Aanzet tot een catalogue raisonné (5)

Dit is het vijfde deel van een tekst over een aanzet tot een catalogue raisonné van het oeuvre van Willem van Genk. Eerdere delen zijn hier, hier, hier en hier te vinden.

Vervoer USSR | ca. 1965 | gemengde techniek op papier | 156,5 x 175,5 cm | Musée L, Louvain-la-Neuve | Foto: J.-P. Bougnet

WVG-0046

Willem van Genk (1976)p. 33
Keulen | Collage | 98 x 140

Een getekende wereld (1998), p. 107
Keulen | ca 1960 | mixed media on paper | 140 x 98 cm | artist

Woest (2019), p. 112
Keulen | ca. 1960 | gemengde techniek op papier | 98 x 140 cm | Stichting Willem van Genk, Almere

Afbeelding: Woest, p. 113.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0047

Willem van Genk (1976), pp. 34-36 (voorkant + details)
Amsterdam | Tekeningen collage | 227 x 98

Een getekende wereld (1998), p. 107
Amsterdam | ca 1959 | mixed media on paper | 90 x 227 cm | unknown

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 54-55.

Zie hier en hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0048

Willem van Genk (1976), p. 37
Amsterdam – Moskou per K.L.M. | Collage | 150 x 131

Een getekende wereld (1998), p. 109
Amsterdam – Moskou | 1967 | mixed media on board | 128 x 147 cm | Collection de l’Aracine in depot Musée d’art moderne de Lille Métropole Villeneuve d’Ascq, inv. nr. A. 996.301 (1282)

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, p. 33.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0049

Willem van Genk (1976), p. 38
Waarheidsfestival | Collage | 152 x 100

Een getekende wereld (1998), p. 115
Waarheidsfestival | ca 1970 | mixed media on paper | 98 x 150 cm | artist

Woest (2019), p. 144
Waarheidsfestival 
| ca. 1970 | gemengde techniek op papier | 108,5 x 159 cm | Stichting Willem van Genk, Almere

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 4-5.


WVG-0050

Willem van Genk (1976)p. 38
Brooklyn Bridge | Collage | 180 x 100

Een getekende wereld (1998), p. 115
Brooklyn Bridge | ca 1975 | mixed media on paper | 88 x 111 cm | De Stadshof Zwolle

Broooklyn Bridge maakte deel uit van het negental werken dat Nico van der Endt in 1998 verkocht aan De Stadshof voor fl. 225.000. Het is momenteel eigendom van het Stichting Collectie De Stadshof, dat op de eigen website als techniek vermeldt ‘gemengde techniek (ballpoint, potlood, gouache, acrylverf) collage op pakpapier (verschillende papieren, doorzichtig plastic)’, als datering ca. 1960 – 1975 en als maten 97 x 178 cm. Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 82-83.


WVG-0051

Willem van Genk (1976)p. 39
Treinen | Collage Tekeningen | 122 x 70

Een getekende wereld (1998), p. 111
Blauwe trein/Victoriastation | ca 1966 | mixed media on board | 80 x 290 cm | Collection de l’Aracine in depot Musée d’art moderne de Lille Métropole Villeneuve d’Ascq, inv. nr. A. 996.302 (1283)

Bij de reizende tentoonstelling Nederlandse zondagsschilders: de droomwereld der naïeven in 1966 werd een werk van Van Genk met de titel Spoorwegen een eervolle vermelding; mogelijk gaat het hier om dit werk. Zeker is wel dat dit het werk getiteld Tram- en spoorwegen is waarmee Van Genk in 1967 de de landelijke schilder- en tekenwedstrijd van Co-op Nederland won.

De website van het LaM in Lille, waar het werk zich bevindt, geeft als datering ‘avant 1987’, als techniek ‘Encre, crayon de couleur, stylo-feutre et gouache sur papier brun marouflé sur toile’ en als maten 72 x 222 cm. Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 124-125.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0052

Willem van Genk (1976)p. 39
Den Haag | Collage Tekeningen | 200 x 88

Een getekende wereld (1998), p. 107
Bouwend ‘s-Gravenhage | 1950/60 | mixed media on paper | 100 x 210 cm | artist

Woest (2019), p. 124
Bouwend ‘s-Gravenhage
 | 1960 | gemengde techniek op papier | 102 x 212 cm | Stichting Willem van Genk, Almere

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 90-91.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0053

Willem van Genk (1976)p. 39
Moskou | Collage Tekeningen | 173 x 97

Een getekende wereld (1998), p. 115
Moskou | ca 1970 | mixed media on paper | 94,5 x 173 cm | Collection de l’Art Brut Lausanne, inv. nr. 6888

Woest (2019), p. 102
Moskou 
| 1966 | collage van tekeningen op papier | 94,5 x 173 cm | Collection de l’Art But, Lausanne

Afbeelding: Woest, pp. 102-103.


WVG-0054

Willem van Genk (1976)p. 41
Architectuur | Collage Tekeningen | 174 x 99

Een getekende wereld (1998), p. 109
Urbanisme et Architecture | 1960/1970 | mixed media on paper | 75,5 x 172 cm | De Stadshof Zwolle

Urbanisme et Architecture maakte deel uit van het negental werken dat Nico van der Endt in 1998 verkocht aan De Stadshof voor fl. 225.000. Het is momenteel eigendom van het Stichting Collectie De Stadshof, dat op de eigen website als techniek vermeldt ‘gemengde techniek (ballpoint, potlood, gouache, acrylverf) en collage op pakpapier’. Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 62-63.


WVG-0055

Willem van Genk (1976)p. 41
Steden | Collage Tekeningen | 95 x 67

Een getekende wereld (1998), p. 109
Bragah | 1960 | mixed media on paper | 70 x 100 cm | Collection de l’Aracine in depot Musée d’art moderne de Lille Métropole Villeneuve d’Ascq, inv. nr. A. 996.331 (1616)

Woest (2019), p. 106
Minsk-Mosca
 | 1966-1967 | gemengde techniek op papier | 66,7 x 97,4 cm | Donatie door L’Aracine in 1999, LaM, Lille Métropole

De website van het LaM vermeldt onder afzonderlijke titels de voorkant (Minsk-Mosca, ‘Encre, stylo à bille et gouache sur morceaux de papier kraft marouflés sur toile libre’) en de achterkant (Bragah, ‘Stylo à bille sur papier contrecollé sur toile libre, stylo à bille sur la toile libre’) van dit werk.

Afbeelding: Woest, pp. 106-107 (voorkant), 108-109 (achterkant).


WVG-0056

Willem van Genk (1976)p. 43
Internationale | Collage Tekeningen | 171 x 101

Een getekende wereld (1998), p. 111
Internationale | ca 1967 | mixed media on paper | 98 x 174,5 cm | Alpha Cubic International Japan

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 76-77.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0057

Willem van Genk (1976)p. 43
Glimpses of Asia | Collage Tekeningen | 184 x 100

Een getekende wereld (1998), p. 111
Glimpses of Asia | ca 1967 | mixed media on paper | 95,5 x 180 cm | Alpha Cubic International Japan

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 74-75.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0058

Willem van Genk (1976)p. 44
50 jaar Sovjet-Unie | Collage Tekeningen | 175 x 97

Een getekende wereld (1998), p. 111
50 jaar Sovjet-Unie | 1967 | mixed media on paper | 96 x 174 cm | Collection de l’Art Brut Lausanne, inv. nr. 6702

Woest (2019), p. 98
50 jaar Sovjet-Unie 
| 1967 | gemengde techniek op papier | 96 x 174 cm | Collection de l’Art But, Lausanne

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 78-79.


WVG-0059

Willem van Genk (1976)p. 44
Märklin | Collage Tekeningen | 95 x 74

Een getekende wereld (1998), p. 115
Märklin | 1970 | mixed media on paper | 72,5 x 94 cm | The Outsider Collection/The Outsider Archive London, inv. nr. oa 326

Nico van der Endt verkocht het werk in 1989 aan het Outsider Archive voor ₤ 1.500. [i] Daarbij werd de commissie verrekend die Monika Kinley van het Outsider Archive kreeg voor haar bemiddeling bij de verkoop van WVG-0056 en WVG-0057 aan het Japanse Alpha Cubic. [ii] Märklin bevindt zich momenteel in de collectie van de Whitworth Art Gallery in Manchester. Het werk was te zien tijdens Woest maar ontbrak in de publicatie. 

Afbeelding: Raw Vision #36, p. 31.


WVG-0060

Willem van Genk (1976)p. 45
Vervoer U.S.S.R. | Collage Tekeningen | 151 x 133

Een getekende wereld (1998), p. 119
Vervoer USSR | 1975 | mixed media on paper | 156,5 x 175,5 cm | Musée de Louvain-la-Neuve, inv. nr. 425

Nico van der Endt verkocht het werk in 1988 aan het Musée de l’Université van Louvain-la-Neuve. Het was te zien tijdens Woest maar ontbrak in de publicatie. 

Afbeelding: Een getekende wereld, p. 17.


WVG-0061

Willem van Genk (1976)p. 45
Moskou | Tekening | 40 x 31

Een getekende wereld (1998), p. 115
Tank II | ca 1970 | pencil on canvas | 40 x 31 cm | artist

Het werk was te zien tijdens Woest maar ontbrak in de publicatie.

Afbeelding: Museum Dr. Guislain/Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 29.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.

Waarheidsfestival | ca. 1970 | gemengde techniek op papier | 108,5 x 159 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem

Willem van Genk maakte vijf monochrome etsen, waarvan vier (hieronder genoemd) in oplagen van respectievelijk 13, 14, 5 en 5. De inkt is meestal zwart, maar er bestaan ook afdrukken in sepia en groen. Daarnaast is er een onbekend aantal ongenummerde exemplaren. De vijfde ets (WVG-0087) wordt niet genoemd in de catalogus van De Ark.


WVG-0062

Willem van Genk (1976), p. 37
Minsk | Ets oplage 13

Een getekende wereld (1998), p. 111
Minsk | 1967 | etching (13) | 53 x 63 cm | artist, private collection, Site de la Création Franche Bègles, inv. nr. 1602-93

De huidige verblijfplaatsen van de genummerde etsen, voor zover valt na te gaan:

1/13      Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
2/13      particuliere collectie, Ittigen
3/13      particuliere collectie, Maastricht (zwart)
4/13      Musée de la Création Franche, Bègles (zwart)
5/13      particuliere collectie, Amsterdam
6/13      particuliere collectie, Vlaardingen (zwart)
7/13      Musée d’Arts Brut, Montpellier
12/13    particuliere collectie, Zürich (sepia)
13/13    particuliere collectie, Brussel (sepia)

Nummer 6/13 was te zien tijdens Woest vanaf september 2020.

Afbeelding: Museum Dr. Guislain/Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 132.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0063

Willem van Genk (1976), p. 46
Tunnel Napels | Ets | oplage 14 stuks

Een getekende wereld (1998), p. 111
Tunnel Napels | 1967 | etching (14) | 30 x 40 cm | artist nr 14/14 en 3/14, Site de la Création Franche Bègles, inv. nr. 1601-93, nr 6/14, private collection

De huidige verblijfplaatsen van de genummerde etsen, voor zover valt na te gaan:

2/14      particuliere collectie, Maastricht (zwart)
3/14      Musée de la Création Franche, Bègles (zwart)
4/14      particuliere collectie, Amsterdam (zwart)
6/14      The Museum of Everything, Londen (zwart)
7/14      particuliere collectie, Vlaardingen (zwart)
8/14     particuliere collectie, Zürich (zwart)
12/14    Andrew Edlin Gallery, New York (sepia)
14/14    particuliere collectie, Amsterdam (groen)

Nummer 7/14 was te zien tijdens Woest vanaf september 2020.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, p. 81.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0064

Willem van Genk (1976), p. 46
Siljaline | Ets | oplage 5 stuks

Een getekende wereld (1998), p. 111
Siljaline | 1967 | etching (5) | 50 x 43,5 cm | artist, private collection

De huidige verblijfplaatsen van de genummerde etsen, voor zover valt na te gaan:

1/5      particuliere collectie, Maastricht (zwart)
3/5      particuliere collectie, Nijmegen (zwart)

De ets was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Museum Dr. Guislain/Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 133.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0065

Willem van Genk (1976), p. 47
Colonnade | Ets | oplage 5 stuks

Een getekende wereld (1998), p. 111
Colonnade/St. Petersdom | 1967 | etching (5) | 30 x 40 cm | artist

De huidige verblijfplaatsen van de genummerde etsen, voor zover valt na te gaan:

1/5      particuliere collectie, Vlaardingen (zwart)

Nummer 1/5 was te zien tijdens Woest vanaf september 2020.

Afbeelding: Een getekende wereld, p. 129.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


NOTEN

[i] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63.

[ii] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 7 april 2021.

Herman (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over de stiefbroer van Willem van Genk, Herman van Vlaardingen. Het eerste deel is hier te vinden.

