vrijheidsbeeld. Een afbeelding van Asbery I is inderdaad opgenomen in de catalogus van de tentoonstelling die in 1976 in De Ark in Boxtel is gehouden. Waarschijnlijk dateert het werk vanwege de vermelding van de opening van het Amerikaanse museum in 1976, inderdaad van 1976, dus van kort voor de tentoonstelling in Boxtel. [6]

Een aantal hier genoemde zaken is suggestief, onjuist of onvolledig. Allereerst de tekst in zilverkleurige letters op Het Project Asbery – Havanna: die is min of meer juist geciteerd, maar wordt gevolgd door D.C. «U.S.A.» 1980. De tekst ontbreekt (uiteraard) op een opname van het werk in de reportage die Uit de kunst in januari 1974 maakte over De Ark. Vervolgens komt het jaartal 1980 ook voor in de teksten in het kader van de inzet met het museumgebouw: National Air and Space Museum DC 1980 en THE WASHINGTON SMITHSONIAN ’80. Ten slotte werd de nieuwe museumruimte in 1976 geopend op 1 juli, toen de tentoonstelling in De Ark al afgelopen was. [7]

Samenvattend: Van Genk maakte rond 1970 twee werken waarin hij Sovjet-Russische luchtschepen afbeeldde die in de (dan) nabije toekomst realiteit zouden kunnen zijn. Zijn geloof in de Sovjet-Unie als het beloofde land voor maatschappelijk verschoppelingen als hijzelf lijkt op dat moment nog intact. Rond 1980 voegt hij elementen aan de werken toe die zijn eerdere geloof relativeren en de Verenigde Staten in meer positieve zin tegenover de Sovjet-Unie stellen. De inzet met de nazi-zeppelin op Het Project Asbery – Moskou zou ik willen interpreteren als een embleem met als betekenis “hoogmoed komt voor de val”, en tegelijk als vooruitwijzing naar de Amerikaanse overwinning op de nazi’s in WWII: ook de schijnbaar machtige Hindenburg kwam in 1937 smadelijk aan zijn einde in de Verenigde Staten. Het Vrijheidsbeeld steekt het luchtschip symbolisch aan.


 

NOTEN

[1] Informatie ontleend aan de Duitse Wikipedia-pagina “Russische Luftschifffahrt” (geraadpleegd 4 januari 2020).

[2] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 113.

[3] Website Het Dolhuys, 23 mei 2017: “Dolhuys verwerft werken Willem van Genk” (geraadpleegd 4 januari 2020).

[4] Hugo Hooftman, Alles over Russische vliegtuigen, Zwolle 1968, p. 31.

[5] Het oorspronkelijke bericht is inmiddels verwijderd. De spelling “Asbury” komt nog wel voor in het artikel over de aankoop in Trouw, 20 juni 2017 (Henny de Lange, “Een Russische zeppelin met het Amerikaanse Vrijheidsbeeld”; geraadpleegd 5 januari 2020).

[6] E-mail van Ans van Berkum aan Jack van der Weide, 29 mei 2017.

[7] Wikipedia, “National Air and Space Museum” (geraadpleegd 5 januari 2020).