Jeugd

Dorpstraat Harreveld 001

Zonder titel (Dorpsstraat Harreveld) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | 12 x 28,5 cm| particuliere collectie

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Tiny van den Heuvel-van Genk tegen Dick Walda: ‘Mijn moeder […] overleed – toen onze Wim vier jaar was – aan kanker. Wim is toen door zijn zusje Noor en later ook door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [1] Dit is in feite alles wat zij aan Walda vertelt over de jeugd van haar broer. De monografie van De Stadshof uit 1998 vermeldt (zonder bron) over de jaren daarna:

Wel is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld. Intussen strandt het nieuwe huwelijk [van Jozef van Genk; JvdW] en de tweede moeder verdwijnt met haar kinderen naar onbekende verten. In Harreveld leert Willem schoenen poetsen, maar verder is er geen waarneembaar resultaat van zijn verblijf in de opvoedingsinrichting. [2]

Als vaker in deze monografie lijkt hier een versie van de gebeurtenissen te worden gegeven die in grote lijnen juist is maar waarvan de details niet helemaal kloppen. Zo kan het zijn dat het huwelijk van Jozef van Genk met Maria Heesen rond 1937 niet meer goed was, maar op de overlijdensakte van die laatste staat ze nog steeds als zijn echtgenote vermeld – het huwelijk is dus nooit ontbonden, al woonde ze al tijdens de Tweede Wereldoorlog in Enschede, waar ze ook overleed, en staat op haar grafsteen alleen haar eerste echtgenoot vermeld. [3] Daarnaast had ze maar één dochter, die geboren was in 1918 en dus eind jaren dertig mogelijk al zelfstandig was.

De beide kostscholen kwamen ook ter sprake tijdens het gesprek met Pierre en Tineke Dietvorst in oktober 2018. [4] De precieze chronologie blijft onduidelijk: Willem van Genk zou mede zijn opgevoed door zijn zus Nora, zat een of twee jaar bij zijn neef Kees op de lagere school (waar hij achterin de klas moest zitten omdat hij onhandelbaar was) en ging op enig moment naar het jongensinternaat Sainte Marie in Huijbergen, niet ver van Bergen op Zoom. [5] Er bestaat een vrij precies te dateren foto uit mei 1940 met een dertienjarige Willem van Genk en het gezin van zijn tante, genomen ter gelegenheid van (volgens een tekst op de achterzijde) “de Plechtige Communie [i.e. Vormsel; JvdW] van Kees en Wim”.

WvG communie

“De Plechtige Communie van Kees en Wim” (mei 1940).  Zittend tweede van rechts Willem van Genk, geheel rechts zijn zuster Addy. Vierde van rechts neef Kees van der Ouderaa, tussen Kees en Wim Helena van der Ouderaa-Hoogstraten, staande haar echtgenoot Kees van der Ouderaa sr. Geheel links hun oudste dochter Tiny.

Hoe Harreveld in dit alles past, is de vraag. Dát hij daar heeft gezeten, staat vast. Er bestaat een tekening door Van Genk van het plaatsje met naast de dorpskern het internaatscomplex. Op de achterkant van die tekening staat de tekst Gemeente Lichtenvoorde; dorpstraat te Harreveld (Gld) met daaronder in potlood (Roomsche nederzetting) †. [6] Harreveld maakte tot 2005 inderdaad deel uit van de gemeente Lichtenvoorde. De naam Willem Franciscus Antonius Maria van Genk komt voor in het bevolkingsregister van Lichtenvoorde, ‘Buurtschap Harreveld, 1925-1940’. [7]

Van Genk doelt waarschijnlijk op het internaat in Harreveld als hij in de jaren tachtig aan Dick Walda schrijft: ‘ik ben ook op een Roomsche Jongens Kostschool geweest (Nur für die Weisknaben) stond op de WC’s of ‘Zum hausverein’. […] Beste Lezer wat die buitenlandse zinnen betreft n.l. die kostschool was n.l. door Duitse soldaten bezet tijdens de oorlog.’ [8] Later is hij explicieter: ‘Je weet dat ik ook nog op een Roomse kostschool ben geweest, Huize Alexander in Harvelt. ‘Nur für Weiseknaben’ stond op de WC. Moest pissen, mocht het niet. ‘Zum Hausverein’. Ook nooit vergeten.’ [9] Het internaat in Harreveld ging terug op een landhuis uit 1805 dat in 1875 dienst ging doen als klooster voor uitgeweken Duitse Franciscanen. In 1911 werd het complex aangekocht door de St. Vincentiusvereniging die er een opvoedingsgesticht in vestigde. De door Van Genk geciteerde Duitse frasen zouden kunnen stammen uit de tijd van de Duitse Franciscanen. Daarbij lag het internaat zo’n tien kilometer van de Duitse grens.