02b - Herman sr, Tiny, Herman jr, Jenny

Links: Herman van Vlaardingen sr. met zijn gezin, ca. 1925. Rechts: Tiny van Vlaardingen, Maria van Vlaardingen-Heesen en Herman van Vlaardingen jr., ca. 1930.

Wachtend op bericht van Herman van Vlaardingen III uit Brugge, mogelijk een zoon van de stiefbroer van Willem van Genk, vond ik in het Stadsarchief Rotterdam een huwelijksakte en een gezinskaart waarvan vooral de laatste erg veel nieuwe en relevante informatie bleek te bevatten. [1] Herman van Vlaardingen I en Maria Heesen, beiden ‘wonende alhier, doch binnen de laatste zes maanden te Enschede’, waren op 31 oktober 1917 getrouwd in Rotterdam. Het beroep van de bruidegom was ‘koffiehuisbediende’ volgens de huwelijksakte, ‘kellner’ volgens de gezinskaart. Die vermeldde ook dat Herman Nederlands Hervormd was en Maria Rooms Katholiek, en dat het echtpaar op 16 mei 1918 officieel was vertrokken naar (opnieuw) Enschede.

Helemaal duidelijk waren de verhuizingen tussen Rotterdam en Enschede niet, want al op 10 mei 1918 was in die laatste stad dochter Christina Johanna geboren. Op 14 juni keerde het gezin terug naar Rotterdam, om op 3 februari 1920 weer te vertrekken naar Gouda. Dat verblijf was van korte duur: nog geen vier maanden later, op 3 juni 1920, werd Rotterdam andermaal de woonplaats. Daar werd op 31 augustus 1922 zoon Herman Johan Christiaan geboren. Beide kinderen kregen de geloofsovertuiging van de moeder mee. Een kleine twee jaar voor de geboorte van Herman jr. was bovendien de jongste broer van Herman sr., Jan Willem, bij het gezin ingetrokken. Hij was geboren in 1899, behoorde niet tot een kerkgenootschap en was van beroep kapper.

Het leken geen vette jaren voor het gezin Van Vlaardingen in Rotterdam. De gezinskaart vermeldt zeven adressen in drie jaar, waarbij het voor een deel om ‘inw[onend]’ ging. Bovendien stond op 23 maart 1923 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant het volgende bericht: ‘Bij vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam d.d. 21 maart 1923 is het faillissement van HERMAN JOHAN CHRISTIAAN VAN VLAARDINGEN, kellner […], opgeheven, wegens gebrek aan baten.’ Herman van Vlaardingen I was dus failliet verklaard, maar omdat er bij hem niets te halen viel, werd het faillissement weer opgeheven.

Kelner Herman en kapper Jan vertrokken volgens de gezinskaart op 25 september 1923 naar Amerika – vanuit Rotterdam, aanmonstering op een schip van Holland-Amerika Lijn is derhalve denkbaar. Vrouw en kinderen van Herman kwamen na op 28 mei 1924, inmiddels was er een adres in de stad Kingston in Canada, aan de Canadese kust van Lake Ontario. Jan van Vlaardingen hield het zo’n vijfenzestig jaar vol aan de overkant van de oceaan en overleed pas op 10 maart 1988 in Monterey, Californië. Bij de Amerikaanse volkstelling uit 1940 werden van hem de volgende gegevens opgetekend:

Name                     John Van Vlasrdingen
Age                         40, born abt. 1900
Birthplace             Holland
Home in 1940      2139 North Central Park Avenue
                                Chicago, Illinois
Wife                       Hedy Van Vlasrdingen (35)
Daughter              Ruby Van Vlasrdingen (14)
Daughter              Ruth Van Vlasrdingen (14)
Daughter              Irma Van Vlasrdingen (12) [2]

10b - Herman jr, Jenny

Maria van Vlaardingen-Heesen en Herman van Vlaardingen jr. aan boord van het s.s. Statendam, 1932.

Herman van Vlaardingen I stierf op 26 december 1931 in Genesee Hospital in Rochester, waar hij woonde op het adres 1319 Dewey Avenue. [3] Zijn weduwe keerde in 1932 met haar beide kinderen terug naar Nederland met het s.s. Statendam, een cruiseschip van de Holland-Amerika Lijn. Ze vestigde zich eerst in Renkum [4] en daarna in Den Haag, waar ze in 1934 trouwde met Jozef van Genk. Haar kinderen Christina (Tiny) en Herman waren ongeveer even oud als zijn dochters Jacqueline en Isabella.

WhatsApp Image 2020-07-02 at 19.35.53 001b

Herman van Vlaardingen jr., 1928

De verbintenis tussen Jozef en Maria was geen gelukkige. [5] Begin jaren veertig, en misschien al eerder, waren de twee officieel nog getrouwd maar leefden zij gescheiden. Maria was teruggegaan naar Enschede, de stad waar ze ook met haar eerste man enige tijd had gewoond. Dochter Tiny was daar in 1939 gehuwd met Piet (Pieter Albertus) Bos maar overleed eind 1943 aan de verwondingen die ze opliep bij het bombardement op Enschede op 10 oktober 1943. [6] Twee andere slachtoffers van dat bombardement waren Arend Jan Wargerink en Hermina Wargerink-Reef. [7] Hun dochter Enna zou in oktober 1950 op 28-jarige leeftijd trouwen met de even oude Herman van Vlaardingen jr. [8]

Een week nadat ik een brief had gestuurd aan Herman van Vlaardingen uit Brugge, kreeg ik een reactie: hij was inderdaad de zoon van Herman van Vlaardingen II en Enna Wargerink! Tijdens enkele telefoongesprekken vertelde hij onder meer dat zijn grootvader Herman van Vlaardingen I in Rochester was overleden als gevolg van een auto-ongeval; dat zijn grootmoeder Maria Heesen (roepnaam: Jenny) in 1950 na een lang ziekbed was gestorven aan kanker; en dat zijn vader was overleden in 1987. Een paar dagen later mailde hij mij een dossier met genealogische gegevens, waaruit onder meer bleek dat de ouders van Herman van Vlaardingen I in 1914 met hun nog thuiswonende kinderen vanuit Zwolle naar Enschede waren verhuisd. Verder ging het met name om voorouders binnen de Van Vlaardingen-tak. Maria Heesen werd uiteraard wel genoemd, maar van Jozef van Genk geen spoor. Herman III had van zijn vader ook nooit iets gehoord over diens Haagse jaren.

055 Herman van Vlaardingen II

Herman van Vlaardingen jr. en Enna Wargerink bij hun huwelijk in 1950.

Hier eindigde de zoektocht voorlopig. Opmerkelijk bleef dat kennelijk zowel in de familie van Jozef van Genk als in die van Maria Heesen het huwelijk tussen beiden diep was weggestopt. Bij het overlijden van Jozef van Genk stond op diens gedachtenisprentje vermeld: ‘weduwnaar van Leonarda Pennekamp, eerder weduwnaar van Maria M. Hoogstraten’. Zijn tweede echtgenote werd niet genoemd. Dat Willem van Genk enkele jaren een oudere stiefbroer had gehad die, volgens Tiny van den Heuvel-van Genk, hem in bescherming nam en die op hem gesteld was – daarvan was nauwelijks meer een spoor te vinden. Maar Herman Johan Christiaan van Vlaardingen jr. (1922-1987) bleek wel degelijk te hebben bestaan.

Met veel dank aan Jan Vellekoop en Herman van Vlaardingen.


NOTEN

[1] Cf. hier en hier (geraadpleegd op 13 juni 2020).

[2] ‘John Van Vlasrdingen in the 1940 Census’ (geraadpleegd op 13 juni 2020).

[3] Informatie ontleend aan het overlijdensbericht van Herman van Vlaardingen in de krant The Democrat and Chronicle, 28 december 1931. Op 13 januari 1932 stond er een kleine overlijdensadvertentie in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, ondertekend door zijn moeder.

[4] ‘Bevolking – Gemeente Renkum – Gevestigd’, in: Arnhemsche Courant, 28 oktober 1932.

[5] Een kleindochter van Jozef van Genk liet weten dat haar moeder diens tweede huwelijk zelfs nooit had genoemd en dat ze er pas achter kwam dat er een tweede en een derde huwelijk geweest waren toen ze zich in haar stamboom was gaan verdiepen. Ook twee andere kleinkinderen hadden van hun respectieve moeders nooit iets over Maria Heesen gehoord.

[6] ‘Droeve plechtigheid’, in: Twentsch Nieuwsblad, 30 december 1943. Drie dagen eerder stond in dezelfde krant een overlijdensadvertentie voor Christina Johanna Bos-van Vlaardingen namens ‘MOEDER, HERMAN en JO’. Wie Jo is, heb ik niet kunnen achterhalen.

[7] ‘Inwoners van Enschede, omgekomen bij bombardementen’ (geraadpleegd 15 juni 2020).

[8] ‘Burgerlijke stand – Enschede – Gehuwd’, in: Tubantia, 26 oktober 1950.

Herman

De reeks teksten over de woning van Willem van Genk wordt tijdelijk onderbroken voor een tweeluik over zijn al dan niet vermeende stiefbroer.

Graf Maria Anna Heesen

Het graf van Maria Heesen in Enschede. Foto: Jan Vellekoop

Jozef van Genk, de vader van Willem van Genk, trouwde drie keer. Zijn eerste huwelijk, met Maria Hoogstraten, duurde bijna twintig jaar: van 1913 tot het overlijden van zijn echtgenote in 1932. Jozef trouwde in 1934 voor een tweede maal, met Maria Anna Heesen, weduwe van Herman Johan Christiaan van Vlaardingen. Opnieuw kwam het huwelijk van Jozef pas ten einde door het overlijden van zijn echtgenote in 1951, al leefden de twee al sinds het begin van de jaren veertig gescheiden. Het huwelijk had daarmee formeel zo’n zeventien jaar geduurd. In vergelijking daarmee was het derde huwelijk, met Leonarda Pennekamp van 1952 tot 1954, van korte duur. Weer was het zijn echtgenote die overleed. Jozef van Genk stierf zelf in 1958, op zeventigjarige leeftijd.

Alle kinderen van Jozef van Genk werden geboren tijdens zijn eerste huwelijk. Zijn oudste dochter Tiny vertelde in het midden van de jaren negentig tegen Dick Walda dat de tweede echtgenote van haar vader een Amerikaanse was die kinderen meenam uit een vorig huwelijk. [1] Zoals ik al eerder opmerkte, was Maria Heesen geen Amerikaanse maar kwam ze uit Huisseling en Neerloon. Wel bleek haar eerste man in 1931 overleden te zijn in Rochester, een stad aan de Amerikaanse kant van Lake Ontario. Ook het door Tiny gebruikte meervoud ‘kinderen’ leek onjuist: op verschillende genealogische sites was alleen een dochter te vinden, Christina Johanna, geboren in 1918.

Een paar jaar geleden kreeg ik een e-mail van Ans van Berkum:

Over die tweede vrouw van vader Jozef van Genk gesproken, Tiny van den Heuvel (oudste zus) vertelde (bandopname 1998) dat deze twee kinderen had, een jongen en een meisje, die bij Den Haag op kostschool zaten. Deze zouden aan het eind van de oorlog omgekomen zijn bij een bombardement. Willem zou erg gesteld zijn geweest op die jongen en door zijn dood een flinke schok hebben gekregen, misschien een trigger voor de geestelijke toestand waarin hij zich is gaan bevinden. [2]

Mijn antwoord toen:

Ik zie maar één kind, Christina Johanna van Vlaardingen, geboren 1918 in Enschede, overleden 27 december 1943 in Enschede. Geen broer, geen Haags bombardement als doodsoorzaak en al volwassen tijdens WWII. Wel is Herman Johan Christiaan van Vlaardingen in 1931 overleden in Rochester, Tiny zou ooit gezegd hebben dat hij een Amerikaan was – nee dus, maar wel een Nederlander (uit Zwolle) die kennelijk op enig moment naar Amerika is vertrokken. [3]

Er waren derhalve twee interviews met Tiny geweest waarin ze het over de kinderen uit het eerste huwelijk van Maria Heesen had. Het door Van Berkum genoemde interview bleek op internet te vinden te zijn, zodat kon worden nagegaan wat precies de bewoordingen van Tiny waren:

… toen mijn vader voor de tweede keer trouwde, daar was een jongen … en een meisje kwam er dan nog bij. En die jongen die was heel erg gesteld op Wim, die was ouder … en die zag in Wim … het zwakke broertje, en dan zei-die tegen de andere jongens: denk d’r om … anders breken jullie z’n arm, of zoiets … die was er zuinig op, maar … voorzichtig … maar die zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog, die jongen, en ook dat meisje … met die atoomgeschiedenis. En die jongen die was bij de Broeders van Sint Jan in Rijswijk, op een internaat … en ik zie nog die voltreffer, ik zat bij het ministerie van Marine en ik zie nog dat ding gaan, en dan hoorde ik op de … bij de Broeders van Sint Jan … was een Herman … maar ’t was een hele aardige jongen, ja … en dat was heel erg … [4]

Wat was er in dit verhaal wel en niet juist? De naam ‘Herman’ zou kunnen kloppen, dat was ook de voornaam van de vader van Willem van Genks stiefbroer. De dochter was bovendien inderdaad overleden tijdens de Tweede Wereldoorlog, weliswaar niet in Den Haag maar Tiny zegt ook niet dat dat eveneens tijdens het door haar genoemde bombardement was. Ook bestaat er een religieuze organisatie genaamd ‘Broeders van Sint Jan’, al zaten die niet in Rijswijk maar onder meer in Den Haag zelf. Daarbij kon ik geen internaat vinden dat bij die organisatie hoorde. Bij een bombardement op Den Haag gaan de gedachten bovendien al gauw uit naar het bombardement op de wijk Bezuidenhout op 3 maart 1945, maar dat is geen Rijswijk en er was ook niets te vinden over een internaat dat geraakt was.

