Harmelenstraat (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden.

052 Valle-de-los-Caidos

Valle de los Caidos | ca. 1985 | gemengde techniek op hardboard | 64 x 119 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

In de tijd dat Willem van Genk er woonde, telde Harmelenstraat 28 in Den Haag twee slaapkamers. Waarschijnlijk hadden de kunstenaar en zijn zuster Willy van 1964 tot 1972 ieder een eigen slaapkamer, waarbij de grootste voor Willy was. Na haar overlijden bleef Van Genk in zijn eigen kamer slapen en werd Willy’s kamer zijn opslagkamer, met name voor zijn collectie raincoats. Beide kamers waren vanuit de hal van het appartement te bereiken, tussen de opslagkamer en de woonkamer was daarnaast nog een schuifdeur.

052 NvdE 1986 002

De slaapkamer van Willem van Genk, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

In de slaapkamer van Van Genk stond tegen de rechtermuur (grenzend aan de keuken) een opklapbed, met op de ombouw enkele werken en kleinere voorwerpen. Op een foto die Nico van der Endt rond 1986 maakte is aan de rechterkant Valle de los Caidos te zien, tegenwoordig in bezit van Stichting Collectie De Stadshof. Links zijn twee werken te onderscheiden met afbeeldingen van Italiaanse locaties, Dom van Ravenna en daarachter Engelenburcht. Naast Engelenburcht is met enige moeite ook nog Smolny Kathedraal te zien, dat Van der Endt net als Dom van Ravenna in 1999 verkocht aan een Amsterdamse verzamelaar. [1] In de rechterbovenhoek van Engelenburcht is een plaatje bevestigd van een meisje met een ijsje. Het zou gemaakt kunnen zijn met een sjabloon dat links te zien is. Naast het sjabloon hangt een label van reisorganisatie Holland International.

Zo’n tien jaar later maakten Ans van Berkum, Bart van Hattum en Pim Leutholff een aantal foto’s van de slaapkamer waarop onder andere eveneens de ombouw van het opklapbed te zien is. [2] Nu stonden er gedeeltelijk andere werken uitgestald: naast nog steeds Dom van Ravenna en Smolny Kathedraal waren te zien Tank II, Pink Pronkjewail, Wissenschaft und Menschheid en Keleti Station. Te zien was verder dat het sjabloon van het meisje met het ijsje met een wasknijper vast zat aan Smolny Kathedraal. Van Berkum als zij het over Engelenburcht (niet te zien op de foto’s) heeft:

Van Genk heeft dit werk altijd bewaard op de plank boven zijn opklapbed. Met een wasknijper was er rechtsbovenaan een sjabloon op bevestigd. Onder de tekst *bezoek de druivenfeesten in Naaldwijk* en enkele schertsende mannentronies, is de contour van het bekende meisje met de blonde krul uitgesneden. Ook onderaan Engelenburcht is zij weer aanwezig, met haar krul in reliëf. Ze blijkt tevens naast de fotograaf in de bruiloftsstoet [op Dom van Ravenna; JvdW] te staan en is in de zogenaamde lijst van de barokke kathedraal [Smolny Kathedraal; JvdW] gestoken. We zullen haar nog vaker treffen. [3]

052 Meisje Pilsen

Kathedraal Pilsen, ca. 1965 (detail)

Inderdaad komt het meisje met het ijsje vaker voor, onder andere ook op Victoria Station, Vervoer USSR, 1 mei parade en Kathedraal Pilsen. Het meisje op dit laatste werk lijkt wel heel erg op het plaatje in de rechterbovenhoek van Engelenburcht op de foto van de slaapkamer door Van der Endt.

Op die foto zijn verder op de rand van de ombouw enkele voorwerpen te onderscheiden, waaronder een brillendoos, een bril, een verstuiver, buttons en een schemerlampje. De bril en het lampje zijn ook te zien op de foto’s uit Een getekende wereld, nieuw zijn daar onder meer een wekkertje en een globe. Linksboven aan de muur zijn enkele affiches en knipsels opgehangen, waaronder een kindertekening met een gele kip en afbeeldingen van trams. Ook zijn op het bed enkele bus-assemblages te zien, al gaat het daarbij mogelijk om een enscenering. De wand tegenover de deur bestaat vrijwel geheel uit een raam en een deur naar het balkon, met onder het raam een verwarmingsradiator.

052 slaapkamer AvB

De slaapkamer van Willem van Genk, ca. 1997. Foto’s: Ans van Berkum, Bart van Hattum en Pim Leutholff

De linkerkant van de kamer is volgestouwd met spullen, vooral kastjes en opgestapelde bananendozen met boeken. Naar het raam toe staan een tafeltje en een stoel, met op het tafeltje opnieuw enkele bus-assemblages. Naast het tafeltje staat het schilderij Vesuvius, tussen de boeken staat een oud radiotoestel, dat al te zien is in de reportage van Brandpunt uit 1964 en dat dus waarschijnlijk van Willy is geweest. Ook is af te leiden uit de reportage dat dit de kamer is waarin Van Genk werd gefilmd terwijl hij aan het werk was bij Willy. Zelf het vaasje op het radiotoestel is blijven staan.

Het tafeltje was vermoedelijk ooit de plek waar Van Genk werkte aan de bus-assemblages: aan de linkerkant zijn op de foto’s uit Een getekende wereld materialen te zien als plakband, lijm en terpentine. Op de dozen met boeken ernaast staan frisdrankbekers en frietdoosjes van McDonald’s. In het vaasje op het radiotoestel staat ook een vlaggetje van McDonalds’s, een fastfoodketen waar Van Genk regelmatig at; gedeeltes van McDonald’s-verpakkingen keren terug in de bus-assemblages. Dick Walda:

Na de Looserweg naar Donald.
Ik vraag: – Wie is Donald?
Hij bedoelt Mc Donald, als ik verder vraag.
Van Genk eet daar achter elkaar drie bakjes patat op en stopt vervolgens de lege bakjes […] in zijn zak. [4]

Op de foto’s van Van Berkum e.a. is te zien dat de linkermuur van de slaapkamer beplakt en behangen is met een grote hoeveelheid knipsels en affiches. Naast het werktafeltje hangt een afdruk van de ets Colonnade, samen met de al eerder genoemde tekening met een afbeelding die vrijwel identiek is aan die op de ets. Opvallende affiches zijn onder meer die met een foto van een gebroederlijk naast elkaar zittende kat en hond – Deze poster wordt u aangeboden door kitekat en CHAPPI – en een poster met een prominente roze driehoek en de tekst internationale homodag ’80. Rechts hangt een grote poster in zwart-wit met een afbeelding van het Sowjetisches Ehrenmal in het Treptower Park in Berlijn: een man met een zwaard en een kind op zijn arm. Het bijschrift in het Spaans vermeldt dat het om een herinnering aan de overwinning van de Sovjetunie in de Tweede Wereldoorlog gaat.

Van de opslagkamer zijn minder foto’s bekend dan van de slaapkamer. Naast de deur in de hal bevatte de kamer nog twee schuifdeuren, naar het balkon en naar de woonkamer. De belangrijkste meubelstukken waren enkele grote kledingkasten waarin het merendeel van de raincoats hing, met soms op de planken erboven boeken. Ook in de kamer stond een kaptafel met daarop materialen om de jassen te bewerken. Dick Walda: ‘De belangrijkste kamer in de woning was de ‘opslagkamer’, met een kast boordevol raincoats en een enorme stapel tekeningen, rechts als je het kamertje binnen kwam. Ik heb eerlijk gezegd die stapel nooit bekeken maar er kwam alsmaar nieuw werk bij’. [5] De stapel die Walda wellicht bedoelt is te zien op enkele foto’s in Een getekende wereld, al springen daar met name de bus-assemblages in het oog die vóór 1996 in de douchecel waren opgeslagen.

052 NvdE 1986 004
052 NvdE 1986 003

052 NvdE 1986 001

De opslagkamer van Willem van Genk, ca. 1986. Foto’s: Nico van der Endt

Nico van der Endt, sprekend over een bezoek aan het appartement van Van Genk in 1977: ‘In de logeerkamer zie ik een grote berg plastic regenjassen opgestapeld. Even later opent hij een kledingkast en toont hij mij met een brede glimlach zijn kostbare schat van tientallen plastic regenjassen.’ [6] Ook Ans van Berkum refereert een kleine twintig jaar later aan de opslagkamer als ‘de logeerkamer’ als ze de jassen bespreekt: ‘Hij vult er de kasten mee in zijn logeerkamer, tot er echt geen plekje meer leeg is. Op knaapjes en in stapels gevouwen […]. Op het logeerbed, onder de deken, ligt een gigantische bult. Hij drapeert ze in bergen over een kruk.’ [7] De muren van de opslagkamer waren niet geheel leeg, maar in vergelijking met de slaap- en woonkamer was de aankleding uiterst sober.

De raincoats kunnen naar mijn mening het beste worden beschouwd als een onderdeel van het interieur van Van Genk. Daarmee is hun waarde in zichzelf niet meteen artistiek maar zijn ze een aspect van, zo men wil, het Gesamtkunstwerk dat de woning vormde. Vrijwel elke ruimte in Harmelenstraat 28 droeg – uiteraard – het stempel van de bewoner, wat op zichzelf nog geen reden is om van een kunstwerk te spreken. Het appartement was de plaats waar de persoonlijke en artistieke sferen elkaar raakten en in feite niet meer te scheiden waren. Het duidelijkst was dit het geval in de woonkamer, die in deze beschrijving tot het laatst is bewaard en waarvan met afstand de meeste afbeeldingen beschikbaar zijn.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 117. De verzamelaar woonde boven Galerie Hamer; hij overleed enige jaren later. Wat er met de werken van Van Genk is gebeurd, is niet bekend.

[2] Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 72-73.

[3] Ibid., p. 26.

[4] Walda, Koning der stations, p. 71.

[5] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 25 mei 2020. In een mail van 27 mei 2020 zegt hij verder: ‘Het hele huis stond boordevol, vooral de opslagkamer was een puinhoop waarin Willem feilloos de weg kon vinden.’

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41.

[7] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28.

Harmelenstraat

Walda 003

Willem van Genk in zijn appartement, ca. 1997. Foto: Mattheus Engel

Willem van Genk werd op 5 april 1927 geboren in Voorburg, maar het precieze adres is vooralsnog onbekend. Op een persoonskaart in het Haags gemeentearchief is te lezen dat het gezin van Jozef en Maria van Genk op 19 juni 1925 vanuit Den Haag naar Voorburg verhuisde. Als adres wordt de Van Heurnstraat gegeven, waarbij het getal 89 is doorgestreept en vervangen door 87. Of dit ook het geboorteadres van Willem van Genk is, kan hieruit niet met zekerheid worden afgeleid. Na de dood van zijn moeder woonde Willem enige tijd bij zijn tante en oom aan de Zuivelstraat 11 in Bergen op Zoom, waarna hij in de jaren dertig ook nog verbleef op internaten in Huijbergen en Harreveld. Een volgend adres is Magnoliastraat 10 in Den Haag, dat in ieder geval vanaf juni 1941 zijn thuisadres was. Het staat bovendien op stempels in boeken en op documenten die waarschijnlijk uit de periode 1945-1950 dateren.

In het interview met Bibeb uit april 1964 bleek Van Genk op dat moment in een goedkoop pension te wonen dat verbonden was aan de AVO-werkplaats:

Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’ Ze gehoorzamen, bijna zonder geluid. Van Genk zit met de rug naar me toe, het hoofd naar voren, net als de anderen, doodstil. [1]

Dick Walda hierover:

Bibeb interviewde Willem voor Vrij Nederland in de periode dat hij woonde in het armoedige pension van Troekie Spigt. Troekie was ‘n reusachtige vrouw waar Willem doodsbenauwd voor was. Vrouwen werden niet toegelaten in het pension. Willem werd ziek en Tiny wilde haar broer graag bezoeken. Troekie was evenwel onverbiddelijk: Tiny kwam niet binnen. [2]

Volgens Van Genks zuster Tiny, die het kosthuis ‘een café van laag allooi’ noemde, woonde haar broer hier vijf jaar. [3]

Na het kosthuis van Troekie Spigt trok Van Genk later in 1964 in bij zijn jongste zuster Willy in een appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag. Hier bleef hij tot 1998 wonen, aanvankelijk samen met Willy en na haar dood in 1972 alleen. Het overgrote deel van zijn werk ontstond hier, ook omdat hij er al in zijn kosthuistijd elke avond heen liep om te kunnen tekenen. Tiny had het appartement indertijd voor Willy gekocht en schonk het in 1972 aan Willem. Zuster Jacqueline woonde om de hoek en deed na de dood van Willy voor haar broer jarenlang de boodschappen en het huishouden.