Het verblijf in Harreveld, hoe lang of kort ook, lijkt ten grondslag te liggen aan Van Genks fascinatie met Gelderland in het algemeen en Arnhem in het bijzonder. Er zijn tientallen vroege tekeningen met verwijzingen naar plaatsen als Dieren, Nijmegen, Doetinchem en dus vooral Arnhem. De opmerking van Jacqueline van Genk dat haar broer vaak met zijn vader in Arnhem was geweest, [10] moet misschien ook in de context van het verblijf in Harreveld worden gezien. Vanuit Harreveld is Doetinchem weliswaar de dichtstbijzijnde stad (ca. 20 km), maar Arnhem (ca. 50 km) is een stuk groter. In 1940 telde Doetinchem ongeveer 17.500 inwoners tegen Arnhem zo’n 90.000.

Geldersche tramwegen 001b

Geldersche Tramwegen | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 60 x 70 cm | Het Dolhuys, Haarlem

In een – eveneens: vroege – collage over Gelderland komen twee van Van Genks interesses, steden en openbaar vervoer, samen. De centrale afbeelding van Geldersche Tramwegen toont twee wagons die door een landschap rijden, met op de achtergrond een stad. Daaroverheen zijn andere teksten geschreven en tekeningen geplakt, waaronder veertien kleine tondo’s van kerktorenspitsen uit Gelderse steden, verbonden door een spoor- of tramlijn. Van rechts naar links lopen de tondo’s vanaf Lochem via onder meer Lichtenvoorde, Aalten en Nijmegen naar Zutphen. Tussen Arnhem en Nijmegen staat (electrische trams in Arnhem en Nijmegen), hetgeen een aanwijzing geeft over de datering van het werk – in Nijmegen reed de trolleybus vanaf 1952. Linksonder is een groot inzetstuk aangebracht met nogmaals de toren van de Arnhemse Eusebiuskerk en enkele huizen. Het betreft een blik op de toren vanuit de vooroorlogse Trompetsteeg, een perspectief dat vele kunstenaars inspireerde en dat ook bij Van Genk meerdere malen terugkeert. [11]

Geldersche tramwegen (detail)

Detail GTW Geldersche Tramwegen (ca. 1950)

Er is nog een tweede werk met in grote letters de woorden GELDERSCHE TRAMWEGEN, een tekening uit de bibliotheek van Van Genk bij Museum Dr. Guislain. Het betreft een gedetailleerde plattegrond van het openbaar vervoer-netwerk in het oostelijk deel van Gelderland (inclusief legenda), waaruit een tondo is geknipt van de streek rond Arnhem. Ook de omgeving in en rond Lichtenvoorde is nauwkeurig beschreven, met onder meer de Markt, het spoor voor een goederen-tram, de Lichtenvoordsche Beek en natuurlijk Harreveld. Die plaatsaanduiding is met enig zoeken eveneens te vinden op Geldersche Tramwegen, maar verdere toevoegingen ontbreken in beide gevallen. Dus voor wie daar al naar zocht: geen enkele indicatie van een jeugdtrauma.


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 31.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[3] ‘Hier rust Maria Anna van Vlaardingen-Heesen’. Met dank aan Jan Vellekoop, die mij een foto van de grafsteen stuurde.

[4] Na het overlijden van moeder Maria van Genk in 1932 zou niet alleen Wim maar ook zijn zuster Addy naar het gezin van hun tante in Bergen op Zoom zijn gegaan. Pierre Dietvorst over het huis boven de banketbakkerij van opa Van der Ouderaa: ‘Zijn oudere zus Addy heeft er veel langer gewoond. Die is opgegroeid samen met haar [i.e. van Tineke Dietvorst; JvdW] tante Tiny, Tiny van de Biggelaar-van der Ouderaa.’ Tineke Dietvorst: ‘Die zei altijd: ze was als een zusje voor mij […]. De rest van die kinderen is toen die moeder overleed naar een internaat gegaan, maar tante Addy die was heel fragiel en daarom is die bij mijn oma terechtgekomen.’

