Zwagers

V.l.n.r. Agnes van Genk, Karel Bijmans, Riet van Genk, Tiny van Genk, Leonarda Pennenkamp, Jozef van Genk; ca. 1948.

In februari 1986 neemt Nico van der Endt tijdens een bezoek aan Harmelenstraat 28 een gesprek met Willem van Genk op. Daarin onder meer de volgende passage:

WvG: Nee maar ja dus, ik heb in de familie heb ik een architect gehad. Een zekere Cor Brugelmans, da’s een eh, van m’n overleden zuster, die pas is overleden …

NvdE: Man van je overleden zuster?

WvG: Ex-man, hè, vorige man hè, niet de huidige man hè, nou ja dat was een architect, en eh … nou ja die heb, die had ook … die had een ontwerp van een wolkenkrabber gemaakt, op een kruispunt … precies op een kruispunt hè, zoiets dat moet … Memphis, ergens in de buurt, Iowa …

NvdE: Dat is gebouwd?

WvG: Had hij ontworpen. ’t Is Nooit neergezet hè?

De zwager over wie het hier gaat is Cor Bruglemans, die van 1944 tot 1955 een relatie had met Nora van Genk. Cornelis Johannes Aloijsius Bruglemans werd geboren op 19 februari 1906 in Roosendaal. Hij had zich als architect gevestigd in Antwerpen, waar hij in 1931 trouwde met Elisabeth Maria Hendrika Hendrickx uit Borgerhout. Uit zijn relatie met Nora van Genk (1916) werd een dochter geboren, het oudste kleinkind van Jozef van Genk. Nora van Genk overleed in juli 1984, Cor Bruglemans in november 1992.

Willem van Genk had negen zusters van wie er vijf trouwden. Van die vijf bleven er twee kinderloos en kregen er drie elk twee kinderen. Jozef van Genk had derhalve in totaal zes kleinkinderen, vijf meisjes en één jongen. Leny, Jacqueline, Isabella en Willy trouwden niet en hadden ook geen kinderen. Nora had dochters uit twee verschillenden relaties, waarmee het aantal zwagers van Willem van Genk op zes kwam. In hoeverre hij op de hoogte was van het feit dat Nora en Cor Bruglemans niet getrouwd waren, is onduidelijk. Volgens hun dochter had Willem haar vader wel een aantal malen ontmoet. [1]

De Tweede Wereldoorlog viel voor veel dochters Van Genk samen met de leeftijd waarop onder meer normale omstandigheden verlovingen en huwelijken aan de orde waren geweest. De eerste die trouwde, in februari 1948, was Agnes (1920). Haar man Karel Bijmans, geboren op 17 november 1919 in Den Haag, kwam eerder ter sprake – mogelijk had Jozef van Genk hem tijdens de bezetting geholpen te ontkomen aan tewerkstelling in Duitsland. Zeker lijkt wel dat de ouders van de bruid en die van de bruidegom elkaar al kenden. Agnes en Karel kregen twee dochters; Agnes overleed in februari 1988, Karel in oktober 1990.

Riet van Genk (1919) trouwde in februari 1953 met Martin (Martinus Johannes) Roozenburg, geboren op 15 oktober 1921 in Pangkalan Brandan. Ze kregen een zoon en een dochter. Volgens hun zoon hadden zijn ouders “elkaar leren kennen op het werk: Ministerie van Defensie (toen nog Marine dacht ik), maar zeker pas ruim na de oorlog.” [2] Riet overleed in november 1995, Martin in oktober 2002. Waarschijnlijk was hij de “doodgewaande zwager” die Willem van Genk in februari 1997 tegenkwam op het verjaardagsfeestje van zijn oudste zuster. [3]

Addy van Genk (1917) trouwde in november 1954 met Peter (Petrus Adrianus) Adrianus Persoon, geboren in Den Haag op 3 april 1905. Voor Peter was dit zijn tweede huwelijk, eerder was hij in augustus 1931 getrouwd met Pieternella Maria Hendrika Gerritse. Zijn beroep was op dat moment magazijnmeester; het paar kreeg in december 1932 een dochter. Pieternella Persoon-Gerritse overleed in september 1953, waarna haar man een jaar later hertrouwde. Peter Persoon overleed in maart 1971 aan de gevolgen van een auto-ongeval. Zijn schoonzuster Tiny vertelde hier in 1998 over:

Die man die had een ongeluk gehad. Hij bracht vrienden weg en het had gevroren, en hij bracht ze weg. En d’r kwam een vrouw, en die wou nog net oversteken … op het laatste nippertje, en die vrouw die was aan de overkant, maar hij gleed door tegen een boom aan, en hij moest naar de Ursula en hij is niet meer bijgekomen. Maar mijn zuster ging altijd op d’r fietsje, terwijl ’t vroor, naar de Ursula en dat was een heel end […] Maar ja, Peter, dat was Peter haar man, die kon ook tekenen hoor, en schilderen, maar anders, meer rechtlijnig. Eer hangt ook nog iets bij Wim dat hij gemaakt heeft. [4]

Over Peter Persoon weten we iets meer door het interview van Bibeb met Willem van Genk uit 1964. Hij figureerde daarin als Van Genks betweterige “forse zwager, de koele blik achter brilleglazen.” Hij domineert het gesprek, probeert gewichtig te klinken en kleineert Van Genk en zijn echtgenote.

In de brieven van Addy van Genk aan Pieter Brattinga en Alfred Schmela (zie hier) komt haar echtgenoot nauwelijks voor – op zichzelf een interessant gegeven, zeker gezien een opmerking van Peter Persoon tegen Bibeb: “‘Mijn vrouw heeft een ongeluk gehad, schedelbasisfractuur, is nooit helemaal terechtgekomen. Maar goed, we behartigen nu zijn zaken.” [5] Het lijkt echter vooral Addy te zijn die uiteindelijk de zaken van haar broer behartigt, van psychische of neurologische beperkingen is in de brieven weinig te merken. Uit haar laatste brief aan Brattinga: “Mijn man heeft een ernstig auto-ongeval gehad en ligt nu in Wassenaar in het ziekenhuis.” [6] Zelf overleed ze een jaar later.

Tiny van Genk (1914) was de oudste van de negen dochters van Jozef van Genk maar trouwde zelf pas in 1956, op tweeënveertigjarige leeftijd. Echtgenoot Theo van den Heuvel was volgens haar de reden dat haar broer zich op het maken van trolleybus-assemblages had gestort. In het eerder geciteerde interview uit 1998 zegt ze hierover:

Mijn man – daar staan zijn trammetje, zie je – mijn man, die gaf Wim een beetje aandacht. Hij was de enige, die andere zwagers deden dat niet. En mijn man was een top-technicus eigenlijk, maar als er bij Wim wat stuk was of wat dan ook, dan ging hij meteen naar ‘m toe. Ja, een ander die liet er dagen overheen gaan maar hij – meteen, à la seconde, meteen! […] Die anderen kwamen nooit, trouwens. Al die zwagers zijn ook dood, ‘k heb er nog maar één. Maar mijn man zijn hobby waren die trammetjes, dat vond Wim prachtig. En hij kon d’r wel eens een paar woorden mee wisselen, over trammetjes.

