Aanbevelend

Jozef van Genk met zijn twee oudste dochters voor zijn winkel in Voorburg, 1927. Links Leny, rechts Tiny (archief Marijke Bijmans)

Over de moeder van Willem van Genk, Maria Hoogstraten (1882-1932), duiken weinig nieuwe gegevens op. Hooguit is over haar familie nog het een en ander aan onbekende feiten te vinden, maar met haar zelf gaat het als met zo veel vrouwen uit voorbije tijden over wie men informatie boven water probeert te krijgen: het blijft bij het vaststellen van ouders, van geboorte-, huwelijks- en sterfdata, en van op de wereld gezette kinderen. In haar geval stond in ieder geval op haar huwelijksakte nog een beroep vermeld – modiste – waar andere bruiden het vaak met ‘beroep: zonder’ moesten doen.

Anders is het gesteld met vader Jozef van Genk, over wie na mijn initiële opsomming van biografische informatie nieuwe gegevens blijven opduiken. Eerder schreef ik onder meer al over zijn huwelijk met Maria Heesen en zijn stiefzoon; over zijn relatie tot zijn dochters; over zijn periode in Voorburg; over zijn oorlogsverleden; en over zijn vriendschap met de schilder Pierre Stordiau. Recentelijk vond ik informatie over de eerst drie decennia van zijn leven. Het beeld van Jozef van Genk wordt steeds completer, en daarmee ook het beeld van de jonge jaren van Willem van Genk en het milieu waarin hij opgroeide.

De eerste vermelding van Josephus Johannes Maria van Genk na zijn geboorte op 10 november 1887 is te vinden in het bevolkingsregister van Bergen op Zoom rond 1900, waar staat dat hij ‘naar kostschool Maastricht’ is gegaan; een datum ontbreekt. [1] Bij een volgende vermelding is hij op 7 november 1901 weer teruggekeerd in Bergen op Zoom uit Cadier en Keer – waarschijnlijk gaat het daarbij om dezelfde kostschool. [2] In december 1906 wordt hij afgekeurd voor militaire dienst. Een specifiek beroep heeft hij op dat moment niet. [3] Een maand later overlijdt zijn moeder, Cornelia Veraart, terwijl vader Wilhelmus van Genk al in 1901 is gestorven. De negentienjarige Jozef is dan voor de wet nog minderjarig en hij krijgt een voogd: Jan Peeters (1876), ‘boomkweeker te Steenbergen’, sinds 1904 de echtgenoot van zuster Adriana van Genk (1880). [4] Jozef gaat bij zijn voogd wonen en verhuist officieel op 8 februari 1908 naar Steenbergen.

In Steenbergen staat hij als boomkweker ingeschreven, het beroep van zijn voogd. [5] Hij vertrekt op 31 mei 1911 vanuit Steenbergen naar Naaldwijk, de woonplaats van zijn toekomstige echtgenote. Op 11 juni 1912 blijkt hij zich te hebben gevestigd in Berlicum, als tuinman en met als vorige woonplaats Naaldwijk. [6] Hij vertrekt op 25 juli 1912 vanuit Berlicum naar Loosduinen en verschijnt op 27 februari 1913 weer in Oudenbosch, dit keer als koopman. [7] Als bekend trouwt hij op 15 april 1913 in Naaldwijk met Maria Martina Hoogstraten; volgens de huwelijksakte is hij van beroep fruithandelaar en woont hij in Oudenbosch. Op 6 juli 1913 vertrekt hij officieel naar Roosendaal, waar hij al sinds 30 mei woont en waar hij staat ingeschreven als winkelier op Brugstraat 62. Hier worden zijn oudste dochters Tiny en Leny geboren. Het jonge gezin vertrekt op 8 oktober 1915 naar ’s-Gravenhage, waar ze bijna tien jaar zullen blijven en waar nog zeven dochters worden geboren.

Advertentie in De Grondwet, 26 april 1913

Over de winkel in Roosendaal is vrij veel bekend, via advertenties die Jozef van Genk zeer regelmatig plaatste in De Grondwet, ‘Roosendaal’s Nieuws- en advertentieblad’, dat één tot drie maal per week verscheen en dat later fuseerde met De Zoom uit Bergen op Zoom. Zijn winkel droeg de naam “Nieuwe Westlandsche Fruitwinkel” en verkocht naast groente en fruit ook andere, vaak ietwat luxe etenswaren. In de periode mei 1913 – februari 1914 adverteert Jozef van Genk daarom onder meer voor kaas, peperkoek, chocolade, bonbons, ‘Assorted Chocolade Biscuits’, ‘Roosendaalsche moppen’ en ‘de echte Engelsche sherry cake’. Peren zijn bij hem niet zo maar peren maar William Duchesse, Beurré Clairgeaux en Soldat Laboureur. Vrijwel alle advertenties eindigen met de woorden ‘Aanbevelend, Jos. van Genk’. [8]

Misschien mikt hij iets te hoog, want op 3 februari 1914 wordt hij failliet verklaard en een week later wordt de inboedel van zijn winkel in het openbaar verkocht. Belangstellenden kunnen bieden op onder meer ‘div. blikken Zalm, Sardines, Vruchten, Asperges, Doperwten, Tomaten Puree, Soepgroenten, div. fl. Olie, Piccalilli en Piccalillisaus, Bessenwijn en Bessensap, flac. met Vruchten, Elartine, Majonnaisesaus, benevens Bonbons, Chocolade, Vanillesuiker, Caramels, Maizena, Maggitabletten, Haagsche Hopjes, enz. enz. Voorts een Papiersnijmachine, Bascule met Gewichten, Kaastafeltje, 3 Gaslampen en alhetgeen verder ten verkoop zal worden aangeboden’. [9]

Advertentie in De Grondwet, 3 december 1914 (links) en 16 maart 1915 (rechts)

Pas in november 1914 verschijnen er weer advertenties voor de winkel, die kennelijk een doorstart heeft gemaakt onder de naam “Westlandsche Fruithandel”. Jozef van Genk verkoop nu ook incidenteel vis (paling, haring, ansjovis en bokking) en richt zich in zijn advertenties regelmatig op specifieke feest- en hoogtijdagen: ‘Roosendalers koop voor de Communie in je Fruitzaak diverse Appelen, Sinaasappelen, Noten, Trosrozijnen enz. enz. Aanbevelend, Jos. van Genk.’ [10] Begin 1915 is er een probleem geweest met een bezorger aan huis, waarvoor hij zich uitgebreid excuseert tegenover zijn clientèle. Hij heeft een nieuwe bezorger in dienst genomen, ‘een nette Belgische bediende […], die dagelijks mijne klanten zal bezoeken en aan wien alle boodschappen kunnen worden opgedragen.’ [11]

In september kondigt Jozef van Genk aan dat hij naar ’s-Gravenhage vertrekt maar dat de Westlandsche Fruithandel ‘door mijn Compagnon volgens gewoonten wordt voortgezet.’ [12] Die compagnon blijkt oudere broer Cornelis/Kees (1884-1945) te zijn die de winkel inderdaad overneemt, trouwt, een gezin sticht en de rest van zijn leven in Roosendaal blijft wonen. Het aantal advertenties in De Grondwet neemt onder zijn eigenaarschap drastisch af; ook worden ze aanmerkelijk soberder. Jozef zal in Den Haag ongetwijfeld verder zijn gegaan met adverteren, maar onbekend is in welke krant of blad.

Advertentie in De Grondwet, 3 december 1914 (links) en 16 maart 1915 (rechts)

De bewering van Tiny van Genk als zou haar vader een chocolaterie hebben gehad, is onjuist. Wel verkocht hij in zijn fruithandel onder andere chocolade, koek en bonbons, en leek hij zich voor een deel op het iets luxere marktsegment te richten. Zijn loopbaan van boomkweker naar fruithandelaar vertoont een zekere logica en verklaart ook waarom hij zich in de jaren dertig aanbiedt voor het snoeien van fruitbomen. De winkel behoort dan al tot het verleden, zoon Willem zal weinig herinneringen hebben gehad aan zijn vader als winkelier. Opvallend is natuurlijk wel de grote nadruk in zijn werk op reclames, voor de meest uiteenlopende producten, culminerend in de Arnhemse bus-assemblages die hij in de jaren tachtig en negentig maakte. Die levenslange gerichtheid op Arnhem (‘daar was hij vaak met vader geweest’, volgens zijn zuster Jacqueline) zou iets te maken kunnen hebben gehad met zijn oom Kees, die in 1915 de winkel in Roosendaal overnam. Kees was op 31 oktober 1908 vanuit Bergen op Zoom verhuisd naar Arnhem, waar hij op 28 februari 1910 nog steeds woonde. [13] Over de reden van zijn vertrek naar Arnhem of zijn verblijf heb ik helaas geen gegevens kunnen vinden.


NOTEN

[1] Bevolkingsregister Bergen op Zoom 1900-1920, deel 8 G (West-Brabants Archief)

[2] Bevolkingsregister Bergen op Zoom 1900-1920, deel 11 G (West-Brabants Archief)

[3] Lotingsregister voor de nationale militie, lichting 1907, klasse 1887 (West-Brabants Archief)

[4] Notariële archieven Bergen op Zoom, notaris W.J. van Gruting, Minuutakten, 1907 (West-Brabants Archief)

[5] Bevolkingsregister Steenbergen 1900-1920 (West-Brabants Archief)

[6] Bevolkingsregister Berlicum 1898-1921 (Brabants Historisch Informatie Centrum)

[7] Bevolkingsregister Oudenbosch 1890-1926 (West-Brabants Archief)

[8] Advertenties in De Grondwet op 26 april, 24 mei, 14 juni, 21 juni, 28 juni, 10 juli, 17 juli, 19 juli, 24 juli, 2 augustus, 5 augustus, 23 augustus en 4 oktober 1913

[9] De Grondwet, 7 februari 1914

[10] Idem, 16 maart 1915

[11] Idem, 23 januari 1915.

[12] Idem, 18 september 1915

[13] Respectievelijk: Bevolkingsregister Bergen op Zoom 1900-1920, deel 11 G; en Notariële archieven Bergen op Zoom, notaris J.C.L. Schermer, Minuutakten, 1910 (West-Brabants Archief)

Broeders en zusters

Detail Colonnade St. Pieter (1966)

In een van de eerste posts van deze blog schreef ik naar aanleiding van alle (en naar mijn mening: te grote) aandacht voor het leven van Willem van Genk: ‘in het geval van Willem van Genk bestaat er geen twijfel over het belang van zijn ervaringen, obsessies en mentale problemen voor zijn werk. Door echter alleen op zijn leven te focussen doet men dat werk ernstig te kort.’ Waaraan ik toevoegde dat het tegelijkertijd wel goed is om een meer gedegen biografische basis te leggen en om tegelijkertijd aan te geven welke zaken verder onderzoek verdienen, omdat we nog over veel te weinig gegevens beschikken, met name waar het gaat om Van Genks jeugd en vroege volwassenheid. 

Inmiddels begint er steeds meer informatie te komen over het leven van Willem van Genk: er dook een stiefbroer op, er bleek een setje gezinskaart uit de jaren dertig te zijn, de contouren van Jozef van Genk gingen zich duidelijker aftekenen, jeugdliefde ‘Madeleintje Storio’ kon worden geïdentificeerd en zo verder. Mijns ondanks ben ik steeds verder verstrikt aan het raken in de levensfeiten van Willem van Genk en het einde is nog bepaald niet in zicht. Want waar is de geboorteakte? Welke opleidingen volgde hij, en waar? Wat waren zijn eerste baantjes? Hoe kwam hij onder de aandacht van Nico Speijer? Wie was Troekie Spigt? En zo verder, ongetwijfeld.

Volgens de monografie over Willem van Genk van De Stadshof uit 1998 ‘is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld.’ [1] Waarom dit ‘bekend’ is, is niet duidelijk; desalniettemin is het de enige verwijzing naar Huijbergen en Harreveld waar we over beschikken. Uit korte mededelingen in kranten bleek dat Willem/Wim van Genk in mei 1939 uit Voorburg was vertrokken naar Harreveld en dat hij in juli 1940 weer terugkeerde, naar Den Haag waar Jozef van Genk inmiddels met zijn dochters woonde. Het archief van het internaat in Harreveld was bij een brand verloren gegaan, zodat we het met die gegevens moesten doen.