Na wat spelen met zoektermen vond ik de gebeurtenis waar Tiny op doelde:

In de middag van 27 oktober 1944 werd in het Rijswijkse bos een raket afgevuurd, die meteen na de start neer viel op het ‘Huis van de Kruisvaarders van St. Jan’, een R.K. jongensinternaat aan de Vredenburchweg. Zeven jongens, vijf broeders en twee arbeiders kwamen om het leven. Het hoofdgebouw werd geheel vernield. [5]

Geen Broeders van Sint Jan, maar Kruisvaarders van Sint Jan! Een andere bron was wat gedetailleerder over het gebeuren en vermeldde bovendien een gedenkplaat in de St. Bonifatiuskerk in Rijswijk, ook aan de Van Vredenbughweg:

Op het terrein waar in de 13e eeuw het kasteel Steenvoorde stond, werd in 1922 een katholiek jongensinternaat van de Kruisvaarders van Sint-Jan gevestigd. Het internaat werd in 1944 vernietigd bij de mislukte lancering van een Duitse V2 raket. Er kwamen vijf broeders, zeven jongens en twee bezoekers om het leven. In het torenportaal van de St. Bonifatiuskerk herinnert een gedenkplaquette aan dit ongeluk. [6]

De gedenkplaat zou de namen van de slachtoffers vermelden, mogelijk inclusief die van Herman van Vlaardingen. Van Genk-verzamelaar Jan Vellekoop was onmiddellijk bereid in Rijswijk een kijkje te gaan nemen.

Knipsel

De gedenkplaat in de St. Bonifatiuskerk in Rijswijk. Foto’s: Jan Vellekoop

Helaas leek geen van de namen de gezochte stiefbroer te betreffen. Vellekoop vond echter wel enkele krantenberichten die erop leken te wijzen dat er in ieder geval een familielid met een vergelijkbare naam bestond. Op 26 oktober 1950 maakte dagblad Tubantia melding van een huwelijk in Enschede tussen H.J.C. van Vlaanderen en E. Wargerink, beiden 28 jaar oud. Dit leken dezelfde personen te zijn die genoemd werden in de overlijdensadvertentie in Tubantia voor ‘onze innig geliefde Moeder, Zuster en Tante’ Maria Heesen op 18 juni 1951: H.C.J. van Vlaardingen en E. van Vlaaardingen-Wargerink. Bovendien was in een andere overlijdensadvertentie op 28 januari 1971, opnieuw in Tubantia, sprake van een gezin dat in Brugge woonde en bestond uit E. van Vlaardingen-Wargerink, H. van Vlaardingen, Herman en Ineke. Vellekoop had ten slotte ook opgezocht dat in het telefoonboek van Brugge nog steeds een Herman Van Vlaardingen werd vermeld, die ik onmiddellijk aanschreef.

19510618 Tubantia

De overlijdensadvertentie voor Maria Heesen in Tubantia, 18 juni 1951

Kijken we nogmaals naar de tekst uit het interview met Tiny, dan zegt ze feitelijk niet dat de zoon van Maria Heesen bij het voorval met de neergestorte V2 in Rijswijk omkwam. Het kan een associatie zijn geweest: hij zat ooit op het internaat in Rijswijk dat later, in 1944, werd getroffen door een V2. Daarbij zegt ze dat ‘Herman’ ouder was dan haar broer Wim, maar dat kan bijna niet als hij in 1944 nog op een internaat verbleef. En waarom zou een zoon van een broer van Herman van Vlaardingen sr. – die inderdaad een aantal broers had – de initialen H.C.J. (of H.J.C.) hebben? Zou degene die wordt genoemd in Tubantia misschien toch Herman van Vlaardingen jr. zijn en dácht Tiny alleen maar dat hij was overleden?

Een ander punt was dochter Christina Johanna. In een gezin werd de oudste zoon meestal vernoemd naar de vader van de vader, de oudste dochter naar de moeder van de moeder. In het geval van het gezin Herman van Vlaardingen en Maria Heesen heette de vader van de vader Johannes, de moeder van de vader Christina. Dochter Christina Johanna werd dus naar beide ouders van haar vader vernoemd. Bovendien werd het huwelijk van haar ouders gesloten op 31 oktober 1917 en werd zij in 1918 geboren – een exacte datum was niet te vinden, ook niet op haar overlijdensakte. Het zou daarom kunnen dat Maria Heesen ten tijde haar huwelijk al zwanger was, waarbij de naamgeving een poging was om de vader mild te stemmen.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, pp. 31-32.

[2] E-mail van Ans van Berkum aan Jack van der Weide, 17 januari 2018.

[3] E-mail van Jack van der Weide aan Ans van Berkum, 17 januari 2018.

[4] Het interview is hier te vinden, onder het kopje ‘Willem het begin en gevolg’. Het bewuste fragment begint op 02:37 (geraadpleegd op 7 juni 2020).

[5] ‘V2-Raketten leken niet te verslaan’ (geraadpleegd op 7 juni 2020).

[6] ‘Rijswijk, Van Vredenburchweg / Prinses Beatrixlaan – Kapel Kruisvaarders van Sint Jan’ (geraadpleegd op 7 juni 2020).

Postuum

2019-12-18 13.17.26 (800x600)

Het overlijden van Willem van Genk op 12 mei 2005 kreeg weinig aandacht. Er waren enkele korte meldingen in landelijke dag- en weekbladen met algemene opmerkingen, halve waarheden en stereotype karakteriseringen van kunstenaar en werk. In Raw Vision, het tijdschrift dat exclusief aan outsider art was gewijd, was de ruimte die Nico van der Endt mocht gebruiken voor zijn In Memoriam gering. Desalniettemin wist hij in tweehonderd woorden een beeld te schetsen van het leven en de kunst van Van Genk, eindigend met de observatie: ‘With Van Genk the last of the great true Outsiders seems to have disappeared. His death marks the end of an era.’ [1]

Iets minder compact kon Marcel van Eeden zijn in zijn beschouwing voor het tijdschrift Kunstbeeld. [2] Van Eeden stak de loftrompet over zijn overleden collega, van wie hij een verklaard bewonderaar was (en is) en die hij in 2001 al eerde met een tekening met de opdracht ‘voor W.F.A.M. v. G.’ Het betrof een blik op het Centraal Station in Amsterdam in de jaren vijftig, geïnspireerd op de centrale voorstelling in het onderste deel van Van Genks collage Centraal Station Amsterdam (ca. 1965). In 2006 beleefde Van Eeden zijn internationale doorbraak op de Biënnale van Berlijn, met onder meer de serie tekeningen K.M. Wiegand – Life and work. De kameleontische Wiegand heeft in twee tekeningen het uiterlijk van Willem van Genk, waarbij Van Eeden zich baseerde op beelden uit de reportage van Brandpunt naar aanleiding van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid.

050 MvE vs. WvG

Links: tekeningen uit K.M. Wiegand – Life and Work (Marcel van Eeden). Rechts: stills uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid

Al enkele jaren vóór 2005 waren de collecties van zowel Stichting Collectie De Stadshof als Stichting Willem van Genk ondergebracht bij Museum Dr. Guislain in Gent, dat zichzelf omschrijft als ‘een cultureel ijkpunt met betrekking tot de geschiedenis van en actuele discussies over psychiatrie en geestelijke gezondheid, zorg, en kunst en waanzin’. [3] Het museum beschikte daarmee over veruit de grootste verzameling werken van Van Genk ter wereld. Was de collectie van Stichting Collectie De Stadshof duidelijk afgebakend, voor het bezit van Stichting Willem van Genk lag dit moeilijker. An Remmerswaal had ooit – formeel als bestuurslid van de stichting maar in feite op eigen initiatief – een aantal werken geschonken aan het museum in Gent, waarvan de katholieke signatuur aansloot bij haar eigen levensbeschouwing. [4]

Door de bijna onvermijdelijke betrokkenheid van Museum Dr. Guislain bij tentoonstellingen met werk van Willem van Genk was een psychiatrische context rond de kunstenaar nooit ver weg. Zo was in de zomer van 2008 in het Deutsches Architekturmuseum (DAM) in Frankfurt de tentoonstelling Heterotopia te zien, met als ondertitel Arbeiten von Willem van Genk und anderen. Het betrof een grote tentoonstelling in een gerenommeerd museum, waarbij een fraai uitgegeven catalogus hoorde met op het omslag Van Genks World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven). Toch ging het in de eerste alinea’s van het voorwoord al meteen over psychiatrische inrichtingen en kregen Guislain-medewerkers Patrick Allegaert en Frederik De Preester de gelegenheid om het werk van Van Genk in verband te brengen met psychotische wanen. [5]

Op instigatie van Museum Dr. Guislain verscheen in het najaar van 2010 het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, in samenwerking met Stichting Willem van Genk en met onder andere elf afbeeldingen van werken uit het bezit van Stichting Collectie De Stadshof. Een bijbehorende tentoonstelling onder dezelfde titel was te zien bij architectuurcentrum Casla in Almere, waar Ans van Berkum op dat moment directeur was. Van Berkum, voorzitter van Stichting Willem van Genk en hoofdauteur van Willem van Genk bouwt zijn universum, probeerde Casla (en Van Genk) ook in te zetten bij een plan voor een centrum voor outsiderkunst in Almere, maar dit plan strandde uiteindelijk. [6]

In het voorjaar van 2014 publiceerde Nico van der Endt een boek over zijn samenwerking met Van Genk, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking. Hoewel ook persoonlijke verhalen niet ontbraken, kenmerkte het boek zich vooral door een sobere objectiviteit met veel feiten, geldbedragen, tentoonstellingen en gebeurtenissen rondom Van Genk. Zoals Van der Endt tijdens de presentatie van het boek aangaf: ‘Ik heb opgeschreven wat ik nog weet, wat ik niet zeker meer weet heb ik niet opgeschreven.’ Die presentatie was tevens de opening van een tentoonstelling in Galerie Hamer met twaalf werken van Van Genk, uit eigen bezit en uit de collecties van particulieren, van Stichting Collectie De Stadshof en van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. [7]

Hoogtepunt in 2014 was een tentoonstelling in het American Folk Art Museum in New York, van 10 september tot 30 november: Willem van Genk – Mind Traffic, een coproductie met Museum Dr. Guislain. Naast zeventien grotere tweedimensionale werken en zes bus-assemblages waren er ook kleinere tekeningen en reisdocumenten te zien plus een ‘installatie’ van de raincoats. In de tentoonstelling waren slechts drie werken opgenomen van Stichting Collectie De Stadshof, die vrijwel tegelijkertijd in Parijs een eigen expositie had, Sous le vent de l’art brut 2. Collection De Stadshof. De tentoonstelling omvatte 350 werken van veertig kunstenaars, onder wie uiteraard ook Van Genk. In augustus was al een fors boek over de collectie verschenen, Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection.

050 Omslagen

In de zomer 2015 werd een kleiner (maar nog steeds omvangrijk) deel van de Stadshof-collectie getoond in het Gemeentemuseum in Den Haag, met opnieuw een belangrijke rol voor Van Genk. Ook nu was er een overlapping met een andere tentoonstelling met werk van Van Genk, Essenties I in Het Dolhuys in Haarlem. In Het Dolhuys was al in het oprichtingsjaar 2005 de expositie De wereld van Willem van Genk te zien geweest, een eerste samenwerking met Stichting Willem van Genk. Voor Essenties I was daarnaast geput uit de collectie van een nicht van Van Genk, die enkele jaren later twee werken aan het Haarlemse museum zou verkopen. De connecties met Stichting Willem van Genk bleken in 2016 nog nauwer te zijn geworden, toen het Dolhuys een speciale ‘Willem van Genk-kamer’ opende met werk dat was teruggehaald uit Gent. In 2017 werd Dolhuys-directeur Hans Looijen voorzitter van Stichting Willem van Genk. [8]

Een belangrijke gebeurtenis in 2016 was de opening van het Outsider Art Museum (OAM) in Amsterdam, een samenwerking tussen Het Dolhuys, de Hermitage Amsterdam en zorginstelling Cordaan, met als directeur Hans Looijen. [9] Stichting Collectie De Stadshof was vanuit Het Dolhuys benaderd voor structurele samenwerking, in de zin dat men voor het nieuwe museum vrijelijk wilde kunnen putten uit de collectie, maar de (exclusief) psychiatrische invalshoek vormde een onoverkomelijk obstakel. Hierdoor kwam nog meer nadruk te liggen op de collectie van Stichting Willem van Genk, die anderzijds de band met Museum Dr. Guislain steeds verder leek los te maken.

