Schwebebahn

062 Schwebebahn M

Schwebebahn Wuppertal | ca. 1965 | olieverf op hardboard | 61 x 61 cm | Collectie Vellekoop, Vlaardingen | foto: Museum van de Geest, Haarlem

Sommige werken van Willem van Genk worden vaker afgebeeld dan andere. Factoren daarvoor zijn met name voorstelling en beschikbaarheid. Zelfportret in de Ark sierde in 1997 het omslag van Koning der stations van Dick Walda, vooral vanwege de weergave van het gezicht van de kunstenaar. Het werk is momenteel echter in bezit van het Museum of Everything van James Brett, waardoor het in Nederland minder vaak te zien is. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg werd in 2010 gebruikt voor het omslag van Willem van Genk bouwt zijn universum en is in bezit van Stichting Collectie de Stadshof. Beide grote zelfportretten maakten deel uit van de tentoonstelling Woest maar behoorden tot de eerste werken die door de respectieve eigenaars weer werden teruggehaald. Van Stichting Collectie de Stadshof zijn ook World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven), Great Railroads of the World en Het project Asberry – Havanna (Project Asbery II), eveneens relatief populaire en daardoor vaker afgebeelde werken.

Schwebebahn Wuppertal is in particulier Nederlands bezit en wordt net als bijvoorbeeld Station Berlin Ost (idem) regelmatig ter beschikking gesteld voor tentoonstellingen. Beide eigenaren bezitten meerdere Van Genks, maar de voorkeur gaat bij afbeeldingen duidelijk uit naar de genoemde werken die tegelijkertijd compact, representatief en compositorisch aantrekkelijk zijn. Station Berlin Ost staat afgebeeld in Een getekende wereld, in Willem van Genk bouwt zijn universum en in Woest, werd gebruikt voor een ansichtkaart van Galerie Hamer en schopte het zelfs tot de voorkant van een notitieboekje van het (toen nog) Outsider Art Museum. Schwebebahn Wuppertal staat afgebeeld in Een getekende wereld en in Woest, werd gebruikt als kleurenillustratie bij een artikel over Van Genk in Het Parool in 2014 en was in datzelfde jaar te zien op de voorkant van een vouwblad van Galerie Hamer. [1]

Beide werken maakten ook al deel uit van de tentoonstelling De eigen wereld van 12 vrijetijdsschilders, die in 1967 gehouden werd in De Vishal in Haarlem. In de catalogus bij die tentoonstelling draagt Station Berlin Ost de titel Berlijn en krijgt het de datering 1964-1966. [2] Bij Schwebebahn Wuppertal ontbreekt helaas een datering; wel is een detail van het werk afgebeeld. Een getekende wereld en Woest geven als datering voor Schwebebahn Wuppertal 1960, maar dit is onverenigbaar met een affiche op het werk dat enkele optredens van The Beatles in Duitsland aankondigt – in Berlijn, Leipzig, Dortmund, Coburg, Keulen en Wuppertal zelf. Naast het Beatles-affiche is een advertentie te zien voor een kunstgalerie in Düsseldorf die bekend in de oren klinkt: BESUCHEN SIE […] DAS AUSSTELLUNGSHAUS […] GALERIE SCHMELA DÜSSELDORF. Met het oog op Van Genks expositie bij de galerie van Alfred Schmela in het najaar van 1964, lijkt een datering van ca. 1965 voor Schwebebahn Wuppertal waarschijnlijk.