De Harmelenstraat is een 250 meter lange straat in de wijk Leyenburg, zo’n twintig minuten rijden van station Den Haag Centraal. Aan de oostzijde van de straat werd aan het begin van de jaren vijftig een rij lage flatwoningen gebouwd, met zeven ingangen van steeds zes appartementen. Harmelenstraat 28 ligt aan de linkerzijde op de derde en bovenste verdieping van de tweede ingang. Willy van Genk was vermoedelijk de eerste bewoner van het appartement. In de tijd dat Willem van Genk er woonde, omvatte de woning een woonkamer (bestaande uit twee delen), twee slaapkamers, een keuken, een douchecel en een toilet. Aan de achterkant was een balkon over de gehele breedte van het appartement. [4] Bij de woning hoorde ook nog een kelderbox:

Tijdens een bezoek aan Willem in Den Haag neemt hij mij mee naar zijn kelderbox in het souterrain. Bij het opendoen van de deur slaat een ijskoude tocht ons in het gezicht. Door een gat in de ruit van het kleine raam hoog boven de grond komen wind en regen naar binnen. Op de grond bloed en duivenveren. Willem grijnst en mompelt iets over een kat. Rechts tegen de wand staat een tiental grote pentekeningen op de grond, gebrekkig ingelijst en deels ook met gebroken glas. Na enige overreding mag ik de werken weghalen, ontdoe ze van de lijsten en leg ze veilig boven bij hem neer. [5]

De pentekeningen die Van der Endt hier beschrijft – het betreft het jaar 1977 – waren mogelijk de werken die Van Genk in 1973 terug had gekregen van Pieter Brattinga.

051 Harmelenstraat GSV

De Harmelenstraat in Den Haag, gezien via Google Street View. Achter de twee ramen in de rode cirkel lag de woonkamer van Willem van Genk. De ingang voor huisnummers 24 tot 34 lag bij het bord met de blauwe pijl.

In de monografie Een getekende wereld beschouwt Ans van Berkum het interieur van Van Genks appartement in de Harmelenstraat als een onderdeel van zijn oeuvre, als een Gesamtkunwerk dat te vergelijken is met omvangrijke kunstomgevingen van kunstenaars als Helen Martins, Tressa ‘Grandma’ Prisbrey en Bertus Jonkers: ‘Van Genks interieur is op dezelfde associatieve wijze geconstrueerd als zijn tweedimensionale stukken.’ [6] Ten tijde van het schrijven van de monografie was het interieur nog intact, waarbij Van Berkum het vermoedelijk had bekeken op een moment dat Van Genk was opgenomen – zelfs voor mensen die hij kende deed hij in deze periode nauwelijks de deur meer open en voor Van Berkum voelde hij weinig sympathie. [7]

De beschrijving van Van Genks appartement in Een getekende wereld, ongeveer 1400 woorden, dateert derhalve hoogstwaarschijnlijk uit 1996 of 1997. Dit leidt tot een eerste punt van aandacht bij een (vooralsnog theoretische) reconstructie van het interieur: het gaat om een dynamisch proces dat werd afgebroken op het moment dat het appartement in 1998 werd ontruimd, de situatie in bijvoorbeeld 1976 of 1986 zal een heel andere zijn geweest. Daar komt bij dat de tekst van Van Berkum uiteraard in dienst staat van haar interpretatie van het werk van Van Genk. Ze beschrijft elementen die passen binnen die interpretatie of die daar in ieder geval niet mee in tegenspraak zijn, maar van een systematische inventarisatie is geen sprake. Desalniettemin is de tekst in Een getekende wereld de enige meer uitgebreide beschrijving van het interieur die er is.

051 Plattegrond

Plattegrond van Harmelenstraat 28 tot 1998 (bij benadering)

Een tegelijkertijd meer gefragmenteerd én vollediger beeld van het appartement rijst op uit Koning der stations van Dick Walda. De uitgangspunten van Walda en Van Berkum zijn uiteraard verschillend: waar laatstgenoemde een kunsthistorische positie inneemt, is het Walda er vooral om te doen om een beeld van de persoon Van Genk te geven, onder andere door elementen uit diens leefomgeving te beschrijven. Alleen in het begin van zijn boek geeft hij een iets meer algemene karakterisering van de woning: ‘Willem van Genk woont in Den Haag, in een kleine woning, die ook vol staat met snuisterijen, veel op straat gevonden. En ook – deels verstopt achter kasten en onder zijn bed – collages, of fragmenten daarvan. […] Het werk van Van Genk is – net als het interieur van zijn huis, als zijn denken, als zijn praten – van een verontrustende en overweldigende chaos.’ [8]

051 Hondenmand

Hondenmand in de hal van Harmelenstraat 28. Rechts een blik in de slaapkamer van Van Genk. Foto: Mattheus Engel

In de hal van het appartement stond in de laatste jaren een hondenmand met daarin een op karton geplakte foto van een treurig kijkende hond, een element dat zowel Walda als Van Berkum vermeldt. Het betrof niet Van Genks hond Coco, die begin 1996 naar een asiel was gebracht, maar een andere ‘Polderweghond’: ‘Ik praat tegen hem en het voordeel is natuurlijk dat je hem niet uit hoeft te laten’. [9] Van de andere kleine ruimtes is ook de douchecel interessant, omdat dit de plaats was waar Van Genk aanvankelijk zijn bus-assemblages opsloeg en waar ze door Nico van der Endt werden gevonden. Wanneer het gaat om de woning als Gesamtkunstwerk zijn met name de twee slaapkamers en de woonkamer van belang.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 118.

[2] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 19 mei 2020.

[3] Walda, Koning der stations, p. 34.

[4] Latere bewoners hebben de indeling van het appartement veranderd. Ook is een deel van de woningen op de derde verdieping uitgebreid met een dak-etage. In mei 2020 stond Harmelenstraat 88 te koop, een woning die ooit vrijwel identiek was aan die van Van Genk. Nummer 88 had nog relatief weinig veranderingen ondergaan, waardoor de makelaarsgegevens een goed beeld gaven van de oorspronkelijke indeling van nummer 28. In juni 2020 werd ook nummer 24 te koop aangeboden, dat weliswaar op de begane grond ligt maar wel op dezelfde hoogte als nummer 28. Te zien was onder meer dat dit stukje van het huizenblok net in de knik van de Harmelenstraat ligt en dat de woningen hier dus niet helemaal recht zijn.

[5] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41. Ook Dick Walda maakt melding van de kelderbox: ‘Er was ook nog een box. Ik ben een keer gaan kijken. Daar stond werk van Willem, net terug van de een of andere expositie. Keurig ingelijst maar bij het transport was al het glas gebroken in honderd partjes.’ (E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 27 mei 2020)

[6] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 25, p. 31.

[7]‘Zo sympathiek als hij Françoise Henrion onmiddellijk vond, zo weinig schijnt hij voor Ans van Berkum te voelen en met afstandelijkheid blijft hij haar ‘madam’ noemen.’ Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 103-105.

[8] Walda, Koning der stations, pp. 10-11.

[9] Ibid., p. 90.

Postuum

2019-12-18 13.17.26 (800x600)

Het overlijden van Willem van Genk op 12 mei 2005 kreeg weinig aandacht. Er waren enkele korte meldingen in landelijke dag- en weekbladen met algemene opmerkingen, halve waarheden en stereotype karakteriseringen van kunstenaar en werk. In Raw Vision, het tijdschrift dat exclusief aan outsider art was gewijd, was de ruimte die Nico van der Endt mocht gebruiken voor zijn In Memoriam gering. Desalniettemin wist hij in tweehonderd woorden een beeld te schetsen van het leven en de kunst van Van Genk, eindigend met de observatie: ‘With Van Genk the last of the great true Outsiders seems to have disappeared. His death marks the end of an era.’ [1]

Iets minder compact kon Marcel van Eeden zijn in zijn beschouwing voor het tijdschrift Kunstbeeld. [2] Van Eeden stak de loftrompet over zijn overleden collega, van wie hij een verklaard bewonderaar was (en is) en die hij in 2001 al eerde met een tekening met de opdracht ‘voor W.F.A.M. v. G.’ Het betrof een blik op het Centraal Station in Amsterdam in de jaren vijftig, geïnspireerd op de centrale voorstelling in het onderste deel van Van Genks collage Centraal Station Amsterdam (ca. 1965). In 2006 beleefde Van Eeden zijn internationale doorbraak op de Biënnale van Berlijn, met onder meer de serie tekeningen K.M. Wiegand – Life and work. De kameleontische Wiegand heeft in twee tekeningen het uiterlijk van Willem van Genk, waarbij Van Eeden zich baseerde op beelden uit de reportage van Brandpunt naar aanleiding van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid.

050 MvE vs. WvG

Links: tekeningen uit K.M. Wiegand – Life and Work (Marcel van Eeden). Rechts: stills uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid

Al enkele jaren vóór 2005 waren de collecties van zowel Stichting Collectie De Stadshof als Stichting Willem van Genk ondergebracht bij Museum Dr. Guislain in Gent, dat zichzelf omschrijft als ‘een cultureel ijkpunt met betrekking tot de geschiedenis van en actuele discussies over psychiatrie en geestelijke gezondheid, zorg, en kunst en waanzin’. [3] Het museum beschikte daarmee over veruit de grootste verzameling werken van Van Genk ter wereld. Was de collectie van Stichting Collectie De Stadshof duidelijk afgebakend, voor het bezit van Stichting Willem van Genk lag dit moeilijker. An Remmerswaal had ooit – formeel als bestuurslid van de stichting maar in feite op eigen initiatief – een aantal werken geschonken aan het museum in Gent, waarvan de katholieke signatuur aansloot bij haar eigen levensbeschouwing. [4]

Door de bijna onvermijdelijke betrokkenheid van Museum Dr. Guislain bij tentoonstellingen met werk van Willem van Genk was een psychiatrische context rond de kunstenaar nooit ver weg. Zo was in de zomer van 2008 in het Deutsches Architekturmuseum (DAM) in Frankfurt de tentoonstelling Heterotopia te zien, met als ondertitel Arbeiten von Willem van Genk und anderen. Het betrof een grote tentoonstelling in een gerenommeerd museum, waarbij een fraai uitgegeven catalogus hoorde met op het omslag Van Genks World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven). Toch ging het in de eerste alinea’s van het voorwoord al meteen over psychiatrische inrichtingen en kregen Guislain-medewerkers Patrick Allegaert en Frederik De Preester de gelegenheid om het werk van Van Genk in verband te brengen met psychotische wanen. [5]

Op instigatie van Museum Dr. Guislain verscheen in het najaar van 2010 het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, in samenwerking met Stichting Willem van Genk en met onder andere elf afbeeldingen van werken uit het bezit van Stichting Collectie De Stadshof. Een bijbehorende tentoonstelling onder dezelfde titel was te zien bij architectuurcentrum Casla in Almere, waar Ans van Berkum op dat moment directeur was. Van Berkum, voorzitter van Stichting Willem van Genk en hoofdauteur van Willem van Genk bouwt zijn universum, probeerde Casla (en Van Genk) ook in te zetten bij een plan voor een centrum voor outsiderkunst in Almere, maar dit plan strandde uiteindelijk. [6]

In het voorjaar van 2014 publiceerde Nico van der Endt een boek over zijn samenwerking met Van Genk, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking. Hoewel ook persoonlijke verhalen niet ontbraken, kenmerkte het boek zich vooral door een sobere objectiviteit met veel feiten, geldbedragen, tentoonstellingen en gebeurtenissen rondom Van Genk. Zoals Van der Endt tijdens de presentatie van het boek aangaf: ‘Ik heb opgeschreven wat ik nog weet, wat ik niet zeker meer weet heb ik niet opgeschreven.’ Die presentatie was tevens de opening van een tentoonstelling in Galerie Hamer met twaalf werken van Van Genk, uit eigen bezit en uit de collecties van particulieren, van Stichting Collectie De Stadshof en van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. [7]

Hoogtepunt in 2014 was een tentoonstelling in het American Folk Art Museum in New York, van 10 september tot 30 november: Willem van Genk – Mind Traffic, een coproductie met Museum Dr. Guislain. Naast zeventien grotere tweedimensionale werken en zes bus-assemblages waren er ook kleinere tekeningen en reisdocumenten te zien plus een ‘installatie’ van de raincoats. In de tentoonstelling waren slechts drie werken opgenomen van Stichting Collectie De Stadshof, die vrijwel tegelijkertijd in Parijs een eigen expositie had, Sous le vent de l’art brut 2. Collection De Stadshof. De tentoonstelling omvatte 350 werken van veertig kunstenaars, onder wie uiteraard ook Van Genk. In augustus was al een fors boek over de collectie verschenen, Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection.

050 Omslagen

In de zomer 2015 werd een kleiner (maar nog steeds omvangrijk) deel van de Stadshof-collectie getoond in het Gemeentemuseum in Den Haag, met opnieuw een belangrijke rol voor Van Genk. Ook nu was er een overlapping met een andere tentoonstelling met werk van Van Genk, Essenties I in Het Dolhuys in Haarlem. In Het Dolhuys was al in het oprichtingsjaar 2005 de expositie De wereld van Willem van Genk te zien geweest, een eerste samenwerking met Stichting Willem van Genk. Voor Essenties I was daarnaast geput uit de collectie van een nicht van Van Genk, die enkele jaren later twee werken aan het Haarlemse museum zou verkopen. De connecties met Stichting Willem van Genk bleken in 2016 nog nauwer te zijn geworden, toen het Dolhuys een speciale ‘Willem van Genk-kamer’ opende met werk dat was teruggehaald uit Gent. In 2017 werd Dolhuys-directeur Hans Looijen voorzitter van Stichting Willem van Genk. [8]

Een belangrijke gebeurtenis in 2016 was de opening van het Outsider Art Museum (OAM) in Amsterdam, een samenwerking tussen Het Dolhuys, de Hermitage Amsterdam en zorginstelling Cordaan, met als directeur Hans Looijen. [9] Stichting Collectie De Stadshof was vanuit Het Dolhuys benaderd voor structurele samenwerking, in de zin dat men voor het nieuwe museum vrijelijk wilde kunnen putten uit de collectie, maar de (exclusief) psychiatrische invalshoek vormde een onoverkomelijk obstakel. Hierdoor kwam nog meer nadruk te liggen op de collectie van Stichting Willem van Genk, die anderzijds de band met Museum Dr. Guislain steeds verder leek los te maken.