In mei 2019 verscheen tweede, ingrijpend gewijzigde druk van Dick Walda’s boek Koning der stations. Naast tekstuele aanpassingen, een andere structuur en vooral een geheel nieuwe vormgeving, had Walda ook een aantal tekstgedeeltes toegevoegd ten opzichte van de eerste druk, toen hij ‘uit coulance rekening [had gehouden] met de twee nog levende zusters van Willem van Genk, die hun broer altijd liefdevol bleven bejegenen. Walda wilde de dames absoluut niet confronteren met de vaak bizarre fantasieën en daden van hun broer.’ [10] Toegevoegd waren onder meer een verslag van een bezoek aan Jacqueline van Genk (‘Zal ik jullie wat eten voor thuis meegeven?’) en een tekst over Van Genks avonturen met de prostitué Zwarte Lola. [11] Jacqueline van Genk was in 2010 overleden, haar zuster Tiny in 2007.

Op 18 september 2019 opende in het Outsider Art Museum de tentoonstelling WOEST, aanvankelijk aangekondigd als Thrills of Power. Uitgangspunt was initieel geweest om alle traceerbare werken van Van Genk voor de tentoonstelling bijeen te brengen, maar dat plan moest al snel worden losgelaten. In het voorwoord bij de catalogus spreek Hans Looijen over ‘het kunsthistorisch onderzoek van curator Ans van Berkum’ voor de tentoonstelling, dat bij zou hebben gedragen ‘aan de verdere duiding van Van Genks oeuvre […]. Het OAM vindt het van cruciaal belang dat wetenschappelijk onderzoek naar leven en werk van Van Genk is gedaan’. [12] De getoonde tekeningen, schilderijen, collages en assemblages waren voor een belangrijk deel afkomstig van Stichting Willem van Genk en La Collection de l’Art Brut, aangevuld met werk uit de collecties van een aantal particulieren, Galerie Hamer en enkele Europese musea en instellingen. Stichting Collectie De Stadshof leverde slechts twee werken, waaronder Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waarmee de expositie opende.


 

NOTEN

[1] Nico van der Endt, “Obituary: Willem van Genk 1927-2005”, in: Raw Vision 51 (2005), p. 20.

[2] Marcel van Eeden, “Willem van Genk 1927-2005”, in: Kunstbeeld 30 (2005), nr. 6, p. IV (Kunstwereld).

[3] Website Museum Dr. Guislain.

[4] Mededeling Ans van Berkum, 15 november 2014. An Remmerswaal was bestuurslid van de Stichting Willem van Genk van de oprichting op 13 juli 2000 tot 7 april 2003.

[5] ‘Die Mythologie van Genks zeigt alle Symptome eines psychotischen Wahns auf.’ Patrick Allegaert en Frederik De Preester, “Andere Orte. Einige Betrachtungen über Raum und Kreativität”, in: Yorck Förster en Peter Cachola Schmal (red.), Heterotopia. Arbeiten von Willem van Genk und anderen, Frankfurt 2008, pp. 60-63 (aldaar 61).

[6] “Museum voor Outsiderkunst krijgt geen geld” (geraadpleegd 13 mei 2020). Zie ook dit document (geraadpleegd 13 mei 2020).

[7] Cf. Kees Keijer, “Van Genk zag alles”, in: Het Parool, 17 april 2014.

[8] “Bedrijfsprofiel – Stichting Willem van Genk” (Kamer van Koophandel), 17 februari 2018.

[9] Anna van Leeuwen, “Museum vol buitenbeentjes”, in: de Volkskrant, 16 maart 2016.

[10] Walda, Koning der stations (tweede druk), p. 231. Walda hecht er waarde aan te benadrukken dat zusters Tiny en Jacqueline de stille krachten achter Van Genk waren: ‘Die stille krachten werden door Willem met de grootst mogelijke tegenzin geaccepteerd. Maar Tiny en vooral Jacqueline zorgden er voor dat Willems kleding werd gewassen en gestreken en dat hij er uitzag als ‘een bankdirecteur uit Meppel’ zoals hij zelf eens vertelde.’ (E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 18 mei 2020)

[11] Walda heeft in zijn boek duidelijk nog een paar appeltjes te schillen met Ans van Berkum, curator An Remmerswaal en een nicht van Van Genk die zich volgens Jacqueline van Genk schilderijen van haar oom zou hebben toegeëigend. Over Van Berkum en An Remmerswaal: ‘De curator […] wilde ‘niets met de smerigheid’ van Van Genk te maken hebben en verbood Nico van der Endt en mij schriftelijk Willem langer te bezoeken. Wij trokken ons vanzelfsprekend van dat verbod niets aan. De zelfbenoemde expert van Van Genk’s werk speelde onder één hoedje met de curator en durfde zelfs in de rechtbank te melden dat (ik citeer even de griffier van de Haagse rechtbank): ‘Willem weer volop aan het werk is en door de komst van Van der Endt en Walda raakt de kunstenaar van slag.’ Willem was na zijn herseninfarcten tot niets meer in staat, laat staan ‘werken’.’ (p. 204)

[12] Hans Looijen, “Voorwoord”, in: Hans Looijen e.a., Woest, p. 5.

Knipsels

2018-09-19 09.30.26 (1024x721)

Zonder titel (Keulen, 1 mei) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

In de monografie bij de overzichtstentoonstelling in Museum De Stadshof in 1998 onderscheidt Ans van Berkum binnen het werk van Willem van Genk vier hoofdonderdelen:

Eerst is er het tweedimensionale werk, waarin hij schilderingen en tekeningen aaneenrijgt en af en toe ook reliëf aanbrengt. Daarnaast vormt zijn collectie regenjassen een wezenlijk onderdeel. De derde categorie bestaat enkele tientallen trolleybussen, die hij maakte van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal. Tenslotte is er het interieur van zijn flat aan de Harmelenstraat, een ‘Gesamtkunstwerk’. [1]

Twaalf jaar later zijn er van deze indeling nog drie onderdelen overgebleven en noemt Van Berkum achtereenvolgens ‘circa honderd tweedimensionale werken’ (waartoe zij ook Van Genks brieven rekent); ‘zijn collectie regenjassen’ (die volgens haar bewerkt zijn met insignes); en ‘enkele tientallen trolleybussen, die hij met behulp van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal vervaardigde, en die naar mijn mening een onderdeel vormen van de grote installatie Trolleybusstation Arnhem, die in zijn flat aan de Harmelenstraat in Den Haag in de woonkamer was opgesteld.’ [2]

Over deze indelingen van het oeuvre van Van Genk valt veel te zeggen. In het algemeen is het denk ik zinvol om in ieder geval het tweedimensionale en driedimensionale werk te onderscheiden. Binnen de eerste categorie vallen alle tekeningen, schilderijen, collages, etsen en litho’s die Van Genk maakte. Met name het onderdeel “tekeningen” is uitermate breed en omvat naast de stadspanorama’s en late balpen-tekeningen ook nog nauwelijks geïnventariseerd werk uit de jaren veertig en vijftig. Of ook de brieven tot het tweedimensionale werk moeten worden gerekend, is zeer de vraag. Weliswaar zijn het meestal opmerkelijke objecten die soms ook nog grotere of kleinere tekeningen bevatten, maar de documentatieve waarde lijkt groter dan de artistieke. Daarbij zou inclusief de brieven het aantal tweedimensionale werken vele malen groter zijn dan ‘circa honderd’. Het driedimensionale werk bestaat uit enerzijds de bus-assemblages en anderzijds het busstation. De regenjassen zijn in deze blog al uitgebreid aan de orde geweest, met als conclusie dat ze voor mij (en voor de meeste beschouwers) geen deel uitmaken van Van Genks oeuvre. Het interieur van de woning in de Harmelenstraat vormt een aparte categorie die ik op een andere plaats zal bespreken.

De tweede indeling van Van Berkum was in 2010 te lezen in het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, een gezamenlijke publicatie van Museum Dr. Guislain en Stichting Willem van Genk. Aanleiding was volgens het voorwoord vooral de toegenomen kennis van zijn werk; daarbij zouden ‘het belang van de medische achtergrond van Willem van Genk voor zijn oeuvre, evenals zijn liefde voor muziek, zijn encyclopedische fascinaties en zijn kijk op architectuur verder [zijn] onderzocht.’ [3] Waar men vraagtekens kan zetten bij de diepgang van dit onderzoek, zijn in ieder geval de illustraties in het boek de moeite waard. Naast werken die al bekend waren uit de monografie uit 1998 plus enkele nieuwe tekeningen en schilderijen, bevat de uitgave zo’n dertig ‘knipsels, uit de bibliotheek van Willem van Genk’.

Knipsels - KOLN 002

Detail titelloos document (ca. 1950)

De eerste tekst in Willem van Genk bouwt zijn universum, van de hand van Patrick Allegaert en Bart Marius, is getiteld “KUNST REIZEN BOEKEN De reisbibliotheek van Willem van Genk in Museum Dr. Guislain Gent”. Delen van de inboedel van Van Genk, met name diens boekenverzameling, waren na de onttakeling van het appartement in de Harmelenstraat terechtgekomen bij Museum Dr. Guislain. De auteurs betogen dat ook deze bibliotheek kan worden gezien als een onderdeel van het kunstenaarschap van Van Genk. Zoals Robert Geilfuss echter aangeeft, ligt hier een probleem:

Although Allegaert and Marius argue for the exceptional import of van Genk’s library, claiming that “it is part of his artistic production,” they only show how van Genk used his library as source material, an image bank to draw on and transform in his drawings, paintings, and collages: “And herein lies the importance of his library,” they write. “The realism and accurateness of his work were made possible thanks to the visual memory bank to which van Genk had access in his books.” It is not uncommon, however, for artists to use books as source material. What is uncommon is to consider the source material part of the artistic production. [4]

Evenmin als de regenjassen is voor Geilfuss daarmee de bibliotheek onderdeel van het oeuvre van Van Genk – waarmee nadrukkelijk niet is gezegd dat beide zaken, jassen en boeken, niet belangrijk kunnen zijn bij het begrijpen en interpreteren van dat oeuvre.

De zogenoemde “knipsels” zijn in de praktijk een aantal tekeningen en documenten van verschillende omvang, vaak met een uitgeknipt gedeelte; een enkele keer vormt juist dat uitgeknipte deel zelf het knipsel. Door het ontbreken van formaten in de bijschriften is het onmogelijk een goed beeld te krijgen van de afmetingen. Ook de titels variëren, naast de generieke naam ‘knipsel’ komt eveneens ‘zonder titel’ voor of zelfs een daadwerkelijke naam (‘Geldersche tramwegen’), waarna de materiaaltypering ‘knipsel’ is. De toevoeging ‘uit de bibliotheek van Willem van Genk’ doet vermoeden dat de tekeningen zijn aangetroffen in of tussen de boeken van Van Genk, maar ook dit is onduidelijk.

De in- of uitgeknipte tekeningen zijn uiteraard van groot belang bij onderzoek naar het werk van Van Genk, waarbij een eerste stap zou kunnen zijn om vast te stellen of, waar en hoe een uitgeknipt gedeelte is gebruikt in een groter werk. Ten tijde van de samenstelling van Willem van Genk bouwt zijn universum leek hier nog weinig aandacht voor te zijn: het tondo dat hoorde bij de ronde lacune in een tekening die was afgedrukt op bladzijde 8, was enkele pagina’s eerder op zijn kop afgedrukt onder de inhoudsopgave. Vier jaar later werd in een vitrine in het Gemeentemuseum in Den Haag het verband tussen beide delen van dezelfde tekening wél gelegd.

Knipsels - GTW 002

GTW Geldersche Tramwegen | ca. 1950  | gemengde techniek op papier | 47 x 62 cm | Museum Dr. Guislain, Gent

De tekening GTW Geldersche tramwegen is in het boek twee keer afgebeeld, op de achterkant van het omslag en op bladzijde 34. Uit de tekening is een tondo geknipt dat eveneens in het boek te vinden is, zij het met moeite: op bladzijde 49 is het werk Urbanisme et Architecture (ca. 1965) te zien, waar Van Genk in het middendeel het uitgeknipte tondo heeft gebruikt. De associatie is duidelijk: het tondo bevat een schematische weergave van het openbaar-vervoernet in en rond Arnhem, de stad die ook het onderwerp vormt van het middendeel van Urbanisme et Architecture. [5]

Knipsels - GTW 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

Blijven we bij Urbanisme et Architecture, dan zien we in het linkerdeel van dat werk in uitgeknipte letters het woord KOLN staan. Waar dit linkerdeel vooral gewijd lijkt te zijn aan Stockholm, is ook Duitsland in het algemeen en Keulen in het bijzonder meerdere malen vertegenwoordigd. Naast de letters zien we onder meer afbeeldingen van de spitsen van de Keulse Dom tijdens onweer en een tondo met daarin de bovenleidingen van een Duitse spoorweg. [6] Een deel van het document waaruit de letters K O L N zijn geknipt, is afgedrukt op bladzijde 8 van Willem van Genk bouwt zijn universum. Het betreft een lijst met boeken over vooral Duitsland met de titel Plaatwerken land en volkerenkunde. De letters K O L N zijn geknipt uit het gedeelte over Duitsland, waardoor vorm en inhoud met elkaar in relatie staan.