De Wuppertaler Schwebebahn is een hangende monorail in de Duitse stad Wuppertal in de deelstaat Noordrijn-Westfalen, zo’n vijftig kilometer ten noordoosten van Keulen. De Einschienige Hängebahn System Eugen Langen, die in 1901 werd geopend, is met 470 stalen dragers op 12 meter hoogte gebouwd boven de rivier de Wupper. De lijn is 13,3 kilometer lang, loopt van Vohwinkel in het westen naar Oberbarmen in het oosten en telt twintig stations. Eén van de belangrijkste is in de wijk Elberfeld station Hauptbahnhof, vroeger Döppersberg geheten. Aanvankelijk was dit stationsgebouw een vooral uit gietijzer en glas bestaande Jugendstil-constructie, ontworpen door de Berlijnse architect Bruno Möhring, die in de volksmond de “Elberfelder badkuip” werd genoemd. Omdat het gebouw de groeiende stroom reizigers niet meer aankon en ook de stijl als verouderd werd beschouwd, kwam er in 1926 een stenen ombouw om het station en ernaast gelegen Köbo-haus. [3]

die-wuppertaler-schwebebahn-gtw-1-202207

Elberfeld-Wuppertal-Schwebebahn-Doeppersberg-Wuppertal-Wuppertal-Stadtkreis

Station Hauptbahnhof/Döppersberg, voor (onder) en na (boven) 1926.

In Schwebebahn Wuppertal van Willem van Genk kijken we vanaf de straat schuin omhoog naar een station van de zweeftrein dat volgens de teksten Elberfeld Döppersberg heet. Het station heeft nog het oorspronkelijke Jugendstil-uiterlijk, maar de context is duidelijk die van de jaren zestig van de twintigste eeuw – de afbeelding lijkt de situatie te tonen zoals die zou zijn geweest als het oorspronkelijke gebouw was blijven bestaan. Het uiterlijk van het gebouw vertoont overeenkomsten met de zeppelinachtige rasterstructuren die typerend zijn voor stations in het werk van Van Genk. In de linker bovenhoek en aan de bovenzijde van Schwebebahn Wuppertal is eveneens een metalen constructie te zien, die de scène gedeeltelijk inkadert. Die constructie is te interpreteren als een van de dragers van de zweeftrein, waarop politieke graffiti is aangebracht.

Op de afbeelding zijn twee zweeftreinen afgebeeld. De trein rechts (met reclames TRINK Coca Cola en HERO’S konserven) is net vertrokken richting Oberbarmen, de trein in het station komt uit die richting en gaat naar het ander eindstation Vohwinkel. Achter het station is bebouwing te zien met op het hoekgebouw de teksten HOTEL AM BAHNHOF en MÜNCHENER PILSNER. In de rechter bovenhoek wordt in grote letters reclame gemaakt voor een ander biermerk, WICKÜLER. Boven de trein die net is vertrokken, is de torenspits van een kerk zichtbaar. Het motief van het vervoer gaat verder op de voorgrond, met een Duitse stadsbus (STADTLINIE HAUPTBAHNHOF) bij een Haltestelle en twee Nederlandse touringcars, een groene van NV WESTLA […] SCHAPPIJ met op de voorkant het woord CEBUTO; en een rode van REISBUREAU HOTAM.

Eveneens op de voorgrond, in de linker benedenhoek, staat een spoorwegbeambte, vooral herkenbaar aan het gevleugelde wiel op zijn pet. Hij maakt een gebaar met zijn linkerarm naar de beschouwer, die hij ook aankijkt. Een dergelijk procedé, met een personage aan de onderkant van de afbeelding dat tot bij de schouders is afgesneden, past Van Genk veel vaker toe. Iets meer naar rechts staat voor de groene touringcar een man met in zijn linkerhand een ijsco en in zijn rechter een tros ballonnen met lachende gezichtjes. Mogelijk gaat het om een oorlogsinvalide, teksten en parafernalia die daarop zouden kunnen wijzen zijn moeilijk te onderscheiden.