In mei 2019 verscheen tweede, ingrijpend gewijzigde druk van Dick Walda’s boek Koning der stations. Naast tekstuele aanpassingen, een andere structuur en vooral een geheel nieuwe vormgeving, had Walda ook een aantal tekstgedeeltes toegevoegd ten opzichte van de eerste druk, toen hij ‘uit coulance rekening [had gehouden] met de twee nog levende zusters van Willem van Genk, die hun broer altijd liefdevol bleven bejegenen. Walda wilde de dames absoluut niet confronteren met de vaak bizarre fantasieën en daden van hun broer.’ [10] Toegevoegd waren onder meer een verslag van een bezoek aan Jacqueline van Genk (‘Zal ik jullie wat eten voor thuis meegeven?’) en een tekst over Van Genks avonturen met de prostitué Zwarte Lola. [11] Jacqueline van Genk was in 2010 overleden, haar zuster Tiny in 2007.

Op 18 september 2019 opende in het Outsider Art Museum de tentoonstelling WOEST, aanvankelijk aangekondigd als Thrills of Power. Uitgangspunt was initieel geweest om alle traceerbare werken van Van Genk voor de tentoonstelling bijeen te brengen, maar dat plan moest al snel worden losgelaten. In het voorwoord bij de catalogus spreek Hans Looijen over ‘het kunsthistorisch onderzoek van curator Ans van Berkum’ voor de tentoonstelling, dat bij zou hebben gedragen ‘aan de verdere duiding van Van Genks oeuvre […]. Het OAM vindt het van cruciaal belang dat wetenschappelijk onderzoek naar leven en werk van Van Genk is gedaan’. [12] De getoonde tekeningen, schilderijen, collages en assemblages waren voor een belangrijk deel afkomstig van Stichting Willem van Genk en La Collection de l’Art Brut, aangevuld met werk uit de collecties van een aantal particulieren, Galerie Hamer en enkele Europese musea en instellingen. Stichting Collectie De Stadshof leverde slechts twee werken, waaronder Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waarmee de expositie opende.


 

NOTEN

[1] Nico van der Endt, “Obituary: Willem van Genk 1927-2005”, in: Raw Vision 51 (2005), p. 20.

[2] Marcel van Eeden, “Willem van Genk 1927-2005”, in: Kunstbeeld 30 (2005), nr. 6, p. IV (Kunstwereld).

[3] Website Museum Dr. Guislain.

[4] Mededeling Ans van Berkum, 15 november 2014. An Remmerswaal was bestuurslid van de Stichting Willem van Genk van de oprichting op 13 juli 2000 tot 7 april 2003.

[5] ‘Die Mythologie van Genks zeigt alle Symptome eines psychotischen Wahns auf.’ Patrick Allegaert en Frederik De Preester, “Andere Orte. Einige Betrachtungen über Raum und Kreativität”, in: Yorck Förster en Peter Cachola Schmal (red.), Heterotopia. Arbeiten von Willem van Genk und anderen, Frankfurt 2008, pp. 60-63 (aldaar 61).

[6] “Museum voor Outsiderkunst krijgt geen geld” (geraadpleegd 13 mei 2020). Zie ook dit document (geraadpleegd 13 mei 2020).

[7] Cf. Kees Keijer, “Van Genk zag alles”, in: Het Parool, 17 april 2014.

[8] “Bedrijfsprofiel – Stichting Willem van Genk” (Kamer van Koophandel), 17 februari 2018.

[9] Anna van Leeuwen, “Museum vol buitenbeentjes”, in: de Volkskrant, 16 maart 2016.

[10] Walda, Koning der stations (tweede druk), p. 231. Walda hecht er waarde aan te benadrukken dat zusters Tiny en Jacqueline de stille krachten achter Van Genk waren: ‘Die stille krachten werden door Willem met de grootst mogelijke tegenzin geaccepteerd. Maar Tiny en vooral Jacqueline zorgden er voor dat Willems kleding werd gewassen en gestreken en dat hij er uitzag als ‘een bankdirecteur uit Meppel’ zoals hij zelf eens vertelde.’ (E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 18 mei 2020)

[11] Walda heeft in zijn boek duidelijk nog een paar appeltjes te schillen met Ans van Berkum, curator An Remmerswaal en een nicht van Van Genk die zich volgens Jacqueline van Genk schilderijen van haar oom zou hebben toegeëigend. Over Van Berkum en An Remmerswaal: ‘De curator […] wilde ‘niets met de smerigheid’ van Van Genk te maken hebben en verbood Nico van der Endt en mij schriftelijk Willem langer te bezoeken. Wij trokken ons vanzelfsprekend van dat verbod niets aan. De zelfbenoemde expert van Van Genk’s werk speelde onder één hoedje met de curator en durfde zelfs in de rechtbank te melden dat (ik citeer even de griffier van de Haagse rechtbank): ‘Willem weer volop aan het werk is en door de komst van Van der Endt en Walda raakt de kunstenaar van slag.’ Willem was na zijn herseninfarcten tot niets meer in staat, laat staan ‘werken’.’ (p. 204)

[12] Hans Looijen, “Voorwoord”, in: Hans Looijen e.a., Woest, p. 5.

Zwakzinnigen nazorg (3)

Dit is het derde en laatste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier.

ZZN - detail 004

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg lijken de afbeeldingen in de twee onderste stroken van het werk het meest persoonlijk te zijn. De afbeelding in vlak 10, links naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een gevelrij met enkele huizen en een fabrieksgebouw. Tegen de huizen staat een handkar geleund, voor de fabriek komt een kar met twee paarden voorbij. Bovenop de fabriek staan de letters ZHB, aan de voorkant is graffiti aangebracht: CPN LIJST 6. Vlak boven de letters ZHB staat Heineke, in de rechter benedenhoek den Haag Sirtemastraat. Rechtsboven staan omlijnd de woorden Thans gesloopt, daarnaast “Schroeder [onleesbaar],  daaronder PSYCHIATRIE IN DE USSR.

ZZN - detail 005

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

De woorden Thans gesloopt hebben betrekking op het fabriekscomplex eronder, van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB). Het complex werd in 1881 in gebruik genomen, werd in 1974 gesloten en gesloopt, en grensde inderdaad voor een deel aan de Haagse Sirtemastraat, zoals expliciet aangegeven door de kunstenaar. Belangrijker binnen de autobiografie van Van Genk is echter het enigszins uitspringende pand náást het complex. Op deze plaats, Sirtemastraat 179, was de sociale werkplaats van de Vereniging Schroeder van der Kolk gevestigd, waar Van Genk vanaf het einde van de jaren veertig tot 1964 “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. De tekst VOORMALIGE GEESTESZORG in het aangrenzende vlak 11, met een pijl naar vlak 10, bevestigt dit. Met die kennis ontstaat er een sterke relatie met de ZWAKZINNIGENNAZORG in het centrale vlak 1. Ook wordt een verband gelegd met nog een ander motief uit met name vlak 1, de verhouding tussen Nederland en de Sovjet-Unie, via de tekst PSYCHIATRIE IN DE USSR en zelfs de graffiti CPN LIJST 6.

De afbeelding in vlak 12, rechts naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een vrouw naast een auto. Ze draagt een geel-rood-bruin geruite jas en heeft lang bruin haar. Vanaf haar oog loopt een stippellijn naar rechts, als om aan te geven dat ze ergens naar kijkt – haar rechterarm is geheven, mogelijk richt ze een pistool op iets of iemand. De rode auto heeft aan de bovenkant van de achterruit een Datsun-logo, op de kofferruimte staat DATSUN. Op de muur achter de auto staat in krullende letters Salon Amércain en TARIEF; links is een klein stukje van een kapperspaal te zien. Over de auto staat in blauwe letters BOUWEN  IN HET DERDE RIJK G. TROOST. [1] Enerzijds is er daarmee een verband met het motief van gebouwen en sloop, ook via het automerk Datsun – vgl. DATSUN CENTER op de nieuwbouw in de grote afbeelding rechts van het portret. Anderzijds kent de afbeelding een duidelijk autobiografische component in het lange haar van de vrouw en haar voorgenomen of juist afgelegde bezoek aan de kapsalon Salon Amér[i]cain, een expliciet verwijzing naar het haarfetisjisme van Van Genk.

Dat laatste element keert terug in de afbeelding in de onderste strook van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waar een kapsalon te zien is met twee klanten wier haren worden gewassen door twee kapsters. In de ruimte ernaast zijn twee andere kapsters twee mannen aan het scheren. Op de ramen/muren staat HOOGKATHARIJNE, STATIONSKAPPER en 4711. Van Genk toont hier een voor hem uiterst opwindende (en dus zeer persoonlijke) scène, die ook in narratieve zin een voortzetting zou kunnen zijn van de afbeelding van de vrouw bij de Datsun: ze stapt uit de auto bij een kapper en laat daar haar haar wassen.

Rond het tafereel in de kapperszaak zijn drie tondo’s aangebracht die er inhoudelijk weinig verband mee lijken te hebben: de afbeeldingen links (kleiner) en rechts zijn vrijwel identiek en tonen een koetsier op de bok van een koets, met op de achtergrond een gebouw met een toren. [2] De koetsier draagt een zwarte jas, een hoge hoed en een bril. Het middelste tondo toont twee kussende vrouwen, waarschijnlijk op een vliegveld: boven hen staat de tekst KLM SCHIPHOL, ernaast LUFTHANSA, SOVIET AIR, EL AL air, POLSKI AIR en IBERIA. Zowel de koetsier als de kussende vrouwen (met lang haar) lijken een kledingstuk te dragen dat voor Van Genk eveneens een seksuele lading had, een lange plastic regenjas of raincoat.

Is de seksuele lading van sommige afbeeldingen in het onderste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg impliciet, de teksten zijn dat minder. MENSCH UND SEXUALIÄT DR. FRIEDRICH DAMASKOW staat links van het kleinste koetsier-tondo, met daaronder GAY-INT. [3] Ook andere teksten in dit deel van het werk verwijzen specifiek naar (homo)seksualiteit, vrijwel steeds in een Duitse context. Links naast het tondo met de kussende vrouwen staat RWV BERLINER SCHWULEN ’81 der ROSA WINKEL VERLAG, rechts onder andere PRINZ EISENHERZ en HIRSCHFELD. Respectievelijk gaat het daarbij om een Duitse uitgeverij en een boekhandel in Berlijn die voortkwamen uit de Duitse homobeweging, en een Duitse seksuoloog wiens werk onder meer gericht was op de emancipatie van homoseksuelen (Magnus Hirschfeld).

ZZN - homoseksualiteit

Middelste foto: in het appartement van Willem van Genk

Elders in Zelfportret – Zwakzinnigennazorg treffen we eveneens tekstuele verwijzingen naar homoseksualiteit aan. Het meest opvallend zijn uiteraard de prominente roze en paarse driehoeken in de zes rood-gele vlakken met voornamelijk tekst. Homoseksuelen als groep lijken door Van Genk te worden geschaard in het kamp van de onderdrukten, net als ‘onvolwaardige’ zwakzinnigen. Zijn verhouding tot homoseksualiteit was complex en komt onder meer naar voren in De grote naïeven (ca. 1975) en Pink Pronkjewail (ca. 1985). Na de deceptie van het communisme zocht Van Genk een andere groepering waar hij bij kon horen, en in combinatie met twijfels over zijn seksuele identiteit dacht hij die in de jaren zeventig en tachtig gevonden te hebben in de homobeweging. Op Zelfportret in De Ark staat te lezen “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Nico van der Endt, naar aanleiding van de tekst: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee nee, dat was een vergissing”.’ [4]

ZZN - signatuur

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is gesigneerd in het vlak met paarse driehoeken onder de centrale afbeelding.  Naast het logo met zijn naam, woonplaats en het jaartal 1975, is een plakbanddoosje met een stuk plakband afgebeeld: NITTO Plastic Tape Highest Quality. Willem van Genk toont zich in dit zelfportret een kunstenaar die gebukt gaat onder kwalificaties van onvolwaardigheid of zwakzinnigheid, die worstelt met zijn seksuele driften en twijfels, en die het Amerikaans/Japanse kapitalisme beschouwt als de boze macht achter de sloop van monumentale gebouwen. Tegen de macht van dat kapitalisme is hij echter niet opgewassen, hij is er zelfs van afhankelijk. De Nitto-tape is Made in Japan, de kunstenaar kan niet anders dan werken met het materiaal (tape, verf, lak, spijkertjes, boardplaten) dat hem wordt verstrekt door het grootkapitaal dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zijn stad. [5]


 

NOTEN

[1] Bouwen in het Derde Rijk is de Nederlandse vertaling van Das Bauen im Neuen Reich uit 1943 van kunsthistorica Gerdy Troost, echtgenote van nazi-architect Paul Troost.