In Dick Walda’s boek Koning der stations zijn Tiny’s opmerkingen hierover vergelijkbaar: “Mijn man was geluidstechnicus met als hobby het maken van kleine trams. Alles wat u hier ziet is gemaakt door mijn man. Wim heeft die traditie voortgezet. Maar zijn voorliefde gaat meer uit naar trolleybussen. […] Dat hij met die trolleybussen is begonnen, is een soort heimwee naar mijn man. Alles wat met vroeger te maken heeft, wil hij vasthouden.” [7]

Wat Tiny niet aan de interviewers vertelde, was dat zij in 1956 met een gescheiden man was getrouwd – voor een keurige katholieke dame bepaald niet iets om aan de grote klok te hangen. Theodore Ferdinand Marie van den Heuvel was op 18 september 1915 geboren in Amsterdam. Hij trouwde in november 1937 met Cornelia Kraan uit Haarlem; het paar kreeg vijf kinderen, de jongste werd geboren in augustus 1954. In april 1955 werd het huwelijk ontbonden door de arrondissementsrechtbank in Den Haag. Elf maanden later trouwde Theo van den Heuvel met Tiny van Genk. Hij overleed in augustus 1980.

“Mijn man heeft – toen Wim bekender werd – gezorgd voor zijn zakelijke contacten, want mijn broer heeft geen verstand van geld, het interesseert hem niet”, aldus Tiny. [8] Het zou inderdaad goed kunnen dat Tiny en Theo na het overlijden van Peter en Addy Persoon de zaakwaarneming overnamen. In dat geval waren zij het wellicht die hadden aangedrongen op de breuk met Pieter Brattinga. Ook tijdens Van Genks periode bij galerie De Ark in Boxtel (1973-1976) speelden zij mogelijk een rol. [9] Volgens Tiny had haar broer veel respect voor haar man: “‘Het was een volmaakt stukje mens’, staat er ook in een van die dingen, dat is echt … Niemand is volmaakt hè? Maar hij zag in hem een volmaakt stukje mens.” [10]

De grafsteen van Tiny van den Heuvel-van Genk

De laatste van de zusters die trouwde was Nora van Genk, met de eveneens gescheiden Ben (Hubertus Marinus George) Zalme. Bij het huwelijk in augustus 1958 was zij tweeënveertig jaar oud. Hun dochter werd in december 1959 geboren, kort na het overlijden van grootvader Jozef van Genk. Nora van Genk was daarmee de moeder van zowel diens oudste als diens jongste kleinkind. [11]

In het geciteerde interview uit 1998 met Tiny van Genk merkt Ans van Berkum op over Theo van den Heuvel, na de loftuitingen van zijn weduwe: “Maar hij had veel aandacht voor Wim en hij zorgde voor Wim en hij gaf … ”, waarop Tiny haar onderbreekt: “Nou, zó veel aandacht had-ie nou ook al weer niet, maar hij práátte met ‘m, hij lúisterde naar ‘m, en dat is belangrijk. Terwijl de anderen dat niet deden, want Wim die werd een beetje … Ze lieten ‘m eigenlijk maar praten. Hij is niet zo in tel geweest bij die andere zwagers; nee, nee.”


NOTEN

[1] E-mail van Irene Zalme aan Jack van der Weide, 16 juni 2021.

[2] E-mail van Albert Roozenburg aan Jack van der Weide, 8 augustus 2020.

[3] “Hij […] vertelt mij dat hij – sinds lange tijd – weer eens heeft deelgenomen aan een verjaardagsfeestje. Zijn oudste zuster blijkt de dag ervoor 84 jaar te zijn geworden; hij trof daar zelfs een doodgewaande zwager aan.” (Walda, Koning der stations, p. 91)

[4] Interview met Tiny van Genk door Ans van Berkum en Carolien Satink, 1998 (opname in mijn bezit). De Ursulakliniek was een neurokliniek in Wassenaar, waarschijnlijk ging het dus om hoofdletsel.

[5] Bibeb, ‘Ik ben een stuk grijs pakpapier’, p. 117.

[6] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga, 22 februari 1971 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[7] Walda, Koning der stations, pp. 32, 37.

[8] Ibid., p. 34.

[9] Pieter van der Linden, die in die periode een aantal administratieve, juridische en ook praktische zaken voor Van Genk regelde, liet weten dat hij als dank daarvoor van Tiny een schilderij mocht uitzoeken (e-mail van Pieter van der Linden aan Jack van der Weide, 7 december 2020). Nico van der Endt, die na de periode bij De Ark in beeld kwam, gaf desgevraagd aan nooit met Theo van den Heuvel te maken hebben gehad en hem zelfs nooit te hebben ontmoet (e-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 27 juli 2021).

[10] Interview met Tiny van Genk door Ans van Berkum en Carolien Satink, 1998. Tiny verwijst hier naar het interview met Bibeb, waar Van Genk inderdaad zegt over een van zijn zwagers: “’t Is een volmaakt stukje mens.” Of dit een compliment is, valt echter te betwijfelen.

[11] Nadere gegevens over Ben Zalme zijn op verzoek van de familie verwijderd.

Context

Den Haag 1905, hoek Borneostraat/Malakkastraat. Op Malakkastraat nummer 6 (rechts, bij de etalageruit) was tussen 1916 en 1922 de winkel gevestigd van Jozef van Genk. (Foto: J.C.C. Witte, Haag Gemeentearchief.)

Jozef en Maria van Genk werden op 14 oktober 1915 ingeschreven in de gemeente ’s-Gravenhage, waarheen ze vertrokken waren vanuit Roosendaal. Maria van Genk was op dat moment zo’n vier maanden in verwachting van hun derde kind. Het eerste adres van het gezin van Genk in Den Haag was Westeinde 257, waar ze vier-en-een-halve maand zouden blijven wonen. De woning bevond zich in een hofje even opzij van de hoofdstraat, het zogeheten ‘Hofje van Vredebest’ dat uit 1864 stamde. Op 3 november kwam op nummer 247 een pasgetrouwd echtpaar wonen, Joop en Anna Bijmans, eveneens van katholieke huize. Anna Bijmans was bovendien net als Maria van Genk in verwachting; de beide echtparen zullen elkaar vrijwel zeker hebben gekend.

Op 29 februari verhuisde het gezin Van Genk naar Malakkastraat 6 in Den Haag, een woon-winkelpand. Hier werd op 9 maart 1916 dochter Nora geboren – en na haar ook Addy, Jacqueline, Riet, Agnes en (nog net) Isabella. Aangenomen mag worden dat Jozef van Genk op dit adres zijn fruithandel uit Roosendaal voortzette, met op 30 augustus 1918 opnieuw een faillissement dat een maand later werd opgeheven. Verhuizen deed het gezin pas weer in januari 1922, en opnieuw in maart 1923, toen Maria van Genk in verwachting was van dochter Willy. Vanaf dit laatste adres, Renbaanstraat 7 in Scheveningen, verhuisde het gezin Van Genk in juni 1925 naar Voorburg. Hier werd op 2 april 1927 zoon Willem geboren.

