Zwagers

V.l.n.r. Agnes van Genk, Karel Bijmans, Riet van Genk, Tiny van Genk, Leonarda Pennenkamp, Jozef van Genk; ca. 1958.

In februari 1986 neemt Nico van der Endt tijdens een bezoek aan Harmelenstraat 28 een gesprek met Willem van Genk op. Daarin onder meer de volgende passage:

WvG: Nee maar ja dus, ik heb in de familie heb ik een architect gehad. Een zekere Cor Brugelmans, da’s een eh, van m’n overleden zuster, die pas is overleden …

NvdE: Man van je overleden zuster?

WvG: Ex-man, hè, vorige man hè, niet de huidige man hè, nou ja dat was een architect, en eh … nou ja die heb, die had ook … die had een ontwerp van een wolkenkrabber gemaakt, op een kruispunt … precies op een kruispunt hè, zoiets dat moet … Memphis, ergens in de buurt, Iowa …

NvdE: Dat is gebouwd?

WvG: Had hij ontworpen. ’t Is Nooit neergezet hè?

De zwager over wie het hier gaat is Cor Bruglemans, die van 1944 tot 1955 een relatie had met Nora van Genk. Cornelis Johannes Aloijsius Bruglemans werd geboren op 19 februari 1906 in Roosendaal. Hij had zich als architect gevestigd in Antwerpen, waar hij in 1931 trouwde met Elisabeth Maria Hendrika Hendrickx uit Borgerhout. Uit zijn relatie met Nora van Genk (1916) werd een dochter geboren, het oudste kleinkind van Jozef van Genk. Nora van Genk overleed in juli 1984, Cor Bruglemans in november 1992.

Willem van Genk had negen zusters van wie er vijf trouwden. Van die vijf bleven er twee kinderloos en kregen er drie elk twee kinderen. Jozef van Genk had derhalve in totaal zes kleinkinderen, vijf meisjes en één jongen. Leny, Jacqueline, Isabella en Willy trouwden niet en hadden ook geen kinderen. Nora had dochters uit twee verschillenden relaties, waarmee het aantal zwagers van Willem van Genk op zes kwam. In hoeverre hij op de hoogte was van het feit dat Nora en Cor Bruglemans niet getrouwd waren, is onduidelijk. Volgens hun dochter had Willem haar vader wel een aantal malen ontmoet. [1]

De Tweede Wereldoorlog viel voor veel dochters Van Genk samen met de leeftijd waarop onder meer normale omstandigheden verlovingen en huwelijken aan de orde waren geweest. De eerste die trouwde, in februari 1948, was Agnes (1920). Haar man Karel Bijmans, geboren op 17 november 1919 in Den Haag, kwam eerder ter sprake – mogelijk had Jozef van Genk hem tijdens de bezetting geholpen te ontkomen aan tewerkstelling in Duitsland. Zeker lijkt wel dat de ouders van de bruid en die van de bruidegom elkaar al kenden. Agnes en Karel kregen twee dochters; Agnes overleed in februari 1988, Karel in oktober 1990.

Riet van Genk (1919) trouwde in februari 1953 met Martin (Martinus Johannes) Roozenburg, geboren op 15 oktober 1921 in Pangkalan Brandan. Ze kregen een zoon en een dochter. Volgens hun zoon hadden zijn ouders “elkaar leren kennen op het werk: Ministerie van Defensie (toen nog Marine dacht ik), maar zeker pas ruim na de oorlog.” [2] Riet overleed in november 1995, Martin in oktober 2002. Waarschijnlijk was hij de “doodgewaande zwager” die Willem van Genk in februari 1997 tegenkwam op het verjaardagsfeestje van zijn oudste zuster. [3]

Addy van Genk (1917) trouwde in november 1954 met Peter (Petrus Adrianus) Adrianus Persoon, geboren in Den Haag op 3 april 1905. Voor Peter was dit zijn tweede huwelijk, eerder was hij in augustus 1931 getrouwd met Pieternella Maria Hendrika Gerritse. Zijn beroep was op dat moment magazijnmeester; het paar kreeg in december 1932 een dochter. Pieternella Persoon-Gerritse overleed in september 1953, waarna haar man een jaar later hertrouwde. Peter Persoon overleed in maart 1971 aan de gevolgen van een auto-ongeval. Zijn schoonzuster Tiny vertelde hier in 1998 over:

Die man die had een ongeluk gehad. Hij bracht vrienden weg en het had gevroren, en hij bracht ze weg. En d’r kwam een vrouw, en die wou nog net oversteken … op het laatste nippertje, en die vrouw die was aan de overkant, maar hij gleed door tegen een boom aan, en hij moest naar de Ursula en hij is niet meer bijgekomen. Maar mijn zuster ging altijd op d’r fietsje, terwijl ’t vroor, naar de Ursula en dat was een heel end […] Maar ja, Peter, dat was Peter haar man, die kon ook tekenen hoor, en schilderen, maar anders, meer rechtlijnig. Eer hangt ook nog iets bij Wim dat hij gemaakt heeft. [4]

Over Peter Persoon weten we iets meer door het interview van Bibeb met Willem van Genk uit 1964. Hij figureerde daarin als Van Genks betweterige “forse zwager, de koele blik achter brilleglazen.” Hij domineert het gesprek, probeert gewichtig te klinken en kleineert Van Genk en zijn echtgenote.

In de brieven van Addy van Genk aan Pieter Brattinga en Alfred Schmela (zie hier) komt haar echtgenoot nauwelijks voor – op zichzelf een interessant gegeven, zeker gezien een opmerking van Peter Persoon tegen Bibeb: “‘Mijn vrouw heeft een ongeluk gehad, schedelbasisfractuur, is nooit helemaal terechtgekomen. Maar goed, we behartigen nu zijn zaken.” [5] Het lijkt echter vooral Addy te zijn die uiteindelijk de zaken van haar broer behartigt, van psychische of neurologische beperkingen is in de brieven weinig te merken. Uit haar laatste brief aan Brattinga: “Mijn man heeft een ernstig auto-ongeval gehad en ligt nu in Wassenaar in het ziekenhuis.” [6] Zelf overleed ze een jaar later.

Tiny van Genk (1914) was de oudste van de negen dochters van Jozef van Genk maar trouwde zelf pas in 1956, op tweeënveertigjarige leeftijd. Echtgenoot Theo van den Heuvel was volgens haar de reden dat haar broer zich op het maken van trolleybus-assemblages had gestort. In het eerder geciteerde interview uit 1998 zegt ze hierover:

Mijn man – daar staan zijn trammetje, zie je – mijn man, die gaf Wim een beetje aandacht. Hij was de enige, die andere zwagers deden dat niet. En mijn man was een top-technicus eigenlijk, maar als er bij Wim wat stuk was of wat dan ook, dan ging hij meteen naar ‘m toe. Ja, een ander die liet er dagen overheen gaan maar hij – meteen, à la seconde, meteen! […] Die anderen kwamen nooit, trouwens. Al die zwagers zijn ook dood, ‘k heb er nog maar één. Maar mijn man zijn hobby waren die trammetjes, dat vond Wim prachtig. En hij kon d’r wel eens een paar woorden mee wisselen, over trammetjes.

In Dick Walda’s boek Koning der stations zijn Tiny’s opmerkingen hierover vergelijkbaar: “Mijn man was geluidstechnicus met als hobby het maken van kleine trams. Alles wat u hier ziet is gemaakt door mijn man. Wim heeft die traditie voortgezet. Maar zijn voorliefde gaat meer uit naar trolleybussen. […] Dat hij met die trolleybussen is begonnen, is een soort heimwee naar mijn man. Alles wat met vroeger te maken heeft, wil hij vasthouden.” [7]

Wat Tiny niet aan de interviewers vertelde, was dat zij in 1956 met een gescheiden man was getrouwd – voor een keurige katholieke dame bepaald niet iets om aan de grote klok te hangen. Theodore Ferdinand Marie van den Heuvel was op 18 september 1915 geboren in Amsterdam. Hij trouwde in november 1937 met Cornelia Kraan uit Haarlem; het paar kreeg vijf kinderen, de jongste werd geboren in augustus 1954. In april 1955 werd het huwelijk ontbonden door de arrondissementsrechtbank in Den Haag. Elf maanden later trouwde Theo van den Heuvel met Tiny van Genk. Hij overleed in augustus 1980.

“Mijn man heeft – toen Wim bekender werd – gezorgd voor zijn zakelijke contacten, want mijn broer heeft geen verstand van geld, het interesseert hem niet”, aldus Tiny. [8] Het zou inderdaad goed kunnen dat Tiny en Theo na het overlijden van Peter en Addy Persoon de zaakwaarneming overnamen. In dat geval waren zij het wellicht die hadden aangedrongen op de breuk met Pieter Brattinga. Ook tijdens Van Genks periode bij galerie De Ark in Boxtel (1973-1976) speelden zij mogelijk een rol. [9] Volgens Tiny had haar broer veel respect voor haar man: “‘Het was een volmaakt stukje mens’, staat er ook in een van die dingen, dat is echt … Niemand is volmaakt hè? Maar hij zag in hem een volmaakt stukje mens.” [10]

De grafsteen van Tiny van den Heuvel-van Genk

De laatste van de zusters die trouwde was Nora van Genk, met de eveneens gescheiden Ben (Hubertus Marinus George) Zalme. Bij het huwelijk in augustus 1958 was zij tweeënveertig jaar oud. Hun dochter werd in december 1959 geboren, kort na het overlijden van grootvader Jozef van Genk. Nora van Genk was daarmee de moeder van zowel diens oudste als diens jongste kleinkind. [11]

In het geciteerde interview uit 1998 met Tiny van Genk merkt Ans van Berkum op over Theo van den Heuvel, na de loftuitingen van zijn weduwe: “Maar hij had veel aandacht voor Wim en hij zorgde voor Wim en hij gaf … ”, waarop Tiny haar onderbreekt: “Nou, zó veel aandacht had-ie nou ook al weer niet, maar hij práátte met ‘m, hij lúisterde naar ‘m, en dat is belangrijk. Terwijl de anderen dat niet deden, want Wim die werd een beetje … Ze lieten ‘m eigenlijk maar praten. Hij is niet zo in tel geweest bij die andere zwagers; nee, nee.”