Huijbergen dan. Volgens zijn oudste zuster Tiny Van Genk werd haar broer na de dood van zijn moeder ‘door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [2] Huijbergen noemt zij niet en Van Genk zelf laat zich evenmin over dit verblijf over uit. In Huijbergen, een paar kilometer ten zuiden van Bergen op Zoom, was inderdaad een “pensionaat voor jongeheeren” genaamd Sainte/Sint Marie, een jongenskostsschool die was ondergebracht in het Wilhelmietenklooster van de Broeders van Huijbergen. In het archief van het pensionaat was echter niets over Van Genk te vinden. Gelukkig bezat mijn contactpersoon, nadat ik had vermeld dat de moeder was overleden, de tegenwoordigheid van geest om ook te kijken in het archief van het eveneens door de Broeders van Huijbergen bestierde weeshuis, en dit keer was het raak:

Informatie uit het archief van de Broeders van Huijbergen betreffende:

Wim F. van Genk, geboren 2 april 1927

Naam en geboortedatum komen voor op een lijst persoonsgegevens van de leerlingen die in 1941 in het weeshuis verbleven, toegezonden aan de Nederlandsche bond tot kinderbescherming. Hierbij moest worden aangegeven of zij “geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede” waren. (De ondertekenaar laat overigens weten dat hij niet op de hoogte is van de komst van deze kinderen.)

Hij verbleef in het weeshuis te Huijbergen van september 1940 tot 26 juli 1941 en volgde de 5e klas.

Dit blijkt uit: een register waarin de maandelijkse (gedrags)punten vermeld staan; en een aantekening in het register van aankomst, waarvan hier alleen vermeld is dat hij een volledige uitzet bij zich had, en de datum van zijn vertrek. [3]

Bijgevoegd waren foto’s van de genoemde documenten.

Details van documenten uit het archief van de Broeders van Huijbergen

Van Genk was dus pas naar Hijbergen gegaan ná zijn verblijf in Harreveld en al tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit verklaart ook waarom er op de gezinskaarten uit de Voorburgse periode niets te zien is over een eventueel vertrek naar Huijbergen: hij woont dan nog thuis. Dat hij op dertienjarige leeftijd in de vijfde klas wordt geplaatst, zegt iets over zijn leerproblemen. Zijn gedrag was daarentegen redelijk voorbeeldig. Wat de rol was van de kinderbescherming, helemaal tijdens de bezetting, zou verder moeten worden onderzocht. Opmerkelijk vind ik ook dat Van Genk bijna acht jaar na het overlijden van zijn moeder pas naar een weeshuis wordt gestuurd – en dat hij na een jaar weer terugkeert. [4]

Hoe ver moet je gaan bij het zoeken naar biografische gegevens? Willem van Genk had negen zusters, van wie in ieder geval Riet (1919-1995), Agnes (1920-1988) en Isabella (1922-1965) weinig invloed op zijn leven hebben gehad. Dit lijkt ook het geval te zijn met Leny, de tweede dochter van het gezin. Helena Eleonora Maria van Genk werd geboren op 14 januari 1915, net als haar één jaar oudere zuster Tiny in Roosendaal; hierna verhuisde het gezin naar Den Haag, waar de andere zeven dochters werden geboren. Tiny, Leny en hun zusje Nora (1916-1984) verbleven van oktober 1920 tot januari 1922 in het pensionaat Sacré Coeur in Moerdijk. Van februari 1927 tot juli 1929 verbleef Leny met een aantal van haar zusjes in internaat Duinzigt in Oegstgeest, in het najaar van 1929 gingen alle dochters naar een kostschool in Leuven. In een brief die vader Van Genk aan zijn kinderen in Leuven schreef, vraagt hij hen de groeten te doen aan ‘de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.

Leny van Genk

Hierna keren de meisjes één voor één terug naar Voorburg, Leny in augustus 1938 als laatste; ze is dan al drieëntwintig. Op een foto die waarschijnlijk uit die tijd stamt, heeft ze een habijt aan: Leny had de ambitie om in te treden en verder als kloosterzuster door het leven te gaan. Volgens haar neef Albert Roozenburg, zoon van Riet van Genk, zou dat er uiteindelijk nooit van komen. [5] Op enig moment vertrok ze naar Noordwijkerhout waar ze ging werken in Sancta Maria, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize die in 1928 was opgericht door de congregatie van Zusters van liefde voor Jezus en Maria. [6] In 1957 werd zij hier patiënt: ‘Bij vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ’s Gravenhage dd. 30 augustus 1957 is op eigen verzoek onder curatele gesteld; Helena Eleonora Maria van Genk, momenteel verblijvend Huize Sancta Maria te Noordwijkerhout.’ [7] Albert Roozenburg:

Ik ben vaak in Sancta Maria geweest bij haar en heb daar nog wel herinneringen aan. Ze kwam ook bij ons thuis in Den Haag op visite. Ik heb ooit een mooie puzzel van Nederland van haar voor mijn verjaardag gehad. In Sancta Maria viel het mij wel op dat zij eigenlijk een van de betere patiënten was: volgens mij hielp ze het verplegend personeel ook met de zorg voor andere patiënten.

Leny van Genk overleed in Noordwijkerhout op 10 december 1967. Ze was tweeënvijftig jaar.

Grafsteen van Leny van Genk (foto: Jan Vellekoop)

Willem van Genk had weinig op met het katholicisme van zijn familie. Desalniettemin was hij gedwongen om zijn eerste buitenlandse reizen te maken met katholieke reisverenigingen. Er staan opvallend vaak nonnen afgebeeld op zijn werken uit de jaren zestig, al hoeft dit niet meteen te worden gezien als een verwijzing naar Leny: het gaat met name om afbeeldingen die in Italië zijn gesitueerd, al zijn er ook nonnen te vinden op onder meer Praag en Madrid. Op de achterkant van Colonnade St. Pieter is de Amerikaanse televisieserie De vliegende non het onderwerp van een knipsel. Geen vreemde associatie waar het Vaticaanstad betreft.

Detail Waarheidsfestival (1972)

Of de geestesgesteldheid van Leny licht zou kunnen werpen op die van haar broer is maar zeer de vraag, aangezien we niets weten over haar diagnose. Overigens had het weinig gescheeld of Willem van Genk zelf was eveneens opgenomen in Noordwijkerhout, waar ook een instelling was voor mánnelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize (Sint Bavo). Bibeb in 1964:

Het jaar dat dit interview werd geschreven werd hem het werk en z’n salarisje waarvan hij kon sparen voor z’n reizen afgenomen. Hij kreeg voor wat hij van 8 tot 5.30 uur deed 5 gulden in handen. Na zijn paniek hierom wilden bepaalde instanties hem naar de inrichting te Noordwijkerhout sturen. Dit is voorkomen. [8]

Het had dus ook heel anders kunnen lopen met Willem van Genk.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[2] Walda, Koning der stations, p. 31.

[3] E-mail van broeder Bram aan Jack van der Weide, 5 januari 2021.

[4] Van Genks jongste zuster Willy in 1964 tegen Bibeb: ‘[Vader] deed Wim, toen hij klein was, in een weeshuis, omdat ie geen zin had in leren.’ Dit blijkt dus te kloppen

[5] E-mail Albert Roozenburg aan Jack van der Weide, 1 augustus 2020.

[6] ‘Tot ver na de oorlog ademde Sancta Maria tot in alle hoeken en gaten een volstrekt katholieke geest uit. Dagelijks werd er een Heilige Mis opgevoerd, nonnen en patiënten baden tot heil van iedereen en de kapel bleef het middelpunt van de inrichting. De directie-secretaris: “Het is nauwelijks te geloven hoe sterk het katholicisme hier heerste. Zelfs een nieuwe motorspuit voor de brandweer of een nieuwe kapsalon werd nog met wijwater ingewijd”. Pas in 1971 verlieten de nonnen Sancta Maria’. Monica Wesseling, “Gedenkboek over 60 jaar Sancta-Maria”, in: Leidsch Dagblad, 27 januari 1988.

[7] Volgens deze website. Bron was Marijke Bijmans, dochter van Agnes van Genk. Tiny van den Heuvel-van Genk werd curator.

[8] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 111.

Madeleintje (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over een jeugdliefde van Willem van Genk. Het eerste deel is hier te vinden.

Gezinskaart Pierre Stordiau (Haags gemeentearchief)

Met de kennis dat de Haagse portrettist Pierre Stordiau bekend was bij Willem van Genk en een dochter had die geboren was in 1928 en Madeleine heette, was het duidelijk dat “Madeleintje Storio” (zoals zuster Tiny haar noemde) in feite Madeleine Stordiau was. De inzet werd nu om een nakomeling van Pierre Stordiau te vinden, die dit zou kunnen bevestigen. Zijn jongste zoon Guido (1935) was verrassend snel te traceren en hij liet mij in een e-mail weten dat hij mijn verzoek om inlichtingen had besproken met zijn zuster Madeleine Mengarduque-Stordiau: ‘Mijn zuster is inmiddels 92 jaar maar zij kan zich Willem van Genk nog goed herinneren.’ Hij gaf mij haar mailadres: ‘Wellicht kan zij u verdere inlichtingen geven.’ [1]

Twee dagen later ontving ik al een zeer vriendelijk antwoord van het meisje op wie Willem van Genk zo’n tachtig jaar geleden verliefd was: ‘“Madeleintje” is inmiddels 92 jaar en weet niet zo heel veel meer van de oude tijd. Neemt niet weg dat ik best bereid ben om u het een en ander te vertellen over wat ik mij herinner uit een inmiddels ver verleden.’ In de mail zelf gaf zij al heel wat informatie, die zij verder toelichtte tijdens een telefoongesprek dat ik begin januari met haar had. Meteen hielp zij al het misverstand de wereld uit als zou zij violiste zijn: ‘Mijn tak van de familie is zeer muzikaal, twee van mijn broers waren musici (Gregor was violist en getrouwd met een fluitiste, Guido was slagwerker en getrouwd met een zangeres); maar al houd ik veel van muziek, ik heb zelf nooit een instrument bespeeld.’ [2]

Haar herinneringen bleken met name vader Jozef van Genk te betreffen, die tijdens de Tweede Oorlog regelmatig bij haar ouders op bezoek kwam, al dan niet in gezelschap van zijn kinderen:

Tijdens de oorlog woonde ik bij mijn ouders in een hofje in de Haagse Riemerstraat. Mijn vader was de Belgische schilder Pierre Stordiau, hij was getrouwd met de Friezin Annetje Gorter, mijn moeder. Ze ontvingen, ook tijdens de oorlog, in hun hofje altijd veel vrienden en kennissen, vaak uit de Haagse artiestenwereld […]. Uit wat er om mij heen werd gezegd begreep ik dat tijdens de oorlog Van Genk altijd klaar stond om mensen die moeilijkheden hadden te helpen, maar dat hij daar na de oorlog nooit enige erkenning of erkentelijkheid voor heeft mogen ontvangen. Hij was daarover, begrijpelijk, zeer teleurgesteld en gefrustreerd.