Knipsels - KOLN 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

We stuiten hier op een principe dat Van Genk vaker toepaste: letters werden geknipt uit een door hemzelf opgesteld document dat informatie bevatte over het land of de stad waarop het door de letters gevormde woord betrekking had. Ook in Brooklyn Bridge (ca. 1970) is dit aanwijsbaar: de woorden USA (links aan de onderkant) en AMERICANO (midden onder) zijn opgebouwd uit letters die zijn geknipt uit documenten over de Verenigde Staten. In USA is aan de bovenkant leesbaar “Werken (Lektuur) der U.S.A.” en betreft het duidelijk een literatuurlijst. In het geval van AMERICANO gaat het om een document met topografische informatie, met aanduidingen als 42e straat, Riverside Park, Yosemitedal en Los Angeles. In het middendeel van Urbanisme et Architecture is het woord ARNHEM opgebouwd uit letters die geknipt zijn uit een document over de tram- of trolleylijnen in die stad: lijn 1 – Velp – Arnhem – Oosterbeek.

Knipsels - BB 001

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

Een laatste opmerking over Urbanisme et Architecture betreft een detail in het rechterdeel, waar Moskou centraal staat, met uiteraard ook verwijzingen naar 1 mei. Aan de bovenkant is een tondo aangebracht met een afbeelding van een 1 mei-optocht, waarbij de deelnemers zich echter niet in Moskou bevinden maar in Keulen: de teksten op de meegedragen borden zijn in het Duits, op de achtergrond is HOTEL KÖLNERHOF te zien. De tekening waaruit het tondo afkomstig is bevindt zich eveneens in Museum Dr. Guislain, kon ik in het najaar van 2018 vaststellen. Er valt daar nog veel te ontdekken.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 25.

[2] Van Berkum, “Een vogel boven de stad”, pp. 57-58. Als onderbouwing van de opvatting dat alle trolleybussen onderdeel vormen van de busstation-installatie, haalt Van Berkum in noot 44 een uitspraak aan die ze toeschrijft aan Nico van der Endt (ibid., p. 101). De geciteerde uitspraak is echter afkomstig van Caroline Satink, Van der Endt is deze mening juist níet toegedaan.

[3] Patrick Allegaert & Annemiek Cailliau / Ans van Berkum, “Woord vooraf”, in: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 4.

[4] Wikipedia, “Willem van Genk” (geraadpleegd op 4 mei 2020). Geilfuss schreef het lemma in 2014 aan de hand van Engelse teksten over Van Genk, tijdens een stage bij het American Folk Art Museum (e-mail van Robert Geilfuss aan Jack van der Weide, 10 oktober 2014).

[5] Een grotere afbeelding van Urbanisme et Architecture is te vinden in Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 62-63. Van Berkum in haar bespreking van dit werk: ‘Opvallend in dit werk is de plaats die Van Genk inruimt voor de stedelijke vervoerskanalen.’ (ibid., p. 63)

[6] Dat het om een Duitse spoorweg gaat wordt aangegeven door het logo DB en de tekst DIE DEUTSCHE BUNDESBAHN WÜNSCHT IHNEN EINE AANGENEHME REISE! De tekening waaruit dit tondo is geknipt, was eveneens in 2014 in het Gemeentemuseum in Den Haag te zien.

Zwakzinnigen nazorg (3)

Dit is het derde en laatste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier.

ZZN - detail 004

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg lijken de afbeeldingen in de twee onderste stroken van het werk het meest persoonlijk te zijn. De afbeelding in vlak 10, links naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een gevelrij met enkele huizen en een fabrieksgebouw. Tegen de huizen staat een handkar geleund, voor de fabriek komt een kar met twee paarden voorbij. Bovenop de fabriek staan de letters ZHB, aan de voorkant is graffiti aangebracht: CPN LIJST 6. Vlak boven de letters ZHB staat Heineke, in de rechter benedenhoek den Haag Sirtemastraat. Rechtsboven staan omlijnd de woorden Thans gesloopt, daarnaast “Schroeder [onleesbaar],  daaronder PSYCHIATRIE IN DE USSR.

ZZN - detail 005

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

De woorden Thans gesloopt hebben betrekking op het fabriekscomplex eronder, van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB). Het complex werd in 1881 in gebruik genomen, werd in 1974 gesloten en gesloopt, en grensde inderdaad voor een deel aan de Haagse Sirtemastraat, zoals expliciet aangegeven door de kunstenaar. Belangrijker binnen de autobiografie van Van Genk is echter het enigszins uitspringende pand náást het complex. Op deze plaats, Sirtemastraat 179, was de sociale werkplaats van de Vereniging Schroeder van der Kolk gevestigd, waar Van Genk vanaf het einde van de jaren veertig tot 1964 “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. De tekst VOORMALIGE GEESTESZORG in het aangrenzende vlak 11, met een pijl naar vlak 10, bevestigt dit. Met die kennis ontstaat er een sterke relatie met de ZWAKZINNIGENNAZORG in het centrale vlak 1. Ook wordt een verband gelegd met nog een ander motief uit met name vlak 1, de verhouding tussen Nederland en de Sovjet-Unie, via de tekst PSYCHIATRIE IN DE USSR en zelfs de graffiti CPN LIJST 6.

De afbeelding in vlak 12, rechts naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een vrouw naast een auto. Ze draagt een geel-rood-bruin geruite jas en heeft lang bruin haar. Vanaf haar oog loopt een stippellijn naar rechts, als om aan te geven dat ze ergens naar kijkt – haar rechterarm is geheven, mogelijk richt ze een pistool op iets of iemand. De rode auto heeft aan de bovenkant van de achterruit een Datsun-logo, op de kofferruimte staat DATSUN. Op de muur achter de auto staat in krullende letters Salon Amércain en TARIEF; links is een klein stukje van een kapperspaal te zien. Over de auto staat in blauwe letters BOUWEN  IN HET DERDE RIJK G. TROOST. [1] Enerzijds is er daarmee een verband met het motief van gebouwen en sloop, ook via het automerk Datsun – vgl. DATSUN CENTER op de nieuwbouw in de grote afbeelding rechts van het portret. Anderzijds kent de afbeelding een duidelijk autobiografische component in het lange haar van de vrouw en haar voorgenomen of juist afgelegde bezoek aan de kapsalon Salon Amér[i]cain, een expliciet verwijzing naar het haarfetisjisme van Van Genk.

Dat laatste element keert terug in de afbeelding in de onderste strook van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waar een kapsalon te zien is met twee klanten wier haren worden gewassen door twee kapsters. In de ruimte ernaast zijn twee andere kapsters twee mannen aan het scheren. Op de ramen/muren staat HOOGKATHARIJNE, STATIONSKAPPER en 4711. Van Genk toont hier een voor hem uiterst opwindende (en dus zeer persoonlijke) scène, die ook in narratieve zin een voortzetting zou kunnen zijn van de afbeelding van de vrouw bij de Datsun: ze stapt uit de auto bij een kapper en laat daar haar haar wassen.

Rond het tafereel in de kapperszaak zijn drie tondo’s aangebracht die er inhoudelijk weinig verband mee lijken te hebben: de afbeeldingen links (kleiner) en rechts zijn vrijwel identiek en tonen een koetsier op de bok van een koets, met op de achtergrond een gebouw met een toren. [2] De koetsier draagt een zwarte jas, een hoge hoed en een bril. Het middelste tondo toont twee kussende vrouwen, waarschijnlijk op een vliegveld: boven hen staat de tekst KLM SCHIPHOL, ernaast LUFTHANSA, SOVIET AIR, EL AL air, POLSKI AIR en IBERIA. Zowel de koetsier als de kussende vrouwen (met lang haar) lijken een kledingstuk te dragen dat voor Van Genk eveneens een seksuele lading had, een lange plastic regenjas of raincoat.

Is de seksuele lading van sommige afbeeldingen in het onderste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg impliciet, de teksten zijn dat minder. MENSCH UND SEXUALIÄT DR. FRIEDRICH DAMASKOW staat links van het kleinste koetsier-tondo, met daaronder GAY-INT. [3] Ook andere teksten in dit deel van het werk verwijzen specifiek naar (homo)seksualiteit, vrijwel steeds in een Duitse context. Links naast het tondo met de kussende vrouwen staat RWV BERLINER SCHWULEN ’81 der ROSA WINKEL VERLAG, rechts onder andere PRINZ EISENHERZ en HIRSCHFELD. Respectievelijk gaat het daarbij om een Duitse uitgeverij en een boekhandel in Berlijn die voortkwamen uit de Duitse homobeweging, en een Duitse seksuoloog wiens werk onder meer gericht was op de emancipatie van homoseksuelen (Magnus Hirschfeld).

ZZN - homoseksualiteit

Middelste foto: in het appartement van Willem van Genk

Elders in Zelfportret – Zwakzinnigennazorg treffen we eveneens tekstuele verwijzingen naar homoseksualiteit aan. Het meest opvallend zijn uiteraard de prominente roze en paarse driehoeken in de zes rood-gele vlakken met voornamelijk tekst. Homoseksuelen als groep lijken door Van Genk te worden geschaard in het kamp van de onderdrukten, net als ‘onvolwaardige’ zwakzinnigen. Zijn verhouding tot homoseksualiteit was complex en komt onder meer naar voren in De grote naïeven (ca. 1975) en Pink Pronkjewail (ca. 1985). Na de deceptie van het communisme zocht Van Genk een andere groepering waar hij bij kon horen, en in combinatie met twijfels over zijn seksuele identiteit dacht hij die in de jaren zeventig en tachtig gevonden te hebben in de homobeweging. Op Zelfportret in De Ark staat te lezen “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Nico van der Endt, naar aanleiding van de tekst: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee nee, dat was een vergissing”.’ [4]

ZZN - signatuur

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is gesigneerd in het vlak met paarse driehoeken onder de centrale afbeelding.  Naast het logo met zijn naam, woonplaats en het jaartal 1975, is een plakbanddoosje met een stuk plakband afgebeeld: NITTO Plastic Tape Highest Quality. Willem van Genk toont zich in dit zelfportret een kunstenaar die gebukt gaat onder kwalificaties van onvolwaardigheid of zwakzinnigheid, die worstelt met zijn seksuele driften en twijfels, en die het Amerikaans/Japanse kapitalisme beschouwt als de boze macht achter de sloop van monumentale gebouwen. Tegen de macht van dat kapitalisme is hij echter niet opgewassen, hij is er zelfs van afhankelijk. De Nitto-tape is Made in Japan, de kunstenaar kan niet anders dan werken met het materiaal (tape, verf, lak, spijkertjes, boardplaten) dat hem wordt verstrekt door het grootkapitaal dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zijn stad. [5]


NOTEN

[1] Bouwen in het Derde Rijk is de Nederlandse vertaling van Das Bauen im Neuen Reich uit 1943 van kunsthistorica Gerdy Troost, echtgenote van nazi-architect Paul Troost.

[2] In het rechter, iets meer gedetailleerde tondo staan boven de koets de letters C.R.M.

[3] In de reeks Mensch und Sexualität van uitgeverij Wilhelm Heyne verscheen in 1972 als nummer 25 Fetischismus. Abart oder Stimulans van de Duitse seksuoloog Friedrich Damaskow. Mogelijk was dit één van de boeken die Van Genk leende van zijn psychiater Hans Grelinger. In de woorden van zuster Tiny in de documentaire Ver van huis: ‘En dat Wim … die heeft zijn probleem, hij heb een probleem … en dat heeft-ie in de boeken … die dokter, die psychiater die die eerst had, die is ook al een tijdje dood, en die begreep ‘m, en die gaf ‘m zíjn boeken, want Wim was ‘r zuinig op, en dan mocht-ie lezen of zijn probleem misschien in die boeken … dat-ie dat … dat het daarin stond, maar die dokter zei tegen mij: het bestaat, dat probleem, maar niet in de … hij heb ’t heel erg, hè? Zijn mensen die het hebben …  hairfetiïsme, hè? … die dat hebben, maar hij heb ’t heel erg.’

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[5] Het LaM in Lille bezit een aantal documenten van Van Genk met aantekeningen van of voor zijn buitenlandse reizen. Een van deze documenten heeft betrekking op een bezoek aan Berlijn in de zomer van 1981 en vermeldt onder meer ‘Buchladen Prinz Eisenherz’ en ‘”Fetischismus” Abart oder Stimulans / Dr. Friedrich Damaskow’.

Zwakzinnigen nazorg (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen.