[5] ‘In deze aan het zicht onttrokken, gesloten wereld wachtte […] een opvoeding tot godvrezend, geestelijk ontwikkeld en welgemanierd mens. Je nam afscheid van je ouders en trok in bij de mannen in zwarte toga’s, die het de komende jaren over jou en je groepsgenootjes te zeggen kregen. Je werd een van de ‘internen’ en kwam in een groep terecht van jongens uit alle windstreken.’ “Internaten Sainte Marie en Sint Frans in Huijbergen” (geraadpleegd 7 april 2020).

[6] ‘Vanaf de Dorpsstraat kon je van het gesticht alleen de hoofdpoort, de daken en stukken gevels zien. De rest lag verscholen achter sparren, rododendronstruiken en enorm hoge coniferen. Een houten brug die met een ijzeren hek kon worden afgesloten, vormde de enige toegang tot het complex.’ (Jos Coopmans, Satanskinderen. Het verhaal van een gestichtsjeugd [Nijmegen 2014], p. 100)

[7] Archieven.nl, geraadpleegd 7 april 2020.

[8] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 223. “Huize Alexander” kan ik niet thuisbrengen.

[9] Ibid., p. 190.

[10] Ibid., p. 34.

[11] ‘Het Gelders Archief in Arnhem zit vol met afbeeldingen van de gekromde Trompetsteeg met aan het einde de toren van de Eusebiuskerk. De laatste foto dateert van 1945. […] Oorlogsgeweld had weinig heel gelaten van de toren, van de Trompetsteeg nog minder. Het gebied ging plat, de steeg verdween.’ (“Arnhem krijgt iconisch straatbeeld terug”, in: De Gelderlander, 8 september 2016; geraadpleegd 9 april 2020). Een grote tekening van de Trompetsteeg door Van Genk is aanwezig bij Museum Dr. Guislain.

Arnhem

Arnhem 2019 01 (800x323)

Arnhem | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 25,8 x 66,8 cm | particuliere collectie | foto: Galerie Hamer

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Willem van Genk woonde vrijwel zijn hele leven in Den Haag, maar had een opvallende belangstelling voor Arnhem. De Gelderse hoofdstad figureerde al regelmatig in een aantal van de oudste tekeningen die we van hem kennen, met vaak een apart soort nostalgie: er marcheren soldaten op straat, er is een boekenstalletje met het opschrift ‘N.S.D.A.P.’ en soms rijden er zelfs tanks. Twee andere tekeningen hebben het gezamenlijke onderschrift ‘stadsgezichten van Arnhem in 1933 (vóór de verwoesting der binnenstad)’, maar er is ook een schets in zwart-wit, zonder oorlogsverwijzingen maar met bijschriften als ‘Arnhem Velperplein’, ‘de mooiste stad van Nederland’, ‘gezien vanuit ’t raam van Vroom & Dreesman’. De overeenkomst tussen alle tekeningen is dat steeds bussen of trams in het straatbeeld te zien zijn, geheel in lijn met Van Genks fascinatie met vervoersmiddelen.

Toen Van Genk zich in de jaren vijftig ging toeleggen op het tekenen van grote stadspanorama’s, koos hij naast Frankfurt, Moskou, Berlijn en Amsterdam ook voor Arnhem. Bij de expositie in Hilversum in 1964 kreeg Arnhem in de catalogus een vraagprijs van 4.000 gulden en de maten 68 x 45 cm. Hierna was de tekening in oktober 1964 te zien bij galerie Schmela in Düsseldorf, waar evenmin een verkoop werd gerealiseerd en waar de vraagprijs rond de DM 2.000 zal hebben gelegen. In 1976 was het werk te zien tijdens een expositie bij galerie De Ark in Boxtel en werd het ook afgebeeld in de bijbehorende catalogus, nog steeds met de maten 68 x 45 cm. Het moest dit keer tussen de 2.000 en 3.000 gulden opbrengen maar vond opnieuw geen koper. De laatste keer dat Arnhem aan het publiek werd getoond was tijdens de tentoonstelling Vijf x vijf – naïeve kunst in het kasteel van Rhoon, van 15 december 1989 tot 29 januari 1990 in Rhoon. Onder catalogusnummer 6 kreeg het de maten 41,5 x 67,5 cm.