Deze woorden uit het e-mailbericht lichtte zij tijdens het telefoongesprek uitgebreid toe: Jozef van Genk noemde zij “goeiig”, ‘die man die was zo bedroefd dat … hij was bescheiden, heel bescheiden, dus … hij was niet bekend, wel als ze ‘m nodig hadden, dan was-ie wel bekend, dan hadden ze ‘m wel gevonden, maar om te bedanken: nooit. En daar was-ie vreselijk treurig over, hij zegt: nou ik zó veel gedaan heb, zó veel mensen geholpen, is er nou niet één die zegt van: goh, die man heeft mij het leven gered, maar ja …’

Net als Jozef van Genk was Pierre Stordiau een man die altijd klaar stond voor anderen (‘als-ie kon helpen dan deed-ie dat’) en die dankzij zijn uitgebreide netwerk – hij was onder meer lid van de Haagse Kunstkring – ook veel contacten had: ‘Stordiau kent iedereen!’ Het hofje waar zijn woning was, was uitgegroeid tot een kleine artistieke enclave binnen Den Haag, waar regelmatig mensen logeerden. Madeleine Mengarduque herinnerde zich dat zij dan soms haar kamer moest afstaan om in het atelier van haar vader te slapen. De kinderen Stordiau kregen nooit fysiek straf van hun vader: ‘Er mocht bij ons niet geslagen worden. Nooit van z’n leven hebben wij lijfstraf gekregen, want dat mocht niet. Zelfs als je vervelend was dan … je kreeg op je kop, zoals wij dat noemden, een flink standje … of je moest het betalen uit je spaarpot – zei mijn vader maar dat gebeurde niet, want je spaarpot was ook niet zo vet …’

Moeder Annetje Stordiau-Gorter was een belezen vrouw die onder meer advies gaf aan de directeur van de Openbare Leeszaal over aan te schaffen boeken. Bij de geboorte van Guido Stordiau was zij al veertig jaar en omdat ze zich toen eigenlijk te oud vond om een kind op te voeden, liet zij dit grotendeels over aan haar dochter. Die rolde daardoor als vanzelf in het vak van kinderverzorgster, behaalde na de oorlog een diploma als verzorgster in koloniehuizen en vertrok in 1953 naar Frankrijk. Daar werkte ze in verschillende kindertehuizen tot ze trouwde in 1960.

Detail Kathedraal Pilsen (ca. 1965)

Het beeld dat Madeleine Mengarduque-Stordiau schetst van Jozef van Genk, komt overeen met wat ik eerder over hem te weten kwam: een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel deed voor anderen maar daar nooit in enige vorm erkenning voor had gekregen. Kwam hij daarin in zekere zin overeen met Pierre Stordiau, de verschillen tussen beide mannen waren aanzienlijk: Jozef van Genk was een burgerlijk-katholieke middenstander/ambtenaar, Stordiau een kunstenaar die zich in artistiek-intellectuele kringen bewoog en die weinig gaf om bezit of geloof. [3] Het is dus inderdaad zeer goed denkbaar dat Willem van Genk zich bij het gezin Stordiau thuis voelde, zoals zijn zuster Tiny aangaf. Daarbij zal het ontbreken van enige vorm van lijfstraffen, als hij daarvan op de hoogte was, hem ook hebben aangesproken.

Opmerkelijk is dat Willem van Genk zelf bij Madeleine nauwelijks lijkt te zijn opgevallen, terwijl zij toch goed was met kinderen en bijvoorbeeld kinderen die bang waren voor de oorlog, op haar kamer een schuilplaats aanbood. Van Genk had wellicht ook toen hij al volwassen was nog contact met Pierre Stordiau: de 2e de Riemerstraat ligt op enkele honderden meters van de Sirtemastraat, waar de sociale werkplaats was gevestigd waar Van Genk jarenlang “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. Stordiau was lange tijd mogelijk de enige kunstenaar die hij persoonlijk kende.

Een laatste punt is de zwarte overjas waarin Pierre Stordiau altijd werd gezien, een kledingstuk dat lijkt op de raincoats die Van Genk droeg en verzamelde. Het valt zeker niet uit te sluiten dat deze kledingkeuze – ‘Zo ziet een kunstenaar er dus uit!’ – indruk heeft gemaakt op Van Genk en van invloed is geweest op zijn latere obsessie. Bij de nadruk die (al dan niet terecht) vaak op de jassen wordt gelegd, zou in ieder geval verder kunnen worden gekeken dan alleen naar de SD of Gestapo. Naar de vader van Madeleintje Storio, bijvoorbeeld.


NOTEN

[1] E-mail van Guido Stordiau aan Jack van der Weide, 17 december 2020.

[2] E-mail van Madeleine Mengarduque-Stordiau aan Jack van der Weide, 19 december 2020. Het telefoongesprek vond plaats op 2 januari 2021. Guido Stordiau liet mij desgevraagd weten ‘dat er geen verwantschap bestaat tussen de familie Andriessen en de fam. Stordiau. Ik heb gestudeerd met Louis Andriessen, de componist op het Kon. Conservatorium te Den Haag’ (e-mail, 10 januari 2021).

[3] Madeleine Mengarduque gaf tijdens het telefoongesprek aan dat haar moeder zich tot het katholicisme had bekeerd, ‘maar mijn vader had daar niet om gevraagd’. Op de gezinskaart van Pierre Stordiau staat in de kolom “kerkgenootschap” bij zijn naam ‘geen’.

Madeleintje

Engelenburcht | ca. 1965 | olieverf op board | 60 x 61,5 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Museum van de geest

“Wim had twee liefdes, maar het is helaas nooit wat geworden.” Aldus Tiny van den Heuvel-van Genk in 1997 tegen Dick Walda, als ze het heeft over de jonge jaren van haar broer. “De een was Madeleintje Storio, een beeldschoon meisje, heel talentvol. Speelde prachtig viool. Jarenlang heeft Wim naar haar gekeken, want de foto hing boven zijn bed. Hij kon Madeleintje zien vanaf zijn kussen. Ze vertrok naar Parijs en wat bleef was het verlangen van Wim naar dat meisje. En dan was er nog dat buurmeisje, een Indische. Die woonde beneden Wim en daar was hij in het geheim ook verliefd op. Zij is naar Den Briel verhuisd, hij hoopt haar nog eens te zien. Vandaar dat hij af en toe van zichzelf naar Den Briel moet.” [1] Het Indische buurmeisje wordt een jaar later niet genoemd in Een getekende wereld, Madeleintje wel:

[…] zegt Tiny van den Heuvel. “De vader van het meisje op wie hij verliefd was, Madeleintje Storio, heeft eens tegen mij gezegd, ‘hij is goochemer dan jullie met z’n allen bij elkaar!’ In dat gezin was aandacht voor muziek en architectuur. Daar trok Willem zich aan op. Daar voelde hij aansluiting. Op een gegeven moment zijn ze naar Parijs verhuisd en is Willem hen uit het oog verloren. Een foto van Madeleintje , een begaafd violiste, heeft hij op de dag van vandaag  in zijn slaapkamer staan. Hij verloor zijn droom, maar niet zijn adoratie. De wereld van die mensen had iets met de zijne te maken.” [2]

In een voetnoot bij dit citaat wordt toegevoegd: “Volgens Tiny van den Heuvel-van Genk was deze familie in de verte verwant aan de Van Genks en aan de familie Andriessen, waaruit enkele componisten zijn voorgekomen.”

Wie was Madeleintje Storio? Via internet leek ze niet te vinden – mogelijk was ze getrouwd en had ze een andere achternaam gekregen. De achternaam ‘Storio’ leverde in het gemeentearchief van Den Haag geen treffers op. Violistes met de voornaam ‘Madeleine’ kwamen wel voor op internet: er was een Madeleine Massart, geboren in 1929, en een Madeleine Vautier uit Marseille die in de jaren vijftig een aantal recitals in Nederland gaf. Geen van beiden leek echter een band met Den Haag te hebben, laat staan met de familie Van Genk of – een vermelding in een krantenartikel had voor de hand gelegen – met de familie Andriessen. Op Brooklyn Bridge (ca. 1970) is wel de Hongaarse violiste Johanna Marzy afgebeeld, haar naam wordt expliciet vermeld.

In Een getekende wereld beschrijft Ans van Berkum bij een bezoek aan de woning van Willem van Genk het werk Engelenburcht (“Van Genk heeft dit werk altijd bewaard op de plank boven zijn opklapbed”), waarbij ze onder meer het meisje met het ijsje rechtsonder op de afbeelding noemt: “We zullen haar nog vaker aantreffen. Ze zal zelfs uitgroeien tot een soort herkenningsmelodie. Zullen we ooit weten waar ze werkelijk vandaan komt?” [3] Van Berkum beseft niet hoe warm ze is: inderdaad is op Engelenburcht een aanwijzing te vinden over de identiteit van een meisje dat veel voor Van Genk heeft betekent, alleen bevindt die aanwijzing zich in een andere hoek van het werk.

Linksonder op Engelenburcht is een schilder afgebeeld die op de lage kade langs de Tiber een Japanse dame portretteert. Naast de schilder staat een man met een blauw jasje die naar de kunstenaar gebaart en gekke bekken lijkt te trekken. GEORGES LAMPE staat op de pijpen van zijn broek geschreven. Georg Lampe (1921-1982) was een schilder en graficus uit Den Haag die was opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Lampe was van 1964 tot 1982 directeur van de Vrije Academie, een meer progressieve kunstopleiding in dezelfde stad – Jan Cremer, die begin 1958 was begonnen aan de Koninklijke Academie, zou al na enkele maanden verhuizen naar de Vrije Academie, waar hij zich beter thuis voelde. Lampe was getrouwd met interviewster Bibeb, die Van Genk in 1964 interviewde voor Vrij Nederland. In 1967 kreeg Van Genk uit handen van Lampe de prijs uitgereikt voor beste amateurschilder van Zuid-Holland in de teken- en schilderwedstrijd van Co-op Nederland.

Detail Engelenburcht (foto: Jan Vellekoop)

Ook de schilder op Engelenburcht heeft een aantal teksten om zich heen. Blijkens opschriften op zijn schoudertas en ezel werkt hij met v. GOGH VERF en REMBRANDT PRODUKT, terwijl op de poten van de ezel ook de aanduiding BRAGAH STUDIO te lezen is – een indicatie dat dit werk dus ná de kennismaking met Pieter Brattinga is geschilderd, aangezien het niet om een latere toevoeging lijkt te gaan. Het belangrijkste opschrift is echter te vinden op de schilderkist aan de voet van de ezel: ATELIER STORDIAU 105 2 RIEMERSTR den HAAG HOLLANDE  ANVERS. De schilder is daarmee te identificeren als (afkomstig uit het atelier van) de Haagse portrettist Pierre Stordiau, die in de verte geparenteerd was aan Willem van Genk en een dochter had genaamd Madeleine.

Petrus Josephus Maria Stordiau werd op 12 november 1887 geboren in Antwerpen en kwam in de jaren tien van de vorige eeuw naar Den Haag, waar hij bleef wonen en op 20 december 1969 overleed. Stordiau woonde in Den Haag aan de 2e De Riemerstraat 105. Op een website over dit “oudste woonerf van Den Haag”:

Tot 1923 bestond er slechts één De Riemerstraat, vernoemd naar de Haagse geschiedschrijver mr. Jacob de Riemer (1676-1762). Door de aanleg van de Vondelstraat, die de bereikbaarheid van het centrum moest vergroten, werd de straat verdeeld in een 1e en 2e De Riemerstraat. […] In de 2e De Riemerstraat ligt een hofje verscholen. In 1913 vestigde de kunstschilder Pierre Stordiau zich in het hofje. Deze baarde opzien in de buurt door altijd gekleed te gaan in een zwarte overjas, zwarte flambard met pellerini (een korte cape) waaronder donker haar tot op de schouders. Erbij een zwarte lavalière (gestrikte das met breed uitlopende einden) en een ebbenhouten wandelstok met zilveren knop. Ook zijn vrouw ging steeds in het zwart gekleed. Zij droeg een zogenoemd polkakapsel met zwarte baret. [4]

De ouders van Pierre Stordiau waren Hieronymus Eduardus Maria (Jérôme) Stordiau (1858-1911), een diamantair uit Antwerpen, en Cornelia Elisabeth van der Ouderaa (1857-1926) uit Bergen op Zoom. Ze hadden tien kinderen. Cornelia van der Ouderaa was een halfzuster van Alphonsus Franciscus Johannes van der Ouderaa, wiens zoon Kees getrouwd was met een zuster van de moeder van Willem van Genk: de tante uit Bergen op Zoom bij wie Van Genk na het overlijden van zijn moeder korte tijd woonde. Pierre Stordiau volgde een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar hij een leerling was van Pierre Jean (eigenlijk: Petrus Johannes) van der Ouderaa, een neef van zijn moeder.