NOTEN

[1] E-mail van Irene Zalme aan Jack van der Weide, 16 juni 2021.

[2] E-mail van Albert Roozenburg aan Jack van der Weide, 8 augustus 2020.

[3] “Hij […] vertelt mij dat hij – sinds lange tijd – weer eens heeft deelgenomen aan een verjaardagsfeestje. Zijn oudste zuster blijkt de dag ervoor 84 jaar te zijn geworden; hij trof daar zelfs een doodgewaande zwager aan.” (Walda, Koning der stations, p. 91)

[4] Interview met Tiny van Genk door Ans van Berkum en Carolien Satink, 1998 (opname in mijn bezit). De Ursulakliniek was een neurokliniek in Wassenaar, waarschijnlijk ging het dus om hoofdletsel.

[5] Bibeb, ‘Ik ben een stuk grijs pakpapier’, p. 117.

[6] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga, 22 februari 1971 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[7] Walda, Koning der stations, pp. 32, 37.

[8] Ibid., p. 34.

[9] Pieter van der Linden, die in die periode een aantal administratieve, juridische en ook praktische zaken voor Van Genk regelde, liet weten dat hij als dank daarvoor van Tiny een schilderij mocht uitzoeken (e-mail van Pieter van der Linden aan Jack van der Weide, 7 december 2020). Nico van der Endt, die na de periode bij De Ark in beeld kwam, gaf desgevraagd aan nooit met Theo van den Heuvel te maken hebben gehad en hem zelfs nooit te hebben ontmoet (e-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 27 juli 2021).

[10] Interview met Tiny van Genk door Ans van Berkum en Carolien Satink, 1998. Tiny verwijst hier naar het interview met Bibeb, waar Van Genk inderdaad zegt over een van zijn zwagers: “’t Is een volmaakt stukje mens.” Of dit een compliment is, valt echter te betwijfelen.

[11] Nadere gegevens over Ben Zalme zijn op verzoek van de familie verwijderd.

Jan Cremer

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk aan de maaltijd in zijn kosthuis

Jan Cremer kwam eerder zijdelings ter sprake op deze blog in de context van het drieluik Kollage van de haat (1971). Enkele maanden geleden zocht en vond ik contact met Cremer, die Willem van Genk inderdaad eind jaren vijftig vluchtig had meegemaakt. Naar aanleiding daarvan schreef ik onderstaande tekst voor het literatuurhistorische tijdschrift De Parelduiker, die uiteindelijk niet werd gepubliceerd – de redactie vond na rijp beraad de link met literatuur te klein.


‘Jan Cremer, Jan Cremer heeft er ook gezeten.’

In 1965 verscheen de bundel Bibeb & VIP’s, waarin vijfentwintig interviews waren verzameld die Bibeb voor Vrij Nederland had gehouden tussen februari 1962 en februari 1965. Daarbij was de literatuur goed vertegenwoordigd: maar liefst elf geïnterviewden waren afkomstig uit de wereld van de letteren, van Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Lucebert tot Simon Vestdijk, Jan Wolkers en Gerard (toen nog: van het) Reve. Ook Jan Cremer kwam aan bod. Het interview met hem was van september 1964, toen hij pas vierentwintig jaar oud was maar er van zijn roman Ik, Jan Cremer in een half jaar tijd al bijna 100.000 exemplaren waren verkocht. Bibeb liet hem vooral praten over zijn succes en geld: ‘Als de 100.000 vol is, komt  er een gouden boek, dat kost een paar duizend gulden. Echt goud, ik kan ’t altijd verpatsen.’ [1]

Een andere geïnterviewde in het boek was Wim/Willem van Genk (1927-2005), een kunstenaar uit Den Haag die begin 1964 korte tijd in de schijnwerpers stond met zijn eerste tentoonstelling. Ook het actualiteitenprogramma Brandpunt maakte een reportage over hem, waarbij men niet om de hete brij heen draaide bij de vraag naar de reden voor alle ophef: ‘In de kantine van De Jongs steendrukkerij in Hilversum kan men met de bizarre tekeningen van deze zondagsschilder kennismaken. […] De expositie heeft nogal wat publiciteit getrokken. Willem van Genk is namelijk geestelijk gestoord.’ [2] De tentoonstelling werd geopend door W.F. Hermans, die veel bewondering had voor het werk van Van Genk: ‘Zijn tekeningen zijn huiveringwekkend mooi, maar zullen velen herinneren aan iets dat zij liever vergeten.’ [3]

“Geestelijk gestoord” was Van Genk niet, wel was hij autistisch en waarschijnlijk schizofreen. Na een aantal mislukte baantjes was hij eind jaren veertig terecht gekomen op een zogeheten AVO-werkplaats, waarbij AVO stond voor Arbeid Voor Onvolwaardigen. Hier moest hij afwasborsteltjes in elkaar zetten of stukjes kabel in zakjes doen. Hij woonde in een armoedig pension, op een minuscule kamer die hij met een zwakzinnige grondwerker moest delen. Van Genk verdiende veertig gulden per week, waarvan hij vijf gulden in handen kreeg als zakgeld. ’s Avonds liep hij vier kilometer naar zijn jongste zuster Willy – geld voor de tram had hij niet – om in haar warme huiskamer te kunnen tekenen. Inmiddels worden voor werken van Van Genk bedragen van zes cijfers betaald

Jan Cremer en Willem van Genk kenden elkaar. Cremer was in 1958 naar Den Haag gekomen waar hij zich had ingeschreven aan de Academie voor Beeldende Kunsten, die hij nog geen half jaar later zou verruilen voor de Vrije Academie. Ook Van Genk had zich een eind 1958 met zijn tekeningen bij de Academie voor Beeldende Kunsten gemeld, waarbij toenmalig directeur Joop Beljon onmiddellijk zag dat hij met een groot talent van doen had. Toen ik Jan Cremer een paar maanden geleden per e-mail vroeg of hij zich zijn toenmalige stadsgenoot nog wist te herinneren, antwoordde hij onmiddellijk bevestigend: ‘Jazeker heb ik Willem van Genk gekend, eerder veel “meegemaakt”. Lieve zachtaardige knaap die volkomen onbegrepen en als een zwerver behandeld werd.’ [4] Hun wegen bleken elkaar te hebben gekruist op Van Genks woon- en eetadres:

Als Rijkspupil was ik gebonden aan een meldingsplicht ondanks dat ik dagelijks op de academie zat. Dat bracht mij op allerlei vreemde eetadressen waar ik me met etenstijd moest melden zodat men overzicht had op mijn leven. Zo kwam ik terecht in een sober, armoedige, naar doorgekookt eten ruikend pension ergens in de buurt van het Rijswijkseplein. Daar zat ik naast Willem van Genk, de enige waar ik aanspraak mee had omdat wij tweeën over kunst konden praten. De rest van de eetpubliek bestond uit een zooitje werklozen, daklozen, zwervers, recidivisten en zojuist uit de gevangenis ontslagen dinergasten, veel reclasseringdiscipelen die weer aan de maatschappij moesten wennen.

Van Willem herinner ik me nog goed hoe hij altijd, ook tijdens het eten van de dagelijkse stamppot, koortsachtig en snel tekende op het papieren tafelkleed en daar helemaal in opging – zeer tot ongenoegen van de waardin die hem hard verwensingen toeschreeuwde terwijl ze het volgetekende papier woest onder zijn bord vandaan trok en verfrommelde. Als een geschrokken vogeltje dook hij dan ineen. Later werd hij bekend en las ik over hem in krant of weekblad en dacht daarbij altijd aan dat schreeuwende wijf. Wat had zij  een prachtige kunstcollectie gehad kunnen hebben.

In een tweede mail voegt hij nog een paar details toe: ‘Ik herinner me nu ook weer dat de waardin kwaad zijn potlood in tweeën brak en dat ik hem een setje B6 Caran d’Ache heb gegeven.’

Jan Cremer (1964)

Cremers beschrijving past bij de impressie die Bibeb geeft van het pension:

Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof-A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’ Ze gehoorzamen, bijna zonder geluid. Van Genk zit met de rug naar me toe, het hoofd naar voren, net als de anderen, doodstil. De vrouw schudt op elk bord een schep rode kool, haar mollige teenager-dochter doet er een schep aardappels bij, de zoon, Joop deelt dunne jus uit. Volgt ’t commando: ‘bidden!’, en ’t eten, haastig, onderworpen. [5]

De enige keer dat Jan Cremer in het interview met Bibeb wordt genoemd, is inderdaad als het over het pension gaat in een gesprek tussen Van Genk en zijn zuster Addy:

De zuster: ‘Hij is in een kosthuis, hij draagt z’n geld daar af, ze zorgen voor hem.’

Van Genk: ‘Er komen daar ook volmaakte arbeiders, de jongens van de avo zijn de kneusjes, die iedereen veracht. We zijn de achterlijken. […] Jan Cremer, Jan Cremer heeft er ook gezeten.’ [6]

Wie de beide interviews van Bibeb leest, ziet dat het contrast tussen de twee kunstenaars schrijnend is: de schlemiel Van Genk komt niet goed uit zijn woorden, is straatarm, verricht arbeid voor onvolwaardigen en is afhankelijk van zijn familie. Cremer is een spraakwaterval die in korte tijd schatrijk is geworden en alleen maar meer, groter en verder wil. Het is voorstelbaar dat Van Genk jaloers op zijn dertien jaar jongere kunstbroeder was: de man die net als hij een achtergrond had op de Haagse kunstacademie en die net als hij was geprezen door W.F. Hermans, maar die het wél had gemaakt, die wél was doorgebroken, die bovendien avonturen had beleefd en reizen had gemaakt waarvan Van Genk alleen maar kon dromen.

