Bibeb

Bibeb & VIP’s (1965), met o.a. het interview met Willem/Wim van Genk

Tussen 1947 en 1964 was Willem van Genk tewerkgesteld in een werkplaats voor ‘onvolwaardigen’ in Den Haag. Beide jaartallen zijn afkomstig uit het interview dat journaliste Bibeb (pseudoniem van Elisabeth Maria Lampe-Soutberg, 1914-2010) met hem hield naar aanleiding van zijn eerste solotentoonstelling in 1964. Het beginjaar komt expliciet ter sprake: “Waarop ik wil weten hoelang hij al in die werkplaats voor onvolwaardigen zit. Van Genk: ‘Van ‘47’”. Uit de inleiding bij het interview kan het eindjaar worden afgeleid: “Het jaar dat dit interview werd geschreven werd hem het werk en z’n salarisje waarvan hij kon sparen voor z’n reizen afgenomen.” [1]

Van Genk werkte daarmee achttien jaar op de AVO-werkplaats, een periode waarover opmerkelijk weinig gegevens te vinden zijn. Het interview met Bibeb is met afstand de belangrijkste bron en zelfs daar is de informatie schaars. De journaliste laat in haar artikel ook Van Genks jongste zuster Willy aan het woord, bij wie hij elke avond op bezoek gaat om rustig te kunnen tekenen:

ZUSTER: ‘Meneer Beljon kan wel zeggen dat hij een kunstenaar is, en ik geloof ’t ook wel, maar de meeste mensen zijn geen kunstenaar. Als hij de kost kon verdienen, kunnen we hem weghalen. Wie wil hem nu onderhouden? De geneeskundige dienst heeft hem zelf weggehaald. Ze hadden hem een goed kosthuis beloofd. ’t Is toch waar, je zat de hele dag te tekenen, dat vinden ze een soort afwijking.’ [2]

Eerder heeft een andere zuster, Addy, al iets meer details gegeven:

Terwijl z’n zuster vertelt dat hij op de ambachtsschool is geweest en veel baantjes heeft gehad, allemaal voor een blauwe maandag. De laatste bij een schoenmaker en toen bleef hij met de bakfiets zolang bij ’t station, stond-ie maar naar de treinen te kijken. Op een gegeven dag had ie geen werk, toen zijn ze hem komen halen. Ja, wie moest voor hem zorgen? ‘Toen ik nog thuis was, at hij met de pot mee. Toen we allemaal getrouwd waren, toen ik trouwplannen had…’ [3]

De suggestie is dat de laatste zin moet worden aangevuld met ‘toen kon dat niet meer’. Van Genk woonde bij zijn zusters – hij had er negen – die één voor één hun eigen leven gingen leiden.

In de jaren negentig bevestigt Van Genks zuster Tiny het verhaal over de baantjes die haar broer na de oorlog had, “Allemaal blauwe-maandag-baantjes. Het duurde overal maar heel kort en dan begonnen de moeilijkheden.” Volgens Tiny was hij eerst jongste bediende op een reclamebureau op de Mauritskade, waarna een aanstelling volgde als kantoorbediende bij een grossierderij in medicijnen aan de Oude Scheveningseweg. Zijn laatste baas was een schoenmaker in de Van Musschenbroekstraat. [4] Het gezin Van Genk, bestaande uit vader Jozef van Genk, een aantal van zijn dochters plus hun onaangepaste broer, woonde in die tijd op het adres Magnoliastraat 10.

Tussen 1947 en 1964 verdwijnt Willem van Genk vrijwel volledig van de radar. [5] We weten dat zijn vader voor de derde keer trouwde in 1952, weer weduwnaar werd in 1954 en overleed in oktober 1958. Kort daarna meldde zijn zoon zich bij de Academie voor Beeldende Kunsten van Joop Beljon en verscheen er een stuk over hem in de Haagsche Courant. [6] Het duurde tot 1964 alvorens de kunstenaar opnieuw opdook, toen hij in Hilversum zijn eerste solo-expositie kreeg – dankzij Beljon, die intussen het een en ander te stellen had met Van Genks psychiater Nico Speijer, die tevens hoofd was van de AVO-werkplaatsen. Beljon vroeg Speijer of Van Genk door de week een middag vrij kon krijgen om naar de academie te komen maar Speijer weigerde dit pertinent: “U bemoeit zich met zaken waar u niets mee te maken heeft. Zal ik u eens zeggen wat de geestelijke inhoud is van die van Genk? Nul, nul.” [7]

Begin 1964 was er dus ineens aandacht voor Van Genk, ook omdat het in Hilversum ging om een tentoonstelling van een kunstenaar met een ongewone mentale gesteldheid. Onder meer verscheen er op 8 februari een artikel in het dagblad De Tijd, met als kop ‘Van Genks panorama’s. Geniaal of vreemd?’ Een auteur ontbreekt, het artikel is afkomstig “Van onze Haagse redactie”. Uitgangspunt is, zoals al aangekondigd in de kop, “de vraag of hij een nieuw ontdekt, geniaal kunstschilder is of een simpele man met beperkte verstandelijke vermogens, van wie niet ontkend kan worden dat hij met enige vaardigheid de tekenpen hanteert.” Volgens de inleiding bij het artikel is de controverse over Van Genk “nog maar in beperkte kring in Den Haag opgevlamd”, maar met de tentoonstelling in Hilversum zou dat wel eens breder kunnen worden.

Wie hem uiteraard geniaal vond was academiedirecteur Joop Beljon, die volgens het artikel met de tentoonstelling hoopte te bereiken dat zijn protegé meer en betere faciliteiten tot zijn beschikking kreeg. Maar ook de andere partij in de controverse kwam aan het woord:

Wie bepaald geen geniaal schilder ziet in Willem van Genk is dr. N. Speijer, als psychiater verbonden aan de werkplaats waar Van Genk de hele dag is ondergebracht. […] ‘Het zijn aardige tekeningen, maar ik en anderen, die deskundiger zijn op dat terrein, zien er bepaald geen talent in. Het zijn steriele, verstolde werken, die een oncreatief beeld geven. […] Ik kan u verwijzen naar het boek dat dr. Plokker erover heeft geschreven: “Geschonden beeld.”’

In het genoemde boek, het proefschrift van de psychiater J.H. Plokker, beschouwde deze het beeldende werk van schizofrenen dat volgens hem niet individueel bepaald, sterk naar binnen gericht en primitief van vorm zou zijn. Kunst was het op geen enkele manier. Plokkers ideeën waren zeer invloedrijk en zijn boek werd vertaald in het Frans, Duits en Engels. [8] In het artikel in De Tijd kwam hij, via Beljon, even aan het woord: “Ook dr. Plokker heeft eens werk van Van Genk gezien en voorzichtig opgemerkt, […] dat de zorg voor het detail waarmee de schilder tekent een aanduiding kan zijn van sociale onaangepastheid.”

Willem van Genk verlaat de AVO-werkplaats

In een telefoongesprek met Wouter Schaper, de zoon van Bibeb die haar nalatenschap beheert, wees hij me erop dat Plokkers reactie overduidelijk diplomatiek geformuleerd was. Daarbij ging het bovendien over de kunstenaar en niet over het werk, laat staan dat het een kwaliteitsoordeel bevatte. Plokker was in die tijd geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis ‘Hulp en Heil’ in Leidschendam, waar hij als een van de eersten in Nederland een atelier voor creatieve therapie had laten inrichten. De doelgroep uit zijn boek bestond uit opgenomen patiënten, waartoe Van Genk uiteraard niet behoorde. [9] Wel was Plokker in het algemeen uitermate geïnteresseerd in beeldende kunst, schilderde hij zelf en was hij lid van de Haagse Kunstkring, waar hij mogelijk al over Van Genk had gehoord en zelfs misschien al werk van hem had gezien.

Wie hoogstwaarschijnlijk ook al vóór 1964 bekend was met het werk van Van Genk was George Lampe (1921-1982), een Haags schilder, illustrator en auteur van beschouwingen over beeldende kunst. In de tweede helft van de jaren vijftig ontving Lampe bij hem thuis op verwijzing van een kindertherapeut een tijdlang een aantal patiënten die bij hem gingen tekenen. Eind jaren vijftig kreeg hij een aanstelling aan de progressieve Vrije Academie in Den Haag, waar hij later directeur werd. Lampe en Plokker kenden elkaar goed – Plokker was van 1953 tot 1972 bestuurslid van de Vrije Academie. George Lampe was getrouwd met Bibeb.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Bibeb, ‘Ik ben een stuk grijs pakpapier’, p. 116 en p. 111.  

[2] Ibid., p. 120.

[3] Ibid., p. 116.

[4] Walda, Koning der stations, p. 32. In de Van Musschenbroekstraat bevond zich op nummer 120 inderdaad een schoenmakerij. Het reclamebureau aan de Mauritskade was waarschijnlijk A.R.O. (Algemene Reclame Onderneming) op nummer 85. Een grossierderij in medicijnen aan de (Oude) Scheveningseweg heb ik niet kunnen vinden.

[5] De AVO-werkplaatsen vielen onder de stichting Schroeder van der Kolk. In de archieven van de stichting is echter geen spoor van Willem van Genk te vinden (e-mails van Cynthia Hamberg aan Jan Vellekoop, 31 mei 2021 en 25 juni 2021).

[6] Zie hier.

[7] Geciteerd in: Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 81.

[8] Zie ook: Liesbeth Reith, “Vormsels, beeldende expressie, kunst? De collectie Plokker”, in: Patrick Allegaert e.a. (red.), Verborgen werelden. Outsiderkunst in het Museum Dr. Guislain, Tielt 2007, pp. 53-57.

[9] Plokker had ook een praktijk voor ambulante zorg, die mogelijk ooit was bezocht door Van Genk. Diens geliefde Blauwe Tram stopte voor de deur bij ‘Hulp en Heil’.

Context

Den Haag 1905, hoek Borneostraat/Malakkastraat. Op Malakkastraat nummer 6 (rechts, bij de etalageruit) was tussen 1916 en 1922 de winkel gevestigd van Jozef van Genk. (Foto: J.C.C. Witte, Haag Gemeentearchief.)

Jozef en Maria van Genk werden op 14 oktober 1915 ingeschreven in de gemeente ’s-Gravenhage, waarheen ze vertrokken waren vanuit Roosendaal. Maria van Genk was op dat moment zo’n vier maanden in verwachting van hun derde kind. Het eerste adres van het gezin van Genk in Den Haag was Westeinde 257, waar ze vier-en-een-halve maand zouden blijven wonen. De woning bevond zich in een hofje even opzij van de hoofdstraat, het zogeheten ‘Hofje van Vredebest’ dat uit 1864 stamde. Op 3 november kwam op nummer 247 een pasgetrouwd echtpaar wonen, Joop en Anna Bijmans, eveneens van katholieke huize. Anna Bijmans was bovendien net als Maria van Genk in verwachting; de beide echtparen zullen elkaar vrijwel zeker hebben gekend.

Op 29 februari verhuisde het gezin Van Genk naar Malakkastraat 6 in Den Haag, een woon-winkelpand. Hier werd op 9 maart 1916 dochter Nora geboren – en na haar ook Addy, Jacqueline, Riet, Agnes en (nog net) Isabella. Aangenomen mag worden dat Jozef van Genk op dit adres zijn fruithandel uit Roosendaal voortzette, met op 30 augustus 1918 opnieuw een faillissement dat een maand later werd opgeheven. Verhuizen deed het gezin pas weer in januari 1922, en opnieuw in maart 1923, toen Maria van Genk in verwachting was van dochter Willy. Vanaf dit laatste adres, Renbaanstraat 7 in Scheveningen, verhuisde het gezin Van Genk in juni 1925 naar Voorburg. Hier werd op 2 april 1927 zoon Willem geboren.

In 1929 gingen de negen zusjes naar een kostschool in België. Tiny van Genk, tachtig jaar na dato: ‘Het katholieke internaat in Leuven heette ‘Ecole du Commerce’. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden.’ [i] Eerder meldde ik dat ik geen school van die naam had kunnen vinden. Dat was ook niet zo vreemd, aangezien het in werkelijkheid ging om Het Heilig Hartinstituut in de Leuvense deelgemeente Heverlee, dat stamde uit 1887 en dat werd (en wordt) geleid door de Zusters Annuntiaten van Heverlee. Een eerste zoekactie van een behulpzame archivaris en erfgoedbeheerder leverde een leerlingenkaart op van Riet van Genk, waaruit bleek dat zij in de leerjaren 1932-1933 en 1933-1934 de richting handel volgde aan de Vlaamse afdeling van de beroepsschool. [ii] In september 1934 keerde zij terug naar Voorburg.