Pierre Stordiau, ca. 1940 (foto: Haags gemeentearchief)

Pierre Stordiau trouwde in 1919 met Anna Helena Wilhelmina Gorter (1895-1964) uit Sneek. Ze kregen vier kinderen, die allen met hun tweede en derde voornaam naar hun ouders werden vernoemd: Jérôme Pierre Anne (1924), Madeleine Pierre Anne (1928), Grégoire Pierre Anne (1929) en Guido Pierre Anne (1935). Guido Stordiau werd slagwerker bij het Haagse residentieorkest en trouwde met de sopraan Germaine de Gruyl, die daarna door het leven ging (en bekend werd) als Germaine Stordiau.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 38.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p 12.

[3] Ibid., p. 26.

[4] “Het oudst woonerf van Den Haag”. Volgens een gezinskaart in het Haags gemeentearchief vestigde Stordiau zich pas in 1919 op dit adres.

Jan Cremer

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk aan de maaltijd in zijn kosthuis

Jan Cremer kwam eerder zijdelings ter sprake op deze blog in de context van het drieluik Kollage van de haat (1971). Enkele maanden geleden zocht en vond ik contact met Cremer, die Willem van Genk inderdaad eind jaren vijftig vluchtig had meegemaakt. Naar aanleiding daarvan schreef ik onderstaande tekst voor het literatuurhistorische tijdschrift De Parelduiker, die uiteindelijk niet werd gepubliceerd – de redactie vond na rijp beraad de link met literatuur te klein.


‘Jan Cremer, Jan Cremer heeft er ook gezeten.’

In 1965 verscheen de bundel Bibeb & VIP’s, waarin vijfentwintig interviews waren verzameld die Bibeb voor Vrij Nederland had gehouden tussen februari 1962 en februari 1965. Daarbij was de literatuur goed vertegenwoordigd: maar liefst elf geïnterviewden waren afkomstig uit de wereld van de letteren, van Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Lucebert tot Simon Vestdijk, Jan Wolkers en Gerard (toen nog: van het) Reve. Ook Jan Cremer kwam aan bod. Het interview met hem was van september 1964, toen hij pas vierentwintig jaar oud was maar er van zijn roman Ik, Jan Cremer in een half jaar tijd al bijna 100.000 exemplaren waren verkocht. Bibeb liet hem vooral praten over zijn succes en geld: ‘Als de 100.000 vol is, komt  er een gouden boek, dat kost een paar duizend gulden. Echt goud, ik kan ’t altijd verpatsen.’ [1]

Een andere geïnterviewde in het boek was Wim/Willem van Genk (1927-2005), een kunstenaar uit Den Haag die begin 1964 korte tijd in de schijnwerpers stond met zijn eerste tentoonstelling. Ook het actualiteitenprogramma Brandpunt maakte een reportage over hem, waarbij men niet om de hete brij heen draaide bij de vraag naar de reden voor alle ophef: ‘In de kantine van De Jongs steendrukkerij in Hilversum kan men met de bizarre tekeningen van deze zondagsschilder kennismaken. […] De expositie heeft nogal wat publiciteit getrokken. Willem van Genk is namelijk geestelijk gestoord.’ [2] De tentoonstelling werd geopend door W.F. Hermans, die veel bewondering had voor het werk van Van Genk: ‘Zijn tekeningen zijn huiveringwekkend mooi, maar zullen velen herinneren aan iets dat zij liever vergeten.’ [3]

“Geestelijk gestoord” was Van Genk niet, wel was hij autistisch en waarschijnlijk schizofreen. Na een aantal mislukte baantjes was hij eind jaren veertig terecht gekomen op een zogeheten AVO-werkplaats, waarbij AVO stond voor Arbeid Voor Onvolwaardigen. Hier moest hij afwasborsteltjes in elkaar zetten of stukjes kabel in zakjes doen. Hij woonde in een armoedig pension, op een minuscule kamer die hij met een zwakzinnige grondwerker moest delen. Van Genk verdiende veertig gulden per week, waarvan hij vijf gulden in handen kreeg als zakgeld. ’s Avonds liep hij vier kilometer naar zijn jongste zuster Willy – geld voor de tram had hij niet – om in haar warme huiskamer te kunnen tekenen. Inmiddels worden voor werken van Van Genk bedragen van zes cijfers betaald

Jan Cremer en Willem van Genk kenden elkaar. Cremer was in 1958 naar Den Haag gekomen waar hij zich had ingeschreven aan de Academie voor Beeldende Kunsten, die hij nog geen half jaar later zou verruilen voor de Vrije Academie. Ook Van Genk had zich een eind 1958 met zijn tekeningen bij de Academie voor Beeldende Kunsten gemeld, waarbij toenmalig directeur Joop Beljon onmiddellijk zag dat hij met een groot talent van doen had. Toen ik Jan Cremer een paar maanden geleden per e-mail vroeg of hij zich zijn toenmalige stadsgenoot nog wist te herinneren, antwoordde hij onmiddellijk bevestigend: ‘Jazeker heb ik Willem van Genk gekend, eerder veel “meegemaakt”. Lieve zachtaardige knaap die volkomen onbegrepen en als een zwerver behandeld werd.’ [4] Hun wegen bleken elkaar te hebben gekruist op Van Genks woon- en eetadres:

Als Rijkspupil was ik gebonden aan een meldingsplicht ondanks dat ik dagelijks op de academie zat. Dat bracht mij op allerlei vreemde eetadressen waar ik me met etenstijd moest melden zodat men overzicht had op mijn leven. Zo kwam ik terecht in een sober, armoedige, naar doorgekookt eten ruikend pension ergens in de buurt van het Rijswijkseplein. Daar zat ik naast Willem van Genk, de enige waar ik aanspraak mee had omdat wij tweeën over kunst konden praten. De rest van de eetpubliek bestond uit een zooitje werklozen, daklozen, zwervers, recidivisten en zojuist uit de gevangenis ontslagen dinergasten, veel reclasseringdiscipelen die weer aan de maatschappij moesten wennen.

Van Willem herinner ik me nog goed hoe hij altijd, ook tijdens het eten van de dagelijkse stamppot, koortsachtig en snel tekende op het papieren tafelkleed en daar helemaal in opging – zeer tot ongenoegen van de waardin die hem hard verwensingen toeschreeuwde terwijl ze het volgetekende papier woest onder zijn bord vandaan trok en verfrommelde. Als een geschrokken vogeltje dook hij dan ineen. Later werd hij bekend en las ik over hem in krant of weekblad en dacht daarbij altijd aan dat schreeuwende wijf. Wat had zij  een prachtige kunstcollectie gehad kunnen hebben.

In een tweede mail voegt hij nog een paar details toe: ‘Ik herinner me nu ook weer dat de waardin kwaad zijn potlood in tweeën brak en dat ik hem een setje B6 Caran d’Ache heb gegeven.’

Jan Cremer (1964)

Cremers beschrijving past bij de impressie die Bibeb geeft van het pension:

Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof-A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’ Ze gehoorzamen, bijna zonder geluid. Van Genk zit met de rug naar me toe, het hoofd naar voren, net als de anderen, doodstil. De vrouw schudt op elk bord een schep rode kool, haar mollige teenager-dochter doet er een schep aardappels bij, de zoon, Joop deelt dunne jus uit. Volgt ’t commando: ‘bidden!’, en ’t eten, haastig, onderworpen. [5]

De enige keer dat Jan Cremer in het interview met Bibeb wordt genoemd, is inderdaad als het over het pension gaat in een gesprek tussen Van Genk en zijn zuster Addy:

De zuster: ‘Hij is in een kosthuis, hij draagt z’n geld daar af, ze zorgen voor hem.’

Van Genk: ‘Er komen daar ook volmaakte arbeiders, de jongens van de avo zijn de kneusjes, die iedereen veracht. We zijn de achterlijken. […] Jan Cremer, Jan Cremer heeft er ook gezeten.’ [6]

Wie de beide interviews van Bibeb leest, ziet dat het contrast tussen de twee kunstenaars schrijnend is: de schlemiel Van Genk komt niet goed uit zijn woorden, is straatarm, verricht arbeid voor onvolwaardigen en is afhankelijk van zijn familie. Cremer is een spraakwaterval die in korte tijd schatrijk is geworden en alleen maar meer, groter en verder wil. Het is voorstelbaar dat Van Genk jaloers op zijn dertien jaar jongere kunstbroeder was: de man die net als hij een achtergrond had op de Haagse kunstacademie en die net als hij was geprezen door W.F. Hermans, maar die het wél had gemaakt, die wél was doorgebroken, die bovendien avonturen had beleefd en reizen had gemaakt waarvan Van Genk alleen maar kon dromen.

Detail Kollage van de haat (1971)

Begin jaren zeventig verkeerde Van Genk in een persoonlijke crisis en schilderde hij een aantal werken waarop hij zijn angsten en obsessies de vrije loop liet. Op een van die werken, Kollage van de haat (1971), beeldde hij het omslag van Ik, Jan Cremer af, met duidelijk zichtbaar een opdruk die aangeeft dat het om de tweeëntwintigste druk ging. Hij had al een veel eerdere druk in bezit kunnen hebben: Cremer bevestigde desgevraagd dat hij Van Genk een exemplaar van zijn boek had gestuurd toen het in maart 1964 was verschenen. Volgens een nicht van Van Genk had diens (zeer katholieke) oudste zuster Tiny de zending onderschept, omdat ze het een vies boek vond en dus niet geschikt voor haar broertje. [7]

Bijna zestig jaar later was Cremer duidelijk nog steeds begaan met Van Genk. ‘Afgrijselijk hoe een talent kapot is gemaakt’, besloot hij zijn laatste e-mail.


Naschrift: kort na publicatie van deze blogtekst kreeg ik van Albert Roozenburg, zoon van Willem van Genks zuster Riet, de bevestiging dat het verhaal over het onderschepte exemplaar van Ik, Jan Cremer klopte, “maar ik weet niet zeker of het Tiny was die het boek heeft achtergehouden. Ik vermoed Addy. Jan Cremer heeft inderdaad een boek gestuurd aan Willem (6e druk), p/a P.A. Persoon.” De zesde druk verscheen in juli 1964.

Het briefje bij het exemplaar van Ik, Jan Cremer dat de auteur aan Willem van Genk stuurde


NOTEN

[1] Bibeb, Bibeb & Vip’s (Amsterdam 1965), p. 211.

[2] De reportage van Brandpunt is integraal opgenomen in de documentaire Ver van huis. Een zoektocht naar het werk en leven van Willem van Genk van Dick Walda en Jan Keja (IKON 2001). Deze documentaire is ook te vinden op YouTube.

[3] W.F. Hermans, “De werkelijkheid van Willem van Genk”, in: Kunst van nu 1 (1963-1964), 5, pp. 8-9. Willem Otterspeer geeft in het tweede deel van zijn Hermansbiografie een verslag van de opening (De zanger van de wrok [Amsterdam 2015], pp. 362-364).

[4] Alle citaten van Jan Cremer komen uit twee e-mails die hij mij stuurde op 14 oktober 2020.

[5] Bibeb en VIP’s, p. 118.

[6] Idem, p. 114.

[7] Mededeling van Irene Zalme, 18 september 2019.

Voorburg

Hoek Van de Wateringlaan/Van Wassenaerstraat in Voorburg. Op de benedenverdieping no. 25, het woon/winkelpand van het gezin Van Genk. Foto: Google Street View, april 2019

Het gezin van Jozef van Genk woonde tussen 1925 en 1939 in Voorburg, waar in 1927 zoon Willem werd geboren. Tot nog geen jaar geleden moesten we het voor wat betreft deze periode in het leven van de kunstenaar voornamelijk doen met de verhalen van zus Tiny, via de filters van Dick Walda en Ans van Berkum. De afgelopen maanden wist ik mondjesmaat gegevens boven water te krijgen die iets meer duidelijkheid schiepen over onder andere het tweede huwelijk van Jozef van Genk en de uiteindelijke verhuizing terug naar Den Haag. Recentelijk spoorde Jan Vellekoop in het Gemeentearchief in Den Haag een setje gezinskaarten op dat het bestaande beeld van de Voorburgse jaren aanzienlijk verscherpt.