Detail Kollage van de haat (1971)

Begin jaren zeventig verkeerde Van Genk in een persoonlijke crisis en schilderde hij een aantal werken waarop hij zijn angsten en obsessies de vrije loop liet. Op een van die werken, Kollage van de haat (1971), beeldde hij het omslag van Ik, Jan Cremer af, met duidelijk zichtbaar een opdruk die aangeeft dat het om de tweeëntwintigste druk ging. Hij had al een veel eerdere druk in bezit kunnen hebben: Cremer bevestigde desgevraagd dat hij Van Genk een exemplaar van zijn boek had gestuurd toen het in maart 1964 was verschenen. Volgens een nicht van Van Genk had diens (zeer katholieke) oudste zuster Tiny de zending onderschept, omdat ze het een vies boek vond en dus niet geschikt voor haar broertje. [7]

Bijna zestig jaar later was Cremer duidelijk nog steeds begaan met Van Genk. ‘Afgrijselijk hoe een talent kapot is gemaakt’, besloot hij zijn laatste e-mail.


Naschrift: kort na publicatie van deze blogtekst kreeg ik van Albert Roozenburg, zoon van Willem van Genks zuster Riet, de bevestiging dat het verhaal over het onderschepte exemplaar van Ik, Jan Cremer klopte, “maar ik weet niet zeker of het Tiny was die het boek heeft achtergehouden. Ik vermoed Addy. Jan Cremer heeft inderdaad een boek gestuurd aan Willem (6e druk), p/a P.A. Persoon.” De zesde druk verscheen in juli 1964.

Het briefje bij het exemplaar van Ik, Jan Cremer dat de auteur aan Willem van Genk stuurde


NOTEN

[1] Bibeb, Bibeb & Vip’s (Amsterdam 1965), p. 211.

[2] De reportage van Brandpunt is integraal opgenomen in de documentaire Ver van huis. Een zoektocht naar het werk en leven van Willem van Genk van Dick Walda en Jan Keja (IKON 2001). Deze documentaire is ook te vinden op YouTube.

[3] W.F. Hermans, “De werkelijkheid van Willem van Genk”, in: Kunst van nu 1 (1963-1964), 5, pp. 8-9. Willem Otterspeer geeft in het tweede deel van zijn Hermansbiografie een verslag van de opening (De zanger van de wrok [Amsterdam 2015], pp. 362-364).

[4] Alle citaten van Jan Cremer komen uit twee e-mails die hij mij stuurde op 14 oktober 2020.

[5] Bibeb en VIP’s, p. 118.

[6] Idem, p. 114.

[7] Mededeling van Irene Zalme, 18 september 2019.

Japan

New Japan-SM

New Japan | ca. 1965 | gemengde techniek op papier | 102 x 203,5 cm | Stedelijk Museum, Amsterdam

In 1964 waren tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid twee werken te zien met de titel Tokyo. Catalogusnummer 2, de kleinste van de twee, werd gebruikt voor het affiche van de expositie. Catalogusnummer 7 werd gefotografeerd door Eddy de Jongh en diende als illustratie bij het interview door Bibeb met Willem van Genk voor Vrij Nederland. Beide werken waren in het najaar opnieuw te zien tijdens de Duitse herhaling van de Hilversumse tentoonstelling bij de galerie van Alfred Schmela in Düsseldorf, Van Genk’s Phantastische Wirklichkeit. Schmela wist beide tekeningen te verkopen, voor respectievelijk DM 1.500 en DM 2.500, waarna ze uit zicht verdwenen. Dat er afbeeldingen van de twee werken bekend zijn, is te danken aan respectievelijk het tentoonstellingsaffiche en de foto van Eddy de Jongh. Het affiche is in kleur maar enigszins vaag, de foto is in zwart-wit maar wel meer gedetailleerd. [1]

Affiche Hilversum 001

Affiche voor de tentoonstelling bij Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum, 1964 (ontwerp: Pieter Brattinga)

In het interview met Bibeb laat Van Genks zwager Peter Persoon de interviewster een reproductie van een van de Tokio-tekeningen zien: ‘De zwager spoedt zich de kamer uit, komt terug met de van de affiche geknipte en ingelijste reproduktie van Van Genks ‘1 Mei in Tokio’. Hij houdt het omhoog: ‘Hoeveel denkt u dat dit waard is. Toch zeker f 200,-?’’ [2] Inderdaad is rechtsonder op de afbeelding een 1 mei-optocht met de bekende rode vlaggen te onderscheiden. Het gaat verder om een tekening van de stad in vogelvluchtperspectief, met nadruk op gebouwen en vervoersmiddelen, en met op de voorgrond enkele half afgesneden personen – een bekend procedé bij Van Genk. De andere Tokyo, eveneens een straatscène, kent een perspectief op ooghoogte en is grotendeels symmetrisch. Op de achtergrond staan twee gebouwen, op de voorgrond ligt een zebrapad over een weg waarop een tram rijdt en waarover personen lopen. Opnieuw is er een optocht met vlaggen afgebeeld, opnieuw ook zijn op de voorgrond enkele afgesneden personen te zien. [3]

Van Genk was in 1964 nog nooit in Japan geweest en zou er ook daarna nooit naartoe gaan. Zijn fascinatie met het land was echter groot. En hoewel iemand die de taal machtig is zou moeten vaststellen of de Japanse karakters op de werken correct zijn, lag het in ieder geval in Van Genks bedoeling om betekenisvolle opschriften aan te brengen op zijn werken. Als hij met Bibeb de tentoonstelling in Hilversum bezoekt: ‘Hij vertaalt spandoeken uit Tokio op de eerste mei. ‘De kinderen van Hiroshima’, praat geërgerd over de zwarte draden en kabels die Tokio ontsieren, omdat ze de bloesems verdringen.’ Ondanks die ergernis leken het toch juist die tegenstellingen te zijn die hem in het land fascineerden: ‘Ook weer terecht is zijn grote Japanboek. Japanse kersebloesem, vogels, enz. worden gesteld tegenover mannen met zwaarden die hoofden afhakken, tanks, martelingen en de atoombom.’ [4]

Via de tentoonstelling in Hilversum kwam Van Genk in contact met Pieter Brattinga, die het op zich had genomen om de kunstenaar internationaal te laten doorbreken. Brattinga stelde onder meer een tentoonstelling in Japan in het vooruitzicht, iets wat Van Genk uiteraard wel zag zitten. ‘Het doet mij plezier U te kunnen mededelen dat ik in onderhandeling ben inzake een tentoonstelling van Uw werken in Duitsland, Japan en de Verenigde Staten’, schrijft Brattinga aan zijn protegé op 9 juni 1964. Vier maanden later lijkt zuster Addy de moed in dat opzicht al bijna te hebben opgegeven: ‘Was het nog de bedoeling om ook in Recklinghausen, New York en Japan voor hem te exposeren?’ [5] Van Genk zelf bleef desalniettemin hoopvol en benadrukte bij voortduring in zijn werken de verbondenheid van Brattinga met Japan, met teksten als PIETER ∙ BRATTINGA & CO ∙ NEW ∙ YORK ∙ TOKYÔ ∙ DJAKARTA.

Genoemde tekst is rechtsonder te vinden op de collage New Japan. Zou dit nog een latere toevoeging kunnen zijn, aan de linkerkant van het werk staat in grote letters BRATTING en (twee keer) BRAGAH – de gangbare datering 1960 is daarmee niet vol te houden. Als zo vaak bij Van Genks collages lijkt een datering rond het midden van de jaren zestig meer op zijn plaats, waarbij oudere tekeningen in die periode tot een nieuw geheel zijn gemaakt. [6] Een aantal afbeeldingen op New Japan vertoont duidelijke gelijkenissen met de twee Hilversumse Tokio-werken, inclusief 1 mei-optochten. De grootste tekening in de collage laat het centrale treinstation van Tokio zien, een bakstenen gebouw uit 1914 dat geïnspireerd zou zijn door station Amsterdam Centraal.

Japanse kunst 1958

Affiche voor de tentoonstelling met Japanse kunst in het Haags Gemeentemuseum, 1958 (ontwerp: W. Stek)

Rechtsboven op New Japan bevindt zich een afbeelding van een boek, wat op zich te beschouwen is als een voorloper van de vele boekomslagen die Van Genk begin jaren zeventig in zijn geschilderde collages opneemt. In dit geval gaat het uiteraard om een boek over Japan, Japan in der Welt. Die japanische Expansion seit 1854 (1936) van de Oostenrijkse journalist Anton Zischka – zijn naam wordt iets naar links eveneens vermeld. Naast boeken geeft Van Genk op New Japan, rechts van de tekening met het treinstation in Tokio, nog een andere bron over Japan: JAPANSCHE KUNST IN HAAGS GEMEENTEMUSEUM. Van 23 september tot 8 november 1958 was in het Gemeentemuseum in Den Haag een grote tentoonstelling met schilder- en beeldhouwkunst uit Japan te zien, die Van Genk ongetwijfeld zal hebben bezocht. Het ging om een uiterst prestigieuze, reizende tentoonstelling: eerdere locaties waren het Musée Nationale d’Art Moderne in Parijs en het Victoria and Albert Museum in Londen, na Den Haag zou de expositie alleen nog doorreizen naar Rome.

De geëxposeerde, veelal tamelijk verstilde werken in het Gemeentemuseum leken in niets op de tekeningen van het drukke stadsleven die Van Genk in New Japan zou gebruiken. [7] Desalniettemin was de tentoonstelling op zich een teken dat er, dertien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, weer veel belangstelling bleek te bestaan voor Japan in het algemeen. Onduidelijk is waar en wanneer deze belangstelling specifiek bij Van Genk haar oorsprong vond, want er zijn eigenlijk geen vroege tekeningen van het Aziatische land bekend. Rond het midden van de jaren zestig had hij echter genoeg materiaal om New Japan te maken.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] De tekening van Van Genk die voor het affiche werd gebruikt, is ook te zien op een andere foto van Eddy de Jongh (geraadpleegd op 15 juli 2020).

[2] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 114.