Ook over een andere zuster van Willem van Genk, Leny, waren gegevens te vinden en wel in de database van de Annuntiaten zelf. Leny (dan nog: Lena) bleek op 26 september 1932 te zijn ingetreden, ging zes jaar als ‘Lidwina’ door het leven en trad in 1938 weer uit. De foto van haar in habijt zal daarmee in deze periode zijn gemaakt. Dit verklaart ook de onzekerheid onder nog levende familieleden of hun tante ooit daadwerkelijk was ingetreden: ja, maar tijdelijk. Opmerkelijk is daarnaast dat de Annuntiaten een orde van tertiarissen vormen, een “derde orde”. Dit houdt in dat er verschillende soorten leden kunnen zijn, onder wie ook (eventueel: getrouwde) leken. Maria van Genk was volgens de tekst op haar bidprentje eveneens ‘Lid der Derde Orde’.

Leny keerde in augustus 1938 vanuit Heverlee terug naar Voorburg en verhuisde een jaar later met haar vader en een aantal van haar zusters naar de Magnoliastraat in Den Haag, waar zich uiteindelijk ook Willem bij hen voegde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Joseph van Genk als vermeld actief in het verzet. Via zijn werk als ambtenaar bij het Gewestelijk Arbeidsbureau kon hij onder meer jonge mannen behoeden voor tewerkstelling in Duitsland door doktersverklaringen voor ze te regelen. Hij maakte deel uit van de katholieke verzetsgroep “Voor God en de Koning” die onder leiding stond van Frans Mol, eveneens werkzaam op het Gewestelijk Arbeidsbureau. Omdat die groep in juni 1944 werd verraden, ging ik ervan uit dat ook Jozef van Genk toen werd gearresteerd en dat kort daarna de vaak aangehaalde ondervraging van Willem van Genk door de SD plaatsvond.

Uit een brief van de Stichting 1940-1945 aan Marijke Bijmans, een kleindochter van Jozef van Genk, blijkt dat de arrestatie al een half jaar eerder was:

Op 29 juli 1948 diende de heer Josephus Johannes Maria van Genk, geboren 10 november 1887, een aanvraag om toekenning buitengewoon pensioen in, daar hij van mening was dat zijn gezondheid geschaad was door het door hem verrichtte illegale werk. Bij beschikking van 8 februari 1952 werd hem door de (toenmalige) Buitengewone Pensioenraad een tijdelijk buitengewoon pensioen verleend.

De heer Van Genk was werkzaam bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te Den Haag  en maakte deel uit van een uit personeel van dit bureau gevormde sabotagegroep. De heer Van Genk zond regelmatig personen die voor tewerkstelling in Duitsland in aanmerking kwamen naar artsen die hun medewerking wilden verlenen aan afkeuring. Hij voorzag onderduikers van valse papieren en distributiebescheiden. Hij heeft door deze werkzaamheden een groot aantal personen voor uitzending naar Duitsland weten te vrijwaren.

Op 30 januari 1944 werd hij op zijn werk door de SD gearresteerd. Hij wendde bewusteloosheid voor en werd naar het ziekenhuis St. Johannes de Deo aan het Westeinde gebracht. De arts zond de bewakers weg met de belofte dat hij zelf voor de bewaking zou zorgen. Men kwam nog eens ter controle terug en onmiddellijk daarna werd de heer Van Genk langs een andere weg uit het ziekenhuis gebracht. Hij vluchtte naar Schijndel waar hij tot de bevrijding ondergedoken bleef. Er volgden geen maatregelen tegen de arts. [iii]

Bij het overlijden van Jozef van Genk in 1958 kwam een deel van deze informatie terug in enkele korte krantentartikelen:

Jos. J. van Genk overleden

Op 70-jarige leeftijd is na een langdurige ziekte alhier overleden de heer Jos J. van Genk, die in de bezettingsjaren in de verzetsbeweging een zeer actieve rol heeft vervuld. De heer Van Genk werd als schrijver bij het departement van oorlog tijdens de bezetting bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te werk gesteld. Het was in deze functie dat hij regelmatig een aantal doktoren heeft weten te bewegen, naar Duitsland tewerkgestelden te doen afkeuren. Door middel van valse papieren heeft hij zeer velen voor uitzending weten te behoeden. In 1944 toen zijn ondergronds werk aan de Duitsers ter ore kwam, is hij door de S.D. gearresteerd. Ten gevolge van ondergane mishandelingen, waarbij hij zich ten slotte bewusteloos hield, is het hem gelukt te ontkomen en naar Schijndel te kunnen vluchten. De vele spanningen hebben nadien ‘n sterke reactie op zijn gestel ten gevolge gehad, waarvan een langdurig ziekbed uiteindelijk het gevolg is geweest. Dinsdag om 10 uur wordt in de H. Familiekerk de uitvaart gehouden waarna de begrafenis op het St. Barbarakerkhof alhier plaatsheeft. [iv]

In een ander artikel stond iets meer informatie over de aanwezigen bij de uitvaart:

Op het kerkhof waren o.m. aanwezig de heer H. van Vugt, namens het Gewestelijk Arbeidsbureau, waaraan de overledene voorheen was verbonden. Van de Stichting 1940-45 waren er de heren C. Mineur en H. v. Vugt. Voorts volgden met de familieleden een aantal belangstellenden wier zonen tijdens de bezetting de wegvoering naar Duitsland, dank zij de hulp van de heer Van Genk bespaard is gebleven, de baar. Onder hen waren de kunstschilder P. Stordiau met echtgenote en zoon, de heer en mevrouw dr. E. J. del Campo en enkele anderen.

‘Kunstschilder P. Stordiau’ was een oude bekende van Jozef van Genk, over wie ik eerder schreef. [v] Zijn oudste zoon Jérôme (1924) had inderdaad de leeftijd om in 1942-1943 naar Duitsland te worden gezonden, maar het is uiteraard ook mogelijk dat Pierre Stordiau enkel als vriend van de familie bij de uitvaart aanwezig was. Met ‘dr. E.J del Campo’ is waarschijnlijk bedoeld Emile Joseph à Campo (1891-1981), toentertijd woonachtig in Den Haag. A Campo was de voormalige president-directeur van de Stichting voor de Ontwikkeling van de Machinelandbouw in Suriname en als zodanig een vooraanstaand Nederlander.

En mogelijk was er bij de uitvaart nog een persoon aanwezig die ‘tijdens de bezetting de wegvoering naar Duitsland, dank zij de hulp van de heer Van Genk bespaard is gebleven’. Op 4 februari 1948 trouwde de zevenentwintigjarige Agnes van Genk voor de wet met de één jaar oudere Karel Bijmans, zoon van Joop en Anna Bijmans die enkele maanden tegelijk met het echtpaar Van Genk in het Hofje van Vredebest hadden gewoond. Agnes en Karel Bijmans kregen twee dochters, maar lieten tegenover hen weinig los over hun kennismaking of de jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wel was Karel Bijmans inderdaad via een doktersverklaring ontkomen aan tewerkstelling in Duitsland, terwijl hij bij weten van zijn jongste dochter niets mankeerde. Binnen de standsbewuste familie Van Genk was de meer volkse Karel bovendien een enigszins vreemde eend in de bijt. [vi]

Foto tijdens het huwelijk van Karel Bijmans (A) en Agnes van Genk (B), waarbij ook aanwezig Riet van Genk (1), Willy van Genk (2), Isabella van Genk (3), Albertine van der Ouderaa (4), Jozef van Genk (5), Addy van Genk (6), Leonarda Pennekamp (7) en Leny van Genk (8) (archief Marijke Bijmans).

Een opmerkelijk gast bij het huwelijk van Agnes van Genk in 1948, getuige een bij die gelegenheid gemaakte foto, was Leonarda Pennekamp, die vier jaar later de derde echtgenote van Jozef van Genk zou worden. Ook op een andere foto uit die tijd is zij al te zien, samen met Agnes van Genk, Karel Bijmans, Riet van Genk, Tiny van Genk en Jozef van Genk. Die laatste was in 1948 officieel nog getrouwd met Maria Heesen, van wie hij hij echter al zo’n tien jaar gescheiden leefde. Uit een dossier bij de Sociale Verzekeringsbank bleek dat ook Leonarda Pennekamp een verzetsverleden had, zodat het waarschijnlijk is dat zij Jozef van Genk via die weg kende. [vii] Eerder was zij getrouwd geweest met Hendrik van der Wal, die in januari 1945 overleed. Na haar huwelijk met Jozef van Genk zou zij de telefoon blijven opnemen met de naam van haar eerst echtgenoot: ‘U spreekt met mevrouw Van der Wal …’ [viii]


NOTEN

[i] Walda, Koning der Stations, p. 31.

[ii] E-mail van Ria Christens aan Jack van der Weide, 1 juni 2021. De naam van Riet/Marietje (Maria Julia Anna) van Genk wordt op de kaart verfranst weergegeven als ‘Van Genck, Mariette Johanna’. Ook in het Frans vermeld zijn de studierichting en de taal van de afdeling.

[iii] Brief van M.J.C.F. Smits-Delfgaauw aan Marijke Bijmans, 8 augustus 1995.

[iv] Marijke Bijmans: ‘Ik heb ook nog wat rouwadvertenties van mijn grootvader uit de Haagse Courant, Het Binnenhof en de Volkskrant. Mijn moeder [Agnes van Genk; JvdW] heeft die krantenknipsels altijd bewaard. […] Helaas staat er niet bij welk artikel in welke krant stond. Deze krantenknipsels zaten bij elkaar in een envelop en op de envelop stond geschreven dat het in die genoemde kranten stond. Wel met de datum 6 en 7 oktober 1958.’

[v] Hier en hier.

[vi] Interview met Marijke Bijmans, 14 mei 2021.

[vii] E-mail van Alex de Baar aan Jack van der Weide, 17 september 2020.

[viii] Mededeling Irene Zalme, 27 februari 2018.

Aanzet tot een catalogue raisonné (9)

Dit is het negende deel van een tekst over een aanzet tot een catalogue raisonné van het oeuvre van Willem van Genk.

Woest, 3 oktober 2019. Links boven WVG-0113, daaronder WVH-0007, daarnaast WVG-0005, rechts WVG-0092

Dit is vooralsnog het laatste deel van mijn inventarisatie van het tweedimensionale werk van Willem van Genk. Aan bod komen eerst enkele werken die te zien waren tijdens Woest maar die niet waren opgenomen in de publicatie bij die tentoonstelling. Vervolgens wordt een aantal werken genoemd uit Willem van Genk bouwt zijn universum, een boek uit 2010 van Museum Dr. Guislain in samenwerking met de Stichting Willem van Genk. Details als afmeting, datering en techniek zijn in dit boek echter minimaal zodat er met enig voorbehoud naar dient te worden gekeken. Incidenteel verwijs ik naar ‘de lijst Van der Endt 2000’, een lijst gedateerd 1 juni 2000 met ‘nog verkoopbare werken van Willem van Genk’, opgesteld door Nico van der Endt. Ik eindig met enkele werken die ik ken uit eigen waarneming.

Veel ontbreekt nog, met name een flink aantal merendeels kleinere tekeningen, al dan niet verknipt, sommige te zien tijdens Woest (zonder begeleidende tekst), tijdens andere tentoonstellingen en/of afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum. De tekeningen zijn hoofdzakelijk in bezit van de Stichting Willem van Genk en Museum Dr. Guislain; in beide gevallen beschik ik niet over een overzicht. Daarnaast is uiteraard de vraag waar men een lijn dient te trekken. Wat bijvoorbeeld te doen met de brieven, in sommige gevallen geschreven in verschillende kleuren en bezaaid met tekeningen, in andere vrijwel alleen interessant vanwege de inhoud? Verder bestaan er schetsboekjes, plakboekjes, reisverslagen, literatuurlijsten, memo’s enzovoort. Op aard en aantal van deze items is nauwelijks zicht.


WVG-0113

Op de lijst Van der Endt 2000 staat een werk ‘Amsterdam, gezicht op C.S., 1950 | gem. techniek/collage, 63,5 x 40 cm’. Waarschijnlijk gaat het om dit werk.

Tijdens de tentoonstelling Woest had dit werk het bijschrift Amsterdam en was het te zien naast twee andere tekeningen over Amsterdam. Op de achterkant heeft Van Genk geschreven Amsterdam centraal station / met ronde Lutersche kerk PH kade, met daarnaast in een naamstempel het jaartal 1950.

Afbeelding: zie foto hierboven.