Jozef en Maria van Genk verhuisden in juni 1925 van Den Haag naar Voorburg. Jozef was op dat moment 37 jaar oud, zijn vrouw 42 en er waren negen dochters, in de leeftijd van elf tot een. Het gezin kwam te wonen op het adres Van de Wateringelaan 25, een woon/winkelpand op de hoek met de Van Wassenaerstraat, waar op 1 september Van Genk’s Fruithandel officieel werd geopend. [1] Anderhalf jaar later, toen Maria van Genk op het punt stond opnieuw te bevallen, gingen dochter Leny (12), Nora (10), Jacqueline (8), Riet (7) en Agnes (6) naar het (uiteraard Rooms-katholieke) internaat Duinzigt in Oegstgeest, dat naast een kleuterschool en een lagere school ook een zevende en een achtste leerjaar kende. Oudste dochter Tiny (13) volgde begin juni, waarschijnlijk had zij tijdelijk de huishoudelijke taken van haar moeder opgevangen na de geboorte van Willem op 27 april. Ook Isabella (5) vertrok in september naar Oegstgeest, aan het begin van een nieuw schooljaar. Willy (4) en Addy (10) bleven daarmee als enige meisjes in Voorburg – Willy waarschijnlijk omdat zij nog te jong was, Addy mogelijk vanwege haar zwakke gezondheid. [2]

Eind juli 1929 keerden Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella uit Oegstgeest terug naar Voorburg; Nora volgde op 7 augustus. Half september vertrok Nora met Addy en Willy, die nog nooit van huis waren geweest, naar een kostschool in Leuven. Een maand later volgden de andere zes zusjes. Alle negen dochters waren daarmee het huis uit, alleen Willem woonde nog bij zijn ouders. In januari 1931 schreef Jozef van Genk de eerder geciteerde brief aan zijn dochters in België, waar alleen Nora niet goed haar best leek te doen: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld.

Op 25 november 1932 overleed Maria van Genk-Hoogstraten op 49-jarige leeftijd. Twee maanden later werd Van Genk’s Fruithandel opgeheven. [3] In februari 1933 keerden Tiny (19), Nora (16) en Jacqueline (14) na meer dan drie jaar vanuit Leuven terug naar Voorburg: de oudste dochters minus Leny en Addy, die in België bij de vier jongsten bleven. Kort daarvoor was Jozef van Genk verhuisd naar Van Aremberglaan 157 – het woon/winkelpand aan de Van de Wateringelaan, een paar honderd meter verderop, moest immers worden verlaten. Ook Addy (16) keerde begin augustus terug uit België, zij had kennelijk eerst het lopende schooljaar afgemaakt.

In 1934 leek Jozef van Genk een nieuw begin te (willen) maken. Op 9 mei trouwde hij in Den Haag op 46-jarige leeftijd met de 39-jarige weduwe Maria Heesen, wier zoon Herman (11) met haar meekwam naar Voorburg. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin van Genk naar Van Aremberglaan 86, tegenover de vorige woning aan Van Aremberglaan 157 waar ze slechts anderhalf jaar hadden gewoond. Dochter Riet (14) keerde eind september uit België terug naar huis; op het nieuwe adres woonden daarmee op dat moment negen personen. In april 1934 werden dat er tien, toen ook Maria Heesens dochter Christina (16) vanuit Enschede naar Voorburg kwam, waar ze een week later haar zeventiende verjaardag vierde. Haar verblijf was kennelijk geen succes, want nog geen zes weken later ging ze al weer terug naar Enschede.

Op 5 juni 1935 verscheen er een advertentie in de Haagsche Courant: ‘TUINMAN biedt zich aan voor het snoeien van fruitboomen, zomersnoei. Adres: J. van Genk, v. Aremberglaan no 86, Voorburg.’ Tiny zou later spreken over haar vader als eigenaar van een chocolaterie die daarna ging werken bij de Arbeidsinspectie in Den Haag. [4] De datum van die overstap is onduidelijk, maar op de kaarten van Voorburg wordt Jozef van Genk uitsluitend aangeduid als ‘fruithandelaar’. In ieder geval was de winkel al vanaf 1933 niet meer zijn eigendom en kluste hij kennelijk bij als tuinman – dat een fruithandelaar verstand had van fruitbomen, lag voor de hand. Drie jaar later bood hij zijn diensten nog steeds aan: ‘TUIN IN ORDE? Uw tuin één stukje natuurschoon. Advies gratis. Aanleg en onderhoud door vakman. Aanbev., JOS M VAN GENK’. [5]

V.l.n.r. Tiny, Leny en Nora van Genk, jaren dertig

In september 1935 vertrok de inmiddels jongvolwassen Nora (19) naar Naaldwijk. Haar nieuwe adres daar, Heerenstraat 1, was dat van haar ooms Arie en Jan Hoogstaten, twee ietwat zonderlinge maar zeer welgestelde broers van haar moeder die in Naaldwijk meerdere panden bezaten. Diezelfde maand ging Herman van Vlaardingen naar het internaat van de Kruisvaarders van St. Jan in Rijswijk, enkele dagen na zijn dertiende verjaardag. Hij zou niet meer naar Voorburg terugkeren. Het nu iets kleinere gezin Van Genk verhuisde opnieuw, dit keer naar Van Alphenstraat 93. Begin oktober vertrok Addy (18) naar haar oom en tante Van der Ouderaa in Bergen op Zoom. [6]

In maart 1936 keerden nog drie dochter terug uit België: Agnes (15), Isabella (14) en Willy (12) hadden zesenhalf jaar in Leuven gewoond. Leny hield het tot 1938 vol en was drieëntwintig toen ze terug naar Voorburg kwam. Dit suggereert dat zij al bezig was met haar voorgenomen intrede als kloosterlinge. In juni 1936 verhuisde Maria Heesen naar De Bilt; haar huwelijk met Jozef van Genk was kennelijk al na twee jaar officieus voorbij. In het najaar ging ook Tiny bij haar familie in Naaldwijk wonen, terwijl Addy in het voorjaar van 1937 juist weer terugkeerde naar Voorburg.

Begin 1939 gingen Addy en Jacqueline samen op kamers wonen op een adres in het centrum van Den Haag. [7] Een maand later vertrok Willem naar het internaat in Harreveld, waarna Jozef van Genk met zijn dochters Leny (23), Riet (19), Agnes (18), Isabella (17) en Willy (15) verhuisde naar Magnoliastraat 10 in Den Haag. Hier stoppen de gegevens op de gezinskaarten en zijn (vanuit die bron) de bewegingen van de Van Genks niet meer te volgen. Mogelijk voegden Addy en Jacqueline zich korte tijd later bij het gezin – in de Haagsche Courant stond op 1 juli 1939 een advertentie voor onder andere een ‘zo goed als nieuw, 2-persoons opklapbed’, met als adres Westeinde 195. De verhuizing van Voorburg naar Den Haag had mogelijk te maken met Jozefs nieuwe baan bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Een jaar later kwam ook Willem vanuit Harreveld weer naar huis. [8]


NOTEN

[1] Volgens de oude gezinskaart van Den Haag vertrokken de Van Genks naar het adres Van Heurnstraat 87 in Voorburg, volgens de gezinskaarten van Voorburg was het eerste adres in die gemeente Van de Wateringelaan 25. Het Handelsregister Zuid-Holland geeft 1 september als de officiële vestigingsdatum van ‘Van Genk’s Fruithandel – winkel in groenten en fruit, Van Wateringelaan 25 in Voorburg’.

[2] Volgens Tineke Dietvorst, dochter van een neef van de kinderen Van Genk, was Addy ‘heel fragiel’ (interview met Pierre en Tineke Dietvorst, 17 oktober 2018).

[3] In het Handelsregister Zuid-Holland staat op het document met oprichtingsgegevens de opmerking: ‘Handelszaak Januari 1933 opgeheven’. Een separaat document geeft aan dat Van Genk’s Fruithandel op 29 september 1933 formeel van eigenaar wisselde.

[4] Walda, Koning der stations, p. 31.

[5] Haagsche Courant, 22 november 1938.

[6] Willem was bij deze tante en oom opgevangen na het overlijden van zijn moeder, maar zijn woonplaats werd voor dit verblijf niet aangepast op de gezinskaarten.

[7] Het adres is Westeinde 195. In de Haagsche Courant staan rond deze tijd voortdurend advertenties voor woonruimte op dit adres, onder andere op 2 februari: ‘TE HUUR nette gemeubil. zit-sl.-kamer voor 2 personen, ƒ 4 per week.’

[8] De precieze data:

  • 19 juni 1925 – verhuizing vanuit Den Haag naar Van de Wateringelaan 25 in Voorburg
  • 28 februari 1927 – Leny, Nora, Jacqueline, Riet en Agnes vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 3 juni 1927 – Tiny vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 16 september 1927 – Isabella vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 27 juli 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 7 augustus 1929 – Nora vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 14 september 1929 – Nora, Addy en Willy vanuit Voorburg naar Leuven
  • 12 oktober 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Voorburg naar Leuven
  • 2 februari 1933 – verhuizing (Van Aremberglaan 157)
  • 16 februari 1933 – Tiny , Nora en Jacqueline vanuit Leuven naar Voorburg
  • 4 augustus 1933 – Addy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 8 mei 1934 – Herman van Vlaardingen vanuit Renkum naar Voorburg
  • 5 juni 1934 – verhuizing (Van Aremberglaan 86)
  • 28 juni 1934 – Maria Heesen vanuit Den Haag naar Voorburg
  • 28 september 1934 – Riet vanuit Leuven naar Voorburg
  • 13 april 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Enschede naar Voorburg
  • 25 mei 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Enschede
  • 5 september 1935 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 10 september 1935 – Herman van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Rijswijk
  • 11 september 1935 – verhuizing (Van Alphenstraat 93)
  • 1 oktober 1935 – Addy vanuit Voorburg naar Bergen op Zoom
  • 5 maart 1936 – Agnes, Isabella en Willy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 25 juni 1936 – Maria Heesen vanuit Voorburg naar De Bilt
  • 22 augustus 1936 – Tiny vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 14 april 1937 – Addy vanuit Bergen op Zoom naar Voorburg
  • 26 augustus 1938 – Leny vanuit Leuven naar Voorburg
  • 6 oktober 1938 – Nora vanuit Naaldwijk naar Voorburg
  • 17 januari 1939 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 15 maart 1939 – Addy en Jacqueline vanuit Voorburg naar Den Haag
  • 27 april 1939 – Willem vanuit Voorburg naar Harreveld
  • 28 juli 1939 – Jozef van Genk, Leny, Riet, Agnes, Isabella en Willy van Voorburg naar Den Haag

Pa

WhatsApp Image 2020-08-02 at 11.58.15

Magnoliastraat 10

Magnoliastraat 10 in Den Haag. Het appartement van het gezin Van Genk bevond zich op de tweede verdieping; de trap links op de onderste foto geeft toegang tot de voordeur. Foto’s: Jan Vellekoop (boven), Google Street View – oktober 2018 (onder)

In mei 1939 verhuisde Willem van Genk van Voorburg naar Harreveld – het gezin Van Genk was op dat moment dus nog woonachtig in Voorburg. Op 9 september van dat jaar staat in de Haagsche Courant een advertentie waarin de tweeëntwintigjarige ‘Mejuffr. J. van Genk’, met als adres Magnoliastraat 10 in Den Haag, haar diensten als stenotypiste aanbiedt. Omdat we weten dat het gezin Van Genk op enig moment tussen 1934 en 1940 verhuisde van Voorburg naar Magnoliastraat 10 in Den Haag, lijkt dit te gaan om Jacqueline en zou de plaatsing van zoon Willem op het internaat in Harreveld met deze verhuizing te maken kunnen hebben gehad. Ook in 1939 trouwde de dochter van Maria Heesen in Enschede, mogelijk een indicatie van de officieuze scheiding van Jozef van Genk en zijn tweede echtgenote. Hijzelf verruilde in deze jaren van beroep en ging hij werken bij het Gewestelijk Arbeidsbureau aan de Prinsegracht in Den Haag. Naar de precieze gezinssamenstelling aan de Magnoliastraat blijft het gissen. Slechts viif van de negen dochters zouden trouwen, allen ná 1945.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond de beruchte confrontatie van Willem van Genk met de Gestapo plaats, die volgens sommigen ten grondslag zou liggen aan zijn obsessie met raincoats. Tiny deed in haar gesprekken Dick Walda verslag van deze gebeurtenis, maar een precieze datering ontbrak. [1] Later zou zij nogmaals haar verhaal doen tegenover Carolien Satink voor het boek Een getekende wereld, maar van dat interview is mij geen opname of transscriptie bekend. Ans van Berkum maakte op basis van dit interview een reconstructie van de gebeurtenissen met een aantal significante details. Ze vertelde dat Jozef van Genk ‘tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet’ zat; hij ‘ontkwam op een gegeven moment op het nippertje aan de Gestapo, via een ziekenhuis […]. Het belang van zijn verzetswerk wordt wellicht geïllustreerd door het feit dat de stations in Den Haag en Voorburg na zijn ontsnapping onmiddellijk hermetisch werden afgegrendeld.’ Vervolgens:

Maar in huize Van Genk aan de Magnoliastraat, speelde zich ten tijde van de ontsnapping een scène af, die Willem voor zijn verdere leven zal tekenen. Twee mannen van de Gestapo stappen binnen in de woning op de tweede verdieping om Willem hardhandig aan de tand te voelen over de verblijfplaats van zijn vader en de ondergedoken joden die hij hielp. ‘Waar is Jozeph?’ werd hem telkens weer gevraagd. Het is waarschijnlijk dat Willem op dat moment in de war raakte. Bedoelden ze misschien een joodse jongen? Zijn vader werd immers nooit bij die naam genoemd. Hij was altijd Jos of Sjef. Tiny van den Heuvel doet verslag: “Hij heeft van die Duitsers een paar flinke lellen gekregen. Hij werd geslagen, omdat hij moest vertellen waar zijn vader zat, maar dat wist hij natuurlijk niet. Ze hadden in allerijl alle sporen van zijn gedoe met persoonsbewijzen, zijn werk voor joodse onderduikers, verwijderd. De mannen van de Gestapo in hun hooggesloten leren jassen, maakten een enorme indruk op Willem.” Verraden joodse jongens komen in haar verhaal niet ter sprake, ook al zaten er enkele in de brandstoffenhandel op de begane grond onder het huis van de Van Genks verborgen. [2]

De ontsnapping uit het ziekenhuis, de afgegrendelde stations, het misverstand over de voornaam, de joodse onderduikers ‘in de brandstoffenhandel op de begane grond’ – er zijn diverse uitermate gedetailleerde verhaalelementen die inderdaad wijzen op een betrokken verteller. Daarentegen is het moeilijk voor te stellen dat iemand als Tiny, van wie geluidsfragmenten bekend zijn, een zin zou uitspreken als ‘De mannen van de Gestapo in hun hooggesloten leren jassen, maakten een enorme indruk op Willem.’ Tiny sprak enigszins warrig, sprong van de hak op de tak en noemde haar broer altijd ‘Wim’.

WhatsApp Image 2020-08-02 at 11.48.56

De voordeur van Magnoliastraat 10 in Den Haag, 2 augustus 2020 (foto: Jan Vellekoop)

Op de website van museum De Timmerwerf in De Lier trof Jan Vellekoop de volgende tekst van verzetsman Bram Jonker aan:

Mijn normale kantoorwerk hield in dat ik ook regelmatig op het G.A.B. kwam en daar goede contacten met enkele ambtenaren kreeg. De Chef van de afdeling heette Huetink en mijn contactpersoon was de Heer van Genk, die in de Bomenbuurt woonde, alsmede enkele van zijn ondergeschikten […]. Met de Heer van Genk begon mijn illegale werk, want hij bleek bereid mij “Ausweise” te verschaften. Met deze “ausweise” konden onderduikers “boven” komen en werd voor anderen tewerkstelling in Duitsland voorkomen. Het was een ingewikkelde administratieve manipulatie, waarbij ik op verschillende afdelingen kwam.

De hier beschreven activiteiten werden uitgevoerd door de Katholieke verzetsgroep “Voor God en de Koning”, die onder leiding stond van Frans Mol, eveneens werkzaam op het Gewestelijk Arbeidsbureau. Het is daarmee vrijwel zeker dat ook Jozef van Genk deel uitmaakte van deze groep.

Bij de ontruiming van de woning van Willem van Genk in 1998 werden twee gekopieerde documenten gevonden die betrekking hadden op het verzetsverleden van Jozef van Genk: een ongedateerde autobiografische tekst, “Les mémoires de Pa”; en een brief aan hem uit oktober 1952 met als aanhef ‘Beste Paatje’. De brief is geschreven door een zekere Ed, een oude kennis uit het verzet die is vertrokken naar Zuid-Amerika om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Ed reageert op een eerdere brief van Jozef van Genk, waarin deze heeft aangegeven gedesillusioneerd te zijn door de gebeurtenissen van na de oorlog: ‘De eensgezindheid van gedurende de oorlog is verloren gegaan en uiteengevallen in veel eigenbelangetjes. Zo gaat het allemaal en er is totaal niets aan te doen, wij hebben ons leven gewaagd en de anderen gaan met de eer strijken. […] Paatje laat die mensen allemaal in hun vet gaar koken, trek je je er niets van aan. Wij hebben goed gedaan, laten wij daar tevreden over zijn.’

De verzetsnaam van Jozef van Genk was dus kennelijk “Pa”, zo blijkt ook uit de titel van zijn eigen tekst, “Les mémoires de Pa”. Hierin doet hij verslag doet van een roerige nacht bij hem thuis in de Magnoliastraat in december 1943. De eerste zinnen zetten de toon en geven meteen ook de activiteiten van de auteur aan:

Na een zeer zwaren dag op mijn bureau G.A.B en eene niet minder zware avondzitting; ik hielp n.l. de jongens aan afkeuringen, ausweizen, plaatsen voor onderduiking etc. (alzoo was ’t in de avonduren een aanloop van slachtoffers) kon ik eindelijk uitgeput ter ruste gaan.

Van Genk sr. wordt eerst wakker geschud door enkele Duitsers die aan zijn bed staan nadat ze de voordeur hebben geforceerd, maar ze blijken het adres verkeerd te hebben. Rond drie uur ’s nachts gaat de bel, aan de deur staat een haveloze man die hulp zoekt van ‘Pa van afdeling Buitenland G.A.B.’ Jozef van Genk doet of zijn neus bloedt en zegt dat hij Pa niet is, maar geeft de man wel wat te eten. Opnieuw wordt er gebeld, deze keer door twee personen van de Luchtbeschermingsdienst die hem erop wijzen dat zijn licht nog brandt. Als zij weer weg zijn laat Pa de vluchteling op zijn bank slapen en regelt hij de volgende dag dat de man wordt afgekeurd voor de Arbeidseinsatz. Een paar jaar na de oorlog overlijdt de man aan de TBC waar hij ten tijde van de beschreven avond al aan leed.

Memoires Pa 004

‘Dit was een van mijn onrustige nachten 20 Dec ‘43’

“Les mémoires de Pa” is een tekst die een goed beeld geeft van de leefsituatie van het gezin Van Genk tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarover enkele interessante details bevat. Zo blijkt Jozef van Genk met een revolver onder zijn kussen te slapen, woont hij op de tweede verdieping, is hij erop voorbereid snel te moeten vluchten voor de Duitsers en spreekt hij een aantal keren over ‘de kinderen’. Verder staat hij kennelijk bekend als iemand van wie hulp te verwachten is. Ook laat hij bij de bezoekjes van de Duitsers en de Luchtbeschermingsdienst zien dat hij niet bang is uitgevallen en dat hij goed weet wat hij wel en niet moet doen en zeggen. Zijn kinderen blijken van zijn verzetsactiviteiten op de hoogte te zijn en willen hem eventueel helpen te vluchten – in december 1943 waren de jongste dochters twintig (Willy), eenentwintig (Isabella) en drieëntwintig (Agnes) jaar oud. Zoon Willem was zestien, in de tekst wordt hij niet specifiek vermeld. [3]

In juni 1944 werd de verzetsgroep “Voor God en de Koning” van Frans Mol verraden door een onderduiker die eigenlijk werkte voor de Duitse Sicherheitsdienst. Bij een inval in de woning van Mol werden vervalste papieren en stempels gevonden, waarna er een golf van arrestaties in Den Haag volgde. [4] Meer dan dertig personen werden gevangen genomen, onder wie de broers Bouke en Leo Wartna die in de Molenstraat een stempelwinkel hadden. [5] Het is zeer waarschijnlijk dat Jozef van Genk een van de beoogde arrestanten was, hoewel hij dus wist te ontkomen. Het afgrendelen van de stations in Den Haag en Voorburg zal eerder te maken hebben gehad met de omvang van de operatie dan met de specifieke positie van “Pa”. De confrontatie van Willem van Genk met de agenten van de SD – niet: de Gestapo – moet daarmee in juni 1944 hebben plaatsgevonden, toen hij zeventien jaar oud was.


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 35.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 34.

[3] Of “Les Mémoires de Pa” een hoofdstuk is van een langere tekst, is niet bekend. Wel schreef hij later in ieder geval nog een tekst van zo’n tweehonderd pagina’s over een zekere Peerke Franken. (e-mail van Marijke Bijmans aan Jack van der Weide, 3 augustus 2020)

[4] Voor een uitgebreide reconstructie van de gebeurtenissen, cf. Corien Glaudemans, ‘De Documentatiedienst van de Haagse politie in de Tweede Wereldoorlog’, in: Jaarboek Die Haghe (Den Haag 2012), pp. 53-103.

[5] ‘Op nr 41 was de stempelwinkel van de gebroeders Sjoerd, Bouke en Leo Wartna. Ze hadden ook een stempelfabriek in de Oog in ’t Zeilstraat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hielpen de broers het verzet door stempels te maken voor vervalsingen van distributiekaarten en identificatiepapieren. Frans Mol was de baas van hun verzetsgroep, hij werkte voor het Gewestelijk Arbeidsbureau. Frans Mol woonde aan de Stationsweg en had een onderduiker in huis. Later bleek deze Peter Marsman een V-man te zijn, die voor de Sicherheitsdienst werkte. Op 19 juni 1944 werden Frans en Truus Mol en hun 8-jarige zoontje gearresteerd. In hun huis werden stempels gevonden. Een dag later werd de winkel in de Molenstraat overvallen’. (Wikipedia, ‘Molenstraat (Den Haag)’; geraadpleegd op 6 augustus 2020).

Vader en kinderen

Jozef van Genk (vermoedelijk 1958) (1024x649)

Jozef van Genk met twee van zijn kleinkinderen, voorjaar 1958

Het is moeilijk om verifieerbare informatie te vinden over de eerste decennia van het leven van Willem van Genk. Zelf was hij als bron verre van ideaal, zijn notities en opmerkingen hadden eigenlijk altijd een vorm van interpretatie nodig. Dick Walda was vanaf de jaren tachtig degene die een begin maakte met het in kaart brengen van Van Genks verleden, maar hij had daarbij vrijwel geen basisgegevens tot zijn beschikking. Wanneer Van Genk het tegenover Walda bijvoorbeeld had over ‘de weduwe van Von Ribbentrop en Arthur Schmelage’ die werk van hem zouden hebben, dan kunnen deze namen pas later worden thuisgebracht. [1] Met ‘Arthur Schmelage’ doelde hij waarschijnlijk op Alfred Schmela, de Duitse galeriehouder die in de jaren zestig enkele werken van hem had verkocht maar er, voor zover bekend, zelf geen bezat. Een van de klanten van Schmela was inderdaad Anneliese von Ribbentrop (1896-1973), de weduwe van de Duitse minister van buitenlandse zaken in nazi-Duitsland. [2]

Een belangrijke informant voor Walda, en later ook voor de makers van Een getekende wereld (1998), was Tiny van den Heuvel-van Genk, de oudste zuster van de kunstenaar. Ze kreeg van Walda in diens boek Koning der stations een eigen hoofdstuk, waarin ze ook vertelt over de jeugd van de kinderen Van Genk in het algemeen en haar broer in het bijzonder. Fragmenten uit de gesprekken die Ans van Berkum daarna met Tiny hield, kwamen recentelijk beschikbaar op de website van Theo Faber. [3] Daaruit viel onder meer op te maken dat ook in het geval van Tiny vaak enige interpretatie nodig was, zij het minder dan bij haar broer. Vreemd is dat uiteraard niet, als je bedenkt dat het herinneringen aan zaken van vijftig tot zestig jaar geleden betreft. Tiny’s woorden waren misschien niet altijd naar de letter nauwkeurig, maar meestal wezen ze wel in de goede richting.