[3] De foto van Eddy de Jongh is hier te zien (geraadpleegd op 15 juli 2020).

[4] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, pp. 122-123.

[5] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga, 5 oktober 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[6] De datering 1960 wordt onder meer aangehouden in Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 136; Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 58; Looijen e.a., Woest, p. 118. Ook het Stedelijk Museum gaat in haar documentatie uit van deze datering.

[7] Een indruk van de werken die te zien waren in het Haags Gemeentemuseum biedt de catalogus Japanse kunst (‘s-Gravenhage 1958).

Harmelenstraat (3)

Dit is het derde deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden, het tweede deel hier.

053 - London

London | ca. 1965 | gemengde techniek op hardboard | 36 x 116 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Marcel Köppen

De woonkamer van Willem van Genk in zijn appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag bestond uit twee delen, beide met een raam aan de straatkant, waartussen zich een getoogde doorgang bevond. Zowel de voor- als de achterkamer had een deur naar de hal, in de woonkamer bevond zich bovendien een schuifdeur naar de opslagkamer. Bij binnenkomst in de voorkamer stond meteen rechts, gedeeltelijk voor die schuifdeur, een kast met aan de boven- en onderkant deurtjes en daartussen vier planken met zowel boeken als kleine voorwerpen. Een foto in de serie die Nico van der Endt in het midden van de jaren tachtig maakte, laat drie planken in de kast zien.

NvdE 1986 008a (1024x659)

Kast in de woonkamer van Harmelenstraat 28, ca. 1986. In de rode cirkel Lenie van Genk, in de groen cirkel Peter en Addy Persoon, in de gele cirkel Jozef van Genk. Foto: Nico van der Endt

Tussen de boeken op de onderste plank zijn onder meer te herkennen De antichrist van Friedrich Nietzsche, The Russians van Hedrick Smith, een boek over art brut en enkele deeltje uit de reeks Privé-domein van uitgeverij De Arbeiderspers. Op de bovenste plank waren voornamelijk beeldjes en poppetjes neergezet, met prominente bustes van Lenin en Beethoven maar bijvoorbeeld ook een Mariabeeldje. [1] De middelste plank bevatte snuisterijen, een rij miniatuurautootjes en enkele ingelijste foto’s: rechts het portret van Jozef van Genk dat in 1958 ook gebruikt was voor diens gedachtenisprentje, daarnaast onder meer Van Genks zuster Leny en een gezamenlijke foto van Peter en Addy Persoon.

Ver van huis 004

Still uit Ver van huis – de schoorsteenmantel in de woonkamer van Willem van Genk

Tegenover de deur vanuit de hal naar de voorkamer lag een gemetselde haard met een kachel, met op de schoorsteenmantel een verzameling voorwerpen en (in ieder geval in de jaren negentig) het werk Metrostation Moskou (ca. 1965); ook aan de muur erboven hing een schilderij, van een onbekende kunstenaar. Naast de haard stond een bank, daar weer naast een laag kastje met schuifdeuren waarin ook een radiotoestel; op het kastje stonden vooral vazen en potten met bloemen. Aan en tegen de muur achter het kastje en de bank hing en stond een aantal schilderijen, collages en ander beeldmateriaal – de indruk is dat dit voor Van Genk de centrale tentoonstellingsmuur was. Er bestaan foto’s van de muur uit het midden van de jaren tachtig, uit 1991 [2] en uit 1997/1998.

Op de oudste foto’s is de muur nog vrij sober ingericht. Boven het kastje hangt het schilderij Rome, dat kan worden thuisgebracht via latere foto’s. Het betreft een afbeelding van het monument voor Victor Emanuel II aan het Piazza Venezia, het zogeheten Vittoriano. [3] Op de rugleuning van de bank staan, van links naar rechts, een ronde foto van een schilderij van een meisje met een hond; [4] twee foto’s van de hond Coco met een muilkorf; het schilderij London; en een foto van een kasteelachtig bouwwerk, met daarvoor een prentbriefkaart van een kustlandschap. Boven de bank hangt het schilderij Assisi, een van de weinige werken van Van Genk die op doek zijn geschilderd. Rechtsboven hangt een stilleven door Peter Persoon, dat door Van Genk is nageschilderd op Zelfportret – zwakzinnigennazorg. Eronder hangt een afbeelding, mogelijk een reliëf, van twee personen met een paraplu.

NvdE 1986 007a (1024x674)

Detail woonkamer van Harmelenstraat 28, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

Vijf jaar later blijkt de muur drukker te zijn geworden. Het opvallendste verschil is een aantal collages, grotendeels rond van vorm, rondom de schilderijen aan de muur. Ook ten tijde van de beschrijving van Van Berkum waren ze nog te zien:

Boven de bank hangt een serie collages in de uit zijn schilderijen zo bekende tondo-vorm, waarvan de onderdelen vooral uit modetijdschriften lijken te komen. Het verschijnsel ‘dame’ speelt in deze serie duidelijk de hoofdrol. Vanuit het hart van deze muurcollage staart het verweerde gezicht van een mysterieuze vrouw de kamer in. Van Genk heeft haar op een plastic sinaasappelnetje vastgemaakt. [5]

Van Berkums ‘mysterieuze vrouw’ is de grootste van een aantal uitgeknipte foto’s van hoofden en bovenlichamen van vrouwen, inderdaad bevestigd op een stuk van een sinaasappelnetje zoals hij dat ook gebruikte voor zijn werk Zagreb. Het netje met de foto’s is aan één kant bevestig boven het schilderij Rome, zodanig dat het over het midden van het werk valt. Vier collage-tondo’s, eveneens met vooral uitgeknipte foto’s van hoofden en bovenlichamen van vrouwen, zijn bevestigd achter de hoeken van het schilderij. Vanaf Rome loopt een spoor van dergelijke tondo’s om Assisi heen, met boven dat laatste schilderij een raster met voorwerpen. Links van Assisi hangt een uitgeknipte pin-up girl.

MdC 1991 003a (1024x676)

Willem van Genk in zijn woonkamer, 1991. Foto: Mario del Curto.

NvdE 1986 002a (1024x680)

Rome, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

Op de foto’s van Del Curto staat op de leuning van de bank voor Londen het werk Tank II, dat op andere opnames in de slaapkamer te zien was. Bij het raam liggen enkele hardboardplaten met een paar kleine voorwerpen erop, maar van de installatie Busstation Arnhem is verder niets te zien. [6] Op foto’s van een aantal jaren later is de situatie onder het voorkamerraam radicaal anders, onder het raam ligt een compleet emplacement van ongeveer twee bij twee meter:

Op het eerste gezicht een warwinkel van materialen, van draden, masten, torens, stangen en teksten. Roosters die aan plastic buizen hangen, torsen cijfers en woorden: Coburg, McDonald’s, C&A, en telkens weer politie, politie, politie. Lampen en blikjes bekronen de hoogste punten. Tegen het raam op eindigt het werk in een bos van torens uit omwikkelde kit-kokers, flessen, dozen en buizen. [7]

‘Op het eerste niveau staan trolleybussen, strak in het gelid’, vervolgt Van Berkum haar beschrijving, maar foto’s van de installatie tonen aan dat dat bepaald niet het geval is. Wel zijn de bussen (en trams, en andere onderdelen van de installatie) dicht tegen elkaar aan geplaatst. Te zien is dat het duidelijk om kleinere, minder gedetailleerde voertuigen gaat dan de losse bus- en tramassemblages en dat de koekjesverpakkingen in de vorm van trolleybussen vaak maar weinig bewerking hebben ondergaan. Op een aantal foto’s is een pluchen hond zichtbaar, die een datering mogelijk maakt: de hond werd in mei 1997 gekocht door Nico van der Endt voor Van Genk tijdens diens verblijf in ziekenhuis Leyenburg na het eerste herseninfarct. [8]

2010 008b

Busstation Arnhem in de woonkamer van Willem van Genk, ca. 1997. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

De voorkamer van Willem van Genk in Harmelenstraat 28 was kunsthistorisch gezien de interessantste ruimte van het huis. Hier hing en stond een aantal van zijn schilderijen, hier had hij een muur artistiek bewerkt, hier bouwde hij de installatie Busstation Arnhem op. Tegelijkertijd fungeerde de ruimte ook wel degelijk als woonkamer, met een kachel, een bank, een salontafel, stoelen en met kasten die ook plaats boden aan bloemen, bric-à-brac en familieportretten. We zullen zien dat de aangrenzende achterkamer, hoewel eveneens interessant, een ander karakter had.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] ‘Er is een kastje met een verzameling popjes en bustes, met Lenin en Beethoven centraal.’ (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31)

[2] ‘Met de Zwitserse kunstfotograaf Mario del Curto ga ik op bezoek bij Willem om foto’s van zijn interieur te maken, we hopen op meer. Hij schrikt telkens bij het klikken van de camera. Pas als wij gezamenlijk de hond gaan uitlaten en Willem in zijn stoere jas is gehuld, mogen er ook enkele foto’s van hem gemaakt worden. De fraaie foto’s worden opgenomen in zijn boek Les Clandestins – sous le vent de l’Art Brut, dat in 2008 verschijnt.’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 69)

[3] Van Berkum, die de afbeelding wel maar het werk niet kan thuisbrengen, spreekt van ‘een Romeins stadsgezicht met het monument voor Victor Emmanuel’ (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 30).

[4] ‘In de huiskamer hangt boven het dressoirtje een zoet portret van een meisje met een hond.’ (ibid.)

[5] Ibid.

[6] Van der Endt vermeldt Van Genks ‘gestaag groeiend autobusstation onder het raam in de woonkamer’ in zijn boek pas in 1994 (Kroniek van een samenwerking, p. 93).

[7] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 30.