Na de tentoonstelling in Rhoon verdween Arnhem zicht. Naar later bleek had Van Genk de tekening waarschijnlijk zelf mee naar huis genomen, zonder medeweten van zijn galeriehouder Nico van der Endt. Hij schonk het werk aan zijn zuster Jacqueline, die het op haar beurt in de tweede helft van de jaren negentig aan Dick Walda gaf: ‘Moet jij een stukkie van Wim hebben in ruil voor het benzinegeld dat je toe komt? Ik vind het drie keer niks, want d’r zit geen kleur of wat dan ook in. Oost-Indische inkt en zo drukdruk. Het is pas een schilderij als er kleur in zit. Het ligt onder mijn bed dat rolletje. Het gaat over Arnhem, daar was hij vaak met vader geweest.’ [1] Ook Walda gaf het werk weer weg, aan regisseur Jan Keja met wie hij de televisiedocumentaire Ver van huis (2001) over Van Genk had gemaakt. Uiteindelijk verzocht Keja in juli 2019 Nico van der Endt om het werk namens hem en Walda te verkopen.

Arnhem 1976 01

Arnhem (catalogus De Ark 1976, p. 15)

Op de afbeelding in de catalogus bij de tentoonstelling in galerie De Ark uit 1976 is te zien dat Arnhem de kijker een zuidwaartse blik geeft op het centrum van de stad. Gekeken wordt vanaf het spoorwegviaduct over de Zijpendaalseweg, de zogeheten Zijpendaalse of Zijpse poort, die zich bevindt op het baanvak tussen de stations Arnhem Centraal en Arnhem Velperpoort. Onder in beeld zien we een stukje treinrails, de stenen balustrade van het viaduct en daarachter de stad, met prominent op de voorgrond het Vestagebouw van architect Willem Diehl. Ernaast is het Willemsplein afgebeeld met een krioelende massa trolleybussen, mensen en auto’s. Links staat de in 1959 gesloopte HBS met ernaast een leeg perceel waar het in 1944 gebombardeerde café-restaurant Royal stond. Aan de rechterrand van het beeld staat het gebouw voor verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845 van architect Willem Dudok.

Achter het Willemsplein zijn onder meer van rechts naar links de rivier de Rijn, de Koepelkerk, de gebombardeerde Eusebiuskerk, de twee torens van de Walburgiskerk en de John Frostbrug te onderscheiden. Achter het Vestagebouw van Diehl loopt de Jansbuitensingel tot aan het Velperplein, waaraan concertgebouw Musis Sacrum en de Sint-Martinuskerk zijn gelegen. Voor en naast het Vestagebouw staan enkele bomen en struiken, waarvan er een over de linkerzijkant van de tekening loopt. Helemaal rechts op de afbeelding is de Kleine Eusebiuskerk aan het Nieuwe Plein te zien, die in 1990 werd afgebroken.

Op de zijkant van het Vestagebouw is het opschrift N.V. BETUWSCHE BANK te lezen met links daarboven HET LEVEN OND 1918 VERZEKER ARNHEM en meer naar onderen GEVESTIGD TE TIEL BIJKANTOREN [V]OOR GEHEEL DE BETUWE. Op het Willemsplein staat een aantal stalletjes met aan de zijkant een spandoek met de tekst DE BOEKENWEEK en DER BÜCHERWOCHE. Op de zijkant van het Nederlanden-gebouw van Dudok staat de tekst DE NEDERLANDEN 1845 en ernaast, in spiegelschrift, NEDERL. Meer naar voren, in de rechterbenedenhoek van de afbeelding, staat op een gebouw tweemaal het woord RANZOWBANK. Achter het Nederlanden-gebouw zijn reclames te zien voor HOPPE, GROLSCH PILSNER en DE GRAAFSCHAPBODE. Aan de zuidzijde van de Jansbuitensingel staan de firmanamen SIPMANN, KRUISKAMP, KLUGKIST, VROEMEN en BLIKMANN. Achter de Sint-Martinuskerk staat op een gebouw SPORTFONDSENBAD.