[2] In het rechter, iets meer gedetailleerde tondo staan boven de koets de letters C.R.M.

[3] In de reeks Mensch und Sexualität van uitgeverij Wilhelm Heyne verscheen in 1972 als nummer 25 Fetischismus. Abart oder Stimulans van de Duitse seksuoloog Friedrich Damaskow. Mogelijk was dit één van de boeken die Van Genk leende van zijn psychiater Hans Grelinger. In de woorden van zuster Tiny in de documentaire Ver van huis: ‘En dat Wim … die heeft zijn probleem, hij heb een probleem … en dat heeft-ie in de boeken … die dokter, die psychiater die die eerst had, die is ook al een tijdje dood, en die begreep ‘m, en die gaf ‘m zíjn boeken, want Wim was ‘r zuinig op, en dan mocht-ie lezen of zijn probleem misschien in die boeken … dat-ie dat … dat het daarin stond, maar die dokter zei tegen mij: het bestaat, dat probleem, maar niet in de … hij heb ’t heel erg, hè? Zijn mensen die het hebben …  hairfetiïsme, hè? … die dat hebben, maar hij heb ’t heel erg.’

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[5] Het LaM in Lille bezit een aantal documenten van Van Genk met aantekeningen van of voor zijn buitenlandse reizen. Een van deze documenten heeft betrekking op een bezoek aan Berlijn in de zomer van 1981 en vermeldt onder meer ‘Buchladen Prinz Eisenherz’ en ‘”Fetischismus” Abart oder Stimulans / Dr. Friedrich Damaskow’. Een mail met een verzoek voor beter leesbare foto’s van de documenten werd niet beantwoord.

Op weg naar het einde

Walda & WvG bij Leyenburg

Willem van Genk met Dick Walda bij ziekenhuis Leyenburg

In 1997 publiceerde Dick Walda Koning der stations. Episoden uit het leven van Willem van Genk. Zestien jaar eerder had hij kennisgemaakt met de kunstenaar en hij was langzaam uitgegroeid tot diens ‘onbezoldigd chauffeur, mantelzorger en praatpaal’, in zijn eigen woorden. Van Genk was in de loop der jaren meer en meer op Walda gaan steunen naarmate het bestaan moeilijker voor hem werd. In de periode 1996-1997 werd hij driemaal opgenomen in een psychiatrische inrichting en waren er ziekenhuisopnames als gevolg van enkele kleine herseninfarcten. De hulp van Walda was in deze jaren onontbeerlijk, ook omdat Van Genks zorgzame zuster Tiny de tachtig al was gepasseerd en zij bovendien moeilijk met de eigenaardigheden van haar broer om kon gaan.

Koning der stations was het eerste boek over Willem van Genk – geen monografie, aangezien het menselijke aspect centraal staat en het kunstenaarschap van Van Genk maar zijdelings aan bod komt. De kern wordt gevormd door de gebeurtenissen rond de opnames in psychiatrische inrichting Bloemendaal en ziekenhuis Leyenburg, maar er zijn ook interviews met zuster Tiny, met Nico van der Endt en met de kunstenaar zelf (‘Willem van Genk spreekt’). Daarnaast beschrijft Walda hun kennismaking, citeert hij uit de correspondentie en vertelt hij enkele anekdotes uit vroeger jaren. Omwille van de leesbaarheid is de taal van Van Genk enigszins aangepast en drukt hij zich bij Walda samenhangender uit dan in werkelijkheid het geval was – leert ook het meer letterlijk uitgeschreven interview dat Van der Endt in 1986 met hem hield. [1]

Verstaanbaarder nog is Van Genk in Walda’s hoorspel over hem dat op 30 augustus 1998 werd uitgezonden bij de IKON en eveneens de titel Koning der stations had. Theo Menting nam de stem van Van Genk voor zijn rekening, in een verhaal dat gebaseerd is op het leven van de kunstenaar maar waarbij de schrijver zich de vrijheid had gepermitteerd om gebeurtenissen te fictionaliseren en/of dramatiseren. Van Genk spreekt in het hoorspel tegen zijn psychiater waarbij episoden uit zijn verleden voorbijkomen zoals zijn bezoek aan prostituee Rina en zijn verblijf in het AVO-pension van Troekie Spigt (ook in werkelijkheid de naam van de pensionhoudster). In andere scènes komen personages voorbij als een opticien, een politieagent, een rechter, de directeur van het verpleeghuis waar Van Genk verblijft, een pastoor en zelfs zijn moeder.

De regie van het hoorspel was in handen van Jan Keja. Ook samen met Keja begon Walda in 1998 aan de documentaire Ver van Huis. Een zoektocht naar het werk en leven van Willem van Genk, die op 31 oktober 2001 door de IKON werd uitgezonden in de reeks Werelden. In Ver van huis is Van Genk een oude, hulpeloze man die na zijn herseninfarcten niet meer kan werken en zich nog maar met moeite verstaanbaar weet te maken. Te zien is hoe Walda hem komt ophalen uit het ziekenhuis; hoe het appartement van Van Genk, die niet meer voor zichzelf kan zorgen, wordt leeggehaald; en hoe Walda nog één keer met de kunstenaar Arnhem bezoekt. Tegen het einde van de documentaire wordt Van Genk ontvangen in museum De Stadshof in Zwolle bij de opening van de grote overzichtstentoonstelling van zijn werk. De kunstenaar arriveert per trein in een rolstoel, omgeven door enkele vrienden en familieleden. Wat het hoogtepunt van zijn leven had moeten zijn, lijkt voor hem te laat te komen.

VvH 002

Stills uit Ver van huis. Boven: met Dick Walda in de trolleybus in Arnhem. Midden: zus Tiny en nichtje Irene Zalme tijdens het ontruimen van het appartement aan de Harmelenstraat. Onder: met fotograaf Mattheus Engel in zijn kamer in Huize Walcott

Ver van huis is een uniek document. De documentaire bevat zeldzaam beeldmateriaal van Van Genk zelf, daarnaast zijn er interviews met onder anderen Joop Beljon, Pieter Brattinga, zusters Tiny en Jacqueline, nicht Irene Zalme, Nico van der Endt en curator An Remmerswaal. Ook is vrijwel integraal de reportage opgenomen die Brandpunt in 1964 maakte naar aanleiding van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid. Walda ter inleiding van die beelden:

Hij is door de familie … getolereerd, dat is eigenlijk het beste woord daarvoor. Maar toen die familie ontdekte dat Willem een bijzonder talent had, en zelfs zomaar toegelaten werd tot de Haagse kunstacademie – en dat was in die tijd, ik heb het over de jaren vijftig, dat was meteen … was-ie vier plaatsen hoger in de hiërarchie. Haagse kunstacademie, dat was toen een begrip, als je daarop kon en zomaar, dan was je iemand. Dus die familie begreep dat die Willem van Genk, die broer toch een heel bijzonder mens was.

Na de Brandpunt-reportage komt Joop Beljon anno 1998 aan het woord die nog eens zijn beslissing verdedigt om in 1964 voor de tekeningen van Van Genk prijzen te vragen die indertijd veel te hoog werden gevonden. Hij acht zijn toenmalige pupil nog steeds zeer hoog:

Kijk, d’r is namelijk ook in die schilderijen hè, als ik gewoon eerlijk zeg hè, daar hangt een doem over, daar hangt de dreiging van het bijna verliezen van je verstand hangt daar overheen, en die vent is zo groot als schilder dat-ie dat zonder dat-ie het zelf weet, dat-ie dat uitdrukt. Het drukt een imménse triestheid uit, eigenlijk veel triester dan Van Gogh ooit heeft kunnen doen met die boertjes die die schilderde, met zo’n … met ‘De aardappeleters’ of zo. En dat kunnen uitdrukken met een stad, dat is nogal wat. Dat is heel bijzonder in de hele kunstgeschiedenis.

Ook Brattinga is nog altijd vol lof over Van Genk, al waarschuwt hij Walda wel dat deze voorzichtig moet zijn met zijn documentaire: ‘Ik vind ook, jullie moeten niet te veel peuren uit zo’n man, en speciaal niet als-ie nog in leven is. […] Je moet die man respectvol, binnen z’n eigen gedachtewereld behandelen.’

In het laatste kwartier van Ver van huis laat Walda zien hoe Van Genk, die het redelijk goed lijkt te hebben in zijn nieuwe onderkomen Huize Walcott, gedwongen wordt te verhuizen naar een ander pension. Walda laat An Remmerswaal die beslissing toelichten, waarbij zij duidelijk zijn sympathie niet heeft. [2] Buiten het bestek van de documentaire viel een laatste verhuizing in december 2002 naar een medisch verzorgingstehuis. Walda en Van der Endt kregen van An Remmerswaal het verzoek om Van Genk daar niet meer te bezoeken – een verzoek dat ze negeerden. [3]

Willem van Genk overleed op donderdag 12 mei 2005 aan complicaties van een longontsteking. De organisatie van de begrafenis op woensdag 18 mei was in handen van An Remmerswaal. Voorafgaand aan de teraardebestelling was er om 13:00 uur een mis in de Sint Agneskerk aan de Beeklaan in Den Haag; het motto van de liturgie was ‘Eindelijk thuis’. Ans van Berkum hield in de kerk een toespraak namens de Stichting Willem van Genk, Dick Walda verbleef in het buitenland, Nico van der Endt kwam wel naar de uitvaart maar weigerde de mis bij te wonen. [4] Aanwezig waren verder zo’n twintig personen onder wie zuster Tiny, de twee dochters van Nora van Genk, de zoon en dochter van Riet van Genk, Marcel van Eeden (kunstenaar), Jan Vellekoop (collectioneur) en Eric Denig (bestuurslid van de Stichting Willem van Genk). Afwezig waren Jacqueline van Genk, die nooit naar begrafenissen ging, en de twee dochters van Agnes van Genk, die niet waren uitgenodigd.

van genk 009

Foto’s: Marcel van Eeden

Na de mis was om 15:00 uur de begrafenis op begraafplaats St. Barbara aan de St. Barbaraweg. Marcel van Eeden maakte enkele foto’s; toen Jan Vellekoop hem vroeg of dat wel mocht, was het antwoord: ‘Hier wordt een groot kunstenaar begraven!’ Van Genk werd overledene 1 in een graf met nummer 2aL215h, aan de oostzijde van de begraafplaats. Zuster Tiny had bedacht dat er een familiegraf zou moeten komen voor Willem, Jacqueline en haarzelf en was al begonnen dit te regelen. An Remmerswaal besliste anders. Het graf van Willem van Genk werd in 2017 geruimd. [5]

Grafsteen 002

Foto: Nico van der Endt


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 11-103 (steeds in het midden van de pagina). Van der Endt noemt Koning der stations ‘een levendig, sociaal verslag’ van Walda’s contacten met Van Genk: ‘Zelf wordt Willem sprekend geciteerd in wat aangepaste taal. […] Uit het boek blijkt, dat hij tegenwoordig wat makkelijker spreekt tegen Walda dan tegen mij. Vertrouwt hij hem meer of voelt hij zich wat meer op zijn gemak bij de socialist dan bij de wat liberalere galeriehouder?’ (Kroniek van een samenwerking, p. 111)

[2] ‘Intussen heeft de curator onenigheid gekregen met de pensionhoudster van Willem en er wordt besloten hem elders onder te brengen, volgens Dick Walda tegen de zin van Willem die het goed met de pensionhoudster kan vinden. […] Zijn betrokkenheid gaat zover, dat hij de curator voor het gerecht daagt – echter tevergeefs.’ (Ibid., p. 121)

[3] Cf. ibid., p. 125,

[4] Van der Endt was van mening dat alle katholieke rituelen dwars stonden op de overtuigingen die Van Genk er tijdens zijn volwassen leven op nahield. ‘Ik zie de sticker weer voor mij die hij prominent in zijn appartement had aangebracht: ‘Vaticaan is Fascisme’.’ (Ibid., p. 127)

[5] Met dank, voor informatie en documenten, aan Marijke Bijmans, Marcel van Eeden, Nico van der Endt, Albert Roozenburg, Jan Vellekoop, Dick Walda en Irene Zalme.

Onverbiddelijk

WvG in DWDD

Hugo Borst over Willem van Genk in De wereld draait door, 11 september 2019

De tentoonstelling WOEST – Willem van Genk in het Amsterdamse Outsider Art Museum zou aanvankelijk duren van 19 september 2019 tot 15 maart 2020. In februari werd bekend dat de einddatum was verschoven naar 3 mei, maar een maand later moest het museum vanwege de coronacrisis zijn deuren sluiten. Ter compensatie werden op YouTube enkele “kunstverhalen” geplaatst, korte video’s waarin Ans van Berkum en Hugo Borst een werk van Van Genk bespraken: ‘Nu je (tijdelijk) het museum niet kunt bezoeken brengen we de kunstwerken naar buiten!’ [1] Borst en Van Berkum hadden ook de audiotour bij de tentoonstelling ingesproken, hun commentaren bij de werken waren daaraan ontleend.