WVG-0114

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 109
Geldersche tramwegen | s.d. | mixed media | Privécollectie

Dit werk werd in 2017 samen met WVG-0068 door Museum Het Dolhuys aangekocht van een particuliere verzamelaar. Tijdens Woest was het te zien in een van de vitrines.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 109.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0115

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 34
Geldersche tramwegen | s.d. | knipsel uit de bibliotheek van Willem van Genk | Museum Dr. Guislain

Volgens informatie van Museum Dr. Guislain uit september 2015 meet dit werk 47 x 62 cm. [i] De ontbrekende tondo (met een plattegrond van Arnhem) is verwerkt in Urbanisme et Architecture (WVG-0054). Tijdens Woest was het werk te zien in een van de vitrines. [ii]

Afbeelding: Woest, p. 52.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0116

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 108
Laatste blauwe tram | mixed media op bordkarton | s.d. | Privécollectie.

Op de lijst Van der Endt 2000 staat dit werk vermeld als ‘Laatste Blauwe Tram, ca. 1959 | gem. techniek/papier, ca. 28 x 39 cm’. Op de achterkant van dit werk heeft Van Genk geschreven: laatste blauwe tram “NZH”, met daarnaast in een naamstempel 10 Mei 1958. Dit betreft niet de datering van het werk maar is de datum waarop de Blauwe Tram voor de laatste keer reed tussen Den Haag en Voorburg. Tijdens Woest was het werk te zien in een van de vitrines.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 108.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0117

Dit titelloze, onafgemaakte werk bestaat uit zes boardplaatjes waarop Van Genk is begonnen aan een afbeelding van een trolleybus in een stedelijke omgeving. Mogelijk gaat het hier om het laatste werk van Van Genk op board. Tijdens Woest was het werk te zien in een van de vitrines.

Afbeelding: zie hieronder.

WVG-0117


WVG-0118

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 4
Organist St. Bavokerk Haarlem | s.d. | potlood op papier | Museum Dr. Guislain

Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 5.


WVG-0119

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 29
Knipsel uit bibliotheek van Willem van Genk | Museum Dr. Guislain

Afgebeeld is een tram (lijn 1) op het Velperplein in Arnhem ter hoogte van de voormalige Incasso-Bank. Volgens informatie van Museum Dr. Guislain uit juni 2016 meet dit werk 65 x 64 cm. [iii]

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 29 (boven).

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0120

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 36
Zonder titel | verf en kleurpotlood op papier | Museum Dr. Guislain

Op de lijst Van der Endt 2000 staat dit werk vermeld als ‘Nijmegen/Bergbahnlinie, ca. 1959 | gem. techniek/papier, 23,5 x 34 cm’. Volgens informatie van Museum Dr. Guislain uit september 2015 meet dit werk 23,5 x 34 cm en heeft het als titel District Mooi Nederland. [iv] Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0121

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 74
Stadsplan Arnhem | uit de bibliotheek van Willem van Genk | Museum Dr. Guislain

Volgens informatie van Museum Dr. Guislain uit juni 2016 meet dit werk 21,8 x 32 cm. [v] Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne (vitrine).

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 74.


WVG-0122

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 104
Leiden – Breedstraat | s.d. | pen en inkt op papier | Privécollectie

Op het linkerdeel van de tekening is het Leidse stadhuis aan de Breestraat te zien. Rechts is afgebeeld het begin van de Breestraat vanaf het Rapenburg.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 104.


WVG-0123

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 126
Zonder titel | s.d. | mixed media op papier | Museum Dr. Guislain

Afgebeeld is een gele bus die door een landschap rijdt.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 126.


WVG-0124

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 127
Zonder titel
 | s.d. | mixed media op papier | Museum Dr. Guislain

Afgebeeld is een gele bus (lijn 100 naar Doetinchem) op een brug. Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, pp. 126-127.


WVG-0125

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 127
Zonder titel
 | s.d. | mixed media op papier | Museum Dr. Guislain

Afgebeeld is een tram voor het gebouw van ‘De Nederlanden van 1845’ aan het Willemsplein in Arnhem. Volgens informatie van Museum Dr. Guislain uit juni 2016 meet dit werk 23,5 x 34 cm. [vi] Het is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 127.


WVG-0126

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 142
Groot Arnhem | s.d. | mixed media op papier | Museum Dr. Guislain

Op de lijst Van der Endt 2000 staat dit werk vermeld als ‘Den Haag/Boekenweek | gem. techniek/papier, 22,8 x 30,8 cm’. Afgebeeld is de Hofplaats in Den Haag, met op de voorgrond een parkeerplaats met auto’s en touringcars.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 142 (boven).

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0127

Willem van Genk bouwt zijn universum (2010), p. 142
Vaarwel Tram | s.d. | mixed media op papier | Museum Dr. Guislain

Afgebeeld is de Amsterdamse Poort in Haarlem. De tekst VAARWEL TRAM heeft betrekking op de laatste rit van de Noord-Hollandse Blauwe Tram op 31 augustus 1957. Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne.

Afbeelding: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 142 (onder).

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0128

Tekening van een stadstafereel in Groningen. Op de lijst Van der Endt 2000 staat dit werk vermeld als ‘Groningen met 1 mei optocht | gem. techniek/papier, 24 x 35 cm’. Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne.


WVG-0129

Tekening van de St. Bavokerk in Haarlem. Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne.


WVFG-0130

Tekening van een 1 mei-optocht voor de Dom in Keulen. De ontbrekende tondo is verwerkt in Urbanisme et Architecture (WVG-0054). Het werk is te zien tijdens de tentoonstelling Megalopolis bij de Collection de l’Art Brut in Lausanne (vitrine).

Zie hier voor meer informatie over dit werk en een afbeelding.

Megalopolis (Lausanne), maart 2021. Tegen de muur links v.l.n.r. WVG-0124, onbekend, WVG-0111; tegen de achtermuur WVG-0016 en een stukje van WVG-0028; tegen de muur rechts v.l.n.r. WVG-0118, WVG-0128, WVG-0125, WVG-0120, WVG-0127, WVG-0129; op de voorgrond in de vitrine WVG-0130


WVG-0131

Een set van zes litho’s die Van Genk in 1995 maakte. Drie litho’s vormen samen een afbeelding van het bovenste deel van een kerk, de drie andere tonen steeds drie personen op een treinperron.

WVG-0131a – linkerdeel kerk
WVG-0131b – middendeel kerk
WVG-0131c – rechterdeel kerk
WVG-0131d – perronscène I (links een man en een vrouw; lichter dan WVG-0131f)
WVG-0131e – perronscène II (paal met in spiegelbeeld de tekst VOIE).
WVG-0131f – perronscène III (links twee mannen; donkerder dan WVG-0131d)

Volledige sets litho’s bevinden zich bij Galerie Hamer, bij Stichting Collectie De Stadshof en in enkele particulier collecties.

Zie hier voor meer informatie over dit werk en een afbeelding.


WVG-0132

Tekening met een trein- of tramwagon met een reclame voor Turmac, een prominente pantograaf en het woord MÄRKLIN. Van Genk maakte meerdere kopieën van de tekening, die achter elkaar kunnen worden gelegd en op die manier een nieuwe afbeelding vormen. Het werk is vermoedelijk gemaakt in de tweede helft van de jaren negentig en bevindt zich bij Museum Dr. Guislain.

Zie hier voor meer informatie over dit werk en een afbeelding.


WVG-0133

Tekening in vierkleurenbalpen van het Haagse Leyenburg-ziekenhuis. In een tweede, bewerkte versie is een kopie van een strook uit het midden van de afbeelding aan de onderkant van een kopie van het hele werk geplakt, waarna het resultaat opnieuw met balpen en gouacheverf is bewerkt. Het werk is vermoedelijk gemaakt in de tweede helft van de jaren negentig en bevindt zich bij Museum Dr. Guislain.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


NOTEN

[i] E-mail van Eline Van de Voorde aan Jack van der Weide, 21 september 2015.

[ii] Dit leid ik af uit het feit dat een afbeelding is opgenomen in de publicatie. Zelf heb ik het werk tijdens Woest niet gezien.

[iii] E-mail van Eline Van de Voorde aan Jack van der Weide, 17 juni 2015.

[iv] E-mail van Eline Van de Voorde aan Jack van der Weide, 21 september 2015.

[v] E-mail van Eline Van de Voorde aan Jack van der Weide, 17 juni 2015.

[vi] Idem.

Aanzet tot een catalogue raisonné (5)

Dit is het vijfde deel van een tekst over een aanzet tot een catalogue raisonné van het oeuvre van Willem van Genk. Eerdere delen zijn hier, hier, hier en hier te vinden.

Vervoer USSR | ca. 1965 | gemengde techniek op papier | 156,5 x 175,5 cm | Musée L, Louvain-la-Neuve | Foto: J.-P. Bougnet

WVG-0046

Willem van Genk (1976)p. 33
Keulen | Collage | 98 x 140

Een getekende wereld (1998), p. 107
Keulen | ca 1960 | mixed media on paper | 140 x 98 cm | artist

Woest (2019), p. 112
Keulen | ca. 1960 | gemengde techniek op papier | 98 x 140 cm | Stichting Willem van Genk, Almere

Afbeelding: Woest, p. 113.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0047

Willem van Genk (1976), pp. 34-36 (voorkant + details)
Amsterdam | Tekeningen collage | 227 x 98

Een getekende wereld (1998), p. 107
Amsterdam | ca 1959 | mixed media on paper | 90 x 227 cm | unknown

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 54-55.

Zie hier en hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0048

Willem van Genk (1976), p. 37
Amsterdam – Moskou per K.L.M. | Collage | 150 x 131

Een getekende wereld (1998), p. 109
Amsterdam – Moskou | 1967 | mixed media on board | 128 x 147 cm | Collection de l’Aracine in depot Musée d’art moderne de Lille Métropole Villeneuve d’Ascq, inv. nr. A. 996.301 (1282)

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, p. 33.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0049

Willem van Genk (1976), p. 38
Waarheidsfestival | Collage | 152 x 100

Een getekende wereld (1998), p. 115
Waarheidsfestival | ca 1970 | mixed media on paper | 98 x 150 cm | artist

Woest (2019), p. 144
Waarheidsfestival 
| ca. 1970 | gemengde techniek op papier | 108,5 x 159 cm | Stichting Willem van Genk, Almere

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 4-5.


WVG-0050

Willem van Genk (1976)p. 38
Brooklyn Bridge | Collage | 180 x 100

Een getekende wereld (1998), p. 115
Brooklyn Bridge | ca 1975 | mixed media on paper | 88 x 111 cm | De Stadshof Zwolle

Broooklyn Bridge maakte deel uit van het negental werken dat Nico van der Endt in 1998 verkocht aan De Stadshof voor fl. 225.000. Het is momenteel eigendom van het Stichting Collectie De Stadshof, dat op de eigen website als techniek vermeldt ‘gemengde techniek (ballpoint, potlood, gouache, acrylverf) collage op pakpapier (verschillende papieren, doorzichtig plastic)’, als datering ca. 1960 – 1975 en als maten 97 x 178 cm. Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 82-83.


WVG-0051

Willem van Genk (1976)p. 39
Treinen | Collage Tekeningen | 122 x 70

Een getekende wereld (1998), p. 111
Blauwe trein/Victoriastation | ca 1966 | mixed media on board | 80 x 290 cm | Collection de l’Aracine in depot Musée d’art moderne de Lille Métropole Villeneuve d’Ascq, inv. nr. A. 996.302 (1283)

Bij de reizende tentoonstelling Nederlandse zondagsschilders: de droomwereld der naïeven in 1966 werd een werk van Van Genk met de titel Spoorwegen een eervolle vermelding; mogelijk gaat het hier om dit werk. Zeker is wel dat dit het werk getiteld Tram- en spoorwegen is waarmee Van Genk in 1967 de de landelijke schilder- en tekenwedstrijd van Co-op Nederland won.

De website van het LaM in Lille, waar het werk zich bevindt, geeft als datering ‘avant 1987’, als techniek ‘Encre, crayon de couleur, stylo-feutre et gouache sur papier brun marouflé sur toile’ en als maten 72 x 222 cm. Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 124-125.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0052

Willem van Genk (1976)p. 39
Den Haag | Collage Tekeningen | 200 x 88

Een getekende wereld (1998), p. 107
Bouwend ‘s-Gravenhage | 1950/60 | mixed media on paper | 100 x 210 cm | artist

Woest (2019), p. 124
Bouwend ‘s-Gravenhage
 | 1960 | gemengde techniek op papier | 102 x 212 cm | Stichting Willem van Genk, Almere

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 90-91.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0053

Willem van Genk (1976)p. 39
Moskou | Collage Tekeningen | 173 x 97

Een getekende wereld (1998), p. 115
Moskou | ca 1970 | mixed media on paper | 94,5 x 173 cm | Collection de l’Art Brut Lausanne, inv. nr. 6888

Woest (2019), p. 102
Moskou 
| 1966 | collage van tekeningen op papier | 94,5 x 173 cm | Collection de l’Art But, Lausanne

Afbeelding: Woest, pp. 102-103.