In 1929 gingen de negen zusjes naar een kostschool in België. Tiny van Genk, tachtig jaar na dato: ‘Het katholieke internaat in Leuven heette ‘Ecole du Commerce’. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden.’ [i] Eerder meldde ik dat ik geen school van die naam had kunnen vinden. Dat was ook niet zo vreemd, aangezien het in werkelijkheid ging om Het Heilig Hartinstituut in de Leuvense deelgemeente Heverlee, dat stamde uit 1887 en dat werd (en wordt) geleid door de Zusters Annuntiaten van Heverlee. Een eerste zoekactie van een behulpzame archivaris en erfgoedbeheerder leverde een leerlingenkaart op van Riet van Genk, waaruit bleek dat zij in de leerjaren 1932-1933 en 1933-1934 de richting handel volgde aan de Vlaamse afdeling van de beroepsschool. [ii] In september 1934 keerde zij terug naar Voorburg.

Ook over een andere zuster van Willem van Genk, Leny, waren gegevens te vinden en wel in de database van de Annuntiaten zelf. Leny (dan nog: Lena) bleek op 26 september 1932 te zijn ingetreden, ging zes jaar als ‘Lidwina’ door het leven en trad in 1938 weer uit. De foto van haar in habijt zal daarmee in deze periode zijn gemaakt. Dit verklaart ook de onzekerheid onder nog levende familieleden of hun tante ooit daadwerkelijk was ingetreden: ja, maar tijdelijk. Opmerkelijk is daarnaast dat de Annuntiaten een orde van tertiarissen vormen, een “derde orde”. Dit houdt in dat er verschillende soorten leden kunnen zijn, onder wie ook (eventueel: getrouwde) leken. Maria van Genk was volgens de tekst op haar bidprentje eveneens ‘Lid der Derde Orde’.

Leny keerde in augustus 1938 vanuit Heverlee terug naar Voorburg en verhuisde een jaar later met haar vader en een aantal van haar zusters naar de Magnoliastraat in Den Haag, waar zich uiteindelijk ook Willem bij hen voegde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Joseph van Genk als vermeld actief in het verzet. Via zijn werk als ambtenaar bij het Gewestelijk Arbeidsbureau kon hij onder meer jonge mannen behoeden voor tewerkstelling in Duitsland door doktersverklaringen voor ze te regelen. Hij maakte deel uit van de katholieke verzetsgroep “Voor God en de Koning” die onder leiding stond van Frans Mol, eveneens werkzaam op het Gewestelijk Arbeidsbureau. Omdat die groep in juni 1944 werd verraden, ging ik ervan uit dat ook Jozef van Genk toen werd gearresteerd en dat kort daarna de vaak aangehaalde ondervraging van Willem van Genk door de SD plaatsvond.

Uit een brief van de Stichting 1940-1945 aan Marijke Bijmans, een kleindochter van Jozef van Genk, blijkt dat de arrestatie al een half jaar eerder was:

Op 29 juli 1948 diende de heer Josephus Johannes Maria van Genk, geboren 10 november 1887, een aanvraag om toekenning buitengewoon pensioen in, daar hij van mening was dat zijn gezondheid geschaad was door het door hem verrichtte illegale werk. Bij beschikking van 8 februari 1952 werd hem door de (toenmalige) Buitengewone Pensioenraad een tijdelijk buitengewoon pensioen verleend.

De heer Van Genk was werkzaam bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te Den Haag  en maakte deel uit van een uit personeel van dit bureau gevormde sabotagegroep. De heer Van Genk zond regelmatig personen die voor tewerkstelling in Duitsland in aanmerking kwamen naar artsen die hun medewerking wilden verlenen aan afkeuring. Hij voorzag onderduikers van valse papieren en distributiebescheiden. Hij heeft door deze werkzaamheden een groot aantal personen voor uitzending naar Duitsland weten te vrijwaren.

Op 30 januari 1944 werd hij op zijn werk door de SD gearresteerd. Hij wendde bewusteloosheid voor en werd naar het ziekenhuis St. Johannes de Deo aan het Westeinde gebracht. De arts zond de bewakers weg met de belofte dat hij zelf voor de bewaking zou zorgen. Men kwam nog eens ter controle terug en onmiddellijk daarna werd de heer Van Genk langs een andere weg uit het ziekenhuis gebracht. Hij vluchtte naar Schijndel waar hij tot de bevrijding ondergedoken bleef. Er volgden geen maatregelen tegen de arts. [iii]

Bij het overlijden van Jozef van Genk in 1958 kwam een deel van deze informatie terug in enkele korte krantentartikelen:

Jos. J. van Genk overleden

Op 70-jarige leeftijd is na een langdurige ziekte alhier overleden de heer Jos J. van Genk, die in de bezettingsjaren in de verzetsbeweging een zeer actieve rol heeft vervuld. De heer Van Genk werd als schrijver bij het departement van oorlog tijdens de bezetting bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te werk gesteld. Het was in deze functie dat hij regelmatig een aantal doktoren heeft weten te bewegen, naar Duitsland tewerkgestelden te doen afkeuren. Door middel van valse papieren heeft hij zeer velen voor uitzending weten te behoeden. In 1944 toen zijn ondergronds werk aan de Duitsers ter ore kwam, is hij door de S.D. gearresteerd. Ten gevolge van ondergane mishandelingen, waarbij hij zich ten slotte bewusteloos hield, is het hem gelukt te ontkomen en naar Schijndel te kunnen vluchten. De vele spanningen hebben nadien ‘n sterke reactie op zijn gestel ten gevolge gehad, waarvan een langdurig ziekbed uiteindelijk het gevolg is geweest. Dinsdag om 10 uur wordt in de H. Familiekerk de uitvaart gehouden waarna de begrafenis op het St. Barbarakerkhof alhier plaatsheeft. [iv]

In een ander artikel stond iets meer informatie over de aanwezigen bij de uitvaart:

Op het kerkhof waren o.m. aanwezig de heer H. van Vugt, namens het Gewestelijk Arbeidsbureau, waaraan de overledene voorheen was verbonden. Van de Stichting 1940-45 waren er de heren C. Mineur en H. v. Vugt. Voorts volgden met de familieleden een aantal belangstellenden wier zonen tijdens de bezetting de wegvoering naar Duitsland, dank zij de hulp van de heer Van Genk bespaard is gebleven, de baar. Onder hen waren de kunstschilder P. Stordiau met echtgenote en zoon, de heer en mevrouw dr. E. J. del Campo en enkele anderen.

‘Kunstschilder P. Stordiau’ was een oude bekende van Jozef van Genk, over wie ik eerder schreef. [v] Zijn oudste zoon Jérôme (1924) had inderdaad de leeftijd om in 1942-1943 naar Duitsland te worden gezonden, maar het is uiteraard ook mogelijk dat Pierre Stordiau enkel als vriend van de familie bij de uitvaart aanwezig was. Met ‘dr. E.J del Campo’ is waarschijnlijk bedoeld Emile Joseph à Campo (1891-1981), toentertijd woonachtig in Den Haag. A Campo was de voormalige president-directeur van de Stichting voor de Ontwikkeling van de Machinelandbouw in Suriname en als zodanig een vooraanstaand Nederlander.