Er is een duidelijke rolverdeling tussen beide beschouwers. Van Berkum mag een licht kunsthistorisch licht over de werken laten schijnen, Borst toont zich iets meer de amateurkijker. Dat laatste neigt soms naar nietszeggendheid, bijvoorbeeld wanneer het gaat over het werk New Japan: in de hem toegemeten anderhalve minuut uit hij enkele discutabele algemeenheden (‘de jonge Van Genk, met potlood, balpen of kwast, verschilt niet veel met de oude Van Genk’) maar maakt hij geen enkele opmerking over het werk waarover het zou moeten gaan. [2] Natuurlijk is het vooral de bekendheid van Borst die door het museum wordt ingezet, en natuurlijk is het mooi dat hij Van Genk ‘een van Nederlands grootste kunstenaar van de 20e eeuw’ zegt te vinden. [3] Maar het helpt een serieuze benadering van het werk bepaald niet.

In het kunstverhaal bij Kollage van de haat zegt Borst: ‘Duiden hoeft niet persé hoor, niks moet!’ Hij vraagt zich desalniettemin af waarom Van Genk het beeld De verwoest stad van Ossip Zadkine heeft afgebeeld, legt uiteraard een verband met de Tweede Wereldoorlog maar komt vervolgens niet verder dan: ‘We weten dat de Tweede Wereldoorlog hem fascineert. Hij heeft er ontzettend veel over gelezen.’ Vervolgens verschuift zijn aandacht naar de eveneens op het werk afgebeelde boeken Ik, Jan Cremer van Jan Cremer en Toekomstige psychiatrie van E.A.D.E Carp. ‘Kijk, daar links, Van Genk heeft het boek Ik, Jan Cremer getekend. Haat Van Genk de zeer succesvolle Jan Cremer soms?’ [4]

Kollage van de Haat

Kollage van de Haat | 1971 | olieverf op hardboard | 64 x 163 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem

De in Den Haag geboren Eugène Antoine Désiré Etienne Carp (1895-1983) was in zijn tijd een vooraanstaand psychiaters en een van de wegbereiders van de psychotherapie in Nederland. Van 1930 tot 1963 was hij hoogleraar in de psychiatrie te Leiden, waar zijn latere collega Nico Speijer (1905-1981) in de jaren dertig een van zijn assistenten was. Een opmerkelijk verhaal, dat Van Genk wellicht kende, was dat Carp en Speijer in de Leidse universiteitskliniek castraties hadden uitgevoerd op homoseksuele mannen en exhibitionisten, naar eigen zeggen omdat psychotherapie gefaald had. Zij achtten de ingreep heilzaam. [6]

Speijer was directeur van de AVO-werkplaats waar Van Genk rond 1947 kwam te werken en was ook lange tijd diens psychiater. Begin jaren zestig kwam hij in conflict met directeur Joop Beljon van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten, die Van Genk iets meer ruimte wilde geven voor zijn werk als kunstenaar en daarover de AVO-directeur opbelde:

 – Beljon: Bij u op de sociale werkplaats verblijft voor volle weken ene Willem van Genk. Van Genk volgt onze zaterdagmiddag cursus maar wil meer; namelijk één middagje op wat hij de echte Academie noemt. Ik denk dat wij hem daarmee gelukkig maken. Zoudt u hem een middagje vrij willen geven?
 – Speijer: Ik wist niet dat gelukkig maken tot de taak van een academie-directeur behoorde. Begrijpt u niet dat u zich beweegt op een gebied waarop u niet competent bent. Een middagje vrij? Geen sprake van.
 – Beljon: Maar er mag toch wel aangenomen worden dat wij op de academie enig recht van spreken hebben als het gaat om begaafdheden en talenten.
 – Speijer: Laat mij niet lachen! Begaafdheden!! Ha! Ha! U bemoeit zich met zaken waar u niets mee te maken heeft. Zal ik u eens zeggen wat de geestelijke inhoud is van die van Genk? Nul, nul.
 – Beljon: Als dat waar is dan ware het voor mij te wensen dat ook die inhoud van mij nul komma nul is.
   Speijer gooit hoorn op haak. [7]

Net als Beljon was ook Van Genks zuster Tiny niet te spreken over Speijer:

Een van de dokters die hem lang heeft begeleid, is professor Speijer geweest.
Toen Wim nog niet bekend was door zijn schilderwerk, sloeg die man geen acht op Wim, hij keek hem nauwelijks aan.
Dat stak Wim, daar sprak hij over.
Mijn broer was voor die man een nietsnut. Maar toen hij eenmaal in de krant kwam, werd de dokter belangstellend en keek hem eens een keertje goed aan en zei: je moet niet denken dat nu de wereld aan je voeten ligt.
Maar dat wilde mijn broer helemaal niet. Hij wilde gewoon iemand zijn. [8]

Wat voor de keurige Tiny ook een rol speelt is dat Speijer Van Genk had aangeraden om gebruik te maken van diensten van prostituees. Enig antisemitisme was haar daarbij niet vreemd: ‘Speijer […] had de snollen bedacht. Hij was toen de beroemdste psychiater van Den Haag en ook nog eens directeur van de Sociale Werkplaats. Hij was een joden man en die mensen zitten toch anders in elkaar. Hij zei tegen mij: ‘Uw broer wordt rustig van de dames. Ik ga het voorschrijven.’’ [9]

Speijers opvolger als psychiater van Van Genk was Hans Grelinger, die het damesbezoek geen therapeutische waarde vond hebben. Grelinger (1908-1990) was volgens Dick Walda ‘een christelijke psychiater van zeer goede huize. Maar de man leed een dubbelleven. Hij was een ‘goudvinkje’ voor de rode beweging en ondersteunde de CPN. Geldschieters waren deze dames en heren.’ [10] Grelingers naam is in de jaren vijftig en zestig inderdaad terug te vinden in de kolommen van CPN-krant De waarheid, onder andere met een uitgebreid stuk tegen de vestiging van een Amerikaanse atoombasis op Soesterberg – in 1957, toen het communisme uitermate impopulair was in Nederland. [11] Zijn dubbelleven was dus niet bepaald geheim.

Over Grelinger als psychiater van haar broer was Tiny zeer te spreken:

Ja, dat was een inkeurige christelijke psychiater die moest helemaal niets hebben van hoeren als therapie. 
Dokter Grelinger had communistische neigingen. Maar ja, aan elk mens zit wel een steekje los.
Hij behandelde Wimmie heel anders dan Speijer.
Willem mocht boeken over haar-fetisjisme van dokter Grelinger lenen. Hij deed er een kaft van pakpapier om heen en bracht de boeken na lezing weer terug. [12]

Bij het ontruimen van de woning van Van Genk in 1998 werden afspraakbriefjes gevonden waaruit bleek dat Grelinger in ieder geval zijn psychiater was in de periode 1978-1983, en waarschijnlijk nog wel langer. Ten tijde van de ontruiming was zijn rol al overgenomen door P.P. van Gent, die ook aan het woord komt in de documentaire Ver van huis. Van Gent erkent volmondig het artistieke talent van Van Genk – een huizenhoog verschil met Speijer.

P.P. van Gent

Still uit Ver van huis (1997) – psychiater P.P. van Gent

In het dubbelinterview met Dick Walda en Nico van der Endt uit 1998, “De vrienden van Willem van Genk”, kwamen ook de psychiaters van Van Genk aan de orde, met name Speijer. Walda vertelde de anekdote van het telefoongesprek tussen Beljon en Speijer en besloot: ‘Dus Willem moest doorgaan op die treurige werkplaats. Speyer heeft dus een heel negatieve rol gespeeld.’ Van der Endt: ‘Ja, die Speyer heeft hem helemaal verkeerd ingeschat. Je mag natuurlijk van een professor wat meer verwachten.’ Walda: ‘Maar hoe komt het Nico dat wij, zonder medische kennis, Willem begrijpen en een psychiater niet?’ Van der Endt: ‘Juist omdat we geen psychiater zijn. Wij oordelen niet.’ [13]


NOTEN

[1] Facebook-pagina Outsider Art Museum, 7 april 2020.

[2] “Kunstverhaal: De ‘New Japan’ van Willem van Genk door Hugo Borst” (geraadpleegd 11 april 2020).

[3] Uitnodiging voor de opening van WOEST. Borst mocht WOEST ook promoten in het televisieprogramma De wereld draait door op 11 september 2019, waar hij onder meer wist te melden dat ‘Willem van Genk helemaal wous was van Rusland’.

[4] “Kunstverhaal: De ‘Kollage van de Haat’ van Willem van Genk door Hugo Borst” (geraadpleegd 12 april 2020).

[6] Harrie Oosterhuis en Marijke Gijswijt-Hofstra, Verward van geest en ander ongerief. Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2005) (Houten 2008), p. 352.

[7] Geciteerd in: Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 81.

[8] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 49.

[9] Ibid., p. 50. Van Genk’s eigen versie van zijn wederwaardigheden met de “vriendschapsgirls” – ‘Psychiater Speijer zei: Probeer het maar eens’ – is te vinden op pp. 78-83.

[10] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 8 januari 2019.

[11] ‘H. Grelinger (psychiater): “Atoombasis is provocatie”’, in: De Waarheid, 18 mei 1957. Journalist Igor Cornelissen wilde recentelijk een boek schrijven over Grelinger maar kreeg van de AIVD geen inzage in de archieven van de BVD (e-mail van Igor Cornelissen aan Jack van der Weide, 16 oktober 2019).

[12] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 50.

[13] Van den Enden, “De vrienden van Willem van Genk”, p. 5.

Düsseldorf revisited

DNicolas-981010-van Genk-29A

Dick Walda, Nico van der Endt en Willem van Genk in Museum De Stadshof bij de opening van de tentoonstelling Willem van Genk: een getekende wereld, 10 oktober 1998. Foto: Daniël Nicolas

De kunstenaarscarrière van Willem van Genk kwam pas laat van de grond. In 1964 leek het er voor hem, na de frustrerende periode in de AVO-werkplaats, op 37-jarige leeftijd dan toch eindelijk van te gaan komen. De tentoonstelling bij Steendrukkerij De Jong & Co. had weliswaar geen verkoop van werk tot gevolg maar genereerde wel veel publiciteit, met onder meer een interview met Bibeb in Vrij Nederland en een televisiereportage in het actualiteitenprogramma Brandpunt. In de zomer van dat jaar was er de deelname aan de prestigieuze groepstentoonstelling Nieuwe Realisten in het Haags Gemeentemuseum, in het najaar de tweede solo-expositie bij de galerie van Alfred Schmela in Düsseldorf waar wél werk werd verkocht.

Daarna ging het zo’n tien jaar bergafwaarts, door een combinatie van factoren. Pieter Brattinga bleek niet de juiste persoon te zijn om de artistieke belangen van Van Genk te behartigen, maar werd desalniettemin lange tijd niet aan de kant geschoven. De familie van de kunstenaar wist niet op de juiste manier om te gaan (of wilde dat niet) met de zakelijke kant van het verhaal. Van Genk zelf was niet in staat om adequaat voor zichzelf op te komen en kon bovendien moeilijk afstand doen van zijn werk. De kleine succesjes die hij behaalde binnen het circuit van de naïeven en zondagsschilders, verkleinden tegelijkertijd – zeker in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig – zijn kans op een carrière in de reguliere kunstwereld.

Pas met de contacten met Galerie De Ark in 1973 begon heel voorzichtig een kentering te komen. Het enthousiasme van Dick Heesen van De Ark ten spijt, leidde dit niet onmiddellijk tot een rigoureuze ommekeer en bleven verkopen nog steeds uit, maar er was in ieder geval een begin van een professionele benadering via een vaste galerie. Toen Van Genk in 1976 overstapte naar Galerie Hamer in Amsterdam, kwam hij eindelijk op de juiste plaats terecht. Nico van der Endt opereerde behoedzamer dan Brattinga of Heesen, kende het veld beter en had bovendien een klik met Van Genk. Met respect voor Van Genks reserves ten aanzien van de verkoop van zijn werk, wist Van der Endt toch langzaam enige naam voor zijn cliënt te creëren. Daarbij hielp het dat het begrip art brut in Nederland steeds meer ingang en acceptatie begon te vinden.