WVG-0054

Willem van Genk (1976)p. 41
Architectuur | Collage Tekeningen | 174 x 99

Een getekende wereld (1998), p. 109
Urbanisme et Architecture | 1960/1970 | mixed media on paper | 75,5 x 172 cm | De Stadshof Zwolle

Urbanisme et Architecture maakte deel uit van het negental werken dat Nico van der Endt in 1998 verkocht aan De Stadshof voor fl. 225.000. Het is momenteel eigendom van het Stichting Collectie De Stadshof, dat op de eigen website als techniek vermeldt ‘gemengde techniek (ballpoint, potlood, gouache, acrylverf) en collage op pakpapier’. Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Een getekende wereld, pp. 62-63.


WVG-0055

Willem van Genk (1976)p. 41
Steden | Collage Tekeningen | 95 x 67

Een getekende wereld (1998), p. 109
Bragah | 1960 | mixed media on paper | 70 x 100 cm | Collection de l’Aracine in depot Musée d’art moderne de Lille Métropole Villeneuve d’Ascq, inv. nr. A. 996.331 (1616)

Woest (2019), p. 106
Minsk-Mosca
 | 1966-1967 | gemengde techniek op papier | 66,7 x 97,4 cm | Donatie door L’Aracine in 1999, LaM, Lille Métropole

De website van het LaM vermeldt onder afzonderlijke titels de voorkant (Minsk-Mosca, ‘Encre, stylo à bille et gouache sur morceaux de papier kraft marouflés sur toile libre’) en de achterkant (Bragah, ‘Stylo à bille sur papier contrecollé sur toile libre, stylo à bille sur la toile libre’) van dit werk.

Afbeelding: Woest, pp. 106-107 (voorkant), 108-109 (achterkant).


WVG-0056

Willem van Genk (1976)p. 43
Internationale | Collage Tekeningen | 171 x 101

Een getekende wereld (1998), p. 111
Internationale | ca 1967 | mixed media on paper | 98 x 174,5 cm | Alpha Cubic International Japan

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 76-77.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0057

Willem van Genk (1976)p. 43
Glimpses of Asia | Collage Tekeningen | 184 x 100

Een getekende wereld (1998), p. 111
Glimpses of Asia | ca 1967 | mixed media on paper | 95,5 x 180 cm | Alpha Cubic International Japan

Het werk was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 74-75.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0058

Willem van Genk (1976)p. 44
50 jaar Sovjet-Unie | Collage Tekeningen | 175 x 97

Een getekende wereld (1998), p. 111
50 jaar Sovjet-Unie | 1967 | mixed media on paper | 96 x 174 cm | Collection de l’Art Brut Lausanne, inv. nr. 6702

Woest (2019), p. 98
50 jaar Sovjet-Unie 
| 1967 | gemengde techniek op papier | 96 x 174 cm | Collection de l’Art But, Lausanne

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, pp. 78-79.


WVG-0059

Willem van Genk (1976)p. 44
Märklin | Collage Tekeningen | 95 x 74

Een getekende wereld (1998), p. 115
Märklin | 1970 | mixed media on paper | 72,5 x 94 cm | The Outsider Collection/The Outsider Archive London, inv. nr. oa 326

Nico van der Endt verkocht het werk in 1989 aan het Outsider Archive voor ₤ 1.500. [i] Daarbij werd de commissie verrekend die Monika Kinley van het Outsider Archive kreeg voor haar bemiddeling bij de verkoop van WVG-0056 en WVG-0057 aan het Japanse Alpha Cubic. [ii] Märklin bevindt zich momenteel in de collectie van de Whitworth Art Gallery in Manchester. Het werk was te zien tijdens Woest maar ontbrak in de publicatie. 

Afbeelding: Raw Vision #36, p. 31.


WVG-0060

Willem van Genk (1976)p. 45
Vervoer U.S.S.R. | Collage Tekeningen | 151 x 133

Een getekende wereld (1998), p. 119
Vervoer USSR | 1975 | mixed media on paper | 156,5 x 175,5 cm | Musée de Louvain-la-Neuve, inv. nr. 425

Nico van der Endt verkocht het werk in 1988 aan het Musée de l’Université van Louvain-la-Neuve. Het was te zien tijdens Woest maar ontbrak in de publicatie. 

Afbeelding: Een getekende wereld, p. 17.


WVG-0061

Willem van Genk (1976)p. 45
Moskou | Tekening | 40 x 31

Een getekende wereld (1998), p. 115
Tank II | ca 1970 | pencil on canvas | 40 x 31 cm | artist

Het werk was te zien tijdens Woest maar ontbrak in de publicatie.

Afbeelding: Museum Dr. Guislain/Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 29.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.

Waarheidsfestival | ca. 1970 | gemengde techniek op papier | 108,5 x 159 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem

Willem van Genk maakte vijf monochrome etsen, waarvan vier (hieronder genoemd) in oplagen van respectievelijk 13, 14, 5 en 5. De inkt is meestal zwart, maar er bestaan ook afdrukken in sepia, rood, groen en donkergroen. Daarnaast is er een onbekend aantal ongenummerde exemplaren. De vijfde ets (WVG-0087) wordt niet genoemd in de catalogus van De Ark.


WVG-0062

Willem van Genk (1976), p. 37
Minsk | Ets oplage 13

Een getekende wereld (1998), p. 111
Minsk | 1967 | etching (13) | 53 x 63 cm | artist, private collection, Site de la Création Franche Bègles, inv. nr. 1602-93

De huidige verblijfplaatsen van de gesigneerde etsen, voor zover valt na te gaan:

  • e.a. – Museum Dr. Guislain, Gent (rood)
  • 1/13 – Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
  • 2/13 – particuliere collectie, Ittigen
  • 3/13 – particuliere collectie, Maastricht (zwart)
  • 4/13 – Musée de la Création Franche, Bègles (zwart)
  • 5/13 – particuliere collectie, Amsterdam
  • 6/13 – particuliere collectie, Vlaardingen (zwart)
  • 7/13 – Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
  • 8/13 – Musée d’Arts Brut, Montpellier
  • 9/13 – Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
  • 10/13 – Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
  • 11/13 – Museum Dr. Guislain, Gent (rood)
  • 12/13 – particuliere collectie, Duitsland (sepia)
  • 13/13 – particuliere collectie, Brussel (sepia)

Nummer 6/13 was te zien tijdens Woest vanaf september 2020.

Afbeelding: Museum Dr. Guislain/Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 132.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0063

Willem van Genk (1976), p. 46
Tunnel Napels | Ets | oplage 14 stuks

Een getekende wereld (1998), p. 111
Tunnel Napels | 1967 | etching (14) | 30 x 40 cm | artist nr 14/14 en 3/14, Site de la Création Franche Bègles, inv. nr. 1601-93, nr 6/14, private collection

De huidige verblijfplaatsen van de gesigneerde etsen, voor zover valt na te gaan:

  • e.a – Museum Dr. Guislain, Gent (groen)
  • 2/14 – particuliere collectie, Maastricht (zwart)
  • 3/14 – Musée de la Création Franche, Bègles (zwart)
  • 4/14 – particuliere collectie, Amsterdam (zwart)
  • 5/14 – Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
  • 6/14 – The Museum of Everything, Londen (zwart)
  • 7/14 – particuliere collectie, Vlaardingen (zwart)
  • 8/14 – particuliere collectie, Duitsland (zwart)
  • 9/14 – Heden (v/h Artotheek), Den Haag (zwart)
  • 10/14 – Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
  • 11/14 – veiling april 2024 (zwart)
  • 12/14 – Andrew Edlin Gallery, New York (sepia)
  • 13/14 – Museum Dr. Guislain, Gent (donkergroen)
  • 14/14 – particuliere collectie, Nijmegen (donkergroen)

Nummer 7/14 was te zien tijdens Woest vanaf september 2020.

Afbeelding: Van der Endt, Kroniek van en samenwerking, p. 81.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0064

Willem van Genk (1976), p. 46
Siljalline | Ets | oplage 5 stuks

Een getekende wereld (1998), p. 111
Siljaline | 1967 | etching (5) | 50 x 43,5 cm | artist, private collection

De huidige verblijfplaatsen van de gesigneerde etsen, voor zover valt na te gaan:

  • e.a. – Museum Dr. Guislain, Gent (zwart)
  • 1/5 – particuliere collectie, Maastricht (zwart)
  • 2/5 – in 1998 door Hamer verkocht aan Artotheek Den Haag
  • 3/5 – particuliere collectie, Nijmegen (zwart)
  • 4/5 – particuliere collectie, Vlaardingen (zwart)
  • 5/5 – veiling april 2024 (zwart)

De ets was niet te zien tijdens Woest.

Afbeelding: Museum Dr. Guislain/Stichting Willem van Genk, Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 133.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


WVG-0065

Willem van Genk (1976), p. 47
Colonnade | Ets | oplage 5 stuks

Een getekende wereld (1998), p. 111
Colonnade/St. Petersdom | 1967 | etching (5) | 30 x 40 cm | artist

De huidige verblijfplaatsen van de gesigneerde etsen, voor zover valt na te gaan:

  • 1/5 – particuliere collectie, Vlaardingen (zwart)
  • 3/5 – particuliere collectie, Nijmegen (groen)
  • 4/5 – Museum Dr. Guislain, Gent (groen)
  • 5/5 – Museum Dr. Guislain, Gent (groen)

Nummer 1/5 was te zien tijdens Woest vanaf september 2020.

Afbeelding: Een getekende wereld, p. 129.

Zie hier voor meer informatie over dit werk.


NOTEN

[i] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63.

[ii] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 7 april 2021.

Madeleintje (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over een jeugdliefde van Willem van Genk. Het eerste deel is hier te vinden.

Gezinskaart Pierre Stordiau (Haags gemeentearchief)

Met de kennis dat de Haagse portrettist Pierre Stordiau bekend was bij Willem van Genk en een dochter had die geboren was in 1928 en Madeleine heette, was het duidelijk dat “Madeleintje Storio” (zoals zuster Tiny haar noemde) in feite Madeleine Stordiau was. De inzet werd nu om een nakomeling van Pierre Stordiau te vinden, die dit zou kunnen bevestigen. Zijn jongste zoon Guido (1935) was verrassend snel te traceren en hij liet mij in een e-mail weten dat hij mijn verzoek om inlichtingen had besproken met zijn zuster Madeleine Mengarduque-Stordiau: ‘Mijn zuster is inmiddels 92 jaar maar zij kan zich Willem van Genk nog goed herinneren.’ Hij gaf mij haar mailadres: ‘Wellicht kan zij u verdere inlichtingen geven.’ [1]

Twee dagen later ontving ik al een zeer vriendelijk antwoord van het meisje op wie Willem van Genk zo’n tachtig jaar geleden verliefd was: ‘“Madeleintje” is inmiddels 92 jaar en weet niet zo heel veel meer van de oude tijd. Neemt niet weg dat ik best bereid ben om u het een en ander te vertellen over wat ik mij herinner uit een inmiddels ver verleden.’ In de mail zelf gaf zij al heel wat informatie, die zij verder toelichtte tijdens een telefoongesprek dat ik begin januari met haar had. Meteen hielp zij al het misverstand de wereld uit als zou zij violiste zijn: ‘Mijn tak van de familie is zeer muzikaal, twee van mijn broers waren musici (Gregor was violist en getrouwd met een fluitiste, Guido was slagwerker en getrouwd met een zangeres); maar al houd ik veel van muziek, ik heb zelf nooit een instrument bespeeld.’ [2]

Haar herinneringen bleken met name vader Jozef van Genk te betreffen, die tijdens de Tweede Oorlog regelmatig bij haar ouders op bezoek kwam, al dan niet in gezelschap van zijn kinderen:

Tijdens de oorlog woonde ik bij mijn ouders in een hofje in de Haagse Riemerstraat. Mijn vader was de Belgische schilder Pierre Stordiau, hij was getrouwd met de Friezin Annetje Gorter, mijn moeder. Ze ontvingen, ook tijdens de oorlog, in hun hofje altijd veel vrienden en kennissen, vaak uit de Haagse artiestenwereld […]. Uit wat er om mij heen werd gezegd begreep ik dat tijdens de oorlog Van Genk altijd klaar stond om mensen die moeilijkheden hadden te helpen, maar dat hij daar na de oorlog nooit enige erkenning of erkentelijkheid voor heeft mogen ontvangen. Hij was daarover, begrijpelijk, zeer teleurgesteld en gefrustreerd.