Met name in en rondom het stationsgebouw op Schwebebahn Wuppertal wemelt het van de teksten. Enerzijds zijn dat aanduidingen in alle soorten en maten die te maken hebben met de functie van het gebouw: haltestelle, ELECTR. SCHWEBEBAHNEN, Eingang zum Bahnsteige, DEUTSCHE BAHN en, op de dakrand, WUPPERTALER STADTWERKLE A.G. ELBERF […] BARMEN. Er zijn ERFRISCHUNGEN, SOUVENIERS en REISEFÜHRER te krijgen. Daarnaast is er een overvloed aan reclameteksten, met voor Van Genk typische merken als MARTINI, 7UP, Agfa GEVAERT en MAGGI. Specifiek voor in Duitsland gesitueerde werken zijn PERSIL, EMSER P […] Bad Ems en 4711 KÖLNISCH WASSER. Ook lijken er verkiezingen in aantocht te zijn: van de CDU is een banier met de oproep VERSTARKT UNSER REIHE! terwijl linksboven op de metalen staander een heel ander politiek geluid te lezen is: WÄHLT DIE KPD! en FREIHEIT FÜR SPANIE […], plus een leuze over de Spaanse dictator FRANCO.

Spanje keert terug op enkele van de vele affiches en reclameborden die zijn afgebeeld. In het station, rechts van de trein naar Vohwinkel, wordt achtereenvolgens geadverteerd voor reizen naar SEVILLA, naar Spanje als geheel (met LUFTHANSA), naar het Iberisch schiereiland en ook apart naar PORTUGAL. Aan de andere kant van het station hangt boven de advertentie voor Galerie Schmela een aankondiging voor de DRUPA, een grote beurs voor de gedrukte media, eveneens in Düsseldorf. [4] Het is dan ook niet vreemd dat de aankondiging tevens een reclame is voor de Schnellschneider van de firma KRAUSE.

Naast een algemene autobiografische component – een fascinatie met vervoermiddelen en reizen – zijn er enkele specifieke details op Schwebebahn Wuppertal die direct met de biografie van Willem van Genk te maken hebben. De verwijzing naar de Belgische firma Gevaert (boven de pet van de spoorwegbeambte), die in 1964 fuseerde met het Duitse Agfa AG, keert terug in meerdere werken. Het meest duidelijke voorbeeld is Zelfportret in De Ark, waar het portret van de kunstenaar wordt gepresenteerd als een foto van Gevaert Photo – ANVERS. Van Genks zuster Nora werkte tot in de jaren vijftig als fotografe in Antwerpen, omdat in België minder naar diploma’s werd gevraagd. Ze was onder meer in dienst bij Gevaert, waar ze veel studiowerk deed als portretfotografe. Later begon ze een eigen atelier. [5]

whatsapp-image-2020-08-20-at-14.50.21

De rode bus van Hotam (Reisprogramma Hotam 1956, archief Jan Vellekoop)

Nog dichter bij huis in letterlijke zin is de rode touringcar van reisbureau Hotam: Hotam (Hooijmans Taxi Maatschappij) was gevestigd aan het Valkenbosplein in Den Haag, op korte afstand van Magnoliastraat 10 waar het gezin Van Genk lange tijd woonde. Het reisbureau annex busbedrijf verzorgde zowel dagtochten als meerdaagse vakanties, waarbij gebruik werd gemaakt van een rode, zeer herkenbare touringcar. [6] Uiteraard valt niet uit te maken of Willem van Genk ook daadwerkelijk met een bus van Hotam Wuppertal heeft bezocht, of dat hij de bus aan zijn schilderij heeft toegevoegd vanwege een persoonlijke associatie. Duidelijk is wel dat hij dermate onder de indruk was van de Schwebebahn dat hij het vervoermiddel verschillende malen tekende en schilderde, vaak in combinatie met de omgeving van Keulen. Verdere informatie voegde hij toe op de achterkant van het werk.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Kees Keijer, “Van Genk zag alles”, in: Het Parool, 17 april 2014. Het vouwblad van Galerie Hamer verscheen ter gelegenheid van de expositie willem van genk, een “museale” tentoonstelling, van 22 maart tot 3 mei 2014.

[2] Dat het om dit werk gaat is af te leiden uit een etiket op de achterkant van het werk en een stickertje met het bewuste catalogusnummer (36).