En mogelijk was er bij de uitvaart nog een persoon aanwezig die ‘tijdens de bezetting de wegvoering naar Duitsland, dank zij de hulp van de heer Van Genk bespaard is gebleven’. Op 4 februari 1948 trouwde de zevenentwintigjarige Agnes van Genk voor de wet met de één jaar oudere Karel Bijmans, zoon van Joop en Anna Bijmans die enkele maanden tegelijk met het echtpaar Van Genk in het Hofje van Vredebest hadden gewoond. Agnes en Karel Bijmans kregen twee dochters, maar lieten tegenover hen weinig los over hun kennismaking of de jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wel was Karel Bijmans inderdaad via een doktersverklaring ontkomen aan tewerkstelling in Duitsland, terwijl hij bij weten van zijn jongste dochter niets mankeerde. Binnen de standsbewuste familie Van Genk was de meer volkse Karel bovendien een enigszins vreemde eend in de bijt. [vi]

Foto tijdens het huwelijk van Karel Bijmans (A) en Agnes van Genk (B), waarbij ook aanwezig Riet van Genk (1), Willy van Genk (2), Isabella van Genk (3), Albertine van der Ouderaa (4), Jozef van Genk (5), Addy van Genk (6), Leonarda Pennekamp (7) en Leny van Genk (8) (archief Marijke Bijmans).

Een opmerkelijk gast bij het huwelijk van Agnes van Genk in 1948, getuige een bij die gelegenheid gemaakte foto, was Leonarda Pennekamp, die vier jaar later de derde echtgenote van Jozef van Genk zou worden. Ook op een andere foto uit die tijd is zij al te zien, samen met Agnes van Genk, Karel Bijmans, Riet van Genk, Tiny van Genk en Jozef van Genk. Die laatste was in 1948 officieel nog getrouwd met Maria Heesen, van wie hij hij echter al zo’n tien jaar gescheiden leefde. Uit een dossier bij de Sociale Verzekeringsbank bleek dat ook Leonarda Pennekamp een verzetsverleden had, zodat het waarschijnlijk is dat zij Jozef van Genk via die weg kende. [vii] Eerder was zij getrouwd geweest met Hendrik van der Wal, die in januari 1945 overleed. Na haar huwelijk met Jozef van Genk zou zij de telefoon blijven opnemen met de naam van haar eerst echtgenoot: ‘U spreekt met mevrouw Van der Wal …’ [viii]


NOTEN

[i] Walda, Koning der Stations, p. 31.

[ii] E-mail van Ria Christens aan Jack van der Weide, 1 juni 2021. De naam van Riet/Marietje (Maria Julia Anna) van Genk wordt op de kaart verfranst weergegeven als ‘Van Genck, Mariette Johanna’. Ook in het Frans vermeld zijn de studierichting en de taal van de afdeling.

[iii] Brief van M.J.C.F. Smits-Delfgaauw aan Marijke Bijmans, 8 augustus 1995.

[iv] Marijke Bijmans: ‘Ik heb ook nog wat rouwadvertenties van mijn grootvader uit de Haagse Courant, Het Binnenhof en de Volkskrant. Mijn moeder [Agnes van Genk; JvdW] heeft die krantenknipsels altijd bewaard. […] Helaas staat er niet bij welk artikel in welke krant stond. Deze krantenknipsels zaten bij elkaar in een envelop en op de envelop stond geschreven dat het in die genoemde kranten stond. Wel met de datum 6 en 7 oktober 1958.’

[v] Hier en hier.

[vi] Interview met Marijke Bijmans, 14 mei 2021.

[vii] E-mail van Alex de Baar aan Jack van der Weide, 17 september 2020.

[viii] Mededeling Irene Zalme, 27 februari 2018.

Broeders en zusters

Detail Colonnade St. Pieter (1966)

In een van de eerste posts van deze blog schreef ik naar aanleiding van alle (en naar mijn mening: te grote) aandacht voor het leven van Willem van Genk: ‘in het geval van Willem van Genk bestaat er geen twijfel over het belang van zijn ervaringen, obsessies en mentale problemen voor zijn werk. Door echter alleen op zijn leven te focussen doet men dat werk ernstig te kort.’ Waaraan ik toevoegde dat het tegelijkertijd wel goed is om een meer gedegen biografische basis te leggen en om tegelijkertijd aan te geven welke zaken verder onderzoek verdienen, omdat we nog over veel te weinig gegevens beschikken, met name waar het gaat om Van Genks jeugd en vroege volwassenheid. 

Inmiddels begint er steeds meer informatie te komen over het leven van Willem van Genk: er dook een stiefbroer op, er bleek een setje gezinskaart uit de jaren dertig te zijn, de contouren van Jozef van Genk gingen zich duidelijker aftekenen, jeugdliefde ‘Madeleintje Storio’ kon worden geïdentificeerd en zo verder. Mijns ondanks ben ik steeds verder verstrikt aan het raken in de levensfeiten van Willem van Genk en het einde is nog bepaald niet in zicht. Want waar is de geboorteakte? Welke opleidingen volgde hij, en waar? Wat waren zijn eerste baantjes? Hoe kwam hij onder de aandacht van Nico Speijer? Wie was Troekie Spigt? En zo verder, ongetwijfeld.

Volgens de monografie over Willem van Genk van De Stadshof uit 1998 ‘is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld.’ [1] Waarom dit ‘bekend’ is, is niet duidelijk; desalniettemin is het de enige verwijzing naar Huijbergen en Harreveld waar we over beschikken. Uit korte mededelingen in kranten bleek dat Willem/Wim van Genk in mei 1939 uit Voorburg was vertrokken naar Harreveld en dat hij in juli 1940 weer terugkeerde, naar Den Haag waar Jozef van Genk inmiddels met zijn dochters woonde. Het archief van het internaat in Harreveld was bij een brand verloren gegaan, zodat we het met die gegevens moesten doen.

Huijbergen dan. Volgens zijn oudste zuster Tiny Van Genk werd haar broer na de dood van zijn moeder ‘door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [2] Huijbergen noemt zij niet en Van Genk zelf laat zich evenmin over dit verblijf over uit. In Huijbergen, een paar kilometer ten zuiden van Bergen op Zoom, was inderdaad een “pensionaat voor jongeheeren” genaamd Sainte/Sint Marie, een jongenskostsschool die was ondergebracht in het Wilhelmietenklooster van de Broeders van Huijbergen. In het archief van het pensionaat was echter niets over Van Genk te vinden. Gelukkig bezat mijn contactpersoon, nadat ik had vermeld dat de moeder was overleden, de tegenwoordigheid van geest om ook te kijken in het archief van het eveneens door de Broeders van Huijbergen bestierde weeshuis, en dit keer was het raak:

Informatie uit het archief van de Broeders van Huijbergen betreffende:

Wim F. van Genk, geboren 2 april 1927

Naam en geboortedatum komen voor op een lijst persoonsgegevens van de leerlingen die in 1941 in het weeshuis verbleven, toegezonden aan de Nederlandsche bond tot kinderbescherming. Hierbij moest worden aangegeven of zij “geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede” waren. (De ondertekenaar laat overigens weten dat hij niet op de hoogte is van de komst van deze kinderen.)

Hij verbleef in het weeshuis te Huijbergen van september 1940 tot 26 juli 1941 en volgde de 5e klas.

Dit blijkt uit: een register waarin de maandelijkse (gedrags)punten vermeld staan; en een aantekening in het register van aankomst, waarvan hier alleen vermeld is dat hij een volledige uitzet bij zich had, en de datum van zijn vertrek. [3]

Bijgevoegd waren foto’s van de genoemde documenten.