Deze woorden uit het e-mailbericht lichtte zij tijdens het telefoongesprek uitgebreid toe: Jozef van Genk noemde zij “goeiig”, ‘die man die was zo bedroefd dat … hij was bescheiden, heel bescheiden, dus … hij was niet bekend, wel als ze ‘m nodig hadden, dan was-ie wel bekend, dan hadden ze ‘m wel gevonden, maar om te bedanken: nooit. En daar was-ie vreselijk treurig over, hij zegt: nou ik zó veel gedaan heb, zó veel mensen geholpen, is er nou niet één die zegt van: goh, die man heeft mij het leven gered, maar ja …’

Net als Jozef van Genk was Pierre Stordiau een man die altijd klaar stond voor anderen (‘als-ie kon helpen dan deed-ie dat’) en die dankzij zijn uitgebreide netwerk – hij was onder meer lid van de Haagse Kunstkring – ook veel contacten had: ‘Stordiau kent iedereen!’ Het hofje waar zijn woning was, was uitgegroeid tot een kleine artistieke enclave binnen Den Haag, waar regelmatig mensen logeerden. Madeleine Mengarduque herinnerde zich dat zij dan soms haar kamer moest afstaan om in het atelier van haar vader te slapen. De kinderen Stordiau kregen nooit fysiek straf van hun vader: ‘Er mocht bij ons niet geslagen worden. Nooit van z’n leven hebben wij lijfstraf gekregen, want dat mocht niet. Zelfs als je vervelend was dan … je kreeg op je kop, zoals wij dat noemden, een flink standje … of je moest het betalen uit je spaarpot – zei mijn vader maar dat gebeurde niet, want je spaarpot was ook niet zo vet …’

Moeder Annetje Stordiau-Gorter was een belezen vrouw die onder meer advies gaf aan de directeur van de Openbare Leeszaal over aan te schaffen boeken. Bij de geboorte van Guido Stordiau was zij al veertig jaar en omdat ze zich toen eigenlijk te oud vond om een kind op te voeden, liet zij dit grotendeels over aan haar dochter. Die rolde daardoor als vanzelf in het vak van kinderverzorgster, behaalde na de oorlog een diploma als verzorgster in koloniehuizen en vertrok in 1953 naar Frankrijk. Daar werkte ze in verschillende kindertehuizen tot ze trouwde in 1960.

Detail Kathedraal Pilsen (ca. 1965)

Het beeld dat Madeleine Mengarduque-Stordiau schetst van Jozef van Genk, komt overeen met wat ik eerder over hem te weten kwam: een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel deed voor anderen maar daar nooit in enige vorm erkenning voor had gekregen. Kwam hij daarin in zekere zin overeen met Pierre Stordiau, de verschillen tussen beide mannen waren aanzienlijk: Jozef van Genk was een burgerlijk-katholieke middenstander/ambtenaar, Stordiau een kunstenaar die zich in artistiek-intellectuele kringen bewoog en die weinig gaf om bezit of geloof. [3] Het is dus inderdaad zeer goed denkbaar dat Willem van Genk zich bij het gezin Stordiau thuis voelde, zoals zijn zuster Tiny aangaf. Daarbij zal het ontbreken van enige vorm van lijfstraffen, als hij daarvan op de hoogte was, hem ook hebben aangesproken.

Opmerkelijk is dat Willem van Genk zelf bij Madeleine nauwelijks lijkt te zijn opgevallen, terwijl zij toch goed was met kinderen en bijvoorbeeld kinderen die bang waren voor de oorlog, op haar kamer een schuilplaats aanbood. Van Genk had wellicht ook toen hij al volwassen was nog contact met Pierre Stordiau: de 2e de Riemerstraat ligt op enkele honderden meters van de Sirtemastraat, waar de sociale werkplaats was gevestigd waar Van Genk jarenlang “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. Stordiau was lange tijd mogelijk de enige kunstenaar die hij persoonlijk kende.

Een laatste punt is de zwarte overjas waarin Pierre Stordiau altijd werd gezien, een kledingstuk dat lijkt op de raincoats die Van Genk droeg en verzamelde. Het valt zeker niet uit te sluiten dat deze kledingkeuze – ‘Zo ziet een kunstenaar er dus uit!’ – indruk heeft gemaakt op Van Genk en van invloed is geweest op zijn latere obsessie. Bij de nadruk die (al dan niet terecht) vaak op de jassen wordt gelegd, zou in ieder geval verder kunnen worden gekeken dan alleen naar de SD of Gestapo. Naar de vader van Madeleintje Storio, bijvoorbeeld.


NOTEN

[1] E-mail van Guido Stordiau aan Jack van der Weide, 17 december 2020.

[2] E-mail van Madeleine Mengarduque-Stordiau aan Jack van der Weide, 19 december 2020. Het telefoongesprek vond plaats op 2 januari 2021. Guido Stordiau liet mij desgevraagd weten ‘dat er geen verwantschap bestaat tussen de familie Andriessen en de fam. Stordiau. Ik heb gestudeerd met Louis Andriessen, de componist op het Kon. Conservatorium te Den Haag’ (e-mail, 10 januari 2021).

[3] Madeleine Mengarduque gaf tijdens het telefoongesprek aan dat haar moeder zich tot het katholicisme had bekeerd, ‘maar mijn vader had daar niet om gevraagd’. Op de gezinskaart van Pierre Stordiau staat in de kolom “kerkgenootschap” bij zijn naam ‘geen’.

Madeleintje

Engelenburcht | ca. 1965 | olieverf op board | 60 x 61,5 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Museum van de geest

“Wim had twee liefdes, maar het is helaas nooit wat geworden.” Aldus Tiny van den Heuvel-van Genk in 1997 tegen Dick Walda, als ze het heeft over de jonge jaren van haar broer. “De een was Madeleintje Storio, een beeldschoon meisje, heel talentvol. Speelde prachtig viool. Jarenlang heeft Wim naar haar gekeken, want de foto hing boven zijn bed. Hij kon Madeleintje zien vanaf zijn kussen. Ze vertrok naar Parijs en wat bleef was het verlangen van Wim naar dat meisje. En dan was er nog dat buurmeisje, een Indische. Die woonde beneden Wim en daar was hij in het geheim ook verliefd op. Zij is naar Den Briel verhuisd, hij hoopt haar nog eens te zien. Vandaar dat hij af en toe van zichzelf naar Den Briel moet.” [1] Het Indische buurmeisje wordt een jaar later niet genoemd in Een getekende wereld, Madeleintje wel:

[…] zegt Tiny van den Heuvel. “De vader van het meisje op wie hij verliefd was, Madeleintje Storio, heeft eens tegen mij gezegd, ‘hij is goochemer dan jullie met z’n allen bij elkaar!’ In dat gezin was aandacht voor muziek en architectuur. Daar trok Willem zich aan op. Daar voelde hij aansluiting. Op een gegeven moment zijn ze naar Parijs verhuisd en is Willem hen uit het oog verloren. Een foto van Madeleintje , een begaafd violiste, heeft hij op de dag van vandaag  in zijn slaapkamer staan. Hij verloor zijn droom, maar niet zijn adoratie. De wereld van die mensen had iets met de zijne te maken.” [2]

In een voetnoot bij dit citaat wordt toegevoegd: “Volgens Tiny van den Heuvel-van Genk was deze familie in de verte verwant aan de Van Genks en aan de familie Andriessen, waaruit enkele componisten zijn voorgekomen.”

Wie was Madeleintje Storio? Via internet leek ze niet te vinden – mogelijk was ze getrouwd en had ze een andere achternaam gekregen. De achternaam ‘Storio’ leverde in het gemeentearchief van Den Haag geen treffers op. Violistes met de voornaam ‘Madeleine’ kwamen wel voor op internet: er was een Madeleine Massart, geboren in 1929, en een Madeleine Vautier uit Marseille die in de jaren vijftig een aantal recitals in Nederland gaf. Geen van beiden leek echter een band met Den Haag te hebben, laat staan met de familie Van Genk of – een vermelding in een krantenartikel had voor de hand gelegen – met de familie Andriessen. Op Brooklyn Bridge (ca. 1970) is wel de Hongaarse violiste Johanna Marzy afgebeeld, haar naam wordt expliciet vermeld.

In Een getekende wereld beschrijft Ans van Berkum bij een bezoek aan de woning van Willem van Genk het werk Engelenburcht (“Van Genk heeft dit werk altijd bewaard op de plank boven zijn opklapbed”), waarbij ze onder meer het meisje met het ijsje rechtsonder op de afbeelding noemt: “We zullen haar nog vaker aantreffen. Ze zal zelfs uitgroeien tot een soort herkenningsmelodie. Zullen we ooit weten waar ze werkelijk vandaan komt?” [3] Van Berkum beseft niet hoe warm ze is: inderdaad is op Engelenburcht een aanwijzing te vinden over de identiteit van een meisje dat veel voor Van Genk heeft betekent, alleen bevindt die aanwijzing zich in een andere hoek van het werk.

Linksonder op Engelenburcht is een schilder afgebeeld die op de lage kade langs de Tiber een Japanse dame portretteert. Naast de schilder staat een man met een blauw jasje die naar de kunstenaar gebaart en gekke bekken lijkt te trekken. GEORGES LAMPE staat op de pijpen van zijn broek geschreven. George Lampe (1921-1982) was een schilder en kunstbeschouwer uit Den Haag die was opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Lampe was van 1964 tot 1982 directeur van de Vrije Academie, een meer progressieve kunstopleiding in dezelfde stad – Jan Cremer, die begin 1958 was begonnen aan de Koninklijke Academie, zou al na enkele maanden verhuizen naar de Vrije Academie, waar hij zich beter thuis voelde. Lampe was getrouwd met interviewster Bibeb, die Van Genk in 1964 interviewde voor Vrij Nederland. In 1967 kreeg Van Genk uit handen van Lampe de prijs uitgereikt voor beste amateurschilder van Zuid-Holland in de teken- en schilderwedstrijd van Co-op Nederland.

Detail Engelenburcht (foto: Jan Vellekoop)

Ook de schilder op Engelenburcht heeft een aantal teksten om zich heen. Blijkens opschriften op zijn schoudertas en ezel werkt hij met v. GOGH VERF en REMBRANDT PRODUKT, terwijl op de poten van de ezel ook de aanduiding BRAGAH STUDIO te lezen is – een indicatie dat dit werk dus ná de kennismaking met Pieter Brattinga is geschilderd, aangezien het niet om een latere toevoeging lijkt te gaan. Het belangrijkste opschrift is echter te vinden op de schilderkist aan de voet van de ezel: ATELIER STORDIAU 105 2 RIEMERSTR den HAAG HOLLANDE  ANVERS. De schilder is daarmee te identificeren als (afkomstig uit het atelier van) de Haagse portrettist Pierre Stordiau, die in de verte geparenteerd was aan Willem van Genk en een dochter had genaamd Madeleine.

Petrus Josephus Maria Stordiau werd op 12 november 1887 geboren in Antwerpen en kwam in de jaren tien van de vorige eeuw naar Den Haag, waar hij bleef wonen en op 20 december 1969 overleed. Stordiau woonde in Den Haag aan de 2e De Riemerstraat 105. Op een website over dit “oudste woonerf van Den Haag”:

Tot 1923 bestond er slechts één De Riemerstraat, vernoemd naar de Haagse geschiedschrijver mr. Jacob de Riemer (1676-1762). Door de aanleg van de Vondelstraat, die de bereikbaarheid van het centrum moest vergroten, werd de straat verdeeld in een 1e en 2e De Riemerstraat. […] In de 2e De Riemerstraat ligt een hofje verscholen. In 1913 vestigde de kunstschilder Pierre Stordiau zich in het hofje. Deze baarde opzien in de buurt door altijd gekleed te gaan in een zwarte overjas, zwarte flambard met pellerini (een korte cape) waaronder donker haar tot op de schouders. Erbij een zwarte lavalière (gestrikte das met breed uitlopende einden) en een ebbenhouten wandelstok met zilveren knop. Ook zijn vrouw ging steeds in het zwart gekleed. Zij droeg een zogenoemd polkakapsel met zwarte baret. [4]

De ouders van Pierre Stordiau waren Hieronymus Eduardus Maria (Jérôme) Stordiau (1858-1911), een diamantair uit Antwerpen, en Cornelia Elisabeth van der Ouderaa (1857-1926) uit Bergen op Zoom. Ze hadden tien kinderen. Cornelia van der Ouderaa was een halfzuster van Alphonsus Franciscus Johannes van der Ouderaa, wiens zoon Kees getrouwd was met een zuster van de moeder van Willem van Genk: de tante uit Bergen op Zoom bij wie Van Genk na het overlijden van zijn moeder korte tijd woonde. Pierre Stordiau volgde een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar hij een leerling was van Pierre Jean (eigenlijk: Petrus Johannes) van der Ouderaa, een neef van zijn moeder.