[3] Informatie ontleend aan het lemma “Wuppertaler Schwebebahn” in Wikipedia. Op Youtube is een filmpje van ongeveer een half uur te zien van het hele traject van de Schwebebahn. (Beide geraadpleegd op 17 augustus 2020.) Op 16:00 rijdt de trein station Hauptbahnhof binnen. Vanaf 27:00 is station Werther Brücke te zien, dat als enige noch oorspronkelijke Jugendstilelementen bezit.

[4] De DRUPA (‘Druck und Papier’) wordt sinds 1951 om de vier of vijf jaar gehouden. In de jaren zestig van de twintigste eeuw was er een DRUPA-beurs in 1962 en in 1967.

[5] E-mails van Albert Roozenburg en Irene Zalme aan Jack van der Weide, 8 en 12 augustus 2020.

[6] Bij een historische foto van het Valkenbosplein op internet: ‘Bij het plantsoentje op de voorgrond had links Reisbureau Hotam een speciale parkeerplek voor z’n Bordeaux-rode bus.’ (“Bomenbuurt Den Haag – Valkenbosplein”, geraadpleegd op 21 augustus 2020)

 

Japan (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over Japan in het werk van Willem van Genk. Het eerste deel is hier te vinden.

Internazionale

Internationale | ca. 1967 | gemengde techniek op papier | 98 x 174,5 cm | Alpha Cubic International, Japan

De naam BRATTINGA keert terug in de rechtermarge van een ander werk over Tokio van Van Genk, Station Tokyo. Het betreft opnieuw een tekening van het hoofdstation in de Japanse hoofdstad, waarbij Van Genk het gebouw enigszins vervormd heeft weergegeven. Het werk houdt het midden tussen stadsgezicht en een collage. Centraal staat de afbeelding van het stationsgebouw, met daaromheen enkele brede randen waarin kleinere tekeningen zijn opgenomen. Aan de bovenkant is een afbeelding van Amsterdam Centraal Station aangebracht, waarmee Van Genk de overeenkomsten tussen de beide stationsgebouwen benadrukt. Veel andere tekeningen in de rand hebben juist geen stedelijk karakter en zouden gemaakt kunnen zijn onder invloed van de Japan-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum.

Internationale is een collage die eveneens Japan tot onderwerp heeft. De verschillende tekeningen zijn opvallend recht in het werk geplaatst, een uitzondering bij de collages van Van Genk. De middelste afbeelding bevat onder meer een atoomwolk met het woord HIROSHIMA en lijkt geïnspireerd door het Japan-boek uit het interview met Bibeb, waarin ‘Japanse kersebloesem, vogels, enz. worden gesteld tegenover mannen met zwaarden die hoofden afhakken, tanks, martelingen en de atoombom.’ [1] De tekening links van het midden laat de serene kant van Japan zien, met een landschap met pagodes, bomen en een gele zon. [2] Een rode zon is het middelpunt van een clustertje afbeeldingen daaronder, dat eveneens bestaat uit meer verstilde afbeeldingen. Die vormen een contrast met de grote tekening daarnaast van een 1 mei-optocht, met vele borden en spandoeken met Japanse karakters en als onderschrift in cyrillisch schrift ИНТЕРНАЧИОНАЛ.

Iets minder exclusief gericht op Japan lijkt een collage van rond dezelfde tijd, Glimpses of Asia. De titel (die ook prominent op het werk zelf staat) wekt het vermoeden dat het werk op meer landen in Azië betrekking heeft, maar het is moeilijk om afbeeldingen te vinden die níet met Japan te maken hebben. Een groot deel van de opschriften onderstreept dit: JAPAN TRADE FAIR, TOKYO, KYOTO. De verschillende afbeeldingen laten verbanden zien met zowel New Japan als Internationale, zij het dat traditionele elementen (landschappen, pagodes, bloemen, bomen, een Boeddhabeeld) overheersen. Over het hele werk is de Japanse berg Fuji geschilderd, met erboven een zonnewiel.