Arnhem was tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen door branden, bombardementen en beschietingen, waarbij in september 1944 de tramremise, een aantal tramstellen en een groot deel van de bovenleidingen werden verwoest. Na de oorlog besloot de gemeenteraad om voor het openbaar vervoer over te gaan op trolleybussen, hetgeen vanaf september 1949 gebeurde. ‘Na het einde van de oorlog vond een reconstructie plaats van de verwoeste binnenstad van Arnhem. Het Willemsplein kreeg voor het verkeer een circuitvorm, waardoor men voorlopig geen stoplichten hoefde te plaatsen. De tramhaltes op het middengedeelte werden vervangen door trolleyhaltes, met drie perrons, aan de zuidkant van het plein. Tussen de trolleyhaltes en het trottoir was ruimte vrijgehouden voor het autoverkeer richting de nieuwe Looierstraat en het Velperplein. Het middengedeelte werd een grasveld met een enkele boom. Om het grasveld kwam een twaalf meter brede weg. […] De Zijpse Poort werd opnieuw verbreed […].’ [2]

Willemsplein 1954

Het Willemsplein in Arnhem, 1954

De weergave van Van Genk is in zoverre correct dat vanaf het viaduct ook nu nog het Vestagebouw, het Willemsplein en een deel van het stadscentrum te zien zijn. Wel heeft hij het viaduct veel hoger geplaatst dan in werkelijkheid het geval is, waardoor er een vogelvluchtperspectief over de stad ontstaat dat vanaf dat punt niet bestaat. In de bewerkte versie van de tekening is een strook ter grootte van ongeveer zestien centimeter van de onderkant afgeknipt, waardoor de treinrails en de balustrade zijn verdwenen. Alleen helemaal linksonder is nog een klein restant te overgebleven. De randen van het werk lijken aan de boven- en rechterkant in originele staat, terwijl de onder- en linkerkant opvallend recht zijn. Een vergelijking van de huidige versie met de afbeelding in de catalogus van De Ark, in combinatie met de huidige maten ten opzichte van die in de catalogus van Rhoon, leert dat ook links een strook van minimaal enkele millimeters ontbreekt.

De ondergrond van Arnhem bestaat, zoals bij de meeste stadspanorama’s van Van Genk uit de jaren vijftig, uit een aantal aan elkaar geplakte vellen papier. Voor de Hilversumse expositie uit 1964 werden de tekeningen op linnen geplakt. [3] Ongeveer in het midden van de tekening loopt een verticale scheidslijn die met name boven de horizon duidelijk waar te nemen is. Op enkele plaatsen zijn langs deze lijn kleine openingen in het papier ontstaan, waardoorheen het linnen zichtbaar is. Ongeveer een centimeter onder de horizon kruist deze verticale lijn een horizontale, zodat er minimaal vier stukken papier lijken te zijn gebruikt. De afbeelding is hoofdzakelijk uitgevoerd in Oost-Indische inkt. Incidenteel zijn (delen van) daken en teksten licht aangezet met blauw of rood kleurpotlood. Omdat het papier niet houtvrij is, is in de loop der jaren door lichtinval zuurvorming opgetreden.


NOTEN

[1] Dick Walda, Koning der Stations (tweede druk), p. 34.

[2] Arneym, “Willemsplein geschiedenis – Verwoesting en opbouw, 1944-heden” (geraadpleegd 10 augustus 2019).

[3] ‘De heer De Hartog, die veel moeite heeft gehad met opplakken van de tekeningen op linnen, het inlijsten enz. […]’ (Bibeb, “Ik ben een grijs stuk pakpapier”, p. 122).

Wimmie (volgens Willy en Jacqueline)

Naamloos
Jeugdfoto’s van Willem van Genk

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Gegevens over de jeugd van Willem van Genk zijn voor een groot deel afkomstig van vier bronnen: zijn zusters Willy, Tiny en Jacqueline, en de kunstenaar zelf. Daarnaast zijn er verhalen van andere familieleden en externe bronnen uit archieven. Beginnen we met Willy, die aan het woord komt in het interview met Bibeb uit 1964:

Willy
Willy van Genk met de oudste dochter van haar zuster Nora

‘Hij voelt zich zo laag, […] dat heeft-ie altijd gehad en we zijn toch van een heel goeie familie.’ En ze vertelt van haar moeder, die stierf toen haar broer (de enige met 9 zusters) 4 jaar was en van haar vader, die in ‘t verzet was, net als zij zelf. […]

Ze haalt een groot boek (soort geweldig kasboek) waarin haar vader, na de oorlog schreef over z’n vakantiereizen in Nederland. Keurig beschreven bladzijden met gekleurde letters in de titels en kleine versieringen. ‘Vader zei altijd tegen Wim: Jij bent de jongste, je moet je bek houden. Dat zei hij als ze discussieerden over die landen. Wim wist ‘t beter, maar vader was nu eenmaal zo.’