Pierre Stordiau, ca. 1940 (foto: Haags gemeentearchief)

Pierre Stordiau trouwde in 1919 met Anna Helena Wilhelmina Gorter (1895-1964) uit Sneek. Ze kregen vier kinderen, die allen met hun tweede en derde voornaam naar hun ouders werden vernoemd: Jérôme Pierre Anne (1924), Madeleine Pierre Anne (1928), Grégoire Pierre Anne (1929) en Guido Pierre Anne (1935). Guido Stordiau werd slagwerker bij het Haagse residentieorkest en trouwde met de sopraan Germaine de Gruyl, die daarna door het leven ging (en bekend werd) als Germaine Stordiau.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 38.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p 12.

[3] Ibid., p. 26.

[4] “Het oudst woonerf van Den Haag”. Volgens een gezinskaart in het Haags gemeentearchief vestigde Stordiau zich pas in 1919 op dit adres.

Amsterdam

Amsterdam | ca. 1967 | gemengde techniek op papier | 97 x 216 cm | Museum of Everything, Londen

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 kregen vijf tekeningen in de catalogus de titel “Amsterdam”. Drie keer betrof het impressies van het afscheid van de (Noord-Hollandse) Blauwe Tram, twee keer een stadsgezicht met in de verte het centraal station. Amsterdam lijkt een grote aantrekkingskracht op de Hagenaar Van Genk te hebben uitgeoefend, gezien de hoeveelheid werken die hij aan de stad wijdde. Opvallend vaak maakt het centraal station deel uit van de voorstelling, geheel of gedeeltelijk. Zo bezit Stichting Collectie De Stadshof onder meer de collage Centraal Station Amsterdam en Stichting Willem van Genk Drieluik Amsterdam en een historisch gezicht op het station vanaf de linkerkant, met op de voorgrond een haventafereel. [1] Een tekening getiteld Amsterdam Centraal Station, afgebeeld in Een getekende wereld (1998) en daar gedateerd ‘ca. 1959’, verdween begin deze eeuw uit zicht en was tot voor kort in handen van een Amerikaanse collectioneur die er in 2019 € 125.000,- voor vroeg. [2]

Net als in het geval van Den Haag verwerkte Van Genk een groot aantal vroege tekeningen van Amsterdam in een collage. Werd dit voor Den Haag Bouwend ’s Gravenhage (naar een prominente, centraal geplaatste test), voor Amsterdam was het resultaat Amsterdam (idem). Opnieuw werden de tekeningen soms verknipt of op een andere manier bewerkt. Een poging tot datering brengt de inmiddels bekende problemen met zich mee: de oorspronkelijke tekeningen stammen grofweg uit de periode 1945-1960, de collage als zodanig zal in de tweede helft van de jaren zestig zijn ontstaan. Nico Van der Endt dateert het werk ‘ca. 1950-1975’, maar dat laatste jaartal lijkt te laat. [3]

Amsterdam heeft een oppervlakte van iets meer dan twee vierkante meter waarop zo’n zestig afbeeldingen te zien zijn die sterk variëren in omvang. Ook in die opzichten is de collage daarmee te vergelijken met Bouwend ’s Gravenhage. Wel lijkt dat laatste werk iets evenwichtiger opgebouwd, door de plaatsing van de tekeningen maar ook door een zekere herhaling van bepaalde afbeeldingen (Binnenhof, Vredespaleis, Stadhuis). Het procedé om fragmenten van gebruikte tekeningen elders in het werk te plaatsen, ontbreekt in Amsterdam. Anders dan in Bouwend ’s Gravenhage zijn daarentegen in Amsterdam de verschillende onderdelen van de collage steeds rood of oranje omrand en is een aantal kleinere fragmenten monochroom in rood uitgevoerd. [4] Het is mogelijk dat deze rode fragmenten alle afkomstig zijn uit één grote tekening, maar hiervoor zijn geen verdere aanwijzingen – afgezien van twee fragmenten linksonder die aan elkaar passen.

Meest opvallend in het rechterdeel van Amsterdam is een grote tekening aan de onderkant, waarop afgebeeld een bocht in de Amstel ter hoogte van het Martin Luther Kingpark, voorheen het Amstelpark. Beperken we ons tot de grotere tekeningen in dit rechterdeel, dan zien we in de strook boven de Amsteltekening van links naar rechts het voormalige Weesperpoortstation, de Haarlemmerpoort en de omgeving van het Muntplein. Daar weer boven zijn afgebeeld het Amstelhotel, de Sint-Nicolaaskerk, het centraal station (achter- en voorzijde) en de toren van de Oude Kerk. Helemaal rechts zijn van boven naar beneden te zien de Oudezijdsvoorburgwal vanaf de Armbrug, de Zuiderkerk vanaf Staalmeestersbrug en de hoek van de Dam met de Nieuwendijk.

De Haarlemmerpoort in Amsterdam – links: detail Amsterdam; rechts: tekening uit de collectie van Stichting Willem van Genk

Het linkerdeel van Amsterdam is iets gefragmenteerder en de verschillende onderdelen zijn minder scherp afgesneden. Boven het midden is een tekening geplaatst van de Dam omstreeks 1900: zowel de oude Beurs van Zocher als de toren van de Beurs van Berlage zijn te onderscheiden. Daaronder is vier keer het 12-verdiepingenhuis van J.F. Staal aan het Victorieplein te zien. In het midden is het Paleis op de Dam afgebeeld. De verticale strook helemaal links toont aan de bovenkant het in 1912 gesloopte Beurspoortje, dat vanaf het Rokin toegang gaf tot de Dam en herinnerde aan het vroegere Beursgebouw van Hendrick de Keyser. Aan de onderkant is de hoofdingang van de Bijenkorf te zien.

Kleinere afbeeldingen zijn er in feite in drie soorten: de genoemde rood-monochrome tekeningfragmenten, tondo’s en overige inzetstukken. De negen rode fragmenten zijn relatief klein, waardoor de afbeelding vaak moeilijk thuis te brengen is. Linksboven is het gebouw van de Engels Hervormde Kerk aan het Begijnhof te zien; meer naar rechts, overlappend met de tekening van de historische Dam, is de toren van de Zuiderkerk afgebeeld. In de grote Amsteltekening is in het water een rood fragment geplaatst met eenzelfde voorstelling.

Ook de meeste afbeeldingen in de tondo’s zijn lastig te duiden. De tondo boven de historische Dam-tekening toont een deel van een stadsplattegrond van Amsterdam, geknipt uit een grotere tekening waarvan het overgebleven deel te zien was in een van de vitrines van de tentoonstelling Woest. Dat laatste geldt voor nog drie andere tondo’s, waarvan echter de voorstelling onduidelijk is. De tondo tussen de vier afbeeldingen van het 12-verdiepingenhuis toont de niet meer bestaande Maria Magdalenakerk van Pierre Cuijpers aan de Spaarndammerstraat. Dat de kerk in 1965 werd afgebroken, zal Van Genk alleen maar hebben gevoed in zijn gevoelens van onmacht waar het om de afbraak van historische gebouwen ging.

Blijven over zo’n twintig inzetstukken van uiteenlopende omvang, die in sommige gevallen zelfstandige tekeningen zouden kunnen zijn geweest maar in andere gevallen overduidelijk uit- of afsneden zijn. De voorstellingen zijn in een aantal gevallen thuis te brengen, waarbij soms sprake lijkt van associaties, geografisch of anderszins. Zo staan tegen de bovenrand links, boven de historische damtekening, afbeeldingen van het oude Hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal, het Victoria Hotel aan het begin van het Damrak en de Mozes en Aäronstraat die tussen het Paleis op de Dam en de Nieuwe Kerk loopt – locaties die min of meer bij elkaar in de buurt liggen. Het fragment rechtsonder, met een detail van de voorgevel van de Bijenkorf, past daar ook bij maar een aangrenzend inzetstuk met een tram die langs de Westerkerk rijdt, lijkt hier weinig mee te maken te hebben. De twee grote inzetstukken boven de Amsteltekening stellen mogelijk het afscheid van de Blauwe Tram in de Raadhuisstraat (links) en de kruising Reguliersgracht/Keizersgracht voor.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Drieluik Amsterdam stond op 19 september 2019 prominent afgedrukt in de bijlage van Het Parool over de tentoonstelling Woest.

[2] Mededeling Ans van Berkum, 5 februari 2019. De tekening (60 x 40 cm) staat in Een getekende wereld afgebeeld op p. 113.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 54. In Een getekende wereld krijgt de collage de datering ‘ca 1959’ (p. 107).

[4] In Willem van Genk bouwt zijn universum zijn op p. 1 en p. 7 voorbeelden te zien van monochrome tekeningen in rood.

Plaatsen

Vaarwel tram | ca. 1957 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Voor een onderzoeker die Nederland niet of niet goed kent, moet het een opgave zijn om het werk van Willem van Genk te bestuderen. Zelf kom ik een heel eind als het om Arnhem gaat – in het geval van Van Genk eigenlijk onontbeerlijk – en lukt het aardig in het geval van Amsterdam en Den Haag om locaties thuis te brengen, maar het blijft desalniettemin vaak een hele speurtocht. Bovenstaande tekening staat afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum, op dezelfde pagina als een tekening van de Hofplaats in Den Haag. Dientengevolge, en ook omdat het hier (weer) leek te gaan om het afscheid van de Blauwe Tram, veronderstelde ik dat het om een locatie in Den Haag of Voorburg ging. Het gebouw links op de tekening kon daarbij mogelijk een aanknopingspunt vormen.

Te rade gaand bij een inwoner en kenner van Den Haag, gaf deze onmiddellijk aan dat het volgens hem ging om de Amsterdamse Poort in Haarlem, de enig overgebleven stadspoort aan het einde van de oude route van Amsterdam naar Haarlem. Uiteraard was dit helemaal correct en klopte het opschrift VAARWEL TRAM eveneens met de historische laatste rit van de Noord-Hollandse Blauwe Tram op 31 augustus 1957, die reed op het traject Amsterdam – Zandvoort en daarbij ook Haarlem aandeed. Dat die specifieke kennis iets toevoegt aan inzicht in het oeuvre van Van Genk in het algemeen, moge duidelijk zijn. Onder meer draagt het bij aan de kennis over de wijze waarop Van Genk een locatie weergaf; aan kennis over zijn fascinatie met vervoersmiddelen in het algemeen en de Blauwe Tram in het bijzonder; aan kennis over het motief van de vergankelijkheid in zijn werk; en zo verder.

Wel degelijk Haags is een tekening op de achterkant van Station Berlin Ost (ca. 1965), waarbij Van Genk zelf de clou in feite al weggaf door het nadrukkelijke opschrift VISIT MADURODAM plus kleinere, moeilijk leesbare aantekeningen waaronder de reisaanduiding met lijn 3 van de Haagse Tram. Afgebeeld is de omgeving van het oude stadhuis in Den Haag, met ook herberg ’t Goude Hooft – of, zoals Van Genk schrijft, Het Gouden Hoofd. Verder zijn onder meer aangeduid een [R]ywielstalling en Café het ZUID. Voor de huizen rijdt een tram met een schaarbeugel.

Detail Station Berlin Ost (ca. 1965)

Is het tegenwoordig lijn 9 waarmee men Madurodam bereikt, ook historisch gezien was lijn 3 eigenlijk niet de aangewezen tramlijn voor de miniatuurstad. Wel deed deze tram het Valkenbosplein aan, op enkele minuten lopen van de Magnoliastraat, waar de familie Van Genk jarenlang woonde. In het algemeen is de kans groot dat Madurodam indruk op de kunstenaar heeft gemaakt, vanwege het structurele vogelvluchtperspectief bij de bezoeker. Anderzijds is het een – wat mij betreft: intrigerende – vraag wat een tekening van de Dagelijke Groenmarkt in Den Haag doet op de achterkant van een werk over Berlijn.

Van Den Haag naar Gelderland: Van Genks liefde voor trolleybussen lijkt er nooit toe te hebben geleid dat Nijmegen een belangrijke rol ging spelen binnen zijn werk. Altijd was Arnhem de trolleystad, terwijl het vervoermiddel tussen 1952 en 1969 toch ook nog geen vijfentwintig kilometer naar het zuiden te bezichtigen was. Dit doet vermoeden dat de fascinatie met Arnhem eerst kwam en dat de liefde voor trolleybussen daar een afgeleide van was, in plaats van andersom. Nijmegen moet het doen met enkele aanduidingen op tekeningen van landkaarten en plattegronden; een tondo met de torenspits van de Sint-Stevenkerk op Geldersche tramwegen; en een titelloze tekening die is afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum. [1]

Op die tekening is de Nijmeegse tramlijn 2 te zien, ook wel “het bergspoor” genoemd. Van Genk toonde waar die bijnaam vandaan kwam: tussen 1912 en 1955 liep de lijn van het centrum van de stad naar het naburig Berg en Dal, via een voor Nederlandse begrippen behoorlijk heuvelachtig terrein. De tekening beeldt twee trams af op en bij het viaduct over de Van Randwijckweg tussen Beek en Berg en Dal. Dit was een geliefd plaatje in toeristische gidsen en op prentbriefkaarten, zodat aangenomen mag worden dat Van Genk de scène ook van foto’s kende.