[8] ‘Vriend Van der Endt bezoekt hem en samen kopen ze een zwart-witte stoffen Dalmatiër in het ziekenhuiswinkeltje. Ook deze hond wordt Coco genoemd.’ (Walda, Koning der stations, p. 163) ‘Twee weken later kunnen we samen al weer naar de kantine om koffie te drinken. In de aangrenzende winkel koop ik een grote speelgoedhond waar hij naar keek. Tegen Dick Walda zegt hij: “Kijk, die speelgoedhond, die Dalmatiër is wel aardig om naar te kijken, maar die zegt geen stom woord terug.”’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 107)

Zwakzinnigen nazorg

SH190.tif

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg | ca. 1980 | gemengde techniek op hardboard | 94,5 x 105 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

Willem van Genk beeldde zichzelf meerdere malen af in zijn schilderijen, maar hij maakte in ieder geval twee werken die als zelfportretten te boek staan: Zelfportret in De Ark (ca. 1974) en Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978). In de catalogus van de overzichtstentoonstelling bij Galerie De Ark in 1976 stond Zelfportret in De Ark prominent afgebeeld op pagina 2 – Van Genk maakte het werk naar aanleiding van onder meer een expositie die hij in 1974 in die galerie had. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg kwam in de catalogus uit 1976 nog niet voor. Eind 1976 verhuisde Van Genk naar Galerie Hamer van Nico van der Endt. Van der Endt was ook degene die later de titel Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bedacht: Van Genk zelf gaf zijn werken zelden titels, het was meestal aan galeriehouders of organisatoren van tentoonstellingen om die te verzinnen. Omdat het duidelijk om een zelfportret ging, met als meest in het oog springende woorden ZWAKZINNIGEN NAZORG, hoefde Van der Endt niet lang na te denken. [1]

Het werk was pas eind 1989 voor het eerst te zien zijn, als onderdeel van een tentoonstelling ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van galerie Hamer. In een uitgebreide recensie in NRC Handelsblad noemt Renée Steenbergen Van Genks zelfportret het ‘klapstuk van de expositie’:

Het grote paneel is een collage van talrijke kleinere voorstellingen […]. Zo ontstaat een overweldigende opeenhoping van taferelen die tezamen het ‘moderne leven’ aanduiden. In het midden is Van Genks zelfportret afgebeeld, met eronder de tekst ‘Zwakzinnigennazorg’ en erboven ‘Vereniging Nederland USSR’. Als ‘inzetje’ is er een mini-stilleven van pannen en vazen. Ook zijn er omkaderde, schijnbaar op zichzelf staande tafereeltjes als vier oliesjeiks rond een tafel, een opstijgend vliegtuig, een gotische kathedraal, een rij koetsen, gebouwen in aanbouw of juist rijp voor de sloop, en veel tekst. De woorden benadrukken de maatschappelijke gerichtheid van de geschilderde voorstellingen: ‘dierenbescherming’, ‘openbaar kunstbezit’, ‘Mein Kampf, een literaire bestseller’. [2]

Het zelfportret werd door een particulier aangekocht voor fl. 15.000, om in 1990 aan de Stichting Museum voor Naïeve Kunst te worden geschonken. [3]

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is symmetrisch opgebouwd en bestaat uit vijftien vlakken, elk met een afzonderlijke voorstelling. Binnen de vlakken zijn soms kleinere vlakken ingevoegd, wat het totale aantal voorstellingen op zevenentwintig brengt. Het centrale vlak 1, het daadwerkelijke zelfportret, bevat een ander schilderij (1a) en een tondo (1b). Links en rechts van het centrale vlak zijn twee verticale vlakken (2 en 3), elk met drie tondo’s (resp. 2a t/m 2c en 3a t/m 3c). Aan de bovenzijde van het werk bevinden zich twee horizontale stroken, elk verdeeld in een langwerpig middenstuk (5 en 8) met links en rechts een kleiner vlak (4 en 6 naast 5, 7 en 9 naast 8). Aan de onderzijde van het werk is de situatie vrijwel identiek: twee horizontale stroken, elk verdeeld in een langwerpig middenstuk (11 en 14) met links en rechts een kleiner vlak (10 en 12 naast 11, 13 en 15 naast 14). Het enige verschil met de bovenzijde is een viertal tondo’s (14a t/m 14d) in vlak 14.

Schema ZZN

Net als bij veel andere werken vanaf ca. 1965 bestaat Zelfportret – Zwakzinnigennazorg uit een aantal met olieverf beschilderde boardplaatjes die door middel van spijkertjes zijn samengevoegd. Het lattenframe waarop Van Genk zelf het geheel van boardplaatjes bevestigde, is eind jaren tachtig verwijderd door een lijstenmaker. In de plaats van het frame werd toen een zwarte plaat van multiplex achter de boardplaatjes aangebracht. [4] De voorste boardplaat bevat vlak 1. Vlakken 2 en 3 bevinden zich daarachter, elk op een eigen plaat. Weer een niveau verder terug zijn de platen met de vlakken 8 en 11, die op hun beurt weer hoger liggen dan de plaatjes met 7 en 9, en met 10 en 12. Op het diepste niveau bevinden zich aan de bovenkant een plaat met de vlakken 4, 5 en 6; en aan de onderkant een plaat met de vlakken 13, 14 en 15. Er is daarmee in totaal sprake van 11 boardplaatjes.

Naast olieverf is gebruik gemaakt van ballpoint, opgeplakte stukjes papier en lak. Met ballpoint zijn teksten aangebracht, vaak lastig leesbaar. De opgeplakte stukjes papier maken onderdeel uit van de afbeeldingen en zijn moeilijk als zodanig te herkennen. Lak is gebruikt om delen van de afbeeldingen te accentueren, zoals water, glas en metaal, maar ook bij voorbeeld het gezicht van de kunstenaar in vlak 1. De boardplaatjes zijn aan de randen, met name bij de hoeken, soms in lichte mate afgesleten. Hoewel de achterkant van het werk niet meer zichtbaar is, laten enigszins vergelijkbare werken zien dat de boardplaatjes soms vrij ruw zijn afgezaagd en dat de spijkertjes aan de achterkant krom zijn geslagen. [5] Aan de voorkant steken de spijkertjes hier en daar nog uit, zoals rechtsboven in vlak 11.

Inlijsting Grote Naïeven

Inlijsting De grote naïeven in 2009

Vlak 1 bevat het daadwerkelijke zelfportret van Van Genk in halfprofiel. Van Genk is gekleed in een bruin ribcord colbertjasje met daaronder een roodbruine pullover, een groengeruit overhemd en een oranje stropdas met rode en blauwe strepen. Hij draagt een bruine hoornen bril, zijn haar is achterovergekamd. Rechts achter hem bevindt zich een oudere, kale man die een oberskostuum lijk te dragen met een zwart jasje, wit overhemd en vlinderdasje. Hij tapt een kop koffie uit een groot koffieapparaat (MADE IN ITALY EXSPRESSO) en rookt een sigaret – de rookkringel vormt de tekst fifty fifty, de damp uit het koffieapparaat het woord erzatzt. Achter de twee personen hangen op een groen betegelde muur drie bordjes: op de rechterwand boven het koffieapparaat een reclame voor 7UP, op de achterwand een reclame voor Coca-Cola en een vergunning voor horecagelegenheden (VERLOF B alcoholvrije dranken). Links achter Van Genk hangt aan de muur een apparaat met de verticale tekst R O N S O N S E R V I C E. Daarnaast staan twee vlaggenstokken met de vlaggen van Nederland en de Sovjet-Unie. Een laatste onderdeel van de afbeelding vormt een witte banier boven de hoofden van de personen, met in zwarte letters de tekst VERENIGING NEDERLAND USSR ’75.

Aan de afbeelding is een aantal teksten toegevoegd. Vóór Van Genk bevindt zich een lichtgroen gearceerde, papieren strook met de tekst ZWAKZINNIGEN NAZORG. De strook is over de hoofdafbeelding geplakt. Half over de banier aan de bovenzijde staat in bruine letters de tekst ADOLF WARSCHAUER DEUTSCHE KULTURARBEIT IN DER. Daar weer boven staat in rode letters links NAÏVEN … en rechts … POSTER. In kleinere oranje letters staat daartussen NEDERLAND LET OP UW SAEK! Links en rechts naast die laatste tekst zijn twee halfronde papieren stroken in de afbeelding geplakt met, in rode letters tegen een lichtgroen gearceerde achtergrond, DIE POLITISCHE PLAKATE en VON KLAUS STAECK …. 471. Binnen de eerste strook staat in rode letters de tekst DUISBURGER SEZESSION, met in kleiner blauwe letters tussen de beide woorden HAMBURGERS. Binnen de tweede strook staat in rode letters DÜSSELDORFER AUSSTELLUNG. [6]

De eerste ingevoegde afbeelding (1a) betreft een schilderijtje met enkele voorwerpen op een bruin vlak tegen een lichtblauwe achtergrond. Het schilderijtje bevindt zich op een afzonderlijk stukje papier dat deels over de hoofdafbeelding, deels over de strook met ZWAKZINNIGEN NAZORG is geplakt. Op de lijst van het schilderijtje staat links onder Stilllife en rechtsonder P.A. Persoon (’69). Linksboven staat tegen de blauwe achtergrond KULTURAH. De tweede ingevoegde afbeelding (1b) is een tondo met een zaal, mogelijk een synagoge of theaterzaal, met publiek en met op de achtergrond de vlag van Israël. Om de blauwgroene rand van het tondo staat in dezelfde kleur een onleesbare tekst.

ZZN boeken

Een aantal motieven van het werk wordt in dit centrale vlak neergezet. Boven alles geeft de voorstelling aan dat het hier om Willem van Genk zélf gaat – de persoon van de kunstenaar staat in meerdere opzichten op de voorgrond. De setting van het eigenlijke zelfportret lijkt die van een horecagelegenheid te zijn, gezien de frisdrankreclames, het koffieapparaat, de kleding van de man achter Van Genk en natuurlijk het vergunningsbordje. In de verschillende opschriften wordt verwezen naar met name kunst, politiek en het buitenland, in het bijzonder Duitsland en de Sovjet-Unie. Het ingevoegde stilleven van P.A. Persoon – Van Genks zwager Peter Persoon, de echtgenoot van zijn zuster Addy [7] – past bij het kunstmotief, de functie van het tondo met de Israëlische vlag blijft vooralsnog onduidelijk.