‘Hij deed Wim, toen hij klein was, in een weeshuis, omdat ie geen zin had in leren. Hij wou altijd tekenen. Vader had een goeie baan, hij wist dat ‘t niet meevalt een goeie betrekking te krijgen. Wim moest leren rekenen. Vader gaf hem klappen om z’n kop. 5 klappen om z’n kop en 12 klappen, hoeveel zijn er dat?’ Ze lacht, een grimas.

Dit is het oudste fragment dat is nagelaten waarin we iets te horen krijgen over de jeugd van Willem van Genk. Willy is hier veertig jaar oud, haar vader is nog geen zes jaar dood. Duidelijk is dat de relatie tussen vader en zoon bepaald niet goed was, al gaat het wat ver om, zoals soms in Engelstalige publicaties wordt gedaan, te spreken van een ‘abusive father’. [1] Een vader die een zoon slaat is in de jaren dertig eerder regel dan uitzondering. Wel zal de frustratie over de teleurstellende stamhouder Jozef van Genk hardhandiger dan gemiddeld hebben gemaakt.

Tegen de tijd dat de eerste interesse in de achtergrond van Willem van Genk begon op te komen, waren nog maar twee van zijn zusters in leven: Tiny en Jacqueline. Van die laatste zijn drie fragmenten bekend waarin ze het heeft over de jeugd van haar broer. In de documentaire Ver van huis (2001) van Dick Walda en Jan Keja is ze rechtstreeks te zien en te horen, hoewel niet altijd even samenhangend en verstaanbaar – ze is op dat moment ongeveer tachtig jaar:

En weet je … weet je hoe dat ging dan, en dan werden we ongeduldig en [onverstaanbaar] je ken toch wel ’s wat zeggen dit en dat, en dan ging-die vloeken: ‘Radio aan, radio aan, Wimpie wil muziekie, Wimpie wil muziekie horen. Wimpie wil muziekie horen, radio aan!’ ‘Ja, maar jongen, je moet nou slapen, dat mag niet,’ zei m’n moeder dan. ‘Nee, Wimpie wil muziekie horen, Wimpie …’ Maar ja, ze gaven ‘m toch z’n zin niet hoor want die radio die … die bleef af. ‘Nou ga je slapen.’ Dan kwam ze ’s kijken, ‘m toedekken, maar … nee hoor, hij kreeg niet … en huilen, en huilen. Wimpie wil muziekie horen …

VvH - Jacqueline
Still uit Ver van huis – Jacqueline van Genk

Ik zal je nou nog ’s iets vertellen van … toen … toen was-t-ie, toen zat-ie al te tekenen hoor, dat was in ’t begin, dat heb ik nog mee … was ik op vakantie, en … toen, m’n moeder was nog goed, die stond in de zaak, en pa die kwam naar achteren, en zei die: ‘Wimp? Wimpie waar ben je, Wimpie?’ En hij gaf geen swoef, en … die wou wat aandacht, m’n vader, hè, want die zegt ‘m’n enigste zoon,’ want hij werd zo blij dat-ie een jongen had, hij heb nog het hele café getrakteerd z’n … dinge, omdat-ie een jongen kreeg. Telkens was ’t een meid, hij wou maar vier kinderen hebben en telkens kwam d’r een meid, telkens kwam d’r een meid, en … hij zeg: alwéér een meid! Nou, zeg m’n moeder, nou hou ik d’r mee op, nou zijn het er negen, nou kunnen we niet meer.

Af en toe moest-ie wel op de bliksem hebben, en dat had-ie in z’n jeugd niet gehad. In z’n jeugd is-ie in de watten gelegd. Maar wel pakte z’n moeder het af [onverstaanbaar] kijk ’s pa wat-ie allemaal getekend, de tafel, de stoelen, ‘t dressoir hè? Zelf de beeldjes op het dressoir, de portretjes, alles had-ie getekend. Nou, nou, nee, o, zegt-ie, dan gaat-ie naar de academie hoor, dan sturen we ‘m terug, want op de academie heb die jongen niks geleerd. […] En die jongen is normaal geboren hoor, heel normaal.

Interessant zijn in dit citaat de glimp die we opvangen van moeder Maria van Genk, en de vroege interesse in muziek en natuurlijk tekenen van de kunstenaar. Verder vraagt het fragment om veel interpretatie en zijn sommige zaken in te vullen of te begrijpen vanuit andere bronnen.