Zonder titel (District Mooi Nederland) | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 23,5 x 34 cm | Museum Dr. Guislain, Gent

Afgebeeld is de situatie waarbij een tram met twee wagons op het viaduct staat, terwijl een volgtram nog onder het viaduct rijdt. Links op de tekening zien we twee Nederlandse wegwijzers van de V.V.V. met de aanduidingen Beek en Berg en Dal, rechts een Duitse wegwijzer met de richtingen Deutschland en Nimwegen. Op de voorgrond staat een driehoekig waarschuwingsbord met een doodshoofd en de tekst GEVAARLIJKE HELLING! De tram op het viaduct draagt het cijfer 2; op de twee wagons is reclame te zien voor Coca-Cola (rechts) en Boers en Zn (links). De volgtram heeft het getal 10 op een deur staan. In de volgtram staat een conducteur, ernaast een rangeerder met een seinvlag. Wat verder opvalt bij beide trams zijn de beugels tussen de wagens en de bovenleiding: het zijn ouderwetse sleepbeugels, niet de ruitvormige, dubbele schaarbeugels (tweebeenpantograaf) van de meeste Nijmeegse trams van na de oorlog. Links op de achtergrond is nog wel een stukje van een tram met een duidelijke schaarbeugel te zien.

Berspoor – Berg en Dal (ansichtkaart), ca. 1950

Vanwege de vele foto’s is het niet moeilijk de tekening van Van Genk te vergelijken met de historische situatie. Waar de weergave in grote lijnen overeenkomt, lijken verschillende details ontsproten aan de verbeelding van de kunstenaar. Zo zijn de wegwijzers en het waarschuwingsbord weliswaar historisch correct, maar waren ze niet op de betreffende locatie te vinden in deze constellatie. Ook de reclame op de tramstellen komt niet overeen met de Nijmeegse realiteit in de jaren veertig en vijftig. Op geen van de honderden foto’s die ik heb gevonden, is een reclame voor Coca-Cola of het (mij onbekende) bedrijf Boers & Zn te zien. ‘Draper van den Broek’ (een bekende Nijmeegse meubelhandel) was veruit de meest voorkomende tekst. Een naam die mij zelf vertrouwd in de oren klinkt, maar die Van Genk weinig zal hebben gezegd.


NOOT

[1] Toen ik in 2015 een bestand met de tekening van Museum Dr. Guislain kreeg toegestuurd, was de titel daarvan District Mooi Nederland. ‘Bergspoor Mooi Nederland’ was de naam die vaak werd afgedrukt op ansichtkaarten met foto’s van de tramlijn.

Bouwend ’s Gravenhage

Bouwend ‘s Gravenhage | ca. 1960 | gemengde techniek op papier | 102 x 212 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Museum van de Geest, Haarlem

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Willem van Genk verhuisde in de zomer van 1940 vanuit Harreveld naar de Magnoliastraat in Den Haag. Hij was op dat moment dertien jaar en zou de rest van zijn leven in de Nederlandse residentie blijven wonen. Des te opmerkelijk is het dat Den Haag in zijn werk relatief zelden wordt afgebeeld – Arnhem, Amsterdam en zelfs Moskou komen veel vaker voor. Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 was een van de werken (catalogusnummer 20) getiteld Den Haag, maar hoogstwaarschijnlijk betrof het een tekening van de laatste rit van de Blauwe Tram in Amsterdam. Van Genk zelf was tot het laatste moment in het ongewisse gelaten over de tentoonstelling, dus de eventuele vergissing werd buiten zijn weten om gemaakt. [1]

Wat Van Genk tussen ca. 1940 en 1960 aan tekeningen van Den Haag had (en dat was toch nog wel flink wat), verwerkte hij grotendeels in de collage Bouwend ’s Gravenhage. Het gaat om een relatief vroege collage, weliswaar later dan Geldersche Tramwegen maar vroeger dan bijvoorbeeld Kathedraal Pilsen, Bahnhöfe van weleer of Internationale. Net als bij veel andere collages stelde Van Genk het werk samen uit oudere tekeningen, die hij soms verknipte of op een andere manier bewerkte. Bouwend ’s Gravenhage bestaat in grote lijnen uit twee stroken, en voor de overzichtelijkheid kan elke strook worden opgesplitst in twee delen, wat vier kwadranten oplevert:

De centrale afbeelding in kwadrant I is meteen de meest autobiografische component van de collage. Weergegeven is woningcomplex De Papaverhof dat in 1921 gebouwd werd naar ontwerp van De Stijl-architect Jan Wils. De Papaverhof is een Rijksmonument, bestaande uit 128 woningen die zijn aangelegd rond een (verdiept) plantsoen. Waarschijnlijk was de architectuur van Wils iets te modern naar de smaak van Van Genk, maar De Papaverhof lag en ligt tegenover Magnoliastraat 10. Zijn weergave van het complex correspondeert exact met het uitzicht vanuit de woning, die op de tweede verdieping is gesitueerd. [2] In het midden van zowel de boven- als onderkant van de grote tekening zijn nog twee kleine, bijna identieke tekeningen toegevoegd van het uitzicht vanuit een andere hoek.

Het tweede kwadrant heeft als meest in het oog springende afbeelding een tekening van het Vredespaleis tegen een donkere achtergrond, met eronder de woorden BOUWEND ’s GRAVENHAGE V.V.V. De letters zijn geknipt uit een document over Den Haag, wat onder meer te zien is aan de rode, nog leesbare afkorting H.T.M. (Haagsche Tramweg-Maatschappij). Hetzelfde procedé paste Van Genk toe in de afbeelding van de ooievaar in kwadrant III, eveneens afkomstig uit een document over tramlijnen in Den Haag. [3] Meest opvallend in dit kwadrant zijn de drie naast elkaar geplaatste tekeningen van het Oude Stadhuis aan de Groenmarkt. Kwadrant IV is ten slotte tegelijkertijd het kleinste en het drukste deel van de collage, met een groot aantal over elkaar heen geplakte tekeningen en knipsels. In dit kwadrant bevindt zich ook de signatuur van Van Genk, zij het niet helemaal in de uiterste hoek, plus zijn naam en woonplaats.

Voor Bouwend ’s Gravenhage knipte Van Genk vaak tekeningen op, verwisselde hij onderdelen of gebruikte hij gebouwen of voertuigen uit andere tekeningen waarvan de omtrekken niet meer in de collage voorkwamen (maar die hij meestal wel bewaarde). Voorbeelden van dat laatste zijn het gebouw boven het Vredespaleis in kwadrant II en de bus aan de onderkant van kwadrant III, beide afkomstig uit tekeningen waarvan de resten staan afgebeeld in Willem van Genk bouwt zijn universum. [4] De tekening helemaal links in kwadrant III kan op twee manieren worden aangevuld met fragmenten die in 2015 te zien waren tijdens de Stadshof-tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag: zowel de uitgeknipte tondo (met alleen maar een rasterstructuur) als de tekening waaruit de nieuwe tondo afkomstig was, lagen daar in de vitrines met een kleine greep uit de collectie van Museum Dr. Guislain.

Links: ‘Knipsel, uit de bibliotheek van Willem van Genk’ (Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 108); rechts: detail Bouwend ’s Gravenhage

Uit de grote tekening van het Vredespaleis in kwadrant II is linksboven een rechthoek geknipt, waarna op de vrijgekomen plaats een andere afbeelding van hetzelfde gebouw is aangebracht. Uit de verwijderde rechthoek knipte Van Genk het dakdeel en de toren, die hij respectievelijk iets naar rechts in kwadrant II en aan de onderrand van kwadrant IV opplakte. Ook van de tekening met de tram in kwadrant IV (met de tekst Het residentie orkest speelt ook voor U) is een gedeelte afgeknipt waarvan schuin daarboven weer een fragment is opgeplakt.

Een speciale categorie vormen de vijftien tondo’s in Bouwend ’s Gravenhage, die in meer dan de helft van de gevallen afkomstig zijn uit tekeningen in het werk zelf. Duidelijk te zien is dit in de rechter bovenhoek van kwadrant II, waar de tondo’s uit twee tekeningen van de Hofvijver zijn omgewisseld; en aan de onderkant van kwadrant IV, waar de gele kleur de uitwisseling toont. Bij de drie tekeningen van het Oude Stadshuis in kwadrant III heeft Van Genk het principe zelfs in drievoud toegepast op de toren van het gebouw.

De collage bevat een groot aantal afbeeldingen van kerken, die gedeeltelijk te identificeren zijn. De Grote of Sint-Jacobskerk komt een aantal keren voor, getekend vanuit verschillende hoeken. Aan de rechterkant van kwadrant II zien we de kerk vanuit de Prinsestraat; boven het verhoogde koor is een tondo toegevoegd van de andere kant van het koor. De tondo is afkomstig uit de tweede tekening van links in kwadrant III, waar de vrijgekomen ruimte is opgevuld met een tondo uit een kleinere tekening iets naar rechts. Daar verschijnt ook weer het torentje van het Oude Gemeentehuis. Iets naar beneden staat de toren van de Sint-Jabcobskerk afgebeeld, gezien vanaf de hoek Torenstraat/Riviervismarkt.

De tekening aan de linker zijkant van kwadrant III toont de Sint-Jacobus de Meerderekerk van Pierre Cuypers aan de Parkstraat, waarbij de omkadering suggereert dat het om een blik vanuit een raam gaat. De ingevoegde tondo is afkomstig uit een tekening van de Elandkerk aan het Elandplein, op enkele honderden meters van de Sirtemastraat waar de AVO-werkplaats was gevestigd. De kerk op het kruispunt van de vier kwadranten ten slotte is de Sint Barbarakerk aan de Beeklaan – de kerk waar in 2005 de uitvaartmis voor Willem van Genk werd gehouden.

Bouwend ’s Gravenhage 1946/8 en Bloeiend ’s Gravenhage 1948/1

Bouwend ’s-Gravenhage, met als ondertitel V.V.V. maandblad gewijd aan den stoffelijken en cultureelen opbouw van stad en badplaats, was een uitgave van het VVV in Den Haag in de jaren 1946-1947. Officieel was het een voortzetting van de Haagsche gids (‘officieel orgaan van de Vereeniging tot bevordering van het vreemdelingenverkeer te ‘s-Gravenhage, Scheveningen en omstreken’), die eind jaren twintig was begonnen maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd stopgezet. Bouwend ’s-Gravenhage ging in 1948 nog even verder als Bloeiend ’s Gravenhage, dat echter na tien nummers stopte. [5] Het zou te kort door de bocht zijn om Van Genks collage vanwege de woorden BOUWEND ’s GRAVENHAGE V.V.V. te dateren op 1946/1947. Wel is aannemelijk dat hij de publicatie bij het maken van de collage in zijn hoofd had.

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978) zou Van Genk nog een keer terugkomen op de titel Bouwend ’s Gravenhage, in de context van de afbraak van enkele historische kerken in Den Haag – kerken die overigens niet lijken voor te komen op de collage. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg kent als enig ander groter werk een nadrukkelijke Haagse component, maar verder is de stad opvallend afwezig in Van Genks oeuvre. Voor kleinere sporen moeten we ons wenden tot enkele vroege tekeningen, die hij kennelijk niet wilde verknippen voor de collage.

Hofplaats, Den Haag | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

Zo bezit Museum Dr. Guislain een tekening van de Hofplaats in Den Haag, een klein plein bij de kruising van Spui/Hofweg met Lange Poten/Spuistraat. Te zien zijn enkele trams en gebouwen, met op de voorgrond een parkeerplaats met auto’s en touringcars van onder andere Sommeling, Ebato en Hotam. Op een spandoek staat de tekst BOEKENWEEK WINKELSTAD SPUISRAAT POTEN etc. De tekening is afgedrukt in Willem van Genk bouwt zijn universum, met als titel Groot Arnhem. [6] Hoewel dit uiteraard een redactiefout kan zijn, zegt het ongewild iets over de alomtegenwoordigheid van Arnhem binnen het oeuvre van Van Genk versus de relatieve afwezigheid van Den Haag.


NOTEN

[1] ‘Gisteren hoorde de schilder pas van de heer Beljon, dat er een tentoonstelling van zijn werk was ingericht. De organisatoren hebben het niet eerder durven doen, omdat ze nog steeds benauwd waren dat hij het niet goed zou vinden, misschien dat hij bang zou worden.’ (Telegraaf, 18 januari 1964)

[2] Op de website Oozo.nl is een foto te zien van het uitzicht op De Papaverhof vanuit Magnoliastraat 10, dat vrijwel gelijk is aan de afbeelding op de tekening van Van Genk. Daar is ook te lezen dat Magnoliastraat 10 in 1924 is gebouwd en een oppervlakte heeft van 110 m2.