De internationale doorbraak kwam in 1986, met een solotentoonstelling bij de Collection de l’Art Brut (CAB) in Lausanne. Dit museum was al sinds 1979 in het werk van Van Genk geïnteresseerd en conservator Michel Thévoz deed in 1980 de eerste aankopen. Ten tijde van de tentoonstelling, die duurde van 10 juni tot 26 oktober, was de kunstenaar 59 jaar oud en al vrijwel gestopt met het maken van schilderijen en collages. In totaal zou de CAB elf werken van Van Genk verwerven, waaronder drie bus-assemblages. [1] In Nederland was in 1985 de Stichting Museum voor Naïeve Kunst opgericht, waarbij Van der Endt betrokken was als adviseur. Uiteindelijk zou dit onder meer leiden tot museum De Stadshof (“Museum voor Naïeve en Outsider Kunst”) in Zwolle, dat in het najaar van 1994 werd geopend en slechts iets meer dan zes jaar zou bestaan. De in 1995 hernoemde Stichting Collectie De Stadshof beheert nog steeds een collectie van wereldformaat met onder meer achttien werken (waaronder vier bus-assemblages) van Van Genk. [2]

Museum De Stadshof organiseerde in 1998 de overzichtstentoonstelling Willem van Genk: een getekende wereld, ter gelegenheid van de publicatie van een monografie over Van Genk. Kort voor de opening kreeg Van der Endt onenigheid met Ans van Berkum, hoofdauteur van de monografie en directeur van De Stadshof. Van Genk zelf was inmiddels, na drie opnames in een psychiatrische kliniek en twee herseninfarcten, niet meer tot werken in staat. Van der Endt:

Op 10 oktober wordt zijn tentoonstelling in De Stadshof geopend en zal tot 4 maart 1999 verlengd worden, en is daarna in het Museum Charlotte Zander en in de Collection de l’Art Brut te zien. Willem ondergaat de openingsprocedure zwijgend in zijn rolstoel, het lopen gaat hem sinds een paar maanden niet goed meer af. Na afloop breng ik hem en zijn zuster naar Den Haag. [3]

In juli 2000 werd de Stichting Willem van Genk opgericht om het werk dat nog in bezit was van de kunstenaar voor verdere verspreiding te behoeden. Voorzitter werd Ans van Berkum, secretaris Nico van der Endt, penningmeester een vriendin van Tiny van den Heuvel-van Genk, de zeer religieuze An Remmerswaal. Die laatste had een jaar eerder het curatorschap over Van Genk van de inmiddels 85-jarige Tiny overgenomen. Een van haar eerste plannen was om opbrengst van de verkopen ten goede te laten komen aan de bouw van een nieuwe katholieke kerk – tot verontwaardiging van Van der Endt en Dick Walda. [4]

In april trok Van der Endt zich terug uit de nieuw opgerichte stichting en ging hij, met informatie die hem was verstrekt door Charlotte Zander, naar Duitsland om de in de jaren zestig door Schmela verkochte werken op te sporen. Met succes:

Bij een verzamelaar in Düsseldorf bevinden zich twee tekeningen, een Panorama Moskou […] en een vroeg gezicht op het centraal station van Amsterdam […]. Een jaar later verwerf ik beide tekeningen, de grootste laat ik in Amsterdam restaureren. Een kleine tekening die ik bij een andere verzamelaar kon bezichtigen was niet te koop. [5]

Schmela had tien werken verkocht, waarvan er nu vier getraceerd waren – Metrostation Opéra was in 1966 terechtgekomen bij het Stedelijk Museum in Amsterdam. Van de zes overige werken was in vijf gevallen een afbeelding bekend.

Brandpunt 03c

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – catalogusnummers 10 (Leipzig), 11 (Leipzig), 12 (Mockba), 13 (Antwerpen) en 14 (Amsterdam)

De tekening van het centraal station verkeerde in slechte staat. Het betrof nummer 14 uit de Hilversumse catalogus, Amsterdam. In een brief aan Pieter Brattinga liet Schmela weten dat de koper in kwestie aanvankelijk ‘die Arbeit “Russischer Panzer”’ op het oog had (i.e. catalogusnummer 18, “Mockba”) maar uiteindelijk toch koos voor ‘das Bild “Amsterdam (Reichmuseum)”’. Schmela zag dus het centraal station van Amsterdam voor het Rijksmuseum aan – beide gebouwen zijn van de hand van architect Pierre Cuypers. [6] De kleine tekening die niet te koop was (maar wel mocht worden gefotografeerd) was waarschijnlijk nummer 22, Mockba. De afbeelding toont een stoomtrein die een station binnenrijdt – in een brief aan Pieter Brattinga duidt Schmela het werk aan als ‘die “Russische Lokomotive”’. [7]

Düsseldorf 001

Mockba (Russische locomotief) | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | ca. 60 x 80 cm | privé-collectie, Düsseldorf | Foto: Nico van der Endt

Panorama Moskou (ca. 1955), nummer 16 uit de Hilversumse catalogus, was de belangrijkste Duitse vondst van Van der Endt. Toen hij het werk aan Van Genk liet zien die het veertig jaar had moeten missen, leek deze niet meer geïnteresseerd te zijn. Galerie Hamer toonde de tekening als topstuk van de duo-tentoonstelling Willlem van Genk en Siebe Wiemer Glastra, van 28 september tot 2 november 2002. Van der Endt vroeg 60.000 euro voor het werk en verkocht het al snel aan de Franse verzamelaar Antoine Ritsch-Fisch. Het belandde daarna in de collectie van La Maison Rouge van Antoine de Galbert.


NOTEN

[1] Een overzicht van de geschiedenis van het werk van Van Genk bij het CAB geeft Sarah Lombardi in het artikel “Willem van Genk en de Collection de l’Art Brut: een verhaal van ontmoetingen”, in: Hans Looijen e.a., Willem van Genk – Woest (Tielt 2019), pp. 29-31.

[2] Voor een geschiedenis van de stichting en het museum, zie: Liesbeth Reith, “De Stadshof Collection, an Art Collection’s History”, in: Frans Smolders e.a., Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection (Eindhoven 2014), pp. 19-31.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 115.

[4] Cf. ibid., p. 117.

[5] Ibid., p. 125.

[6] Brief van Alfred Schmela aan Pieter Brattinga, 15 oktober 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[7] Brief van Alfred Schmela aan Pieter Brattinga, 2 december 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut). Doordat negen werken in de Hilversumse catalogus de titel Mockba hadden, is het soms moeilijk ze van elkaar te onderscheiden.

Jeugd

Dorpstraat Harreveld 001

Zonder titel (Dorpsstraat Harreveld) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | 12 x 28,5 cm| particuliere collectie

Tiny van den Heuvel-van Genk tegen Dick Walda: ‘Mijn moeder […] overleed – toen onze Wim vier jaar was – aan kanker. Wim is toen door zijn zusje Noor en later ook door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [1] Dit is in feite alles wat zij aan Walda vertelt over de jeugd van haar broer. De monografie van De Stadshof uit 1998 vermeldt (zonder bron) over de jaren daarna:

Wel is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld. Intussen strandt het nieuwe huwelijk [van Jozef van Genk; JvdW] en de tweede moeder verdwijnt met haar kinderen naar onbekende verten. In Harreveld leert Willem schoenen poetsen, maar verder is er geen waarneembaar resultaat van zijn verblijf in de opvoedingsinrichting. [2]

Als vaker in deze monografie lijkt hier een versie van de gebeurtenissen te worden gegeven die in grote lijnen juist is maar waarvan de details niet helemaal kloppen. Zo kan het zijn dat het huwelijk van Jozef van Genk met Maria Heesen rond 1937 niet meer goed was, maar op de overlijdensakte van die laatste staat ze nog steeds als zijn echtgenote vermeld – het huwelijk is dus nooit ontbonden, al woonde ze al tijdens de Tweede Wereldoorlog in Enschede, waar ze ook overleed, en staat op haar grafsteen alleen haar eerste echtgenoot vermeld. [3] Daarnaast had ze maar één dochter, die geboren was in 1918 en dus eind jaren dertig mogelijk al zelfstandig was.

De beide kostscholen kwamen ook ter sprake tijdens het gesprek met Pierre en Tineke Dietvorst in oktober 2018. [4] De precieze chronologie blijft onduidelijk: Willem van Genk zou mede zijn opgevoed door zijn zus Nora, zat een of twee jaar bij zijn neef Kees op de lagere school (waar hij achterin de klas moest zitten omdat hij onhandelbaar was) en ging op enig moment naar het jongensinternaat Sainte Marie in Huijbergen, niet ver van Bergen op Zoom. [5] Er bestaat een vrij precies te dateren foto uit mei 1940 met een dertienjarige Willem van Genk en het gezin van zijn tante, genomen ter gelegenheid van (volgens een tekst op de achterzijde) “de Plechtige Communie [i.e. Vormsel; JvdW] van Kees en Wim”.

WvG communie

“De Plechtige Communie van Kees en Wim” (mei 1940).  Zittend tweede van rechts Willem van Genk, geheel rechts zijn zuster Addy. Vierde van rechts neef Kees van der Ouderaa, tussen Kees en Wim Helena van der Ouderaa-Hoogstraten, staande haar echtgenoot Kees van der Ouderaa sr. Geheel links hun oudste dochter Tiny.

Hoe Harreveld in dit alles past, is de vraag. Dát hij daar heeft gezeten, staat vast. Er bestaat een tekening door Van Genk van het plaatsje met naast de dorpskern het internaatscomplex. Op de achterkant van die tekening staat de tekst Gemeente Lichtenvoorde; dorpstraat te Harreveld (Gld) met daaronder in potlood (Roomsche nederzetting) †. [6] Harreveld maakte tot 2005 inderdaad deel uit van de gemeente Lichtenvoorde. De naam Willem Franciscus Antonius Maria van Genk komt voor in het bevolkingsregister van Lichtenvoorde, ‘Buurtschap Harreveld, 1925-1940’. [7]

Van Genk doelt waarschijnlijk op het internaat in Harreveld als hij in de jaren tachtig aan Dick Walda schrijft: ‘ik ben ook op een Roomsche Jongens Kostschool geweest (Nur für die Weisknaben) stond op de WC’s of ‘Zum hausverein’. […] Beste Lezer wat die buitenlandse zinnen betreft n.l. die kostschool was n.l. door Duitse soldaten bezet tijdens de oorlog.’ [8] Later is hij explicieter: ‘Je weet dat ik ook nog op een Roomse kostschool ben geweest, Huize Alexander in Harvelt. ‘Nur für Weiseknaben’ stond op de WC. Moest pissen, mocht het niet. ‘Zum Hausverein’. Ook nooit vergeten.’ [9] Het internaat in Harreveld ging terug op een landhuis uit 1805 dat in 1875 dienst ging doen als klooster voor uitgeweken Duitse Franciscanen. In 1911 werd het complex aangekocht door de St. Vincentiusvereniging die er een opvoedingsgesticht in vestigde. De door Van Genk geciteerde Duitse frasen zouden kunnen stammen uit de tijd van de Duitse Franciscanen. Daarbij lag het internaat zo’n tien kilometer van de Duitse grens.

Het verblijf in Harreveld, hoe lang of kort ook, lijkt ten grondslag te liggen aan Van Genks fascinatie met Gelderland in het algemeen en Arnhem in het bijzonder. Er zijn tientallen vroege tekeningen met verwijzingen naar plaatsen als Dieren, Nijmegen, Doetinchem en dus vooral Arnhem. De opmerking van Jacqueline van Genk dat haar broer vaak met zijn vader in Arnhem was geweest, [10] moet misschien ook in de context van het verblijf in Harreveld worden gezien. Vanuit Harreveld is Doetinchem weliswaar de dichtstbijzijnde stad (ca. 20 km), maar Arnhem (ca. 50 km) is een stuk groter. In 1940 telde Doetinchem ongeveer 17.500 inwoners tegen Arnhem zo’n 90.000.

Geldersche tramwegen 001b

Geldersche Tramwegen | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 60 x 70 cm | Het Dolhuys, Haarlem

In een – eveneens: vroege – collage over Gelderland komen twee van Van Genks interesses, steden en openbaar vervoer, samen. De centrale afbeelding van Geldersche Tramwegen toont twee wagons die door een landschap rijden, met op de achtergrond een stad. Daaroverheen zijn andere teksten geschreven en tekeningen geplakt, waaronder veertien kleine tondo’s van kerktorenspitsen uit Gelderse steden, verbonden door een spoor- of tramlijn. Van rechts naar links lopen de tondo’s vanaf Lochem via onder meer Lichtenvoorde, Aalten en Nijmegen naar Zutphen. Tussen Arnhem en Nijmegen staat (electrische trams in Arnhem en Nijmegen), hetgeen een aanwijzing geeft over de datering van het werk – in Nijmegen reed de trolleybus vanaf 1952. Linksonder is een groot inzetstuk aangebracht met nogmaals de toren van de Arnhemse Eusebiuskerk en enkele huizen. Het betreft een blik op de toren vanuit de vooroorlogse Trompetsteeg, een perspectief dat vele kunstenaars inspireerde en dat ook bij Van Genk meerdere malen terugkeert. [11]

Geldersche tramwegen (detail)

Detail GTW Geldersche Tramwegen (ca. 1950)

Er is nog een tweede werk met in grote letters de woorden GELDERSCHE TRAMWEGEN, een tekening uit de bibliotheek van Van Genk bij Museum Dr. Guislain. Het betreft een gedetailleerde plattegrond van het openbaar vervoer-netwerk in het oostelijk deel van Gelderland (inclusief legenda), waaruit een tondo is geknipt van de streek rond Arnhem. Ook de omgeving in en rond Lichtenvoorde is nauwkeurig beschreven, met onder meer de Markt, het spoor voor een goederen-tram, de Lichtenvoordsche Beek en natuurlijk Harreveld. Die plaatsaanduiding is met enig zoeken eveneens te vinden op Geldersche Tramwegen, maar verdere toevoegingen ontbreken in beide gevallen. Dus voor wie daar al naar zocht: geen enkele indicatie van een jeugdtrauma.


 

NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 31.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[3] ‘Hier rust Maria Anna van Vlaardingen-Heesen’. Met dank aan Jan Vellekoop, die mij een foto van de grafsteen stuurde.