ZZN - detail 001b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wordt het centrale portret van Willem van Genk geflankeerd door twee vlakken waarop de sloop van gebouwen is afgebeeld. Links (vlak 2) zien we een kerk die wordt afgebroken. [1] Uit de muren die nog overeind staan steken metalen spijlen, enkele glas-in-lood ramen lijken nog intact. Aan de linkerkant is de arm van een kraan met een sloopkogel te zien, op een muur bevinden zich vijf bouwvakkers in overall met hamers en houwelen. Op een schutting staat in witte letters AANN. BEDRIJF de WILDE B.V. met daaronder SLOOP, waarbij de twee O’s in een gezichtje met bril zijn verwerkt. Rechts staat op een schutting, eveneens in witte letters, HIER KO BEJAARD HUIS RK, daaronder in blauwe letters WANTED en daar weer onder in geel, groen en bruin van 8t. Naast de afbeelding staat in ballpoint: Monumentensloperij in Nederland; Wat stelt de zg Heemschut-serie in de praxis voor? Kunst voor wie? Afbeelding: de sloping der Haagse St Jozefkerk, armen wijk … [2]

De rechter afbeelding (vlak 3) toont eveneens een gebouw dat wordt afgebroken, met op de achtergrond het skelet van een nieuw gebouw. Naast het gebouw in afbraak staat een kraan op rupsbanden met een sloopkogel, met op de cabine de tekst MADE in USA. De kogel heeft een bres geslagen in het slooppand, één muurdeel lijkt om te vallen. In de graffiti op het gebouw is SLOOP ZIONISM en twee keer SLOOP te lezen. Het blauw skelet van het nieuwe gebouw draagt links de tekst Hier komt Louwman N.V., rechts DATSUN CENTER en daartussen enkele Oosters aandoende karakters met daaronder NISSAN. Boven DATSUN CENTER staat, moeilijk leesbaar, Parqui b.v. en E.V.N. Louwman & Brouine. De tekst in ballpoint naast de afbeelding: Haage huizen en gebouwen / 7 eeuwen bouwkunst in de hofstad … 7 eeuwen sloop en afbraak / het sanneeringsmonster Binnenhof …

In haar interpretatie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wijst Ans van Berkum op het belangrijke motief van ‘de sloop en opbouw van zijn stad Den Haag; een activiteit die [Van Genk] meestal met scepsis beschouwt’. [3] Inderdaad had de kunstenaar grote moeite met de veranderingen in Den Haag, de stad waar hij vrijwel zijn gehele leven woonde. De ingevoegde tondo’s in de beschreven vlakken kunnen nader licht werpen op de context van die veranderingen in zijn werk. Aan de linkerkant beginnen we nog een stap eerder met de afbeelding in vlak 7. Ook hier is een kerk afgebeeld die wordt afgebroken, het uiteinde van een kraan met een sloopkogel komt boven het gebouw uit. Op de achtergrond zijn de contouren te zien van een bouwskelet, rechtsboven is een tekst toegevoegd: den Haag afbraak Regentessekerk 74, met eronder op last v. CRM.

De Regentessekerk was een hervormde kerk die aan het Regentesseplein in stond. De kerk werd tussen 1899 en 1901 gebouwd, sloot in het begin van de jaren zeventig haar deuren wegens teruglopend kerkbezoek en werd in 1974 gesloopt. De Sint-Josephkerk in het vlak eronder was een rooms-katholieke kerk in de Schilderswijk in Den Haag die tussen 1886 en 1888 werd gebouwd. Ook hier was teruglopend kerkbezoek er de oorzaak van dat de kerk in 1971 werd gesloten en in 1974-1975 gesloopt. Of het gebouw in vlak 3 eveneens de Sint-Josephkerk voorstelt, is onduidelijk, al wordt dit wel gesuggereerd door de symmetrie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.

ZZN - Afbraak Jozefkerk

Ca. 1975, afbraak Sint-Josephkerk (foto: J.H. van As )

Het tondo linksboven in vlak toont de Sint-Josephkerk vóór de sloop – thans gesloopt staat in vage letters boven het dak van het middenschip. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in groene letters tegen een oranje achtergrond: OPENBAAR KUNSTBEZIT N.T.S. B.R.T. RADIO T.V. HAAGSCHE HUIZEN EN GEBOUWEN V.V.V. [onleesbaar] ABBONNEEER U OP [onleesbaar]. Rondom de buitenrand staat in gele letters eveneens een tekst: den HAAG en WIJ BOUWEND ’s GRAVENHAGE … IN BEELD RE [onleesbaar] V.V.V. [onleesbaar]. Vanuit dit tondo wijst een groene pijl naar de afbeelding eronder, opnieuw een tondo met de Sint-Josephkerk maar nu inclusief de arm van een kraan met een sloopkogel (opschrift: MADE IN USA) die een bres heeft geslagen in het dak van het middenschip. Rond het tondo staat in rode letters de tekst van STADVERNIEUWERIJ TOT STADVERNIELERIJ STICHTING: BEJAARDENHUIS REVALIDATIE … Een uitgaande groene pijl wijst naar de hoofdafbeelding in vlak 2, waar de sloop van de kerk in volle gang is.

ZZN - detail 002b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk verwijt landelijke en vooral lokale bestuurders dat zij monumenten slopen, zo lijkt het, met als voorbeeld de Sint-Josephkerk. Vanuit de hoofdafbeelding in vlak 2 loopt een pijl naar een derde tondo, waarin een tekenaar of architect aan het werk is. Op het vel papier voor hem staat een lijnenstructuur met daarboven de teksten AFD. SLOOPKERKEN ’74, BLUE PRINT ’75 en GEM. WERKEN. Boven hem hangt aan de muur een afbeelding van een halfnaakte vrouw met de teksten BROADWAY en show biz ness. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in blauwe letters tegen een witte achtergrond: van HOUTEN HAM tot BALLAST NEDAM RECONSTRUCTIEPLAN ’s GRAVENHAGE B.V. OPENBAAR KULTUURBEZIT ’74-75 STICHTING BEJAARDENHUIS A [onleesbaar]. Rondom de buitenrand, in gele letters: IN HET GOUDEN ATOOMTIJDPERK PANIEKRAPORT 034 CALCAR PRESTIGE OBJECTEN [onleesbaar].

Dat de kranen die de sloopwerkzaamheden uitvoeren het opschrift MADE IN USA krijgen, is de meest directe uiting van de opvatting (van Van Genk) dat het kapitalisme ten grondslag ligt aan de vermeende afbraakwoede van de gemeente. In dat opzicht is ook de ‘decadente’ afbeelding aan de muur van de tekenaar veelzeggend. Handlanger van de Verenigde Staten is in dit wereldbeeld Japan, meer in het bijzonder de Japanse auto-industrie. De afbeelding aan de rechterzijde van het centrale portret wordt nu duidelijker: een modern gebouw van Datsun/Nissan is in aanbouw vlak naast de plaats waar een monument wordt gesloopt. De namen Louwman en Parqui, Haagse importeurs van Japanse auto’s, zorgen voor de connectie met de gemeentepolitiek.

ZZN - detail 003b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk laat weinig misverstanden bestaan over relaties die er zouden zijn tussen verschillende, in zijn ogen abjecte praktijken. Hij schildert een groene pijl tussen de nieuwbouw van Datsun/Nissan en een tondo met zes Arabische mannen, die lachend een rund de keel doorsnijden. Aan de pijl voegt hij bovendien een stralende zak met een dollarteken toe – Amerikaans geld, het kapitalisme, is de oorzaak van alle kwaad. Aan de binnenrand van het tondo staat met rode letters tegen een gele achtergrond LEVE DE DIERENBESCHERMING MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR ’74. Rondom de buitenrand, in rode letter: WORLDRELIGIËNS DIE BIROBIDSJANER STERN DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME S.O.S. Dus: de auto-industrie is een symptoom van dat kapitalisme, het kapitalisme is een vorm van fascisme (MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER), het kapitalisme heeft een verbond gesloten met de Arabische wereld (FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR), de zwaksten van de samenleving – hier: dieren – zijn vooral het slachtoffer (LEVE DE DIERENBESCHERMING), het conflict in het Midden-Oosten is een strijd tussen kwaad en goed (DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME) en ook in de Sovjet-Unie woedt deze strijd, rond de Joods-autonome enclave Birobidzjan (DIE BIROBIDSJANER).

Met de twee andere tondo’s in vlak 3 wordt aangegeven dat er ook een relatie is tussen de auto-industrie en de Sovjet-Unie. Van Genk verwijst in het meest rechtse tondo naar Toljatti, een stad aan de Wolga die ook wel de ‘autohoofdstad van Rusland’ werd genoemd. De in Toljatti gevestigde fabriek AvtoVAZ, waar onder andere Lada’s werden geproduceerd, werkte sinds het begin van de jaren zeventig samen met Fiat. Kapitalisme en communisme zijn daarmee één pot nat (MULTINATIONALS AN DER WOLGA). Het andere tondo brengt vervolgens ook het communisme weer in verband met de afbraak van monumenten (ZERSTÖRT BERLINER STADTSCHLOSS DDR), evenals het fascisme (BEELD UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG DE VERNIETIGING VAN […] CENTRUM VAN WARSCHAU).

De houding ten opzichte van landen als Duitsland en de Sovjet-Unie is bij Van Genk een dubbele: ze schrikken af en trekken aan. Vijf van de zes vlakken in het bovenste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bevatten steeds in tekst of beeld verwijzingen naar vliegtuigen of vliegreizen in combinatie met de reeds genoemde landen. Met name de Sovjet-Unie (of in bredere zin Oost-Europa) lijkt aantrekkingskracht uit te oefenen. Vanaf het midden van de jaren zestig, als hij zelf waarschijnlijk zijn eerste vliegreizen heeft gemaakt, is luchtvaart sterk vertegenwoordigd in het werk van Van Genk. Er is een nadrukkelijk verband met het autobiografische motief: de in vlak 1 prominent genoemde VERENIGING NEDERLAND USSR (VERNU) organiseerde reizen waarmee belangstellenden per vliegtuig de Sovjet-Unie konden bezoeken. Van Genk maakte hier veelvuldig gebruik van, ook nog nadat de communistische heilsstaat voor hem van haar voetstuk was gevallen.


 

NOTEN

[1] De nummers van de vlakken corresponderen met die in het schema uit het eerste deel van deze analyse.

[2] De Heemschutserie was een serie boekjes die tussen 1940 en 1954 verscheen. De verschillende delen gingen over specifieke steden of dorpen, dan wel aspecten van architectuur, volkskunst of landschap. In 1943 verscheen als deel 27 De historische schoonheid van ’s-Gravenhage, door Hendrik Enno van Gelder.

[3] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 48-49.

Keleti

Keletistation Budapest (766x800)

Keleti Station | ca. 1980-1990 | gemengde techniek op karton | ca. 91 x 72 cm | The Museum of Everything, Londen

Willem van Genk tegen Dick Walda, zoals opgetekend door die laatste in zijn boek Koning der Stations: ‘Het allermooiste station van Europa vind ik het Kalettistation van Boedapest, dat ligt als een koningin in een plantsoen. Mooie bloemperken er omheen. Je vermoedt niet dat daar dreigende perrons achter zitten. Je denkt dat je een kathedraal binnen loopt, zo groots, zo monumentaal. Jaren geleden ben ik dat station gaan schilderen, maar er kwam steeds meer bij. Het staat nog steeds in m’n slaapkamer, boven m’n opklapbed.’ [1] Later in zijn boek, in een aantekening gedateerd 4 maart 1997, beschrijft Walda een werk van Van Genk waarop het genoemde station is afgebeeld:

Een van de allerfraaiste tableaus van Van Genk bestaat uit vier lagen: ooit begon hij aan het Boedapester Kaletti-station. Ik herinner mij nog hoe hij er jaren geleden drukdoende mee was. Hij zette zijn kunstwerk zo neer, dat hij er vanuit zijn opklapbed naar kon kijken. Later bevestigde hij er een stuk hardboard onder en maakte daarop het Berlijnse station, met o.a. het opschrift ‘Bezoek het druivenfeest in Naaldwijk’. Daaronder kwam de New Yorkse subway. Van Genk was blijkbaar niet te stuiten en verzon er nog een vierde laag onder: de Moskouse metro. Je ziet een wirwar van treinen, perrons, dicht op elkaar gepakte mensen. Voorzichtig informeer ik hoe lang hij eraan heeft gewerkt. Van Genk denkt en zucht. — Dat gevraag van jou. Waarom heb ik al die stations boven mijn bed gemaakt? Ik weet het niet. Het moest gewoon gebeuren. [2]

Het betreft hier het werk dat we kennen onder de naam Keleti Station of Keleti. Inderdaad bestaat dit werk in grote lijnen uit vier lagen of stroken. De bovenste strook toont het kopstation Budapest Keleti pályaudvar (“ooststation”) uit 1884 vanaf de buitenkant. De afbeelding maakt de indruk te zijn afgesneden aan de onderkant en de zijkanten. De tweede strook bestaat uit een aantal kleinere afbeeldingen die bijna alle te maken hebben met openbaar vervoer in met name Berlijn. Daar weer onder bevindt zich een strook met een scène in een metrowagon in New York. De onderste strook bestaat opnieuw uit een aantal kleinere afbeeldingen, die alle de metro tot onderwerp hebben. Rondom het werk zijn negen kleine plaatjes met afbeeldingen aangebracht, waardoor het werk geen egale zijden heeft.