Dit is het eerste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2016 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.


 

NOTEN

[1] Mededeling Nico van der Endt.

[2] Renée Steenbergen, “Outsiders”, in: NRC Handelsblad Cultureel Supplement, 22 december 1989.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63.

[4] Informatie over werkwijze en geschiedenis afkomstig van Nico van der Endt.

[5] In februari 2016 werd een drietal werken van Stichting Collectie De Stadshof opnieuw ingelijst. Tijdens dit proces was het mogelijk om onder meer de achterkanten van de werken in detail te bestuderen. Het ging om Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, Het project Asbery – Havanna (ca. 1970-1980) en Vallei de los Caydos (1986). Daarnaast is de inlijsting van De grote naïeven (ca. 1975) gefotografeerd, dat in 2009 van een vergelijkbare achterplaat werd voorzien.

[6] De DUISBURGER SEZESSION was (en is) een Duitse groep kunstenaars, waarvan een groot aantal leden een opleiding aan de kunstacademie in Düsseldorf had gevolgd. DIE POLITISCHE PLAKATE VON KLAUS STAECK … 471 heeft betrekking op de discussie rond Duitse kunstenaar Klaus Staeck, wiens politieke prenten en posters in het midden van de jaren zeventig aanleiding waren tot in de media breed uitgemeten controverses. 471 is het nummer van de postbus van Staeck in Heidelberg, tevens het adres van zijn uitgeverij. Staeck was een van de initiatiefnemers van de kunstbeurs IKI in Düsseldorf, waar in 1974 werk van Van Genk werd getoond.

[7] Het afgebeelde werk bevond zich in de woonkamer van Van Genk (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 49). Het werk is inderdaad te zien in de documentaire Ver van huis.

USA

USA

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

In het interview met Bibeb uit 1964 kwamen de reiswensen van Van Genk al aan het begin ter sprake. Via Brattinga was er op dat moment uitzicht op een reis naar de Verenigde Staten in combinatie met een tentoonstelling daar, maar de kunstenaar zelf wilde eerst naar Moskou. Zwager Peter Persoon was daar geen voorstander van: ‘’t Is verstandiger eerst naar de States te gaan. De kans bestaat, als je eerst naar Moskou gaat, dat je Amerika niet meer in komt.’ [1] In een al eerder geciteerde brief aan Brattinga woog Van Genk braaf de voors en tegens van beide reisbestemmingen af, maar het was wel duidelijk waar zijn hart lag:

Nu die Amerikaanse reis had ik gaarne ’t volgend jaar gemaakt, de Amerikaanse reis kost (f 2.677) tweeduizendzeshonderdzevenenzeventig gulden hierbij zijn excursies per bus door New York en Washington (DC) bezocht wordt New York na een vermoeiende reis vol gevaren van 8 uur … per vliegtuig wordt New York (city) doorkruist per tourbus. […] New York … met zijn Hudsonrivier en negersongs en chinezenstad deze reis duurt … 20 dagen. Van New York gaat de reis naar Washington (DC) met herinneringen aan (wijlen) Kennedy en Pittsburg (hel zonder deksel) staalfabrieken, Detroit hier worden de Fordautofabrieken bezocht vervolgens Buffalo Niagara watervallen Toronto (Canada) Montreal de grote stad … met wolkenkrabbers Burlington (ook bij Boston) alles wordt per continental Trailways in de USA bereden (tourbus) En de Wereldtentoonstelling het gebouw der verenigde Naties Dit is de Amerikaanse reis, de reis gaat per KLM weer terug n. Amsterd. Geachte lezer ik had ’t liefst deze reis ’t volgend jaar gemaakt. Ik weet niet hoe die reis van de ‘Islander’ er uit gaat zien, doch 8 uur vliegen in eens wel te veel van ’t goede, er blijft altijd een risico aan. [2]

Van Genk legde de nadruk op het financiële aspect en de reisduur, maar ook zonder die twee zaken was zijn voorkeur zonneklaar.

Amerika wordt nog lange tijd uitgesteld. In november 1967 wint Van Genk de Co-op schilder- en tekenwedstrijd voor zondagsschilders, zijn prijs bestaat uit een veertiendaagse vliegreis naar de Verenigde Staten en Canada. Addy Persoon-van Genk zou hiernaar kunnen verwijzen als zij Alfred Schmela in februari 1969 schrijft: ‘Mijn broer Willem van Genk vertoeft de hele maand april in Amerika’. [3] Maar ook deze reis ging niet door, om welke reden dan ook. Nico van der Endt: ‘Een maand lang alleen op stap, niet in een groep? Misschien geen begeleiding gevonden, reis afgezegd. Dit lijkt mij het meest waarschijnlijk’. [4]

In een brief aan Dick Walda uit 1982 meldt Van Genk, als hij zijn belangrijkste levensfeiten opsomt: ‘ik heb ook een klein reisje naar de USA gemaakt (tijdens de goedkope dollar).’ [5] Dat kleine reisje vond plaats in 1980, toen Galerie Hamer deelnam aan de kunstbeurs Art Expo in New York met een solo-presentatie van kunstenaar Gorki Bollar. Art Expo werd dat jaar van 6 tot 10 maart voor de eerste keer gehouden en zou uitgroeien tot een van de grootste internationale evenementen op het gebied van beeldende kunst. Nico van der Endt:

Als Van Genk hiervan hoort, vraagt hij of hij mee mag naar New York. Na overleg met mijn vrouw en de zuster van Willem gaan wij schoorvoetend akkoord. Uit voorzichtigheid boek ik een groepsreis met vliegtuig, transfers en hotels, zodat een host of hostess ter plaatse zo nodig ook assistentie kan bieden. Van Genk wordt in een eenvoudig hotel ondergebracht in verband met zijn haarfetisjisme: een kapsalon in het hotel zou tot problemen leiden. Af en toe bel ik hem op, ook reizen we soms samen in de ondergrondse, waarin hij met verbluffend gemak zijn weg weet te vinden, wij volgen. Zelfs in deze onbekende metropool voelt hij zich als een vis in het water, zowel bovengronds als ondergronds.

Op de terugweg blijkt Van Genk een groot aantal plastic regenjassen te hebben aangeschaft, ‘zo veel, dat wij problemen vrezen bij de douane. We nemen elk een viertal jassen onder onze arm en passeren bij thuiskomst ongehinderd de douane.’ [6]

De reis maakte uiteraard indruk op Van Genk, ook in kleine zaken. Dick Walda herinnerde zich ‘dat Willem enorm drammerig sprak over een hoed die hij wilde hebben. Vond dat helemaal niet bij Willem passen. Hij had gelogeerd in New York in een hotel waar uitsluitend handelsreizigers kwamen. Het was inderdaad in de hoedentijd. Ik ben daar nooit op in gegaan.’ [7] De indrukken die hij opdeed in de ondergrondse van New York, legde Van Genk vast in een van zijn laatste werken in olieverf: ‘Het middenpaneel van […] Keleti Station is na de reis ontstaan en verbeeldt een scène uit een ondergrondse trein van New York. Een klein affiche maakt reclame voor de kunstbeurs Art Expo ‘80.’ [8]

Keletistation Budapest

Detail Keleti Station (ca. 1980-1985)

Het zal ook na deze reis zijn geweest dat Van Genk de woorden ART EXPO NY en NEW YORK C ’80 aanbracht op het middenpaneel van Collage 200 Beljon Inc. Opnieuw Nico van der Endt: ‘In 1980 reisde Willem met ons mee naar New York, waar ik de kunstenaar Gorki Bollar exposeerde op de eerste editie van “de eerste kunstbeurs” van Amerika. Onuitgesproken bleef de wens van Willem daar ook te exposeren. Tekortkoming van Nico! Beljon had dat wel kunnen regelen!’ [9]

Van Genks zuster Addy in 1964 tegen Bibeb: ‘Is dat wat voor een kunstenaar, Amerika? Is daar kunst?’ [10] Vijftig jaar later kwam het antwoord, toen in het American Folk Art Museum in New York de tentoonstelling Willem van Genk: Mind Traffic te zien was. Volgens The New York Times ging het om ‘an in-depth introduction to an outstanding artist you’ve barely heard of’, een ‘concise, electrifying survey of Willem van Genk’. [11] Het tijdschrift The Brooklyn Rail was nog enthousiaster:

Willem van Genk: Mind Traffic, the American Folk Art Museum’s current exhibition of 43 works by the Dutch artist, which range from large-scale paintings and collages, to an installation of the artist’s prized raincoats, is an historical victory, a correction of a curious oversight in the art historical annals of U.S. institutions. To pronounce an exhibition “historical” is usually an abuse of hyperbole (and a pledge that exhibitions rarely honor). Mind Traffic, however, delivers on its promises. [12]

Van Genk had het gemaakt in de VS, maar dat had wel even geduurd.


 

NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[2] Brief van Willem van Genk aan Pieter Brattinga, 25 maart 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[3] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Alfred Schmela, 12 februari 1969 (Galerie Schmela Records, Getty Research Insititute).

[4] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 30 juli 2018.

[5] Brief van Willem van Genk aan Dick Walda, 19 december 1982 (archief Dick Walda).

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[7] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 2 augustus 2018.

[8] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[9] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 8 januari 2020.

[10] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[11] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins”.

[12] Alana Shilling-Janoff , “WILLEM VAN GENK Mind Traffic”, in: The Brooklyn Rail , 3 oktober 2014.