Details van documenten uit het archief van de Broeders van Huijbergen

Van Genk was dus pas naar Hijbergen gegaan ná zijn verblijf in Harreveld en al tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit verklaart ook waarom er op de gezinskaarten uit de Voorburgse periode niets te zien is over een eventueel vertrek naar Huijbergen: hij woont dan nog thuis. Dat hij op dertienjarige leeftijd in de vijfde klas wordt geplaatst, zegt iets over zijn leerproblemen. Zijn gedrag was daarentegen redelijk voorbeeldig. Wat de rol was van de kinderbescherming, helemaal tijdens de bezetting, zou verder moeten worden onderzocht. Opmerkelijk vind ik ook dat Van Genk bijna acht jaar na het overlijden van zijn moeder pas naar een weeshuis wordt gestuurd – en dat hij na een jaar weer terugkeert. [4]

Hoe ver moet je gaan bij het zoeken naar biografische gegevens? Willem van Genk had negen zusters, van wie in ieder geval Riet (1919-1995), Agnes (1920-1988) en Isabella (1922-1965) weinig invloed op zijn leven hebben gehad. Dit lijkt ook het geval te zijn met Leny, de tweede dochter van het gezin. Helena Eleonora Maria van Genk werd geboren op 14 januari 1915, net als haar één jaar oudere zuster Tiny in Roosendaal; hierna verhuisde het gezin naar Den Haag, waar de andere zeven dochters werden geboren. Tiny, Leny en hun zusje Nora (1916-1984) verbleven van oktober 1920 tot januari 1922 in het pensionaat Sacré Coeur in Moerdijk. Van februari 1927 tot juli 1929 verbleef Leny met een aantal van haar zusjes in internaat Duinzigt in Oegstgeest, in het najaar van 1929 gingen alle dochters naar een kostschool in Leuven. In een brief die vader Van Genk aan zijn kinderen in Leuven schreef, vraagt hij hen de groeten te doen aan ‘de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.

Leny van Genk

Hierna keren de meisjes één voor één terug naar Voorburg, Leny in augustus 1938 als laatste; ze is dan al drieëntwintig. Op een foto die waarschijnlijk uit die tijd stamt, heeft ze een habijt aan: Leny had de ambitie om in te treden en verder als kloosterzuster door het leven te gaan. Volgens haar neef Albert Roozenburg, zoon van Riet van Genk, zou dat er uiteindelijk nooit van komen. [5] Op enig moment vertrok ze naar Noordwijkerhout waar ze ging werken in Sancta Maria, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize die in 1928 was opgericht door de congregatie van Zusters van liefde voor Jezus en Maria. [6] In 1957 werd zij hier patiënt: ‘Bij vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ’s Gravenhage dd. 30 augustus 1957 is op eigen verzoek onder curatele gesteld; Helena Eleonora Maria van Genk, momenteel verblijvend Huize Sancta Maria te Noordwijkerhout.’ [7] Albert Roozenburg:

Ik ben vaak in Sancta Maria geweest bij haar en heb daar nog wel herinneringen aan. Ze kwam ook bij ons thuis in Den Haag op visite. Ik heb ooit een mooie puzzel van Nederland van haar voor mijn verjaardag gehad. In Sancta Maria viel het mij wel op dat zij eigenlijk een van de betere patiënten was: volgens mij hielp ze het verplegend personeel ook met de zorg voor andere patiënten.

Leny van Genk overleed in Noordwijkerhout op 10 december 1967. Ze was tweeënvijftig jaar.

Grafsteen van Leny van Genk (foto: Jan Vellekoop)

Willem van Genk had weinig op met het katholicisme van zijn familie. Desalniettemin was hij gedwongen om zijn eerste buitenlandse reizen te maken met katholieke reisverenigingen. Er staan opvallend vaak nonnen afgebeeld op zijn werken uit de jaren zestig, al hoeft dit niet meteen te worden gezien als een verwijzing naar Leny: het gaat met name om afbeeldingen die in Italië zijn gesitueerd, al zijn er ook nonnen te vinden op onder meer Praag en Madrid. Op de achterkant van Colonnade St. Pieter is de Amerikaanse televisieserie De vliegende non het onderwerp van een knipsel. Geen vreemde associatie waar het Vaticaanstad betreft.

Detail Waarheidsfestival (1972)

Of de geestesgesteldheid van Leny licht zou kunnen werpen op die van haar broer is maar zeer de vraag, aangezien we niets weten over haar diagnose. Overigens had het weinig gescheeld of Willem van Genk zelf was eveneens opgenomen in Noordwijkerhout, waar ook een instelling was voor mánnelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize (Sint Bavo). Bibeb in 1964:

Het jaar dat dit interview werd geschreven werd hem het werk en z’n salarisje waarvan hij kon sparen voor z’n reizen afgenomen. Hij kreeg voor wat hij van 8 tot 5.30 uur deed 5 gulden in handen. Na zijn paniek hierom wilden bepaalde instanties hem naar de inrichting te Noordwijkerhout sturen. Dit is voorkomen. [8]

Het had dus ook heel anders kunnen lopen met Willem van Genk.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[2] Walda, Koning der stations, p. 31.

[3] E-mail van broeder Bram aan Jack van der Weide, 5 januari 2021.

[4] Van Genks jongste zuster Willy in 1964 tegen Bibeb: ‘[Vader] deed Wim, toen hij klein was, in een weeshuis, omdat ie geen zin had in leren.’ Dit blijkt dus te kloppen

[5] E-mail Albert Roozenburg aan Jack van der Weide, 1 augustus 2020.

[6] ‘Tot ver na de oorlog ademde Sancta Maria tot in alle hoeken en gaten een volstrekt katholieke geest uit. Dagelijks werd er een Heilige Mis opgevoerd, nonnen en patiënten baden tot heil van iedereen en de kapel bleef het middelpunt van de inrichting. De directie-secretaris: “Het is nauwelijks te geloven hoe sterk het katholicisme hier heerste. Zelfs een nieuwe motorspuit voor de brandweer of een nieuwe kapsalon werd nog met wijwater ingewijd”. Pas in 1971 verlieten de nonnen Sancta Maria’. Monica Wesseling, “Gedenkboek over 60 jaar Sancta-Maria”, in: Leidsch Dagblad, 27 januari 1988.

[7] Volgens deze website. Bron was Marijke Bijmans, dochter van Agnes van Genk. Tiny van den Heuvel-van Genk werd curator.

[8] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 111.

Voorburg

Hoek Van de Wateringlaan/Van Wassenaerstraat in Voorburg. Op de benedenverdieping no. 25, het woon/winkelpand van het gezin Van Genk. Foto: Google Street View, april 2019

Het gezin van Jozef van Genk woonde tussen 1925 en 1939 in Voorburg, waar in 1927 zoon Willem werd geboren. Tot nog geen jaar geleden moesten we het voor wat betreft deze periode in het leven van de kunstenaar voornamelijk doen met de verhalen van zus Tiny, via de filters van Dick Walda en Ans van Berkum. De afgelopen maanden wist ik mondjesmaat gegevens boven water te krijgen die iets meer duidelijkheid schiepen over onder andere het tweede huwelijk van Jozef van Genk en de uiteindelijke verhuizing terug naar Den Haag. Recentelijk spoorde Jan Vellekoop in het Gemeentearchief in Den Haag een setje gezinskaarten op dat het bestaande beeld van de Voorburgse jaren aanzienlijk verscherpt.