[4] Na het overlijden van moeder Maria van Genk in 1932 zou niet alleen Wim maar ook zijn zuster Addy naar het gezin van hun tante in Bergen op Zoom zijn gegaan. Pierre Dietvorst over het huis boven de banketbakkerij van opa Van der Ouderaa: ‘Zijn oudere zus Addy heeft er veel langer gewoond. Die is opgegroeid samen met haar [i.e. van Tineke Dietvorst; JvdW] tante Tiny, Tiny van de Biggelaar-van der Ouderaa.’ Tineke Dietvorst: ‘Die zei altijd: ze was als een zusje voor mij […]. De rest van die kinderen is toen die moeder overleed naar een internaat gegaan, maar tante Addy die was heel fragiel en daarom is die bij mijn oma terechtgekomen.’

[5] ‘In deze aan het zicht onttrokken, gesloten wereld wachtte […] een opvoeding tot godvrezend, geestelijk ontwikkeld en welgemanierd mens. Je nam afscheid van je ouders en trok in bij de mannen in zwarte toga’s, die het de komende jaren over jou en je groepsgenootjes te zeggen kregen. Je werd een van de ‘internen’ en kwam in een groep terecht van jongens uit alle windstreken.’ “Internaten Sainte Marie en Sint Frans in Huijbergen” (geraadpleegd 7 april 2020).

[6] ‘Vanaf de Dorpsstraat kon je van het gesticht alleen de hoofdpoort, de daken en stukken gevels zien. De rest lag verscholen achter sparren, rododendronstruiken en enorm hoge coniferen. Een houten brug die met een ijzeren hek kon worden afgesloten, vormde de enige toegang tot het complex.’ (Jos Coopmans, Satanskinderen. Het verhaal van een gestichtsjeugd [Nijmegen 2014], p. 100)

[7] Archieven.nl, geraadpleegd 7 april 2020.

[8] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 223. “Huize Alexander” kan ik niet thuisbrengen.

[9] Ibid., p. 190.

[10] Ibid., p. 34.

[11] ‘Het Gelders Archief in Arnhem zit vol met afbeeldingen van de gekromde Trompetsteeg met aan het einde de toren van de Eusebiuskerk. De laatste foto dateert van 1945. […] Oorlogsgeweld had weinig heel gelaten van de toren, van de Trompetsteeg nog minder. Het gebied ging plat, de steeg verdween.’ (“Arnhem krijgt iconisch straatbeeld terug”, in: De Gelderlander, 8 september 2016; geraadpleegd 9 april 2020). Een grote tekening van de Trompetsteeg door Van Genk is aanwezig bij Museum Dr. Guislain.

Krabbegat

2018-09-18 15.58.20

Zonder titel  | ca. 1997 | gemengde techniek op papier | ca. 50 x 100 cm | Museum Dr. Guislain (objectnummer 21030292) | foto’s: Jack van der Weide

In het najaar van 2018 was ik bij Museum Dr. Guislain in Gent waar ik samen met Ans van Berkum een deel van het daar aanwezige werk van Willem van Genk kon bekijken. Waar de zeer summier geformuleerde inventarislijst soms niet meer vermeldde dan aanduidingen als “titel niet gekend / tekening”, “schilderij / onaf” of “samengestelde kleurencopies / collage”, bleek het in de praktijk in een aantal gevallen om uitermate interessant werk te gaan. Een late tekening die ik al eerder beschreef, laat een trein- of tramwagon zien met een reclame voor Turmac, een prominente pantograaf en het woord MÄRKLIN. Er waren kopieën van de tekening gemaakt die vervolgens door knippen en plakken weer zodanig waren bewerkt dat er een langere trein of tram kon worden gemaakt. [1]

Links naast het woord MÄRKLIN staat F/a Wentinck Arnhem, rechts Pierre Dietworst (BoZ). Wentink Hobby is een winkel voor modelbouw in de Steenstraat in Arnhem, een zaak die Van Genk ongetwijfeld goed kende en waarschijnlijk regelmatig bezocht. De naam “Pierre Dietworst” zei ons in eerste instantie weinig, maar een korte zoekactie op internet leerde dat het ging om een handelaar in producten van het merk Märklin genaamd Pierre Dietvorst. Dietvorst was voormalig eigenaar van een speelgoedwinkel en  werd ook wel Kees Marklin genoemd vanwege zijn bedrijfsnaam keesmarklin. Dit leken voldoende associaties voor het vermelden van de licht verbasterde naam op de tekening. [2]

Toen ik enkele dagen later de foto’s van de tekening nog eens bekeek, viel mij de toevoeging (BoZ) – Bergen op Zoom? Inderdaad bleek Pierre Dietvorst in Bergen op Zoom te wonen, een plaats die in de context van Van Genk niet zonder betekenis is. Op een vraag via e-mail of hij ooit contact had gehad met Van Genk, kreeg ik onmiddellijk antwoord:

Ja zeker, met regelmaat, tijdens carnaval bezocht hij steevast zijn neef Kees van der Ouderaa in Bergen op Zoom, en verbleef daar. Willem is in zijn kinderjaren opgevoed door de moeder van Kees. Omdat ze dezelfde leeftijd hadden, trokken ze veel met elkaar op. Kees was mijn schoonvader. Ben altijd onder de indruk geweest van deze bijzondere man. 

In de monografie van De Stadshof uit 1998 staat een passage die nu beter te duiden was:

Na moeders dood ging Tiny, destijds achttien jaar, ook weer naar huis. De kleine Willem mag dan bij een oom en een tante in Bergen op Zoom intrekken, die twee zoons en een dochter hebben. Met zijn neef Jantje kan hij goed opschieten, maar toch gaat het om niet helemaal duidelijke redenen in deze familie niet geweldig met hem. Zijn vader hertrouwt intussen […] en haalt vol goede moed zijn zoon terug naar Voorburg. [3]

Omdat vader Van Genk uit Bergen op Zoom kwam en zijn vrouw uit Naaldwijk, leek het aanvankelijk voor de hand te liggen om te veronderstellen dat het bij de ‘oom en tante uit Bergen op Zoom’ om familie van vaderskant ging. Het bleek echter te gaan om een jongere zus van Maria van Genk-Hoogstraten, Helena Hendrika Hoogstraten (1888-1964) die in 1919 was getrouwd met Cornelis Wilhelmus Alphonsus (Kees) van der Ouderaa (1883-1940). De twee kenden elkaar waarschijnlijk omdat een oudere broer van Jozef van Genk, Christiaan (1877-1961), al in 1905 was getrouwd met Irma van der Ouderaa (1880-1970), een oudere zuster van Kees van der Ouderaa.

Helena Hoogstraten en Kees van der Ouderaa kregen inderdaad twee zoons en een dochter: Tiny (1920-2014), Jan (1923-1992) en Kees (1926-2006). Die laatste werd geboren op 12 december 1926 en scheelde derhalve nog geen vier maanden met zijn neefje Wim; ze kwamen op de lagere school in dezelfde klas terecht. Nichtje Tiny was er wellicht de oorzaak van dat Willem zijn oudste zuster ter onderscheid altijd “Tine” bleef noemen. Neef Jan van der Ouderaa werd missionaris in Afrika. In een ‘levensbeschrijving’ die Willem van Genk in de jaren tachtig maakte voor Dick Walda, schreef hij: ‘Verder heb ik ook een neef in Kenia (Africa) die is missionaris een heel ander kultuurpatroon.’ [4] Kees van der Ouderaa jr. trouwde met Leny Bastiaanse (1925-2017), hun dochter Tineke (1958) trouwde met Pierre Dietvorst (1958).

kaarten

Briefkaart uit 1996 van Willem van Genk aan Dick Walda, verstuurd vanuit psychiatrische kliniek Bloemendaal: ‘Waarschijnlijk ga ik dinsdag naar de Karneval in Bergen op Zoom

Op 17 oktober 2018 had ik samen met Ans van Berkum een gesprek van anderhalf uur met Pierre en Tineke Dietvorst, in hun woning in Bergen op Zoom die een paar honderd meter verwijderd is van “het torentje van Van Genk”, het woonhuis van architect Kees van Genk uit 1884. Willem van Genk had inderdaad na het overlijden van zijn moeder in 1932 een periode – waarschijnlijk ongeveer een jaar – in Bergen op Zoom gewoond, bij zijn oom en tante in de Zuivelstraat. Daar was ook de bakkerij van zijn oom, die van 1810 tot 1955 heeft bestaan. Volgens Pierre Dietvorst zou de familie Hoogstraten in Naaldwijk eveneens een banketbakkerij en/of chocolaterie hebben gehad.

Op latere leeftijd zocht Van Genk zijn neef Kees weer op bij zijn bezoekjes aan het carnaval in Bergen op Zoom, met name omdat de dinsdagse optocht langs diens huis kwam. Dit moet ná 1967 zijn geweest, het jaar dat Kees en Leny van der Ouderaa verhuisden naar een woning aan de Wassenaarstraat nummer 46, die op de route van de optocht lag. In 1977 kwam Pierre Dietvorst voor het eerst over de vloer bij zijn toekomstige schoonouders, vanaf toen ontmoette ook hij elk jaar op carnavalsdinsdag de kunstenaar. Tineke Dietvorst:

Mijn moeder moest altijd een tweede Vastenavendkrant voor ‘m bewaren, want daar was-ie helemaal lyrisch over, over de Vastenavendkrant, en dan gingen wij na de optocht, want die kwam hier in de straat voorbij, met z’n allen nasi halen, en dan at-ie bij ons, en dan zat-ie pure sambal te eten. En dat weet ik nog wel, ik als kind toen zeg maar, dan zat ik te kijken, van ik denk, hoe … da’s zóó pittig! En dat zat-ie gewoon zo lekker op te eten.

De Vastenavenkrant is een carnavalskrant die sinds 1949 jaarlijks verschijnt. Tot 2020 was de krant volledig geschreven in het Bergs, het dialect van Bergen op Zoom (dat in carnavalstijd “Krabbegat” heet). [5]

De grote naieven

Detail De grote naïeven (ca. 1975)

De carnavalsoptocht in Bergen op Zoom is uitgebreid afgebeeld op het schilderij De grote naïeven (ca. 1975). In vijf tafereeltjes onder elkaar geeft Van Genk een aantal momenten eruit weer, inclusief rijen toeschouwers langs de kant van de weg. De bovenste afbeelding toont, achter een praalwagen met bloemen en een zon, een groene dubbeldekker. Deze was en is volgens Pierre Dietvorst een vast onderdeel van de optocht: ‘Die rijdt met de carnaval mee. […] Die bus, deze bus reed mee, was ooit een rode bus, hij staat hier in het groen, is nu in het paars.’ In de tweede afbeelding is op een praalwagen het woord KRABBEGAT te lezen, onder de letters KWF: het Koningin Wilhelmina Fonds voor kankerbestrijding – de associatie kanker/krab kan voor Van Genk interessant zijn geweest.

De derde scène, gesitueerd voor de plaatselijke V&D in de Stationsstraat, toont opnieuw een vast onderdeel van de Bergse carnavalsoptocht: Spuit 11, een oude T-Ford met een kanon dat confetti spuit. Tineke Dietvorst wist zich te herinneren dat tijdens een van de bezoeken van Van Genk er door Spuit 11 een lading confetti naar binnen werd gespoten terwijl iedereen vanuit een openstaand raam naar de optocht aan het kijken was. Centraal in de vierde afbeelding staat een praalwagen met de tekst steunt de actie ’73 NEDERLANDSCHE ZWAKZINNIGENZORG RAYON VREDENRUST. Vrederust was een buurtschap bij Bergen op Zoom waar zich sinds 1909 het Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis Vrederust bevond.

De vijfde afbeelding laat een andere fascinatie van Van Genk zien, via een praalwagen met een model van de veertiende-eeuwse Gevangenpoort, de enig overgebleven stadspoort van Bergen op Zoom. Op de rand van de wagen schildert Van Genk, als altijd treurend over al dan niet vermeende sloopwoede, de leus STOPT HET SANERINGSMONSTER. De toeschouwer met de bril in de rechterbenedenhoek van de afbeelding zou een zelfportret kunnen zijn. Onder de vijf taferelen maakt Van Genk reclame voor ‘zijn’ galerie van dat moment: van carnaval in Bergen op Zoom naar gallerie “De Ark” in Boxtel. Wellicht was hij dat specifieke jaar bij zijn neef Kees slechts op doorreis.


 

NOTEN

[1] De kopieën zaten in een map die geïnventariseerd was als “kleurencopieen versneden 24 stuks / collage” (objectnummer 21030292).