Jacqueline en Willem
Jacqueline en Willem

Een tweede, uiterst kort fragment waarin Jacqueline aan het woord komt stamt uit 2000 en is afkomstig uit een gesprek dat Ans van Berkum met haar had voor een artikel in het tijdschrift Psychoanalytische perspectieven. Naast een paar opmerkingen die vooral bedoeld lijken om de spreekster te typeren, zegt ze over een elektrische speelgoedauto die ze aan Van Berkum geeft: ‘Neem maar mee. Daar speelde hij vroeger altijd mee. Als jochie. Gek op auto’s. Op treinen overigens ook.’ [2]

Het derde fragment waarin Jacqueline aan het woord komt over haar broer is ongeveer uit dezelfde tijd, al werd het pas recentelijk openbaar. Het gaat om het verslag van een bezoek dat Dick Walda aan haar bracht aan het einden van de jaren negentig. Hij nam het op in een tweede, uitgebreide en aangepaste druk van zijn boek Koning der stations dat in 2019 verscheen. Jacqueline:

Over die vader van me. Hij heeft m’n moeder uitgewoond, die arme lieve vrouw. Hij beukte en neukte maar door. Want hij moest en zou een stamhouder hebben. Dat werd Wimmie, achgottegot.
Die vader heeft er veel kopzorgen van gehad; want hij had zich de stamhouder heel anders voorgesteld. [….]
Dat jong wilde maar twee dingen: naar muziekje luisteren. En tekenen, tekenen. Rekenen kon hij niet.
Vader hield van de harde aanpak.
Hij zei: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Hij gaf Wimmie klappen op z’n kop.
Vijf klappen… wachten en riep dan je hebt er nog zes te goed.
Hoeveel is dat samen Wimmie?
Het ge… ge…
En dan zei m’n broertje: Genk.
Nee zei m’n vader het gekkengetal.
Elf… en dan kreeg hij nog zes klappen.
Wimmie gaf geen krimp. Niet janken.
Hij bleef doodstil zitten
Het is nooit meer goed gekomen tussen de ouwe en zijn stamhouder. Is niet zo vreemd he? [3]

Hier dus weer het verhaal van de klappen en het leren rekenen, nu met het saillante detail van gekkengetal/Genk. Jozef van Genk had zich de stamhouder heel anders voorgesteld, en toen overleed ook nog zijn vrouw.


NOTEN

[1] ‘When he was five, his mother died, leaving the young boy dependent on his abusive father’ (Wikipedia, geraadpleegd op 27 november 2019).

[2] Ans van Berkum, “Van Genks utopia en de grauwheid van het bestaan”, in: Psychoanalytische perspectieven 22 (2004), nr. 1, pp. 7-18 (aldaar 10).

[3] Dick Walda, Koning der stations. Tweede, uitgebreide en herziene druk, Amsterdam 2019, p. 54. Uit het gesprek wordt al geciteerd in een tekst van Ans van Berkum uit 2010, “Een vogel boven de stad” (in: Museum Dr. Guislain / Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum, Tielt 2010, pp. 32-103), p. 79.

Willem Franciscus Antonius Maria

70748886_1339737126191353_7719471383981326336_o
Willem van Genk en zijn zusters, ca. 1929

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Het is geweldig dat Willem van Genk met Woest een grote overzichtstentoonstelling heeft gekregen in het Outsider Art Museum. Eindelijk erkenning, eindelijk waardering, eindelijk een kans om een flink aantal van zijn werken in het echt te zien. Het soort aandacht dat de tentoonstelling genereert, vind ik echter minder geslaagd. Hoe vaker de psychische stoornissen en biografische gegevens van Van Genk worden benadrukt ten koste van zijn werk, hoe kleiner de kans dat dat werk buiten de beperkende arena van de outsider art kan treden. Van Genk dreigt steeds meer die rare man te worden die ook nog leuke schilderijtjes maakte – of zoals iemand mij tijdens de opening van Woest verbeterde, die tóch nog leuke schilderijtjes maakte. En tekeningen, en collages, en trolleybussen.