Jozef en Maria van Genk verhuisden in juni 1925 van Den Haag naar Voorburg. Jozef was op dat moment 37 jaar oud, zijn vrouw 42 en er waren negen dochters, in de leeftijd van elf tot een. Het gezin kwam te wonen op het adres Van de Wateringelaan 25, een woon/winkelpand op de hoek met de Van Wassenaerstraat, waar op 1 september Van Genk’s Fruithandel officieel werd geopend. [1] Anderhalf jaar later, toen Maria van Genk op het punt stond opnieuw te bevallen, gingen dochters Leny (12), Nora (10), Jacqueline (8), Riet (7) en Agnes (6) naar het (uiteraard Rooms-katholieke) internaat Duinzigt in Oegstgeest, dat naast een kleuterschool en een lagere school ook een zevende en een achtste leerjaar kende. Oudste dochter Tiny (13) volgde begin juni, waarschijnlijk had zij tijdelijk de huishoudelijke taken van haar moeder opgevangen na de geboorte van Willem op 27 april. Ook Isabella (5) vertrok in september naar Oegstgeest, aan het begin van een nieuw schooljaar. Willy (4) en Addy (10) bleven daarmee als enige meisjes in Voorburg – Willy waarschijnlijk omdat zij nog te jong was, Addy mogelijk vanwege haar zwakke gezondheid. [2]

Eind juli 1929 keerden Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella uit Oegstgeest terug naar Voorburg; Nora volgde op 7 augustus. Half september vertrok Nora met Addy en Willy, die nog nooit van huis waren geweest, naar een kostschool in Leuven. Een maand later volgden de andere zes zusjes. Alle negen dochters waren daarmee het huis uit, alleen Willem woonde nog bij zijn ouders. In januari 1931 schreef Jozef van Genk de eerder geciteerde brief aan zijn dochters in België, waar alleen Nora niet goed haar best leek te doen: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld.

Op 25 november 1932 overleed Maria van Genk-Hoogstraten op 49-jarige leeftijd. Twee maanden later werd Van Genk’s Fruithandel opgeheven. [3] In februari 1933 keerden Tiny (19), Nora (16) en Jacqueline (14) na meer dan drie jaar vanuit Leuven terug naar Voorburg: de oudste dochters minus Leny en Addy, die in België bij de vier jongsten bleven. Kort daarvoor was Jozef van Genk verhuisd naar Van Aremberglaan 157 – het woon/winkelpand aan de Van de Wateringelaan, een paar honderd meter verderop, moest immers worden verlaten. Ook Addy (16) keerde begin augustus terug uit België, zij had kennelijk eerst het lopende schooljaar afgemaakt.

In 1934 leek Jozef van Genk een nieuw begin te (willen) maken. Op 9 mei trouwde hij in Den Haag op 46-jarige leeftijd met de 39-jarige weduwe Maria Heesen, wier zoon Herman (11) met haar meekwam naar Voorburg. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin van Genk naar Van Aremberglaan 86, tegenover de vorige woning aan Van Aremberglaan 157 waar ze slechts anderhalf jaar hadden gewoond. Dochter Riet (14) keerde eind september uit België terug naar huis; op het nieuwe adres woonden daarmee op dat moment negen personen. In april 1934 werden dat er tien, toen ook Maria Heesens dochter Christina (16) vanuit Enschede naar Voorburg kwam, waar ze een week later haar zeventiende verjaardag vierde. Haar verblijf was kennelijk geen succes, want nog geen zes weken later ging ze al weer terug naar Enschede.

Op 5 juni 1935 verscheen er een advertentie in de Haagsche Courant: ‘TUINMAN biedt zich aan voor het snoeien van fruitboomen, zomersnoei. Adres: J. van Genk, v. Aremberglaan no 86, Voorburg.’ Tiny zou later spreken over haar vader als eigenaar van een chocolaterie die daarna ging werken bij de Arbeidsinspectie in Den Haag. [4] De datum van die overstap is onduidelijk, maar op de kaarten van Voorburg wordt Jozef van Genk uitsluitend aangeduid als ‘fruithandelaar’. In ieder geval was de winkel al vanaf 1933 niet meer zijn eigendom en kluste hij kennelijk bij als tuinman – dat een fruithandelaar verstand had van fruitbomen, lag voor de hand. Drie jaar later bood hij zijn diensten nog steeds aan: ‘TUIN IN ORDE? Uw tuin één stukje natuurschoon. Advies gratis. Aanleg en onderhoud door vakman. Aanbev., JOS M VAN GENK’. [5]

V.l.n.r. Tiny, Leny en Nora van Genk, jaren dertig

In september 1935 vertrok de inmiddels jongvolwassen Nora (19) naar Naaldwijk. Haar nieuwe adres daar, Heerenstraat 1, was dat van haar ooms Arie en Jan Hoogstaten, twee ietwat zonderlinge maar zeer welgestelde broers van haar moeder die in Naaldwijk meerdere panden bezaten. Diezelfde maand ging Herman van Vlaardingen naar het internaat van de Kruisvaarders van St. Jan in Rijswijk, enkele dagen na zijn dertiende verjaardag. Hij zou niet meer naar Voorburg terugkeren. Het nu iets kleinere gezin Van Genk verhuisde opnieuw, dit keer naar Van Alphenstraat 93. Begin oktober vertrok Addy (18) naar haar oom en tante Van der Ouderaa in Bergen op Zoom. [6]

In maart 1936 keerden nog drie dochter terug uit België: Agnes (15), Isabella (14) en Willy (12) hadden zesenhalf jaar in Leuven gewoond. Leny hield het tot 1938 vol en was drieëntwintig toen ze terug naar Voorburg kwam. Dit suggereert dat zij al bezig was met haar voorgenomen intrede als kloosterlinge. In juni 1936 verhuisde Maria Heesen naar De Bilt; haar huwelijk met Jozef van Genk was kennelijk al na twee jaar officieus voorbij. In het najaar ging ook Tiny bij haar familie in Naaldwijk wonen, terwijl Addy in het voorjaar van 1937 juist weer terugkeerde naar Voorburg.

Begin 1939 gingen Addy en Jacqueline samen op kamers wonen op een adres in het centrum van Den Haag. [7] Een maand later vertrok Willem naar het internaat in Harreveld, waarna Jozef van Genk met zijn dochters Leny (23), Riet (19), Agnes (18), Isabella (17) en Willy (15) verhuisde naar Magnoliastraat 10 in Den Haag. Hier stoppen de gegevens op de gezinskaarten en zijn (vanuit die bron) de bewegingen van de Van Genks niet meer te volgen. Mogelijk voegden Addy en Jacqueline zich korte tijd later bij het gezin – in de Haagsche Courant stond op 1 juli 1939 een advertentie voor onder andere een ‘zo goed als nieuw, 2-persoons opklapbed’, met als adres Westeinde 195. De verhuizing van Voorburg naar Den Haag had mogelijk te maken met Jozefs nieuwe baan bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Een jaar later kwam ook Willem vanuit Harreveld weer naar huis. [8]


NOTEN

[1] Volgens de oude gezinskaart van Den Haag vertrokken de Van Genks naar het adres Van Heurnstraat 87 in Voorburg, volgens de gezinskaarten van Voorburg was het eerste adres in die gemeente Van de Wateringelaan 25. Het Handelsregister Zuid-Holland geeft 1 september als de officiële vestigingsdatum van ‘Van Genk’s Fruithandel – winkel in groenten en fruit, Van Wateringelaan 25 in Voorburg’.