Brattinga vs. Persoon

Brattinga 19641229a

Kaartje van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut)

Nadat Pieter Brattinga het begin 1964 op zich had genomen om Van Genk internationaal te laten doorbreken, [1] liepen zijn contacten daarover voor een belangrijk deel via Peter en Addy Persoon. De tentoonstelling bij de galerie van Alfred Schmela in Düsseldorf betekende een bliksemstart voor Brattinga, die in september daardoor al successen kon melden aan het echtpaar. Wel:

Voorts wou de Duitse kunsthandel ook graag de beschikking hebben over het niet in Hilversum geëxposeerde werk van van Genk.
Volgens ons contract valt dit niet onder het werk waar ik mijn best voor zou doen. Toch zou ik U aanraden om dit werk alsnog onder deze regeling te laten vallen aangezien ik dit voordeliger voor U vind. U kunt dan in dit geval profiteren van vervoer, verzekering, publiciteit en andere zaken die voor de ‘Hilversumse serie’ gemaakt worden. […]
Ik hoop zeer spoedig Uw gedachten over een en ander te horen (liefst per brief) aangezien men alreeds de volgende maand in Duitsland wil exposeren. [2]

Brattinga had dus haast en wilde graag snel tot zaken komen, maar de (wegens vakantie verlate) reactie van Addy Persoon was zuinigjes: ‘Ik zou het toch prettiger vinden om even mondeling met U over een en ander van gedachten te kunnen wisselen.’ [3] Dat lukte niet, blijkens een enigszins geïrriteerde krabbel van Brattinga op de brief: ‘9 oktober gebeld Mr. or Mrs Persoon zou zaterdag 10 Oct. wegens ziekte P. hier komen en eerst bellen, doch niets meer gehoord’.

De deelcollectie Van Genk die Brattinga vertegenwoordigde, bleef een heikel punt – hij wilde meer werk. Begin november kwam Addy Persoon bij hem thuis om verder over de zaak te praten en naar aanleiding daarvan stuurde Brattinga haar op 7 november een kort briefje: ‘ik [zou] U gaarne willen verzoeken om mij in te lichten over Uw eventuele beslissing inzake het werk van Van Genk. […] Indien Uw beslissing negatief is zou ik dit gaarne ook willen weten’. De kwestie bleef echter in de lucht hangen. Op 18 december was er een telefoongesprek tussen Addy Persoon en de echtgenote van Brattinga, maar ‘helaas hebt U mij op mijn brief van 7 november nog geen duidelijk schriftelijk antwoord kunnen geven’. [4]

Wel was er een ander geschilpunt ontstaan: “de Duitse televisie” had zowel Addy Persoon als Pieter Brattinga benaderd voor een reportage over Van Genk. Addy had positief gereageerd, terwijl het Brattinga beter leek om ‘met deze publiciteit te wachten aangezien ik het moment psychisch niet juist vind’. Ze had hem in het telefoongesprek met zijn echtgenote gevraagd om de werken die waren overgebleven van de expositie bij Schmela beschikbaar te stellen voor de reportage, maar die waren al weer onderweg naar Nederland. Brattinga was niet blij: ‘Ik geloof […] dat wij indertijd duidelijk afgesproken hebben, dat de publiciteit en het zoeken van de juiste kunsthandelaren […] door mij behandeld zouden worden.’ [5]

Addy

Addy Persoon-van Genk

Addy schreef op 29 december terug dat Brattinga’s vrouw waarschijnlijk sommige dingen verkeerd moest hebben begrepen. Tegelijk verweet ze hem dat haar broer nog steeds een toegezegde fotokopie niet had ontvangen, noch de prospectussen van Neue Realisten & Pop Art in Wenen en Berlijn. Ook zei zij nog niet op de hoogte te zijn van de precieze verkopen in Düsseldorf, hoewel Brattinga daarover aan Van Genk al een week eerder een gedetailleerd overzicht had gestuurd. [6] Volgens Addy wilde haar broer ‘met de gang van zaken voor wat zijn werk betreft volledig op de hoogte worden gehouden.’ Ze beloofde Brattinga in het nieuwe jaar opnieuw te schrijven, met antwoorden op al zijn vragen. Zo dit al gebeurde, is deze brief niet bewaard gebleven.

Het archief van Pieter Brattinga bevat geen correspondentie met Addy Persoon uit de jaren 1965-1970. Hij lijkt in die periode ook geen verdere activiteiten voor Van Genk te hebben ondernomen. Wel blijkt er rechtstreeks contact te zijn ontstaan tussen Alfred Schmela en Addy Persoon: in diens archief bevindt zich een brief van haar van 19 februari 1969. Daarin bedankt zij Schmela voor zijn brief van 12 februari en nodigt zij hem uit om nieuw werk van haar broer te komen bezichtigen – dit kan ‘ook wanneer hij niet aanwezig is.’ [7] Verdere correspondentie tussen Addy Persoon en Schmela ontbreekt.

Brattinga benaderde zij pas weer in februari 1971. In een brief gaf zij aan dat haar broer nieuw werk had dat hij wel wilde verkopen. Uit alle formuleringen spreekt dat zij eigenlijk wel genoeg had van de hele kwestie, ook omdat haar man na een ernstig auto-ongeluk in het ziekenhuis lag. [8] Brattinga stond evenmin te springen om zich weer in het project te storten, zo lijkt het. Een jaar later kwam hij zijdelings op de zaak terug in een brief aan Joop Beljon. Daarin schreef hij dat zijn ‘huiselijke omstandigheden […] de afgelopen drie jaren vrij vreselijk [waren] geweest’, dat hij eerst een maand vakantie wilde nemen en dat hij daarna zou ‘proberen weer een nieuwe activiteit te ontwikkelen’ met betrekking tot het werk van Van Genk. [9] Daarvan kwam het niet meer.

Pieter_Brattinga - kopie

Pieter Brattinga

In maart 1973 vat Brattinga in een brief aan zijn advocaat zijn visie op de hele Van Genk-geschiedenis nog eens samen:

Van Genk heb ik nog nooit gezien, alle onderhandelingen zijn geschied via zijn zuster of via de Heer Beljon. Gezien de geestestoestand van de Heer van Genk en de gedachte van zijn familie dat er een nieuwe Van Gogh zou zijn opgestaan, is het altijd moeilijk geweest om tot beslissingen te komen die gunstig zouden zijn voor de eventuele verkoop. […] De onvoldoende verkoopresultaten zijn dan ook veroorzaakt door de aanvankelijke weigering van de Heer van Genk om de prijzen verder te verlagen dan bij Galerie Schmela waren afgesteld en zijn weigering om verdere werkstukken toe te voegen aan de “afgeronde” collectie. [10]

Peter en Addy Persoon waren toen al uit zicht. Peter Persoon overleed in maart 1971 aan de gevolgen van het genoemde auto-ongeluk, zijn vrouw stierf een klein jaar later. Ze was 54 jaar oud.


NOTEN

[1] In een brief van advocaat R.M. Schutte aan Brattinga van 26 januari 1973 wordt gesproken van een ‘akte d.d. 11 februari 1964’ waarbij ‘de heer Van Genk U een 27 schilderijen in cosignatie over[droeg]’. In een brief van Brattinga’s advocaat Grosheide is sprake van een ‘contract’ van 11 februari 1964, dat echter volgens de advocaat ‘wel zeer summier’ is (brief van R.W. Grosheide aan Pieter Brattinga, 21 februari 1973; archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[2] Brief van Pieter Brattinga aan Peter en Addy Persoon, 23 september 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[3] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga, 5 oktober 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[4] Brief van Pieter Brattinga aan Addy Persoon-van Genk, 18 december 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[5] Idem.

[6] Brief van Pieter Brattinga aan Willem van Genk, 23 december 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[7] Galerie Schmela Records, Getty Research Insititute.

[8] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga, 22 februari 1971 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[9] Brief van Pieter Brattinga aan Joop Beljon, 27 april 1972 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[10] Brief van Pieter Brattinga aan F.W. Grosheide, 8 maart 1973 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

Schmela

Schmela

Alfred Schmela voor zijn galerie in Düsseldorf, 1961 (foto: Heinz Mack)

De Duitse kunsthandelaar en -verzamelaar Alfred Schmela (1918-1980), opgeleid als bouwkundig ingenieur, was in 1957 een kleine kunstgalerie begonnen in de binnenstad van Düsseldorf. Die werd al snel een succes binnen meer progressieve kunstkringen. Er waren exposities te zien van onder meer Yves Klein, Jean Tinguely, leden van de kunstenaarsgroep ZERO, Christo, Gerhard Richter en Joseph Beuys. In 1964 leende hij voor de tentoonstelling Nieuwe Realisten in Den Haag enkele werken van Arman uit. Schmela had contacten met de Nederlandse meubelontwerper en kunstverzamelaar Martin Visser, die eveneens een van de bruikleengevers voor Nieuwe Realisten was en die Schmela in een briefje van 18 juni 1964 op het werk van Willem van Genk attendeerde:

Hierbei eine Zeitung worin Wim van Genk. Der Mann macht wunderbar schöne Sachen. Er hat ein Vertreter: Pieter BRATTINGA […] Herr Brattinga hat eine gute Name und ist befreundet mit Herr Sandberg. Herr B. kommt Dienstag 23 Juni nach Haag und ist bei der Offnung der Pop Art Ausstellung [i.e. Nieuwe Realisten, JvdW]. Er hat viel foto material der Arbeit Maler van Genk und hat mir gesagt es mitzubringen nach Haag. [1]

In zijn antwoord bedankte Schmela Visser voor het krantenknipsel en gaf hij aan inderdaad geïnteresseerd te zijn: ‘Ich werde mir gern einmal Originale ansehen.’

Veel informatie over Schmela en Van Genk is te vinden in het archief van Pieter Brattinga, dat een aantal brieven van en aan de galeriehouder bevat. [2] Brattinga had samen met Joop Beljon het plan opgevat om te proberen meer bekendheid te geven aan het werk van Van Genk, door middel van exposities en (hopelijk) verkopen in het buitenland – dit alles in overleg met de kunstenaar en diens zaakwaarnemers, zus Addy en haar man Peter Persoon. Beljon trok zich echter vrijwel onmiddellijk weer terug, omdat hij het in zijn positie als directeur van de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten niet juist vond om op een of andere wijze verbonden te zijn met de verkoopactiviteiten voor Van Genk. Daardoor bleef Brattinga als enige vertegenwoordiger over. [3]

Op 16 september 1964 schreef Alfred Schmela aan Brattinga een brief over Van Genk, waaruit bleek dat hij uitermate geïnteresseerd was in diens werk en in zijn galerie een expositie wilde organiseren. Hij liet er geen gras over groeien: ‘Ich möchte […] gerne eine Ausstellung veranstalten, vorausgesetzt, dass die Preise sich in vernünftige Grenzen halten. […] Sollten wir uns hinsichtlich der Preise enigen können, wäre ich bereit, van Genk schon Anfang Oktober in meiner Galerie zu zeigen.’ Brattinga overlegde met een deskundige van het Stedelijk Museum Amsterdam en liet Addy en Peter Persoon op 23 september weten dat hij de prijzen enigszins had verlaagd, ‘hoewel mijn relatie van het Museum ze nog aan de hoge kant vond’.