[3] De tekening waaruit de ooievaar in kwadrant II afkomstig was, was te zien in een van de vitrines van de tentoonstelling Woest.

[4] Respectievelijk betreft het de ‘Knipsels, uit de bibliotheek van Willem van Genk’ op p. 6 (onder) en p. 108 (boven). De tekening op pagina 6 toont het Stedelijk Badhuis Scheveningen, dat op de plaats stond van het latere Kurhaus en dat Van Genk dus uitsluitend van oude foto’s gekend kan hebben. Een mogelijke bron is hier te zien.

[5] Uit het voorwoord van het eerste nummer van Bloeiend ’s Gravenhage: ‘Een nieuw jaar – en een nieuwe naam. […] De naam is er een, welke wil aangeven dat voor ons het accent gelukkig weer kan worden verlegd van het wederopbouwen van de geschonden stad en badplaats naar de bloesems en vruchten, welke uit die wederopbouw te voorschijn zijn gekomen.’

[6] Op p. 142.

Voorburg

Hoek Van de Wateringlaan/Van Wassenaerstraat in Voorburg. Op de benedenverdieping no. 25, het woon/winkelpand van het gezin Van Genk. Foto: Google Street View, april 2019

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Het gezin van Jozef van Genk woonde tussen 1925 en 1939 in Voorburg, waar in 1927 zoon Willem werd geboren. Tot nog geen jaar geleden moesten we het voor wat betreft deze periode in het leven van de kunstenaar voornamelijk doen met de verhalen van zus Tiny, via de filters van Dick Walda en Ans van Berkum. De afgelopen maanden wist ik mondjesmaat gegevens boven water te krijgen die iets meer duidelijkheid schiepen over onder andere het tweede huwelijk van Jozef van Genk en de uiteindelijke verhuizing terug naar Den Haag. Recentelijk spoorde Jan Vellekoop in het Gemeentearchief in Den Haag een setje gezinskaarten op dat het bestaande beeld van de Voorburgse jaren aanzienlijk verscherpt.

Jozef en Maria van Genk verhuisden in juni 1925 van Den Haag naar Voorburg. Jozef was op dat moment 37 jaar oud, zijn vrouw 42 en er waren negen dochters, in de leeftijd van elf tot een. Het gezin kwam te wonen op het adres Van de Wateringelaan 25, een woon/winkelpand op de hoek met de Van Wassenaerstraat, waar op 1 september Van Genk’s Fruithandel officieel werd geopend. [1] Anderhalf jaar later, toen Maria van Genk op het punt stond opnieuw te bevallen, gingen dochters Leny (12), Nora (10), Jacqueline (8), Riet (7) en Agnes (6) naar het (uiteraard Rooms-katholieke) internaat Duinzigt in Oegstgeest, dat naast een kleuterschool en een lagere school ook een zevende en een achtste leerjaar kende. Oudste dochter Tiny (13) volgde begin juni, waarschijnlijk had zij tijdelijk de huishoudelijke taken van haar moeder opgevangen na de geboorte van Willem op 27 april. Ook Isabella (5) vertrok in september naar Oegstgeest, aan het begin van een nieuw schooljaar. Willy (4) en Addy (10) bleven daarmee als enige meisjes in Voorburg – Willy waarschijnlijk omdat zij nog te jong was, Addy mogelijk vanwege haar zwakke gezondheid. [2]

Eind juli 1929 keerden Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella uit Oegstgeest terug naar Voorburg; Nora volgde op 7 augustus. Half september vertrok Nora met Addy en Willy, die nog nooit van huis waren geweest, naar een kostschool in Leuven. Een maand later volgden de andere zes zusjes. Alle negen dochters waren daarmee het huis uit, alleen Willem woonde nog bij zijn ouders. In januari 1931 schreef Jozef van Genk de eerder geciteerde brief aan zijn dochters in België, waar alleen Nora niet goed haar best leek te doen: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld.

Op 25 november 1932 overleed Maria van Genk-Hoogstraten op 49-jarige leeftijd. Twee maanden later werd Van Genk’s Fruithandel opgeheven. [3] In februari 1933 keerden Tiny (19), Nora (16) en Jacqueline (14) na meer dan drie jaar vanuit Leuven terug naar Voorburg: de oudste dochters minus Leny en Addy, die in België bij de vier jongsten bleven. Kort daarvoor was Jozef van Genk verhuisd naar Van Aremberglaan 157 – het woon/winkelpand aan de Van de Wateringelaan, een paar honderd meter verderop, moest immers worden verlaten. Ook Addy (16) keerde begin augustus terug uit België, zij had kennelijk eerst het lopende schooljaar afgemaakt.

In 1934 leek Jozef van Genk een nieuw begin te (willen) maken. Op 9 mei trouwde hij in Den Haag op 46-jarige leeftijd met de 39-jarige weduwe Maria Heesen, wier zoon Herman (11) met haar meekwam naar Voorburg. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin van Genk naar Van Aremberglaan 86, tegenover de vorige woning aan Van Aremberglaan 157 waar ze slechts anderhalf jaar hadden gewoond. Dochter Riet (14) keerde eind september uit België terug naar huis; op het nieuwe adres woonden daarmee op dat moment negen personen. In april 1934 werden dat er tien, toen ook Maria Heesens dochter Christina (16) vanuit Enschede naar Voorburg kwam, waar ze een week later haar zeventiende verjaardag vierde. Haar verblijf was kennelijk geen succes, want nog geen zes weken later ging ze al weer terug naar Enschede.

Op 5 juni 1935 verscheen er een advertentie in de Haagsche Courant: ‘TUINMAN biedt zich aan voor het snoeien van fruitboomen, zomersnoei. Adres: J. van Genk, v. Aremberglaan no 86, Voorburg.’ Tiny zou later spreken over haar vader als eigenaar van een chocolaterie die daarna ging werken bij de Arbeidsinspectie in Den Haag. [4] De datum van die overstap is onduidelijk, maar op de kaarten van Voorburg wordt Jozef van Genk uitsluitend aangeduid als ‘fruithandelaar’. In ieder geval was de winkel al vanaf 1933 niet meer zijn eigendom en kluste hij kennelijk bij als tuinman – dat een fruithandelaar verstand had van fruitbomen, lag voor de hand. Drie jaar later bood hij zijn diensten nog steeds aan: ‘TUIN IN ORDE? Uw tuin één stukje natuurschoon. Advies gratis. Aanleg en onderhoud door vakman. Aanbev., JOS M VAN GENK’. [5]

V.l.n.r. Tiny, Leny en Nora van Genk, jaren dertig

In september 1935 vertrok de inmiddels jongvolwassen Nora (19) naar Naaldwijk. Haar nieuwe adres daar, Heerenstraat 1, was dat van haar ooms Arie en Jan Hoogstaten, twee ietwat zonderlinge maar zeer welgestelde broers van haar moeder die in Naaldwijk meerdere panden bezaten. Diezelfde maand ging Herman van Vlaardingen naar het internaat van de Kruisvaarders van St. Jan in Rijswijk, enkele dagen na zijn dertiende verjaardag. Hij zou niet meer naar Voorburg terugkeren. Het nu iets kleinere gezin Van Genk verhuisde opnieuw, dit keer naar Van Alphenstraat 93. Begin oktober vertrok Addy (18) naar haar oom en tante Van der Ouderaa in Bergen op Zoom. [6]

In maart 1936 keerden nog drie dochter terug uit België: Agnes (15), Isabella (14) en Willy (12) hadden zesenhalf jaar in Leuven gewoond. Leny hield het tot 1938 vol en was drieëntwintig toen ze terug naar Voorburg kwam. Dit suggereert dat zij al bezig was met haar voorgenomen intrede als kloosterlinge. In juni 1936 verhuisde Maria Heesen naar De Bilt; haar huwelijk met Jozef van Genk was kennelijk al na twee jaar officieus voorbij. In het najaar ging ook Tiny bij haar familie in Naaldwijk wonen, terwijl Addy in het voorjaar van 1937 juist weer terugkeerde naar Voorburg.

Begin 1939 gingen Addy en Jacqueline samen op kamers wonen op een adres in het centrum van Den Haag. [7] Een maand later vertrok Willem naar het internaat in Harreveld, waarna Jozef van Genk met zijn dochters Leny (23), Riet (19), Agnes (18), Isabella (17) en Willy (15) verhuisde naar Magnoliastraat 10 in Den Haag. Hier stoppen de gegevens op de gezinskaarten en zijn (vanuit die bron) de bewegingen van de Van Genks niet meer te volgen. Mogelijk voegden Addy en Jacqueline zich korte tijd later bij het gezin – in de Haagsche Courant stond op 1 juli 1939 een advertentie voor onder andere een ‘zo goed als nieuw, 2-persoons opklapbed’, met als adres Westeinde 195. De verhuizing van Voorburg naar Den Haag had mogelijk te maken met Jozefs nieuwe baan bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Een jaar later kwam ook Willem vanuit Harreveld weer naar huis. [8]


NOTEN

[1] Volgens de oude gezinskaart van Den Haag vertrokken de Van Genks naar het adres Van Heurnstraat 87 in Voorburg, volgens de gezinskaarten van Voorburg was het eerste adres in die gemeente Van de Wateringelaan 25. Het Handelsregister Zuid-Holland geeft 1 september als de officiële vestigingsdatum van ‘Van Genk’s Fruithandel – winkel in groenten en fruit, Van Wateringelaan 25 in Voorburg’.

[2] Volgens Tineke Dietvorst, dochter van een neef van de kinderen Van Genk, was Addy ‘heel fragiel’ (interview met Pierre en Tineke Dietvorst, 17 oktober 2018).

[3] In het Handelsregister Zuid-Holland staat op het document met oprichtingsgegevens de opmerking: ‘Handelszaak Januari 1933 opgeheven’. Een separaat document geeft aan dat Van Genk’s Fruithandel op 29 september 1933 formeel van eigenaar wisselde.

[4] Walda, Koning der stations, p. 31.

[5] Haagsche Courant, 22 november 1938.

[6] Willem was bij deze tante en oom opgevangen na het overlijden van zijn moeder, maar zijn woonplaats werd voor dit verblijf niet aangepast op de gezinskaarten.

[7] Het adres is Westeinde 195. In de Haagsche Courant staan rond deze tijd voortdurend advertenties voor woonruimte op dit adres, onder andere op 2 februari: ‘TE HUUR nette gemeubil. zit-sl.-kamer voor 2 personen, ƒ 4 per week.’

[8] De precieze data:

  • 19 juni 1925 – verhuizing vanuit Den Haag naar Van de Wateringelaan 25 in Voorburg
  • 28 februari 1927 – Leny, Nora, Jacqueline, Riet en Agnes vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 3 juni 1927 – Tiny vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 16 september 1927 – Isabella vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 27 juli 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 7 augustus 1929 – Nora vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 14 september 1929 – Nora, Addy en Willy vanuit Voorburg naar Leuven
  • 12 oktober 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Voorburg naar Leuven
  • 2 februari 1933 – verhuizing (Van Aremberglaan 157)
  • 16 februari 1933 – Tiny , Nora en Jacqueline vanuit Leuven naar Voorburg
  • 4 augustus 1933 – Addy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 8 mei 1934 – Herman van Vlaardingen vanuit Renkum naar Voorburg
  • 5 juni 1934 – verhuizing (Van Aremberglaan 86)
  • 28 juni 1934 – Maria Heesen vanuit Den Haag naar Voorburg
  • 28 september 1934 – Riet vanuit Leuven naar Voorburg
  • 13 april 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Enschede naar Voorburg
  • 25 mei 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Enschede
  • 5 september 1935 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 10 september 1935 – Herman van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Rijswijk
  • 11 september 1935 – verhuizing (Van Alphenstraat 93)
  • 1 oktober 1935 – Addy vanuit Voorburg naar Bergen op Zoom
  • 5 maart 1936 – Agnes, Isabella en Willy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 25 juni 1936 – Maria Heesen vanuit Voorburg naar De Bilt
  • 22 augustus 1936 – Tiny vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 14 april 1937 – Addy vanuit Bergen op Zoom naar Voorburg
  • 26 augustus 1938 – Leny vanuit Leuven naar Voorburg
  • 6 oktober 1938 – Nora vanuit Naaldwijk naar Voorburg
  • 17 januari 1939 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 15 maart 1939 – Addy en Jacqueline vanuit Voorburg naar Den Haag
  • 27 april 1939 – Willem vanuit Voorburg naar Harreveld
  • 28 juli 1939 – Jozef van Genk, Leny, Riet, Agnes, Isabella en Willy van Voorburg naar Den Haag