[2] Volgens Tineke Dietvorst, dochter van een neef van de kinderen Van Genk, was Addy ‘heel fragiel’ (interview met Pierre en Tineke Dietvorst, 17 oktober 2018).

[3] In het Handelsregister Zuid-Holland staat op het document met oprichtingsgegevens de opmerking: ‘Handelszaak Januari 1933 opgeheven’. Een separaat document geeft aan dat Van Genk’s Fruithandel op 29 september 1933 formeel van eigenaar wisselde.

[4] Walda, Koning der stations, p. 31.

[5] Haagsche Courant, 22 november 1938.

[6] Willem was bij deze tante en oom opgevangen na het overlijden van zijn moeder, maar zijn woonplaats werd voor dit verblijf niet aangepast op de gezinskaarten.

[7] Het adres is Westeinde 195. In de Haagsche Courant staan rond deze tijd voortdurend advertenties voor woonruimte op dit adres, onder andere op 2 februari: ‘TE HUUR nette gemeubil. zit-sl.-kamer voor 2 personen, ƒ 4 per week.’

[8] De precieze data:

  • 19 juni 1925 – verhuizing vanuit Den Haag naar Van de Wateringelaan 25 in Voorburg
  • 28 februari 1927 – Leny, Nora, Jacqueline, Riet en Agnes vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 3 juni 1927 – Tiny vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 16 september 1927 – Isabella vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 27 juli 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 7 augustus 1929 – Nora vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 14 september 1929 – Nora, Addy en Willy vanuit Voorburg naar Leuven
  • 12 oktober 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Voorburg naar Leuven
  • 2 februari 1933 – verhuizing (Van Aremberglaan 157)
  • 16 februari 1933 – Tiny , Nora en Jacqueline vanuit Leuven naar Voorburg
  • 4 augustus 1933 – Addy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 8 mei 1934 – Herman van Vlaardingen vanuit Renkum naar Voorburg
  • 5 juni 1934 – verhuizing (Van Aremberglaan 86)
  • 28 juni 1934 – Maria Heesen vanuit Den Haag naar Voorburg
  • 28 september 1934 – Riet vanuit Leuven naar Voorburg
  • 13 april 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Enschede naar Voorburg
  • 25 mei 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Enschede
  • 5 september 1935 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 10 september 1935 – Herman van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Rijswijk
  • 11 september 1935 – verhuizing (Van Alphenstraat 93)
  • 1 oktober 1935 – Addy vanuit Voorburg naar Bergen op Zoom
  • 5 maart 1936 – Agnes, Isabella en Willy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 25 juni 1936 – Maria Heesen vanuit Voorburg naar De Bilt
  • 22 augustus 1936 – Tiny vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 14 april 1937 – Addy vanuit Bergen op Zoom naar Voorburg
  • 26 augustus 1938 – Leny vanuit Leuven naar Voorburg
  • 6 oktober 1938 – Nora vanuit Naaldwijk naar Voorburg
  • 17 januari 1939 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 15 maart 1939 – Addy en Jacqueline vanuit Voorburg naar Den Haag
  • 27 april 1939 – Willem vanuit Voorburg naar Harreveld
  • 28 juli 1939 – Jozef van Genk, Leny, Riet, Agnes, Isabella en Willy van Voorburg naar Den Haag

Op weg naar het einde

Walda & WvG bij Leyenburg

Willem van Genk met Dick Walda bij ziekenhuis Leyenburg

In 1997 publiceerde Dick Walda Koning der stations. Episoden uit het leven van Willem van Genk. Zestien jaar eerder had hij kennisgemaakt met de kunstenaar en hij was langzaam uitgegroeid tot diens ‘onbezoldigd chauffeur, mantelzorger en praatpaal’, in zijn eigen woorden. Van Genk was in de loop der jaren meer en meer op Walda gaan steunen naarmate het bestaan moeilijker voor hem werd. In de periode 1996-1997 werd hij driemaal opgenomen in een psychiatrische inrichting en waren er ziekenhuisopnames als gevolg van enkele kleine herseninfarcten. De hulp van Walda was in deze jaren onontbeerlijk, ook omdat Van Genks zorgzame zuster Tiny de tachtig al was gepasseerd en zij bovendien moeilijk met de eigenaardigheden van haar broer om kon gaan.

Koning der stations was het eerste boek over Willem van Genk – geen monografie, aangezien het menselijke aspect centraal staat en het kunstenaarschap van Van Genk maar zijdelings aan bod komt. De kern wordt gevormd door de gebeurtenissen rond de opnames in psychiatrische inrichting Bloemendaal en ziekenhuis Leyenburg, maar er zijn ook interviews met zuster Tiny, met Nico van der Endt en met de kunstenaar zelf (‘Willem van Genk spreekt’). Daarnaast beschrijft Walda hun kennismaking, citeert hij uit de correspondentie en vertelt hij enkele anekdotes uit vroeger jaren. Omwille van de leesbaarheid is de taal van Van Genk enigszins aangepast en drukt hij zich bij Walda samenhangender uit dan in werkelijkheid het geval was – leert ook het meer letterlijk uitgeschreven interview dat Van der Endt in 1986 met hem hield. [1]

Verstaanbaarder nog is Van Genk in Walda’s hoorspel over hem dat op 30 augustus 1998 werd uitgezonden bij de IKON en eveneens de titel Koning der stations had. Theo Menting nam de stem van Van Genk voor zijn rekening, in een verhaal dat gebaseerd is op het leven van de kunstenaar maar waarbij de schrijver zich de vrijheid had gepermitteerd om gebeurtenissen te fictionaliseren en/of dramatiseren. Van Genk spreekt in het hoorspel tegen zijn psychiater waarbij episoden uit zijn verleden voorbijkomen zoals zijn bezoek aan prostituee Rina en zijn verblijf in het AVO-pension van Troekie Spigt (ook in werkelijkheid de naam van de pensionhoudster). In andere scènes komen personages voorbij als een opticien, een politieagent, een rechter, de directeur van het verpleeghuis waar Van Genk verblijft, een pastoor en zelfs zijn moeder.

De regie van het hoorspel was in handen van Jan Keja. Ook samen met Keja begon Walda in 1998 aan de documentaire Ver van Huis. Een zoektocht naar het werk en leven van Willem van Genk, die op 31 oktober 2001 door de IKON werd uitgezonden in de reeks Werelden. In Ver van huis is Van Genk een oude, hulpeloze man die na zijn herseninfarcten niet meer kan werken en zich nog maar met moeite verstaanbaar weet te maken. Te zien is hoe Walda hem komt ophalen uit het ziekenhuis; hoe het appartement van Van Genk, die niet meer voor zichzelf kan zorgen, wordt leeggehaald; en hoe Walda nog één keer met de kunstenaar Arnhem bezoekt. Tegen het einde van de documentaire wordt Van Genk ontvangen in museum De Stadshof in Zwolle bij de opening van de grote overzichtstentoonstelling van zijn werk. De kunstenaar arriveert per trein in een rolstoel, omgeven door enkele vrienden en familieleden. Wat het hoogtepunt van zijn leven had moeten zijn, lijkt voor hem te laat te komen.