Van Genk’s phantastische Wirklichkeit was van 3 tot 25 oktober 1964 bij Galerie Schmela te zien. Niet duidelijk is welke werken werden getoond, maar alles wijst op een herhaling van de Hilversumse tentoonstelling, mogelijk met uitzondering van de Moskou die deel uitmaakte van Nieuwe Realisten[4] Brattinga had nog via Addy en Peter Persoon – de kunstenaar zelf zou hij nooit ontmoeten – geprobeerd, mede op aandringen van Schmela, om ook de beschikking te krijgen over ‘het niet in Hilversum geëxposeerde werk van Van Genk’, maar dat was niet gelukt. Hij was vervolgens onaangenaam verrast door de voortvarendheid waarmee Schmela te werk was gegaan: toen hij op 2 oktober terugkwam van een buitenlands verblijf, las hij dat de tentoonstelling een dag later al zou openen. Bij die opening kon hij vanwege een longontsteking niet aanwezig zijn.

De prijzen in Hilversum waren vastgesteld door Joop Beljon. Het ging volgens een verslag in Haagsche Post om ‘gepeperde, door zijn ontdekker vastgestelde prijzen tussen fl. 2.000 en fl. 10.000.’ [5] Desalniettemin: ‘Het ziet ernaar uit dat al zijn geëxposeerde werken verkocht zullen worden.’ [6] Dat gebeurde echter niet – integendeel, in Hilversum werd geen enkele verkoop gerealiseerd. Voor de tentoonstelling in Düsseldorf waren de prijzen gehalveerd en Schmela wist mede daardoor een aantal geïnteresseerde kopers te vinden. [7] Al op 15 oktober 1964, nog geen twee weken na de opening van de tentoonstelling, kon hij Brattinga berichten dat hij acht werken had verkocht. In november kwam daar nog een werk bij, wat de totale opbrengst bracht op 27.000 mark. Daarvan ging een derde deel naar Schmela, een derde deel naar Brattinga en een derde deel (met aftrek van onkosten) naar Van Genk. Omgerekend hield deze fl. 7.221,94 aan de Duitse verkopen over.


NOTEN

[1] Correspondentie van Schmela over Van Genk bevindt zich in diens archief dat wordt beheerd door het Getty Research Institute in Los Angeles, in boxes 3, 12 en 15 (acc. no. 2007.M.17).

[2] Archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut, inv. nr. PB00545.

[3] Cf. een brief van Brattinga aan zijn advocaat F.W. Grosheide, 8 maart 1973 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[4] Nieuwe Realisten was na Den Haag te zien nog te zien in het Gemeindemuseum in Wenen (onder de titel Neue Realisten & Pop Art), de Akademie der Künste in Berlijn (idem) en het Palais des Beaux-Arts in Brussel (Pop Art, Nouveau Réalisme, etc.). Onbekend is of de Moskou van Van Genk meereisde met de tentoonstelling.

[5] Haagsche Post, ‘Fantastisch. Willem van Genk maakt portretten van wereldsteden’, 25 januari 1964.

[6]  De Gooi- en Eemlander, ‘Panoramist W. van Genk: “geniaal en krankzinnig”’, 29 januari 1964.

[7] Toch waren de prijzen ook in Düsseldorf voor veel potentiële kopers nog steeds aan de hoge kant. Uit een brief van H. Marc Moyens aan Alfred Schmela van 11 maart 1965: ‘Dear Mr Schmela, I am returning herewith the photographs of drawings by van Genk that you were kind enough to send me. I think that the pieces are superb, but I must confess that I was a little shocked at the price asked for them. After all, they are only colored drawings and do not compare, pricewise, with drawings by well-known masters of the same dimension which are currently offered on the market at much lower prices.’ (Galerie Schmela Records, Getty Research Insititute)

Hilversum (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die eerder in iets andere vorm verscheen onder de titel “De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.” Het eerste deel is hier te vinden.

Brandpunt 04e

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Joop Beljon in gesprek met een reporter van Brandpunt

Een van de motieven van Joop Beljon om de tentoonstelling bij Steendrukkerij de Jong & Co. te organiseren, was om Van Genk meer financiële armslag te geven. De academiedirecteur was verbolgen over het feit dat de kunstenaar de tijd noch de ruimte had om zijn talent te ontwikkelen: overdag moest hij geestdodend werk verrichten in de AVO-werkplaats en ’s avonds liep hij vier kilometer naar zijn zuster Willy om in haar warme huiskamer te kunnen tekenen. Zelf woonde hij in een armoedig pension, op een minuscule kamer die hij met een zwakzinnige grondwerker moest delen. Hij verdiende veertig gulden per week, waarvan hij vijf gulden in handen kreeg als zakgeld. Enige financiële steun in de vorm van een prijs of een subsidie zou volgens Beljon al veel helpen. Van Genks zwager Peter Persoon, echtgenoot van zus Addy van Genk, had zich opgeworpen als zaakwaarnemer.

Het kostte de organisatoren nog enige moeite om de werken van Van Genk gereed te maken voor expositie. Veel stukken waren gemaakt op aan elkaar geplakte stukken papier die eerst op linnen bevestigd, daarna geprepareerd en uiteindelijk ingelijst moesten worden. Er werden zevenentwintig ingekleurde pentekeningen tentoongesteld, vrijwel allemaal stadsgezichten. Negen werken, waaronder ook een afbeelding van een tank en een close-up van een trein die een station binnenrijdt, waren getiteld “Mockba” (Moskou). Tot aan de dag voor de opening werd Van Genk zelf in het ongewisse gelaten over de expositie – Beljon vreesde dat hij het niet goed zou vinden of bang zou worden. Het was dan ook onzeker of de kunstenaar bij de opening van zijn tentoonstelling op zaterdagmiddag aanwezig zou zijn.

Die vrees bleek ongegrond: Van Genk verscheen en leek het niet onprettig te vinden om in het middelpunt van de belangstelling te staan. De opkomst was groot, wellicht ook omdat de tentoonstelling werd geopend door de schrijver Willem Frederik Hermans. Hermans was bepaald kritisch over veel moderne kunst – de term “experimenteel” achtte hij onjuist – maar zag in Van Genk een maker die iets uitzonderlijks vermocht: ‘Elke lijn die Van Genk zet, stelt iets voor uit het dagelijks leven op straat. Maar toch staan alle heterogene dingen die op straten en pleinen kunnen worden aangetroffen in relatie tot elkaar. Gevels, bestrating, voertuigen en de dingen waaruit deze grote eenheden zijn samengesteld: stenen, vensters, ornamenten, reclameborden, allerlei opschriften, plaveisel, zebrapaden, rotondes, vluchtheuvels, rails, wissels, stroomdraden. Al deze details vormen met elkaar een eenheid. Een eenheid die misschien op zichzelf een soort abstract patroon vormt, maar misschien is ook dit patroon goed beschouwd niet helemaal abstract en vormt het een reële eenheid. De eenheid van het spinnenweb.’ Hermans besloot: ‘Zijn tekeningen zijn huiveringwekkend mooi, maar zullen velen herinneren aan iets dat zij liever vergeten.’ [1]

Hoewel gering van omvang kreeg Van Genk’s fantastische werkelijkheid veel aandacht in de media. Hoogtepunten waren de genoemde televisiereportage voor Brandpunt en een uitgebreid interview met Bibeb in Vrij Nederland. In de televisiereportage kwam ook de kunstenaar zelf even aan het woord, maar hij had duidelijk moeite om coherente antwoorden te formuleren op de vragen die hem werden gesteld. [2] Het interview met Bibeb gaf een gedetailleerd, schrijnend beeld van de omstandigheden waaronder Van Genk moest werken. Naast de kunstenaar zelf kwamen zijn betweterige zwager Peter Persoon en zijn zusters Addy en Willy aan het woord. Bibeb bezocht de woningen van de familieleden, de AVO-werkplaats en het kosthuis van Van Genk. Uiteindelijk reisde zij met hem naar de tentoonstelling in Hilversum. [3]

19640403 Vrije Volk

Advertentie uit Het Vrije Volk, 3 april 1964


 

NOTEN

[1] W.F. Hermans, ‘De werkelijkheid van Willem van Genk’, in: Kunst van nu 1 (1963-1964), nr. 5, pp. 8-9. Voor de kunstopvattingen van Hermans, zie met name zijn essay “De lange broek als mijlpaal in de cultuur” uit 1951, herdrukt in: Carel Willink, De schilderkunst in een kritiek stadium, Amsterdam 1981, pp. 59-85. Willem Otterspeer geeft in het tweede deel van zijn Hermansbiografie een verslag van de opening (De zanger van de wrok, Amsterdam 2015, pp. 362-364).

[2] Dick Walda tekent dertig jaar later uit de mond van Van Genk op: ‘Er was een uitzending van Brandpunt. Ik schrok van m’n kop. Vreselijk vond ik dat. Ik heb helemaal niet geluisterd naar wat er gezegd werd.’ (Koning der stations. Episoden uit het leven van Willem van Genk, Amsterdam 1997, p. 26)

[3] Bibeb, ‘Wim van Genk: Ik ben een stuk grijs pakpapier’, in: Bibeb & VIP’s, Amsterdam 1965, pp. 111-123. Oorspronkelijk verschenen in Vrij Nederland, 4 april 1964.