Tiny vertelde tegen Walda terzijde over de kostschool waar zij en haar acht zusjes door haar ouders onder waren gebracht:

Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. Het katholieke internaat in Leuven heette ‘Ecole du Commerce’. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden. […] Ik was de oudste en had ook nog eens de zorg voor de kleintjes. Twee van mijn zusjes, die het meeste heimwee hadden, kwamen na verloop van tijd weer terug in Voorburg’. [4]

Waar het internaat in Leuven niet door mij kon worden getraceerd, kreeg ik wel van een van de kleindochters van Jozef van Genk een brief ter inzage die hij in januari 1931 aan zijn dochters in Leuven schreef.

In de brief is vader Van Genk niet al te lang van stof, maar hij getroost zich duidelijk wel moeite om al zijn dochters ook even individueel aan te spreken: ‘Zeg Wilhelmientje hebt ge braaf gebeden, jongens wat een groote meid al en mooie punten, maar Isabella ook hoor, en Agnes hewel meske, kunde gij al Vlaamsch klappen’, en zo verder. Ze doen goed hun best en hebben bijna allen een mooi kerstrapport, op Nora na. Addy en Jacqueline blijken de twee zusjes te zijn die met heimwee weer naar huis mochten, ze woonden ten tijde van de brief echter niet in Voorburg maar in Bergen op Zoom. Hun broertje was de enige van de tien kinderen die bij zijn ouders in Voorburg was. Wat Jozef van Genk over hem aan zijn dochters vertelde, biedt een zeldzame blik op de dan driejarige Willem van Genk:

Oh ja, jullie dachten aan Willem, nu dat is een echte kwajongen geworden, een deugniet in hooge mate. Wanneer hij een koekje van mama krijgt zegt hij dank u wel papa, het is immers volgens hem van papa’s centen! Geen kind in den winkel, mag ergens aanraken, hij slaat erop. Vorige week was hij op straat met twee grootere  jongens aan het rollen, ze hadden wat afgepakt. Hij weet al hoe oud hij is, waar hij woont, en is mama’s kleine jongen, niet van papa! [5]

De verleiding is groot om op grond van dit korte portret te gaan psychologiseren en eigenschappen van de oudere Willem terug te lezen in de woorden van zijn vader. In ieder geval dient in aanmerking te worden genomen dat het gaat om een beschrijving van een vader aan zijn dochters in de leeftijden van acht tot zestien jaar, waarbij hij ook nog eens – mogelijk: ondanks alle problemen – trots was op zijn enige zoon.

17b - Jenny

Maria Heesen, jaren veertig

Maria van Genk-Hoogstraten overleed in november 1932 en Jozef van Genk hertrouwde in mei 1934 met Maria Heesen, wier roepnaam ‘Jenny’ was. [6] Over deze verbintenis is weinig bekend, door latere generaties werd het huwelijk doodgezwegen. Hoe het daarna met de kinderen van Jozef van Genk verliep, is eveneens onduidelijk. In het Dagblad van Noord-Brabant werd op 19 oktober 1935 melding gemaakt van de verhuizing vanuit Voorburg van A. van Genk naar Zuivelstraat 11 in Bergen op Zoom – dit was Addy van Genk die (opnieuw) bij haar tante en oom Van der Ouderaa in Bergen op Zoom ging wonen. Dezelfde krant meldde op 17 april 1937 haar terugkeer naar Voorburg.

Interessanter nog is een lijstje in De Graafschap-bode van 5 mei 1939 met ingekomen personen in de gemeente Lichtenvoorde: onder hen ‘W.F.A.M van Genk, F24 van Voorburg’. Het ging hier om de verhuizing van Willem van Genk naar het internaat in Harreveld, waarbij F24 mogelijk een geografische precisering betrof. Op 12 juli 1940 vertrok hij weer: ‘W.F.A.M van Genk, van F24 naar Venlo’. Dat laatste was waarschijnlijk een tikfout, aangezien ook de volgende persoon naar Venlo vertrok. Willem van Genk was dus net twaalf jaar oud toen hij naar het internaat in Harreveld werd gestuurd, waar hij één schooljaar verbleef. Toen hij weer naar huis kwam, was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken.


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 28.

[2] Nico van der Endt had bij zijn zoektocht naar de verdwenen werken van Van Genk in 2000 haar naam gekregen van Charlotte Zander.

[3] De fragmenten zijn hier te vinden. Zowel Willem van Genk zelf (in gesprek met Dick Walda en Nico van der Endt) als Tiny (in gesprek met Ans van Berkum) zijn te horen (geraadpleegd op 27 juli 2020).

[4] Walda, Koning der Stations, p. 31.

[5] Jozef van Genk aan zijn dochters, 5 januari 1931 (archief Marijke Bijmans).

[6] Mededeling Herman van Vlaardingen aan Jack van der Weide, 3 juli 2020.

Herman (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over de stiefbroer van Willem van Genk, Herman van Vlaardingen. Het eerste deel is hier te vinden.

02b - Herman sr, Tiny, Herman jr, Jenny

Links: Herman van Vlaardingen sr. met zijn gezin, ca. 1925. Rechts: Tiny van Vlaardingen, Maria van Vlaardingen-Heesen en Herman van Vlaardingen jr., ca. 1930.

Wachtend op bericht van Herman van Vlaardingen III uit Brugge, mogelijk een zoon van de stiefbroer van Willem van Genk, vond ik in het Stadsarchief Rotterdam een huwelijksakte en een gezinskaart waarvan vooral de laatste erg veel nieuwe en relevante informatie bleek te bevatten. [1] Herman van Vlaardingen I en Maria Heesen, beiden ‘wonende alhier, doch binnen de laatste zes maanden te Enschede’, waren op 31 oktober 1917 getrouwd in Rotterdam. Het beroep van de bruidegom was ‘koffiehuisbediende’ volgens de huwelijksakte, ‘kellner’ volgens de gezinskaart. Die vermeldde ook dat Herman Nederlands Hervormd was en Maria Rooms Katholiek, en dat het echtpaar op 16 mei 1918 officieel was vertrokken naar (opnieuw) Enschede.

Helemaal duidelijk waren de verhuizingen tussen Rotterdam en Enschede niet, want al op 10 mei 1918 was in die laatste stad dochter Christina Johanna geboren. Op 14 juni keerde het gezin terug naar Rotterdam, om op 3 februari 1920 weer te vertrekken naar Gouda. Dat verblijf was van korte duur: nog geen vier maanden later, op 3 juni 1920, werd Rotterdam andermaal de woonplaats. Daar werd op 31 augustus 1922 zoon Herman Johan Christiaan geboren. Beide kinderen kregen de geloofsovertuiging van de moeder mee. Een kleine twee jaar voor de geboorte van Herman jr. was bovendien de jongste broer van Herman sr., Jan Willem, bij het gezin ingetrokken. Hij was geboren in 1899, behoorde niet tot een kerkgenootschap en was van beroep kapper.

Het leken geen vette jaren voor het gezin Van Vlaardingen in Rotterdam. De gezinskaart vermeldt zeven adressen in drie jaar, waarbij het voor een deel om ‘inw[onend]’ ging. Bovendien stond op 23 maart 1923 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant het volgende bericht: ‘Bij vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam d.d. 21 maart 1923 is het faillissement van HERMAN JOHAN CHRISTIAAN VAN VLAARDINGEN, kellner […], opgeheven, wegens gebrek aan baten.’ Herman van Vlaardingen I was dus failliet verklaard, maar omdat er bij hem niets te halen viel, werd het faillissement weer opgeheven.

Kelner Herman en kapper Jan vertrokken volgens de gezinskaart op 25 september 1923 naar Amerika – vanuit Rotterdam, aanmonstering op een schip van Holland-Amerika Lijn is derhalve denkbaar. Vrouw en kinderen van Herman kwamen na op 28 mei 1924, inmiddels was er een adres in de stad Kingston in Canada, aan de Canadese kust van Lake Ontario. Jan van Vlaardingen hield het zo’n vijfenzestig jaar vol aan de overkant van de oceaan en overleed pas op 10 maart 1988 in Monterey, Californië. Bij de Amerikaanse volkstelling uit 1940 werden van hem de volgende gegevens opgetekend:

Name                     John Van Vlasrdingen
Age                         40, born abt. 1900
Birthplace             Holland
Home in 1940      2139 North Central Park Avenue
                                Chicago, Illinois
Wife                       Hedy Van Vlasrdingen (35)
Daughter              Ruby Van Vlasrdingen (14)
Daughter              Ruth Van Vlasrdingen (14)
Daughter              Irma Van Vlasrdingen (12) [2]

10b - Herman jr, Jenny

Maria van Vlaardingen-Heesen en Herman van Vlaardingen jr. aan boord van het s.s. Statendam, 1932.

Herman van Vlaardingen I stierf op 26 december 1931 in Genesee Hospital in Rochester, waar hij woonde op het adres 1319 Dewey Avenue. [3] Zijn weduwe keerde in 1932 met haar beide kinderen terug naar Nederland met het s.s. Statendam, een cruiseschip van de Holland-Amerika Lijn. Ze vestigde zich eerst in Renkum [4] en daarna in Den Haag, waar ze in 1934 trouwde met Jozef van Genk. Haar kinderen Christina (Tiny) en Herman waren ongeveer even oud als zijn dochters Jacqueline en Isabella.

WhatsApp Image 2020-07-02 at 19.35.53 001b

Herman van Vlaardingen jr., 1928

De verbintenis tussen Jozef en Maria was geen gelukkige. [5] Begin jaren veertig, en misschien al eerder, waren de twee officieel nog getrouwd maar leefden zij gescheiden. Maria was teruggegaan naar Enschede, de stad waar ze ook met haar eerste man enige tijd had gewoond. Dochter Tiny was daar in 1939 gehuwd met Piet (Pieter Albertus) Bos maar overleed eind 1943 aan de verwondingen die ze opliep bij het bombardement op Enschede op 10 oktober 1943. [6] Twee andere slachtoffers van dat bombardement waren Arend Jan Wargerink en Hermina Wargerink-Reef. [7] Hun dochter Enna zou in oktober 1950 op 28-jarige leeftijd trouwen met de even oude Herman van Vlaardingen jr. [8]

Een week nadat ik een brief had gestuurd aan Herman van Vlaardingen uit Brugge, kreeg ik een reactie: hij was inderdaad de zoon van Herman van Vlaardingen II en Enna Wargerink! Tijdens enkele telefoongesprekken vertelde hij onder meer dat zijn grootvader Herman van Vlaardingen I in Rochester was overleden als gevolg van een auto-ongeval; dat zijn grootmoeder Maria Heesen (roepnaam: Jenny) in 1950 na een lang ziekbed was gestorven aan kanker; en dat zijn vader was overleden in 1987. Een paar dagen later mailde hij mij een dossier met genealogische gegevens, waaruit onder meer bleek dat de ouders van Herman van Vlaardingen I in 1914 met hun nog thuiswonende kinderen vanuit Zwolle naar Enschede waren verhuisd. Verder ging het met name om voorouders binnen de Van Vlaardingen-tak. Maria Heesen werd uiteraard wel genoemd, maar van Jozef van Genk geen spoor. Herman III had van zijn vader ook nooit iets gehoord over diens Haagse jaren.

055 Herman van Vlaardingen II

Herman van Vlaardingen jr. en Enna Wargerink bij hun huwelijk in 1950.