VvH 002

Stills uit Ver van huis. Boven: met Dick Walda in de trolleybus in Arnhem. Midden: zus Tiny en nichtje Irene Zalme tijdens het ontruimen van het appartement aan de Harmelenstraat. Onder: met fotograaf Mattheus Engel in zijn kamer in Huize Walcott

Ver van huis is een uniek document. De documentaire bevat zeldzaam beeldmateriaal van Van Genk zelf, daarnaast zijn er interviews met onder anderen Joop Beljon, Pieter Brattinga, zusters Tiny en Jacqueline, nicht Irene Zalme, Nico van der Endt en curator An Remmerswaal. Ook is vrijwel integraal de reportage opgenomen die Brandpunt in 1964 maakte naar aanleiding van de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid. Walda ter inleiding van die beelden:

Hij is door de familie … getolereerd, dat is eigenlijk het beste woord daarvoor. Maar toen die familie ontdekte dat Willem een bijzonder talent had, en zelfs zomaar toegelaten werd tot de Haagse kunstacademie – en dat was in die tijd, ik heb het over de jaren vijftig, dat was meteen … was-ie vier plaatsen hoger in de hiërarchie. Haagse kunstacademie, dat was toen een begrip, als je daarop kon en zomaar, dan was je iemand. Dus die familie begreep dat die Willem van Genk, die broer toch een heel bijzonder mens was.

Na de Brandpunt-reportage komt Joop Beljon anno 1998 aan het woord die nog eens zijn beslissing verdedigt om in 1964 voor de tekeningen van Van Genk prijzen te vragen die indertijd veel te hoog werden gevonden. Hij acht zijn toenmalige pupil nog steeds zeer hoog:

Kijk, d’r is namelijk ook in die schilderijen hè, als ik gewoon eerlijk zeg hè, daar hangt een doem over, daar hangt de dreiging van het bijna verliezen van je verstand hangt daar overheen, en die vent is zo groot als schilder dat-ie dat zonder dat-ie het zelf weet, dat-ie dat uitdrukt. Het drukt een imménse triestheid uit, eigenlijk veel triester dan Van Gogh ooit heeft kunnen doen met die boertjes die die schilderde, met zo’n … met ‘De aardappeleters’ of zo. En dat kunnen uitdrukken met een stad, dat is nogal wat. Dat is heel bijzonder in de hele kunstgeschiedenis.

Ook Brattinga is nog altijd vol lof over Van Genk, al waarschuwt hij Walda wel dat deze voorzichtig moet zijn met zijn documentaire: ‘Ik vind ook, jullie moeten niet te veel peuren uit zo’n man, en speciaal niet als-ie nog in leven is. […] Je moet die man respectvol, binnen z’n eigen gedachtewereld behandelen.’

In het laatste kwartier van Ver van huis laat Walda zien hoe Van Genk, die het redelijk goed lijkt te hebben in zijn nieuwe onderkomen Huize Walcott, gedwongen wordt te verhuizen naar een ander pension. Walda laat An Remmerswaal die beslissing toelichten, waarbij zij duidelijk zijn sympathie niet heeft. [2] Buiten het bestek van de documentaire viel een laatste verhuizing in december 2002 naar een medisch verzorgingstehuis. Walda en Van der Endt kregen van An Remmerswaal het verzoek om Van Genk daar niet meer te bezoeken – een verzoek dat ze negeerden. [3]

Willem van Genk overleed op donderdag 12 mei 2005 aan complicaties van een longontsteking. De organisatie van de begrafenis op woensdag 18 mei was in handen van An Remmerswaal. Voorafgaand aan de teraardebestelling was er om 13:00 uur een mis in de Sint Agneskerk aan de Beeklaan in Den Haag; het motto van de liturgie was ‘Eindelijk thuis’. Ans van Berkum hield in de kerk een toespraak namens de Stichting Willem van Genk, Dick Walda verbleef in het buitenland, Nico van der Endt kwam wel naar de uitvaart maar weigerde de mis bij te wonen. [4] Aanwezig waren verder zo’n twintig personen onder wie zuster Tiny, de twee dochters van Nora van Genk, de zoon en dochter van Riet van Genk, Marcel van Eeden (kunstenaar), Jan Vellekoop (collectioneur) en Eric Denig (bestuurslid van de Stichting Willem van Genk). Afwezig waren Jacqueline van Genk, die nooit naar begrafenissen ging, en de twee dochters van Agnes van Genk, die niet waren uitgenodigd.

van genk 009

Foto’s: Marcel van Eeden

Na de mis was om 15:00 uur de begrafenis op begraafplaats St. Barbara aan de St. Barbaraweg. Marcel van Eeden maakte enkele foto’s; toen Jan Vellekoop hem vroeg of dat wel mocht, was het antwoord: ‘Hier wordt een groot kunstenaar begraven!’ Van Genk werd overledene 1 in een graf met nummer 2aL215h, aan de oostzijde van de begraafplaats. Zuster Tiny had bedacht dat er een familiegraf zou moeten komen voor Willem, Jacqueline en haarzelf en was al begonnen dit te regelen. An Remmerswaal besliste anders. Het graf van Willem van Genk werd in 2017 geruimd. [5]

Grafsteen 002

Foto: Nico van der Endt


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 11-103 (steeds in het midden van de pagina). Van der Endt noemt Koning der stations ‘een levendig, sociaal verslag’ van Walda’s contacten met Van Genk: ‘Zelf wordt Willem sprekend geciteerd in wat aangepaste taal. […] Uit het boek blijkt, dat hij tegenwoordig wat makkelijker spreekt tegen Walda dan tegen mij. Vertrouwt hij hem meer of voelt hij zich wat meer op zijn gemak bij de socialist dan bij de wat liberalere galeriehouder?’ (Kroniek van een samenwerking, p. 111)

[2] ‘Intussen heeft de curator onenigheid gekregen met de pensionhoudster van Willem en er wordt besloten hem elders onder te brengen, volgens Dick Walda tegen de zin van Willem die het goed met de pensionhoudster kan vinden. […] Zijn betrokkenheid gaat zover, dat hij de curator voor het gerecht daagt – echter tevergeefs.’ (Ibid., p. 121)

[3] Cf. ibid., p. 125,

[4] Van der Endt was van mening dat alle katholieke rituelen dwars stonden op de overtuigingen die Van Genk er tijdens zijn volwassen leven op nahield. ‘Ik zie de sticker weer voor mij die hij prominent in zijn appartement had aangebracht: ‘Vaticaan is Fascisme’.’ (Ibid., p. 127)

[5] Met dank, voor informatie en documenten, aan Marijke Bijmans, Marcel van Eeden, Nico van der Endt, Albert Roozenburg, Jan Vellekoop, Dick Walda en Irene Zalme.