In 1979 legt Galerie Hamer het eerste contact met La Collection de l’Art Brut in Lausanne met betrekking tot Van Genk, een jaar later leidt dit tot de eerste aankopen van die collectie: Collage ’78 en Parnasky Culture, elk voor fl. 3000. [3] Het gaat wat ver om te zeggen, zoals Ans van Berkum doet, dat Keleti Station die eerste contacten ‘reflecteert’, maar inderdaad zijn er in het werk verwijzingen naar Lausanne en art brut te vinden. Van Berkum signaleert drie keer de woorden ART BRUT in de bovenste laag van Keleti Station. In de onderste laag zijn de woorden The Lausanne Métro te vinden. [4]

Keleti detail I

Detail Keleti Station (ca. 1980-1990)

Minstens zo belangrijk zijn de verwijzingen van Van Genk in Keleti Station naar zijn eigen werk in de tweede, ‘Berlijnse’ strook. Twee van de afbeeldingen daar blijken herhalingen op kleine schaal te zijn van oudere werken die hij aan het begin van de jaren tachtig niet meer in zijn bezit had en dus waarschijnlijk uit zijn hoofd heeft nageschilderd. Allereerst is linksonder in de strook het werk herhaald dat we kennen onder de naam Station Berlin Ost. Het was in het midden van de jaren zestig gemaakt en was te zien op de tentoonstelling De eigen wereld van 12 vrijetijdsschilders (1967) in de Haarlemse Vishal. In de catalogus bij die tentoonstelling werd het omschreven als Berlijn (1964-1966)’. Station Berlin Ost maakte deel uit van een aantal werken die Dick Heesen in 1976 had verkregen ‘als betaling voor onkosten’. Van der Endt verkocht het aan dezelfde verzamelaar die eerder een van de twee Hilversumse Leningrad-tekeningen verwierf. [5]

Berlin Station Ost

Station Berlin Ost | ca. 1965 | olieverf op board | 65 x 51 cm | coll. De Ruuk, Amsterdam

Keleti detail II

Detail Keleti Station (ca. 1980-1990)

Een tweede verwijzing naar eigen werk bevindt zich rechtsonder in de strook. In dit geval gaat het om Bahnhof Friedrichstrasse, een klein schilderij dat in bezit was van Joop Beljon en dat pas recentelijk weer opdook. [6] Nadat Ans van Berkum een afbeelding ervan had gezien in een boek van Beljon, [7] legde zij contact met diens zoons die het in hun bezit hadden. Zijn het bij Station Berlin Ost met name de rode trein links en het plafond van het station die duidelijk overeenkomen (en uiteraard het bord met de tekst BERLIN OST), bij Bahnhof Friedrichstrasse vallen vooral de twee vrouwen in het midden van de afbeelding op. Meer in het algemeen tonen de twee ‘reproducties’ welke beeldelementen voor Van Genk belangrijk waren.

Bahnhof Friedrichstrasse

Bahnhof Friedrichstrasse | 1964 | olieverf op board | 17,5 x 25 cm | coll. Joop Beljon, Strijen

‘Het schilderij is onvoltooid gebleven’, aldus Nico van der Endt in 2014 over Keleti Station. [8] Volgens hem was het de methode van Van Genk bij de werken op board om eerst de afzonderlijke plaatjes te beschilderen en deze daarna samen te voegen. Keleti Station vormde hierop een uitzondering, daar begon hij al te timmeren toen het werk nog niet klaar was. [9] Uit de opmerkingen van Dick Walda valt inderdaad op te maken dat sprake is geweest van een dergelijk proces, waarbij het werk min of meer organisch in omvang toenam zonder dat het ooit werd afgerond. Van der Endt dacht Keleti Station (‘dat hij met nog meer kleine zijpaneeltjes wilde voltooien, maar wat nooit meer is gebeurd’) in 2000 te verkopen aan een Duitse verzamelaar voor fl. 35.000 maar besloot het uiteindelijk toch zelf te behouden. [10]

Eind 2004 verkocht hij het werk alsnog aan de Amerikaanse galeriehouder Andrew Edlin. Deze toonde het in januari 2005 op de Outsider Art Fair in New York. The New York Times hierover: ‘Andrew Edlin has the leading candidate for best in show. This is “Keleti Station” (1980-1990), possibly the first painting to be exhibited in this country by Willem van Genk […]. Mr. Van Genk’s consuming fascination with transportation is powerfully represented here by this densely worked multi-tiered amalgam of above- and below-ground panoramas; depicted are subways and train stations from around the world, New York included’. [11] Edlin verkocht het werk ‘voor een bedrag met tenminste zes cijfers’, waarmee Van Genk op dat moment de duurst levende outsiderkunstenaar werd. [12] Keleti Station kwam uiteindelijk terecht in de collectie van het Museum of Everything van James Brett.


 

NOTEN

[1] Dick Walda, Koning der stations, p. 23.

[2] Idem, p. 129.

[3] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 43-45.

[4] Ans van Berkum, “Zijn leven tekenen. Willem van Genk en de kunstwereld”, in: Marjan Teeuwen (red.), Tekenen des tijds (‘s-Hertogenbosch 2002), pp. 28-35.

[5] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[6] Cf. een artikel op de website van het Outsider Art Museum (geraadpleegd 25 januari 2020).

[7] J.J. Beljon, Ogen Open (Amsterdam 1987), p. 125.

[8] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[9] Mededeling Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 25 november 2015.

[10] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 121-123.

[11] Roberta Smith, “Untamed Art From the Fringes Is a Gust of Bracing Air”, in: The New York Times, 28 januari 2005.

[12] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 125. Van der Endt dateert de verkoop aan Edlin abusievelijk enkele jaren te vroeg.

USA

USA

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

In het interview met Bibeb uit 1964 kwamen de reiswensen van Van Genk al aan het begin ter sprake. Via Brattinga was er op dat moment uitzicht op een reis naar de Verenigde Staten in combinatie met een tentoonstelling daar, maar de kunstenaar zelf wilde eerst naar Moskou. Zwager Peter Persoon was daar geen voorstander van: ‘’t Is verstandiger eerst naar de States te gaan. De kans bestaat, als je eerst naar Moskou gaat, dat je Amerika niet meer in komt.’ [1] In een al eerder geciteerde brief aan Brattinga woog Van Genk braaf de voors en tegens van beide reisbestemmingen af, maar het was wel duidelijk waar zijn hart lag:

Nu die Amerikaanse reis had ik gaarne ’t volgend jaar gemaakt, de Amerikaanse reis kost (f 2.677) tweeduizendzeshonderdzevenenzeventig gulden hierbij zijn excursies per bus door New York en Washington (DC) bezocht wordt New York na een vermoeiende reis vol gevaren van 8 uur … per vliegtuig wordt New York (city) doorkruist per tourbus. […] New York … met zijn Hudsonrivier en negersongs en chinezenstad deze reis duurt … 20 dagen. Van New York gaat de reis naar Washington (DC) met herinneringen aan (wijlen) Kennedy en Pittsburg (hel zonder deksel) staalfabrieken, Detroit hier worden de Fordautofabrieken bezocht vervolgens Buffalo Niagara watervallen Toronto (Canada) Montreal de grote stad … met wolkenkrabbers Burlington (ook bij Boston) alles wordt per continental Trailways in de USA bereden (tourbus) En de Wereldtentoonstelling het gebouw der verenigde Naties Dit is de Amerikaanse reis, de reis gaat per KLM weer terug n. Amsterd. Geachte lezer ik had ’t liefst deze reis ’t volgend jaar gemaakt. Ik weet niet hoe die reis van de ‘Islander’ er uit gaat zien, doch 8 uur vliegen in eens wel te veel van ’t goede, er blijft altijd een risico aan. [2]

Van Genk legde de nadruk op het financiële aspect en de reisduur, maar ook zonder die twee zaken was zijn voorkeur zonneklaar.

Amerika wordt nog lange tijd uitgesteld. In november 1967 wint Van Genk de Co-op schilder- en tekenwedstrijd voor zondagsschilders, zijn prijs bestaat uit een veertiendaagse vliegreis naar de Verenigde Staten en Canada. Addy Persoon-van Genk zou hiernaar kunnen verwijzen als zij Alfred Schmela in februari 1969 schrijft: ‘Mijn broer Willem van Genk vertoeft de hele maand april in Amerika’. [3] Maar ook deze reis ging niet door, om welke reden dan ook. Nico van der Endt: ‘Een maand lang alleen op stap, niet in een groep? Misschien geen begeleiding gevonden, reis afgezegd. Dit lijkt mij het meest waarschijnlijk’. [4]

In een brief aan Dick Walda uit 1982 meldt Van Genk, als hij zijn belangrijkste levensfeiten opsomt: ‘ik heb ook een klein reisje naar de USA gemaakt (tijdens de goedkope dollar).’ [5] Dat kleine reisje vond plaats in 1980, toen Galerie Hamer deelnam aan de kunstbeurs Art Expo in New York met een solo-presentatie van kunstenaar Gorki Bollar. Art Expo werd dat jaar van 6 tot 10 maart voor de eerste keer gehouden en zou uitgroeien tot een van de grootste internationale evenementen op het gebied van beeldende kunst. Nico van der Endt:

Als Van Genk hiervan hoort, vraagt hij of hij mee mag naar New York. Na overleg met mijn vrouw en de zuster van Willem gaan wij schoorvoetend akkoord. Uit voorzichtigheid boek ik een groepsreis met vliegtuig, transfers en hotels, zodat een host of hostess ter plaatse zo nodig ook assistentie kan bieden. Van Genk wordt in een eenvoudig hotel ondergebracht in verband met zijn haarfetisjisme: een kapsalon in het hotel zou tot problemen leiden. Af en toe bel ik hem op, ook reizen we soms samen in de ondergrondse, waarin hij met verbluffend gemak zijn weg weet te vinden, wij volgen. Zelfs in deze onbekende metropool voelt hij zich als een vis in het water, zowel bovengronds als ondergronds.

Op de terugweg blijkt Van Genk een groot aantal plastic regenjassen te hebben aangeschaft, ‘zo veel, dat wij problemen vrezen bij de douane. We nemen elk een viertal jassen onder onze arm en passeren bij thuiskomst ongehinderd de douane.’ [6]

De reis maakte uiteraard indruk op Van Genk, ook in kleine zaken. Dick Walda herinnerde zich ‘dat Willem enorm drammerig sprak over een hoed die hij wilde hebben. Vond dat helemaal niet bij Willem passen. Hij had gelogeerd in New York in een hotel waar uitsluitend handelsreizigers kwamen. Het was inderdaad in de hoedentijd. Ik ben daar nooit op in gegaan.’ [7] De indrukken die hij opdeed in de ondergrondse van New York, legde Van Genk vast in een van zijn laatste werken in olieverf: ‘Het middenpaneel van […] Keleti Station is na de reis ontstaan en verbeeldt een scène uit een ondergrondse trein van New York. Een klein affiche maakt reclame voor de kunstbeurs Art Expo ‘80.’ [8]

Keletistation Budapest

Detail Keleti Station (ca. 1980-1985)

Het zal ook na deze reis zijn geweest dat Van Genk de woorden ART EXPO NY en NEW YORK C ’80 aanbracht op het middenpaneel van Collage 200 Beljon Inc. Opnieuw Nico van der Endt: ‘In 1980 reisde Willem met ons mee naar New York, waar ik de kunstenaar Gorki Bollar exposeerde op de eerste editie van “de eerste kunstbeurs” van Amerika. Onuitgesproken bleef de wens van Willem daar ook te exposeren. Tekortkoming van Nico! Beljon had dat wel kunnen regelen!’ [9]

Van Genks zuster Addy in 1964 tegen Bibeb: ‘Is dat wat voor een kunstenaar, Amerika? Is daar kunst?’ [10] Vijftig jaar later kwam het antwoord, toen in het American Folk Art Museum in New York de tentoonstelling Willem van Genk: Mind Traffic te zien was. Volgens The New York Times ging het om ‘an in-depth introduction to an outstanding artist you’ve barely heard of’, een ‘concise, electrifying survey of Willem van Genk’. [11] Het tijdschrift The Brooklyn Rail was nog enthousiaster:

Willem van Genk: Mind Traffic, the American Folk Art Museum’s current exhibition of 43 works by the Dutch artist, which range from large-scale paintings and collages, to an installation of the artist’s prized raincoats, is an historical victory, a correction of a curious oversight in the art historical annals of U.S. institutions. To pronounce an exhibition “historical” is usually an abuse of hyperbole (and a pledge that exhibitions rarely honor). Mind Traffic, however, delivers on its promises. [12]

Van Genk had het gemaakt in de VS, maar dat had wel even geduurd.