[2] ‘De naam “Kees” was een van de eerste namen die hij gebruikte om op eBay een account aan te maken. Een tijdje later bleek dat hij zijn handel hoofdzakelijk richtte op de Märklin producten en kwam er marklin achter de naam kees te staan. De bedrijfsnaam werd dus keesmarklin. Misschien valt het u op dat er op de letter a geen trema staat en het lettertype anders is. Door het weglaten van de 2 puntjes en het gebruik van een ander lettertype [kan] er ook geen “ruzie” ontstaan met de grote fabrikant Märklin.’ (“Keesmarklin”, geraadpleegd 1 april 2020)

[3] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[4] Dick Walda, Koning der stations (2e druk 2019), p. 223. Vgl. ‘Priester Mill Hill. Gewijd 11 juli 1948 Londen. […] Missionaris Kisumu Kenya.’ (Genealogie Online, geraadpleegd 2 april 2020)

[5] Informatie over het carnaval in Bergen op Zoom is te vinden in het Wikipedia- lemma “Krabbegat” (geraadpleegd 3 april 2020). Ans van Berkum zegt in de catalogus bij de tentoonstelling Woest abusievelijk, als het over de bezoeken aan Bergen op Zoom in carnavalstijd gaat: ‘Tante legt dan steeds de kleurige Carnavalskrant voor hem klaar.’ (p. 11) Het was dus niet “tante” (die al in 1964 was overleden) maar de echtgenote van zijn neef die een exemplaar van de krant voor hem bewaarde.

Jassen

WvG met jas

Willem van Genk (foto: Mattheus Engel)

Nico van der Endt: ‘In 1976 organiseerde Galerie De Ark een afsluitende tentoonstelling met werk van Van Genk. Ik zou de openingstoespraak houden en Van Genk zou daarbij aanwezig zijn. Toen hij binnenstapte, keek hij mij aan en grijnsde naar me. Ik dacht “Wat wil die man van me? Heb ik iets van hem aan?” En inderdaad; dat was het geval. Ik droeg een lange plastic regenjas. Nu weet ik dat zulke jassen voor hem een speciale betekenis hadden.’ [1] De jassen, door hemzelf raincoats genoemd, namen inderdaad een bijzondere plaats in in het leven van Van Genk. Hij bezat er honderden, veelal zwart maar soms ook in andere kleuren; vaak van plastic, soms van canvas, een enkel keer van een ander materiaal. Hij zette er extra drukknopen aan, voegde knoopsgaten toe en/of bewerkte ze anderszins.

Wat te schrijven over de raincoats van Van Genk? Op allerlei manieren kan worden gezegd dat deze een fetisjistische betekenis voor hem hadden, dat hij er zich veilig in voelde, dat ze te maken hadden met zijn seksuele fantasieën en zo verder. De meeste van deze aspecten kwamen aan bod in het artikel ‘De mantelzorg van Willem van Genk’ (2014) door Eva von Stockhausen, die in 2014 een overzicht gaf van de materie rond de jassen. [2] Datzelfde jaar was er in het American Folk Art Museum in New York een grote tentoonstelling met Van Genks werk. Roberta Smith was in de The New York Times uitermate enthousiast over deze voor haar onbekende kunstenaar en besteedde aan het einde van haar recensie ook kort aandacht aan de jassen:

There were even aspects of performance art to van Genk’s creativity. The most eccentric works in the show are examples of the hundreds of heavy rubber raincoats that he scavenged, personalized with additional buttons, patches and studs and occasionally wore to feel protected and in control. They are thought to recall the leather overcoats worn by Nazis who brutally interrogated him during World War II in an effort to locate his father, a member of the Dutch Resistance. [3]

Het verhaal van de nazi’s die Van Genk ondervroegen gaat voor een belangrijk deel terug op een getuigenis van zuster Tiny. In het midden van de jaren negentig vertelt zij aan Dick Walda hoe haar vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was bij de Haagse Arbeidsinspectie, over mogelijkheden beschikte om mensen te laten onderduiken en ze aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment werd de verzetsploeg waar Jozef van Genk deel van uitmaakte, opgepakt door de Duitsers, waarbij hij als enige wist te ontsnappen. ‘Daarna zijn de Duitsers bij ons thuis geweest. Huiszoeking. We woonden toen in de Magnoliastraat en ze hebben Wim toen ook nog helemaal uitgevraagd en toegesnauwd. Wim wist natuurlijk niet waar mijn vader was.’ [4] Vervolgens vertelt Tiny over andere gebeurtenissen in het leven van haar broer en komt ze uiteindelijk ook te spreken over diens obsessie met de raincoats. Ze legt daarbij echter geen verband met de huiszoeking door de nazi’s.

Wie dat wel doet is Ans van Berkum, die in 1998 de jassen benoemt als ‘een wezenlijk onderdeel’ van het oeuvre van Van Genk: ‘Met zijn collectie jassen grijpt Van Genk terug op de cruciale ervaring uit zijn jeugd.’ Vervolgens citeert ze een bandopname van een interview dat Dick Walda in 1997 met Van Genk had. Daarin koppelt die zijn angst voor ‘jongens die je niet kent in Oost-Europa’ aan de episode van de huiszoeking: ‘dat heb ik overgehouden van de Tweede Wereldoorlog, want twee mannen van de Gestapo, die zijn bij ons geweest. […] Ik moest zeggen tegen die gasten waar die joodse jongens waren. Ze zaten me aan de pols te voelen. Ze zeiden, als je het niet zegt, dan loopt het slecht met je af.  […] Dat heb ik daarvan overgehouden. Dat ik altijd bang ben.’ [5]

Wat opvalt in zowel het verhaal van Tiny als dat van Van Genk zelf is dat er geen sprake is van fysiek geweld. In de versie van Tiny werd haar broer ‘helemaal uitgevraagd en toegesnauwd’, in diens eigen versie zaten de mannen van de Gestapo hem ‘aan de pols te voelen’, een samentrekking van “polsen” en “aan de tand voelen”. De oorlog moet een verpletterende indruk op Van Genk hebben gemaakt, de inval in zijn ouderlijk huis zal hij als extreem beangstigend hebben ervaren. Daarbij zal de Gestapo bepaald niet zachtzinnig zijn opgetreden, maar daar houdt onze kennis op en begint de interpretatie: ‘In verwarring, maar ook in diepe bewondering voor het indrukwekkende leer en de glanzende knopen, gouden tressen en speldjes, blijft hij achter. De fakkel is ontstoken’, aldus Ans van Berkum die op een suggestieve manier aspecten van de Gestapo-episode met het jassenfetisjisme probeert te verbinden. ‘Levenslang blijft Van Genk gefascineerd door de tekenen van macht die hij met die bewuste Gestapomannen kan associëren.’ [6]

Waarom nu zouden de raincoats, die al dan niet verbonden zijn met de ondervraging door de Gestapo tijdens de Tweede Wereldoorlog, een wezenlijk onderdeel vormen van het oeuvre van Van Genk? Dat ‘kunsthistorici het niet eens zijn’ over de artistieke waarde van de jassen, zoals Kees Keijer aan de vooravond van de opening van de tentoonstelling Woest schreef, is feitelijk niet waar. [7] Ans van Berkum lijkt de enige te zijn die de raincoats als een kunstzinnige uiting ziet. Haar argumenten haalt ze uit uitspraken van Van Genk zelf. In 1998 draait haar interpretatie om diens woorden ‘… ook artistiek leef je je erin uit’, samen met enkele cryptische opmerkingen van Van Genk tegenover Nico van der Endt als zou hij met de jassen “verder” zijn dan met zijn schilderijen. Als Van der Endt doorvraagt blijkt het Van Genk vooral om de rol van de jassen in zijn persoonlijke leven te gaan: hij voelt zich er veiliger door en in tegenstelling tot zijn schilderijen worden ze hem niet afgenomen. [8]

WvG + jassen

Willem van Genk en zijn jassen, ca. 1990

In haar tekst “Een vogel boven de stad” en in de documentaire Een getekende ziel (beide uit 2010) maakt Van Berkum de rol van de jassen nog belangrijker – opnieuw met het argument dat de kunstenaar dit immers zelf had gezegd. ‘“Wat nou tekeningen, collages? Die raincoats, daar ben ik veel verder in”, probeert hij telkens weer te zeggen. Er wordt zelden geluisterd.’ [9] En aan het slot van de documentaire, na een uitgebreide en deels gefictionaliseerde versie van het Gestapo-verhaal: ‘In die jassen, die hele grote verzameling ‘werkzaam’ gemaakte jassen, ligt voor Willem van Genk het belangrijkste deel van zijn oeuvre. “In die jassen ben ik veel verder in gekomen dan in mijn collages, en in mijn tekeningen, en dan in mijn installatie van trolleybussen die je voor het raam ziet staan in mijn flat … in die jassen ben ik het verst gekomen”, zei hij altijd. Maar het heeft heel lang geduurd voor het begrepen werd dat het een deel was van zijn artistieke oeuvre, van zijn zelfcreatie.’ [10]

De eerder geciteerde opmerking van Roberta Smith in de The New York Times over de jassen als een vorm van “performance art” lijkt een uiterste poging te zijn om dit vermeende onderdeel van het oeuvre een plaats te geven – al was de context waarin Van Genk de jassen droeg bepaald geen artistieke. Nico van der Endt is kort over de jassen, als hij schrijft over de verhuizing van Van Genk in 1998: ‘De talloze regenjassen worden door AvB als waardevol aangemerkt en […] in het museum opgeslagen. Zelf heb ik er moeite mee dat de jassen, die immers niet artistiek bewerkt zijn, geëxposeerd zullen worden.’ [11] Hij wordt in zijn standpunt bijgevallen door Dick Walda: ‘Kunnen de jassen in een artistiek kader geplaatst worden, zoals de trolleybussen en zijn tweedimensionaal werk? Nico van der Endt en Dick Walda vinden van niet.’ [12] Kunsthistoricus Jos ten Berge was het daarmee eens en vond het jammer dat ze tijdens Woest deel uitmaakten van de tentoonstelling: ‘De meeste regenjassen zijn verloren gegaan, maar enkele tientallen exemplaren zijn bewaard gebleven Ze hangen er, tot spijt van Jos ten Berge: “Ik vind dat dat niet tot zijn artistieke erfenis hoort. Dit is deel van zijn privéleven en hoort niet in een museum.”’ [13]

De raincoats duiken incidenteel op in het late tweedimensionale werk van Van Genk (Collage ’78, Zelfportret zwakzinnigennazorg, Kapsalon). Ook in het vroege werk zijn enigszins verhulde verwijzingen te vinden, maar daarbij moet een beschouwer oppassen om niet in elke jas of geüniformeerde persoon (politieagent, tramconducteur) een teken te zien. Meer in het algemeen past de onevenredige aandacht voor dit deel van het privéleven van Van Genk bij de onevenredige aandacht die de outsider-kunstenaar als persoon vaak krijgt in verhouding tot zijn werk. Het lijkt daarbij meer de wéns te zijn dat de jassen kunstwerken zijn dan dat daar daadwerkelijk argumenten voor worden gegeven. ‘Hij heeft het zelf gezegd’, blijft de enige troef van de voorstanders in het debat. Geen steekhoudend argument, dunkt mij.

In een korte tekst over de jassen van Van Genk stelde Valérie Rousseau, conservator van het American Folk Art Museum in New York: ‘they became a recurrent theme in his work.’ [14] Als gezegd gaat dit niet op voor het werk in de zin van het tweedimensionale werk, waar de jassen niet echt een terugkerend onderwerp vormen. Desgevraagd antwoordde Rousseau mij: ‘When I refer to his “work”, I mean his artistic practice at large, in gathering, transforming and wearing real raincoats, and not necessary in the form of a motif in his paintings.’ [15] Dit zou betekenen dat de jassen deel zouden uitmaken van Van Genks’s ‘artistic practice at large’, waarvoor echter nog steeds moeilijk argumenten te geven zijn.

Naar mijn mening bestaat er een interessante parallel tussen de manier waarop Van Genk zich verhield tot zijn jassen en de manier waarop hij zich verhield tot zijn kunst. Dit maakt de jassen zelf echter niet tot kunstwerken. Aan het einde van haar tekst schrijft Rousseau: ‘Symbols of fear, the coats are also signs of fascination with empowerment, and highlight a duality that permeates the artist’s entire oeuvre.’ Hiermee ben ik het eens: de jassen kunnen een licht werpen op de tegenstelling tussen macht en onmacht in het oeuvre van Van Genk. Ik denk echter niet dat de jassen zelf deel uitmaken van dat oeuvre.


 

NOTEN

[1] Frits Gronert, “Fascinerende ontmoetingen”, p. 22.

[2] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, in: Out of Art 9 (2014), nr. 2, pp. 15-23.

[3] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins. ‘Willem van Genk: Mind Traffic’ and ‘Ralph Fasanella: Lest We Forget’”, in: The New York Times, 4 september 2014.

[4] Dick Walda, Koning der stations, p. 35.

[5] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 29. Opmerkelijk is dat Van Genk zelf over Joodse onderduikers spreekt, terwijl Tiny daar in haar verhaal aan Dick Walda niet van rept.

[6] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 80.

[7] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”, in: Het Parool, 19 september 2019.

[8] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28; pp. 88-89.

[9] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 81.

[10] Van Berkum beweert in de documentaire ook een aantal keren dat Van Genk zijn jassen opsierde met ‘allerlei insignes’, wat niet het geval was.

[11] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 115. ‘AvB’ is Ans van Berkum, in 1998 directeur van museum De Stadshof in Zwolle.

[12] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, p. 21.

[13] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”.

[14] Valérie Rousseau, “Van Genk’s raincoat collection”, in: Willem van Genk – Mind Traffic, tent. cat. New York (American Folk Art Museum), New York 2014.

[15] E-mail van Valérie Rousseau aan Jack van der Weide, 15 januari 2020.