Het lijkt mede daarom contraproductief om biografische teksten over Van Genk te publiceren. Dat is het volgens mij niet. In beschouwing na beschouwing komen dezelfde verhalen over het leven van Van Genk terug, meestal zonder of met gebrekkige bronvermelding. Ik denk dat het goed is om een meer gedegen biografische basis te leggen en om tegelijkertijd aan te geven welke zaken verder onderzoek verdienen, omdat we nog over te weinig gegevens beschikken. Zoals ik al eerder heb geschreven: in het geval van Willem van Genk bestaat er geen twijfel over het belang van zijn ervaringen, obsessies en mentale problemen voor zijn werk. Door echter alleen op zijn leven te focussen doet men dat werk ernstig te kort. [1] Wie het werk desalniettemin wil verklaren vanuit Van Genks psychobiografie, zou dat in ieder geval op basis van controleerbare feiten dienen te doen.

In de catalogus bij de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 houdt auteur Joop Beljon zich voor wat de biografische gegevens betreft op de vlakte – waarschijnlijk ook omdat hij over weinig materiaal beschikt. Hij vertelt iets over de werk- en woonomstandigheden van Van Genk, over diens opleiding, noemt een verkeerd geboortejaar (1936) en merkt op: ‘Hij heeft geen familie.’ Dat laatste is een merkwaardige zin, die desalniettemin niet metaforisch bedoeld lijkt te zijn. Van Genks ouders zijn in 1964 inderdaad al overleden, maar zijn zusters leven dan allen nog.

Willem Franciscus Antonius Maria van Genk werd geboren op 2 april 1927, als tiende kind van Josephus Johannes Maria van Genk en Maria Martina Hoogstraten. Jozef van Genk en Maria Hoogstraten waren getrouwd op 15 april 1913 in Naaldwijk, geboorte- en woonplaats van de bruid. De huwelijksakte:

Heden den vijftienden april negentienhonderd dertien zijn voor mij, ambtenaar van den burgerlijken stand te NAALDWIJK, verschenen, ten einde een huwelijk aan te gaan:

Josephus Johannes Maria van Genk, oud vijfentwintig jaren, van beroep fruithandelaar, geboren te Bergen op Zoom en wonende te Oudenbosch, meerderjarige zoon van Wilhelmus Leonardus van Genk, en Cornelia Eleonora Vervaart, beide overleden

en Maria Martina Hoogstraten, oud dertig jaren, van beroep modiste, geboren en wonende alhier, meerderjarige dochter van Jacobus Engelbertus Adolphus Hoogstraten, overleden, en Lambertina Verbeek, zonder beroep, wonende alhier

Als getuigen waren bij het huwelijk aanwezig twee broers van de bruid (beiden ‘verver’ van beroep), en een broer (fruithandelaar) en een zwager (boomkweker) van de bruidegom.

x
Huwelijksakte van de ouders van Willem van Genk

Op 9 februari 1914 werd hun eerste kind geboren, dochter Lamberdina Cornelia Maria Susanna (Tiny). [2] Na haar volgden nog acht meisjes: Leny (1915), Nora (1916), Addy (1917), Jacqueline (1918), Riet (1919), Agnes (1920), Isabella (1922) en Willy (1923). Gezien die laatste naam leken Jozef en Maria van Genk de moed te hebben opgegeven om ooit nog een zoon te krijgen: de eerste naam van de vader van de vader werd vergeven aan een meisje. Maar op 2 april 1927, Maria van Genk was al vierenveertig jaar oud, kwam alsnog Wim/Willem ter wereld. [3]

Geboorte WvG
Vermelding van de geboorte van Willem van Genk op 11 april 1927 in de Haagsche Courant (links) en Het Vaderland (rechts).

NOTEN

[1] Jack van der Weide, “Het wereldwijde web van Willem van Genk”, in: Ons erfdeel 57 (2014), nr. 4, pp. 112-115 (aldaar p. 113).

[2] Willem van Genk noemde zijn oudste zus ‘Tine’, de meeste anderen noemden haar ‘Tiny’. Ook de zes kleinkinderen van Jozef en Maria van Genk spraken en spreken over ‘tante Tiny’. Een verklaring is mogelijk dat Willem van Genk een deel van zijn jeugd doorbracht in het gezin van een tante die eveneens een dochter Tiny had, wat voor hem een reden kan zijn geweest om het onderscheid in namen te maken. Door familieleden werd hij zelf overigens altijd ‘Wim’ genoemd.

[3] Familiegegevens ontleend aan diverse genealogische sites op internet, met name deze (geraadpleegd op 15 november 2019).