 

NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[2] Brief van Willem van Genk aan Pieter Brattinga, 25 maart 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[3] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Alfred Schmela, 12 februari 1969 (Galerie Schmela Records, Getty Research Insititute).

[4] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 30 juli 2018.

[5] Brief van Willem van Genk aan Dick Walda, 19 december 1982 (archief Dick Walda).

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[7] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 2 augustus 2018.

[8] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[9] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 8 januari 2020.

[10] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[11] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins”.

[12] Alana Shilling-Janoff , “WILLEM VAN GENK Mind Traffic”, in: The Brooklyn Rail , 3 oktober 2014.

Jassen

WvG met jas

Willem van Genk (foto: Mattheus Engel)

Nico van der Endt: ‘In 1976 organiseerde Galerie De Ark een afsluitende tentoonstelling met werk van Van Genk. Ik zou de openingstoespraak houden en Van Genk zou daarbij aanwezig zijn. Toen hij binnenstapte, keek hij mij aan en grijnsde naar me. Ik dacht “Wat wil die man van me? Heb ik iets van hem aan?” En inderdaad; dat was het geval. Ik droeg een lange plastic regenjas. Nu weet ik dat zulke jassen voor hem een speciale betekenis hadden.’ [1] De jassen, door hemzelf raincoats genoemd, namen inderdaad een bijzondere plaats in in het leven van Van Genk. Hij bezat er honderden, veelal zwart maar soms ook in andere kleuren; vaak van plastic, soms van canvas, een enkel keer van een ander materiaal. Hij zette er extra drukknopen aan, voegde knoopsgaten toe en/of bewerkte ze anderszins.

Wat te schrijven over de raincoats van Van Genk? Op allerlei manieren kan worden gezegd dat deze een fetisjistische betekenis voor hem hadden, dat hij er zich veilig in voelde, dat ze te maken hadden met zijn seksuele fantasieën en zo verder. De meeste van deze aspecten kwamen aan bod in het artikel ‘De mantelzorg van Willem van Genk’ (2014) door Eva von Stockhausen, die in 2014 een overzicht gaf van de materie rond de jassen. [2] Datzelfde jaar was er in het American Folk Art Museum in New York een grote tentoonstelling met Van Genks werk. Roberta Smith was in de The New York Times uitermate enthousiast over deze voor haar onbekende kunstenaar en besteedde aan het einde van haar recensie ook kort aandacht aan de jassen:

There were even aspects of performance art to van Genk’s creativity. The most eccentric works in the show are examples of the hundreds of heavy rubber raincoats that he scavenged, personalized with additional buttons, patches and studs and occasionally wore to feel protected and in control. They are thought to recall the leather overcoats worn by Nazis who brutally interrogated him during World War II in an effort to locate his father, a member of the Dutch Resistance. [3]

Het verhaal van de nazi’s die Van Genk ondervroegen gaat voor een belangrijk deel terug op een getuigenis van zuster Tiny. In het midden van de jaren negentig vertelt zij aan Dick Walda hoe haar vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was bij de Haagse Arbeidsinspectie, over mogelijkheden beschikte om mensen te laten onderduiken en ze aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment werd de verzetsploeg waar Jozef van Genk deel van uitmaakte, opgepakt door de Duitsers, waarbij hij als enige wist te ontsnappen. ‘Daarna zijn de Duitsers bij ons thuis geweest. Huiszoeking. We woonden toen in de Magnoliastraat en ze hebben Wim toen ook nog helemaal uitgevraagd en toegesnauwd. Wim wist natuurlijk niet waar mijn vader was.’ [4] Vervolgens vertelt Tiny over andere gebeurtenissen in het leven van haar broer en komt ze uiteindelijk ook te spreken over diens obsessie met de raincoats. Ze legt daarbij echter geen verband met de huiszoeking door de nazi’s.

Wie dat wel doet is Ans van Berkum, die in 1998 de jassen benoemt als ‘een wezenlijk onderdeel’ van het oeuvre van Van Genk: ‘Met zijn collectie jassen grijpt Van Genk terug op de cruciale ervaring uit zijn jeugd.’ Vervolgens citeert ze een bandopname van een interview dat Dick Walda in 1997 met Van Genk had. Daarin koppelt die zijn angst voor ‘jongens die je niet kent in Oost-Europa’ aan de episode van de huiszoeking: ‘dat heb ik overgehouden van de Tweede Wereldoorlog, want twee mannen van de Gestapo, die zijn bij ons geweest. […] Ik moest zeggen tegen die gasten waar die joodse jongens waren. Ze zaten me aan de pols te voelen. Ze zeiden, als je het niet zegt, dan loopt het slecht met je af.  […] Dat heb ik daarvan overgehouden. Dat ik altijd bang ben.’ [5]

Wat opvalt in zowel het verhaal van Tiny als dat van Van Genk zelf is dat er geen sprake is van fysiek geweld. In de versie van Tiny werd haar broer ‘helemaal uitgevraagd en toegesnauwd’, in diens eigen versie zaten de mannen van de Gestapo hem ‘aan de pols te voelen’, een samentrekking van “polsen” en “aan de tand voelen”. De oorlog moet een verpletterende indruk op Van Genk hebben gemaakt, de inval in zijn ouderlijk huis zal hij als extreem beangstigend hebben ervaren. Daarbij zal de Gestapo bepaald niet zachtzinnig zijn opgetreden, maar daar houdt onze kennis op en begint de interpretatie: ‘In verwarring, maar ook in diepe bewondering voor het indrukwekkende leer en de glanzende knopen, gouden tressen en speldjes, blijft hij achter. De fakkel is ontstoken’, aldus Ans van Berkum die op een suggestieve manier aspecten van de Gestapo-episode met het jassenfetisjisme probeert te verbinden. ‘Levenslang blijft Van Genk gefascineerd door de tekenen van macht die hij met die bewuste Gestapomannen kan associëren.’ [6]

Waarom nu zouden de raincoats, die al dan niet verbonden zijn met de ondervraging door de Gestapo tijdens de Tweede Wereldoorlog, een wezenlijk onderdeel vormen van het oeuvre van Van Genk? Dat ‘kunsthistorici het niet eens zijn’ over de artistieke waarde van de jassen, zoals Kees Keijer aan de vooravond van de opening van de tentoonstelling Woest schreef, is feitelijk niet waar. [7] Ans van Berkum lijkt de enige te zijn die de raincoats als een kunstzinnige uiting ziet. Haar argumenten haalt ze uit uitspraken van Van Genk zelf. In 1998 draait haar interpretatie om diens woorden ‘… ook artistiek leef je je erin uit’, samen met enkele cryptische opmerkingen van Van Genk tegenover Nico van der Endt als zou hij met de jassen “verder” zijn dan met zijn schilderijen. Als Van der Endt doorvraagt blijkt het Van Genk vooral om de rol van de jassen in zijn persoonlijke leven te gaan: hij voelt zich er veiliger door en in tegenstelling tot zijn schilderijen worden ze hem niet afgenomen. [8]

WvG + jassen

Willem van Genk en zijn jassen, ca. 1990

In haar tekst “Een vogel boven de stad” en in de documentaire Een getekende ziel (beide uit 2010) maakt Van Berkum de rol van de jassen nog belangrijker – opnieuw met het argument dat de kunstenaar dit immers zelf had gezegd. ‘“Wat nou tekeningen, collages? Die raincoats, daar ben ik veel verder in”, probeert hij telkens weer te zeggen. Er wordt zelden geluisterd.’ [9] En aan het slot van de documentaire, na een uitgebreide en deels gefictionaliseerde versie van het Gestapo-verhaal: ‘In die jassen, die hele grote verzameling ‘werkzaam’ gemaakte jassen, ligt voor Willem van Genk het belangrijkste deel van zijn oeuvre. “In die jassen ben ik veel verder in gekomen dan in mijn collages, en in mijn tekeningen, en dan in mijn installatie van trolleybussen die je voor het raam ziet staan in mijn flat … in die jassen ben ik het verst gekomen”, zei hij altijd. Maar het heeft heel lang geduurd voor het begrepen werd dat het een deel was van zijn artistieke oeuvre, van zijn zelfcreatie.’ [10]

De eerder geciteerde opmerking van Roberta Smith in de The New York Times over de jassen als een vorm van “performance art” lijkt een uiterste poging te zijn om dit vermeende onderdeel van het oeuvre een plaats te geven – al was de context waarin Van Genk de jassen droeg bepaald geen artistieke. Nico van der Endt is kort over de jassen, als hij schrijft over de verhuizing van Van Genk in 1998: ‘De talloze regenjassen worden door AvB als waardevol aangemerkt en […] in het museum opgeslagen. Zelf heb ik er moeite mee dat de jassen, die immers niet artistiek bewerkt zijn, geëxposeerd zullen worden.’ [11] Hij wordt in zijn standpunt bijgevallen door Dick Walda: ‘Kunnen de jassen in een artistiek kader geplaatst worden, zoals de trolleybussen en zijn tweedimensionaal werk? Nico van der Endt en Dick Walda vinden van niet.’ [12] Kunsthistoricus Jos ten Berge was het daarmee eens en vond het jammer dat ze tijdens Woest deel uitmaakten van de tentoonstelling: ‘De meeste regenjassen zijn verloren gegaan, maar enkele tientallen exemplaren zijn bewaard gebleven Ze hangen er, tot spijt van Jos ten Berge: “Ik vind dat dat niet tot zijn artistieke erfenis hoort. Dit is deel van zijn privéleven en hoort niet in een museum.”’ [13]

De raincoats duiken incidenteel op in het late tweedimensionale werk van Van Genk (Collage ’78, Zelfportret zwakzinnigennazorg, Kapsalon). Ook in het vroege werk zijn enigszins verhulde verwijzingen te vinden, maar daarbij moet een beschouwer oppassen om niet in elke jas of geüniformeerde persoon (politieagent, tramconducteur) een teken te zien. Meer in het algemeen past de onevenredige aandacht voor dit deel van het privéleven van Van Genk bij de onevenredige aandacht die de outsider-kunstenaar als persoon vaak krijgt in verhouding tot zijn werk. Het lijkt daarbij meer de wéns te zijn dat de jassen kunstwerken zijn dan dat daar daadwerkelijk argumenten voor worden gegeven. ‘Hij heeft het zelf gezegd’, blijft de enige troef van de voorstanders in het debat. Geen steekhoudend argument, dunkt mij.

In een korte tekst over de jassen van Van Genk stelde Valérie Rousseau, conservator van het American Folk Art Museum in New York: ‘they became a recurrent theme in his work.’ [14] Als gezegd gaat dit niet op voor het werk in de zin van het tweedimensionale werk, waar de jassen niet echt een terugkerend onderwerp vormen. Desgevraagd antwoordde Rousseau mij: ‘When I refer to his “work”, I mean his artistic practice at large, in gathering, transforming and wearing real raincoats, and not necessary in the form of a motif in his paintings.’ [15] Dit zou betekenen dat de jassen deel zouden uitmaken van Van Genks’s ‘artistic practice at large’, waarvoor echter nog steeds moeilijk argumenten te geven zijn.

Naar mijn mening bestaat er een interessante parallel tussen de manier waarop Van Genk zich verhield tot zijn jassen en de manier waarop hij zich verhield tot zijn kunst. Dit maakt de jassen zelf echter niet tot kunstwerken. Aan het einde van haar tekst schrijft Rousseau: ‘Symbols of fear, the coats are also signs of fascination with empowerment, and highlight a duality that permeates the artist’s entire oeuvre.’ Hiermee ben ik het eens: de jassen kunnen een licht werpen op de tegenstelling tussen macht en onmacht in het oeuvre van Van Genk. Ik denk echter niet dat de jassen zelf deel uitmaken van dat oeuvre.


 

NOTEN

[1] Frits Gronert, “Fascinerende ontmoetingen”, p. 22.

[2] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, in: Out of Art 9 (2014), nr. 2, pp. 15-23.

[3] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins. ‘Willem van Genk: Mind Traffic’ and ‘Ralph Fasanella: Lest We Forget’”, in: The New York Times, 4 september 2014.

[4] Dick Walda, Koning der stations, p. 35.

[5] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 29. Opmerkelijk is dat Van Genk zelf over Joodse onderduikers spreekt, terwijl Tiny daar in haar verhaal aan Dick Walda niet van rept.

[6] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 80.

[7] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”, in: Het Parool, 19 september 2019.

[8] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28; pp. 88-89.

[9] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 81.

[10] Van Berkum beweert in de documentaire ook een aantal keren dat Van Genk zijn jassen opsierde met ‘allerlei insignes’, wat niet het geval was.

[11] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 115. ‘AvB’ is Ans van Berkum, in 1998 directeur van museum De Stadshof in Zwolle.

[12] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, p. 21.

[13] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”.

[14] Valérie Rousseau, “Van Genk’s raincoat collection”, in: Willem van Genk – Mind Traffic, tent. cat. New York (American Folk Art Museum), New York 2014.

[15] E-mail van Valérie Rousseau aan Jack van der Weide, 15 januari 2020.