Hier eindigde de zoektocht voorlopig. Opmerkelijk bleef dat kennelijk zowel in de familie van Jozef van Genk als in die van Maria Heesen het huwelijk tussen beiden diep was weggestopt. Bij het overlijden van Jozef van Genk stond op diens gedachtenisprentje vermeld: ‘weduwnaar van Leonarda Pennekamp, eerder weduwnaar van Maria M. Hoogstraten’. Zijn tweede echtgenote werd niet genoemd. Dat Willem van Genk enkele jaren een oudere stiefbroer had gehad die, volgens Tiny van den Heuvel-van Genk, hem in bescherming nam en die op hem gesteld was – daarvan was nauwelijks meer een spoor te vinden. Maar Herman Johan Christiaan van Vlaardingen jr. (1922-1987) bleek wel degelijk te hebben bestaan.

Met veel dank aan Jan Vellekoop en Herman van Vlaardingen.


NOTEN

[1] Cf. hier en hier (geraadpleegd op 13 juni 2020).

[2] ‘John Van Vlasrdingen in the 1940 Census’ (geraadpleegd op 13 juni 2020).

[3] Informatie ontleend aan het overlijdensbericht van Herman van Vlaardingen in de krant The Democrat and Chronicle, 28 december 1931. Op 13 januari 1932 stond er een kleine overlijdensadvertentie in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, ondertekend door zijn moeder.

[4] ‘Bevolking – Gemeente Renkum – Gevestigd’, in: Arnhemsche Courant, 28 oktober 1932.

[5] Een kleindochter van Jozef van Genk liet weten dat haar moeder diens tweede huwelijk zelfs nooit had genoemd en dat ze er pas achter kwam dat er een tweede en een derde huwelijk geweest waren toen ze zich in haar stamboom was gaan verdiepen. Ook twee andere kleinkinderen hadden van hun respectieve moeders nooit iets over Maria Heesen gehoord.

[6] ‘Droeve plechtigheid’, in: Twentsch Nieuwsblad, 30 december 1943. Drie dagen eerder stond in dezelfde krant een overlijdensadvertentie voor Christina Johanna Bos-van Vlaardingen namens ‘MOEDER, HERMAN en JO’. Wie Jo is, heb ik niet kunnen achterhalen.

[7] ‘Inwoners van Enschede, omgekomen bij bombardementen’ (geraadpleegd 15 juni 2020).

[8] ‘Burgerlijke stand – Enschede – Gehuwd’, in: Tubantia, 26 oktober 1950.

Herman

De reeks teksten over de woning van Willem van Genk wordt tijdelijk onderbroken voor een tweeluik over zijn al dan niet vermeende stiefbroer.

Graf Maria Anna Heesen

Het graf van Maria Heesen in Enschede. Foto: Jan Vellekoop

Jozef van Genk, de vader van Willem van Genk, trouwde drie keer. Zijn eerste huwelijk, met Maria Hoogstraten, duurde bijna twintig jaar: van 1913 tot het overlijden van zijn echtgenote in 1932. Jozef trouwde in 1934 voor een tweede maal, met Maria Anna Heesen, weduwe van Herman Johan Christiaan van Vlaardingen. Opnieuw kwam het huwelijk van Jozef pas ten einde door het overlijden van zijn echtgenote in 1951, al leefden de twee al sinds het begin van de jaren veertig gescheiden. Het huwelijk had daarmee formeel zo’n zeventien jaar geduurd. In vergelijking daarmee was het derde huwelijk, met Leonarda Pennekamp van 1952 tot 1954, van korte duur. Weer was het zijn echtgenote die overleed. Jozef van Genk stierf zelf in 1958, op zeventigjarige leeftijd.

Alle kinderen van Jozef van Genk werden geboren tijdens zijn eerste huwelijk. Zijn oudste dochter Tiny vertelde in het midden van de jaren negentig tegen Dick Walda dat de tweede echtgenote van haar vader een Amerikaanse was die kinderen meenam uit een vorig huwelijk. [1] Zoals ik al eerder opmerkte, was Maria Heesen geen Amerikaanse maar kwam ze uit Huisseling en Neerloon. Wel bleek haar eerste man in 1931 overleden te zijn in Rochester, een stad aan de Amerikaanse kant van Lake Ontario. Ook het door Tiny gebruikte meervoud ‘kinderen’ leek onjuist: op verschillende genealogische sites was alleen een dochter te vinden, Christina Johanna, geboren in 1918.

Een paar jaar geleden kreeg ik een e-mail van Ans van Berkum:

Over die tweede vrouw van vader Jozef van Genk gesproken, Tiny van den Heuvel (oudste zus) vertelde (bandopname 1998) dat deze twee kinderen had, een jongen en een meisje, die bij Den Haag op kostschool zaten. Deze zouden aan het eind van de oorlog omgekomen zijn bij een bombardement. Willem zou erg gesteld zijn geweest op die jongen en door zijn dood een flinke schok hebben gekregen, misschien een trigger voor de geestelijke toestand waarin hij zich is gaan bevinden. [2]

Mijn antwoord toen:

Ik zie maar één kind, Christina Johanna van Vlaardingen, geboren 1918 in Enschede, overleden 27 december 1943 in Enschede. Geen broer, geen Haags bombardement als doodsoorzaak en al volwassen tijdens WWII. Wel is Herman Johan Christiaan van Vlaardingen in 1931 overleden in Rochester, Tiny zou ooit gezegd hebben dat hij een Amerikaan was – nee dus, maar wel een Nederlander (uit Zwolle) die kennelijk op enig moment naar Amerika is vertrokken. [3]

Er waren derhalve twee interviews met Tiny geweest waarin ze het over de kinderen uit het eerste huwelijk van Maria Heesen had. Het door Van Berkum genoemde interview bleek op internet te vinden te zijn, zodat kon worden nagegaan wat precies de bewoordingen van Tiny waren:

… toen mijn vader voor de tweede keer trouwde, daar was een jongen … en een meisje kwam er dan nog bij. En die jongen die was heel erg gesteld op Wim, die was ouder … en die zag in Wim … het zwakke broertje, en dan zei-die tegen de andere jongens: denk d’r om … anders breken jullie z’n arm, of zoiets … die was er zuinig op, maar … voorzichtig … maar die zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog, die jongen, en ook dat meisje … met die atoomgeschiedenis. En die jongen die was bij de Broeders van Sint Jan in Rijswijk, op een internaat … en ik zie nog die voltreffer, ik zat bij het ministerie van Marine en ik zie nog dat ding gaan, en dan hoorde ik op de … bij de Broeders van Sint Jan … was een Herman … maar ’t was een hele aardige jongen, ja … en dat was heel erg … [4]

Wat was er in dit verhaal wel en niet juist? De naam ‘Herman’ zou kunnen kloppen, dat was ook de voornaam van de vader van Willem van Genks stiefbroer. De dochter was bovendien inderdaad overleden tijdens de Tweede Wereldoorlog, weliswaar niet in Den Haag maar Tiny zegt ook niet dat dat eveneens tijdens het door haar genoemde bombardement was. Ook bestaat er een religieuze organisatie genaamd ‘Broeders van Sint Jan’, al zaten die niet in Rijswijk maar onder meer in Den Haag zelf. Daarbij kon ik geen internaat vinden dat bij die organisatie hoorde. Bij een bombardement op Den Haag gaan de gedachten bovendien al gauw uit naar het bombardement op de wijk Bezuidenhout op 3 maart 1945, maar dat is geen Rijswijk en er was ook niets te vinden over een internaat dat geraakt was.

Na wat spelen met zoektermen vond ik de gebeurtenis waar Tiny op doelde:

In de middag van 27 oktober 1944 werd in het Rijswijkse bos een raket afgevuurd, die meteen na de start neer viel op het ‘Huis van de Kruisvaarders van St. Jan’, een R.K. jongensinternaat aan de Vredenburchweg. Zeven jongens, vijf broeders en twee arbeiders kwamen om het leven. Het hoofdgebouw werd geheel vernield. [5]

Geen Broeders van Sint Jan, maar Kruisvaarders van Sint Jan! Een andere bron was wat gedetailleerder over het gebeuren en vermeldde bovendien een gedenkplaat in de St. Bonifatiuskerk in Rijswijk, ook aan de Van Vredenbughweg:

Op het terrein waar in de 13e eeuw het kasteel Steenvoorde stond, werd in 1922 een katholiek jongensinternaat van de Kruisvaarders van Sint-Jan gevestigd. Het internaat werd in 1944 vernietigd bij de mislukte lancering van een Duitse V2 raket. Er kwamen vijf broeders, zeven jongens en twee bezoekers om het leven. In het torenportaal van de St. Bonifatiuskerk herinnert een gedenkplaquette aan dit ongeluk. [6]

De gedenkplaat zou de namen van de slachtoffers vermelden, mogelijk inclusief die van Herman van Vlaardingen. Van Genk-verzamelaar Jan Vellekoop was onmiddellijk bereid in Rijswijk een kijkje te gaan nemen.

Knipsel

De gedenkplaat in de St. Bonifatiuskerk in Rijswijk. Foto’s: Jan Vellekoop

Helaas leek geen van de namen de gezochte stiefbroer te betreffen. Vellekoop vond echter wel enkele krantenberichten die erop leken te wijzen dat er in ieder geval een familielid met een vergelijkbare naam bestond. Op 26 oktober 1950 maakte dagblad Tubantia melding van een huwelijk in Enschede tussen H.J.C. van Vlaanderen en E. Wargerink, beiden 28 jaar oud. Dit leken dezelfde personen te zijn die genoemd werden in de overlijdensadvertentie in Tubantia voor ‘onze innig geliefde Moeder, Zuster en Tante’ Maria Heesen op 18 juni 1951: H.C.J. van Vlaardingen en E. van Vlaaardingen-Wargerink. Bovendien was in een andere overlijdensadvertentie op 28 januari 1971, opnieuw in Tubantia, sprake van een gezin dat in Brugge woonde en bestond uit E. van Vlaardingen-Wargerink, H. van Vlaardingen, Herman en Ineke. Vellekoop had ten slotte ook opgezocht dat in het telefoonboek van Brugge nog steeds een Herman Van Vlaardingen werd vermeld, die ik onmiddellijk aanschreef.

19510618 Tubantia

De overlijdensadvertentie voor Maria Heesen in Tubantia, 18 juni 1951

Kijken we nogmaals naar de tekst uit het interview met Tiny, dan zegt ze feitelijk niet dat de zoon van Maria Heesen bij het voorval met de neergestorte V2 in Rijswijk omkwam. Het kan een associatie zijn geweest: hij zat ooit op het internaat in Rijswijk dat later, in 1944, werd getroffen door een V2. Daarbij zegt ze dat ‘Herman’ ouder was dan haar broer Wim, maar dat kan bijna niet als hij in 1944 nog op een internaat verbleef. En waarom zou een zoon van een broer van Herman van Vlaardingen sr. – die inderdaad een aantal broers had – de initialen H.C.J. (of H.J.C.) hebben? Zou degene die wordt genoemd in Tubantia misschien toch Herman van Vlaardingen jr. zijn en dácht Tiny alleen maar dat hij was overleden?

Een ander punt was dochter Christina Johanna. In een gezin werd de oudste zoon meestal vernoemd naar de vader van de vader, de oudste dochter naar de moeder van de moeder. In het geval van het gezin Herman van Vlaardingen en Maria Heesen heette de vader van de vader Johannes, de moeder van de vader Christina. Dochter Christina Johanna werd dus naar beide ouders van haar vader vernoemd. Bovendien werd het huwelijk van haar ouders gesloten op 31 oktober 1917 en werd zij in 1918 geboren – een exacte datum was niet te vinden, ook niet op haar overlijdensakte. Het zou daarom kunnen dat Maria Heesen ten tijde haar huwelijk al zwanger was, waarbij de naamgeving een poging was om de vader mild te stemmen.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, pp. 31-32.

[2] E-mail van Ans van Berkum aan Jack van der Weide, 17 januari 2018.

[3] E-mail van Jack van der Weide aan Ans van Berkum, 17 januari 2018.

[4] Het interview is hier te vinden, onder het kopje ‘Willem het begin en gevolg’. Het bewuste fragment begint op 02:37 (geraadpleegd op 7 juni 2020).

[5] ‘V2-Raketten leken niet te verslaan’ (geraadpleegd op 7 juni 2020).

[6] ‘Rijswijk, Van Vredenburchweg / Prinses Beatrixlaan – Kapel Kruisvaarders van Sint Jan’ (geraadpleegd op 7 juni 2020).