059 Detail Airports II

Detail Airports II – Japan Airlines (ca. 1969)

Eind jaren zestig maakt Van Genk een drietal werken op board die geïnspireerd waren op vliegen en vliegvelden. Een van de drie is Airports II – Japan Airlines, ook bekend als Arthur Hailey Airport 1. Hier lijkt de titel eveneens niet helemaal de lading van de afbeeldingen te dekken: er zijn Japanse elementen in het werk aanwijsbaar – met name het vliegtuig van Japan Airlines, midden onder – maar die zijn bepaald niet in de meerderheid. Het tondo met tekst in het vak rechtsonder bevat de duidelijkste connectie met Japan: tegen een achtergrond van een kaart van Japan, overdekt door een spinnenweb, staat een uiteenzetting over een VERHAAL DAT ZICH AFSPEELT AAN DE ZELFKANT VAN HET LEVEN IN EEN GROTE JAPANSE STAD. Het blijkt de kafttekst te zijn van de roman Nihon Sanmon Opera (1959) van de Japanse schrijver Takeshi Kaikō, gebaseerd op Die Dreigroschenoper van Bertold Brecht.

Vier van de zeven Japan-werken van Van Genk stonden in 1976 in de catalogus van de overzichtstentoonstelling bij galerie De Ark van Dick Heesen. [3] De twee Hilversumse Tokio-tekeningen ontbraken uiteraard, evenals Tokyo Station. New Japan werd weliswaar nog afgebeeld maar was op dat moment al verkocht voor fl. 8.000 aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. [4] In een brief aan Heesen uit het voorjaar 1975 schreef Van Genk: «NEW JAPAN» zulke imperialistische landen zie ik niet meer terug komen (Er is wel een gelijknamig jaarboek v.d. ambassade wat niet in de handel is), met boven NEW JAPAN de toevoeging (ASD stedelijk) en erachter een omgekeerde swastika. In dezelfde brief ging Van Genk in op het verschil tussen zijn stadsgezichten en de collages, waarmee hij echter met name duidde op de olieverfschilderijen met dat woord in de titel (Collage ‘70 etc.). [5]

Rond 1970 leek de houding van Van Genk ten opzichte van Japan te zijn veranderd. Het land was niet meer het onderwerp van afzonderlijke werken en ook verwijzingen waren er nog maar sporadisch. In Kollage van de haat (1971) is in het middenpaneel, links van de man met het pistool, een optocht met Sovjet-vlaggen afgebeeld met daartussen een spandoek met de tekst DOWN WITH JAPANESE IMPERIALISM. Aan de rechterkant van de schietende man klinkt de reclamekreet GEBRUIK JAPANLAK. Het is een combinatie waar ik eerder al op wees met betrekking tot Zelfportret – zwakzinnigennazorg: Japan als verfoeilijk kapitalistisch dan wel imperialistisch land dat tegelijkertijd het materiaal levert waarmee de kunstenaar werkt.

Tokyo Station werd in 1985 door Galerie Hamer verkocht aan de Collection de l’Art Brut in Lausanne voor ongeveer fl. 3.000. [6] Zes jaar later verruilden twee andere Japan-werken van eigenaar, waarbij de prijzen aanzienlijk waren gestegen:

Via Monika Kinley uit Engeland komt het verzoek van een Japanse firma met een prestigieuze collectie outsiderkunst om een tweetal werken te mogen aankopen, die daarna in een expositie getoond zullen worden. Na verder overleg met Monika Kinley wordt besloten tot verkoop over te gaan van de werken Glimpses of Asia (97,5 x 180 cm) en Internationale (98 x 174,5 cm) voor de prijs van fl. 30.000 (ca. 14.000 euro) elk. [7]

De twee werken werden getoond tijdens de groepstentoonstelling Selection from the Collection bij de galerie van het modehuis Alpha Cubic in Tokio. Daarmee kreeg Van Genk enkele decennia na de breuk met Brattinga dan toch de gewenste aandacht in Japan. Voor de tentoonstelling Woest werd in 2018 en 2019 tevergeefs geprobeerd om de twee werken weer op te sporen, nadat de eigenaar van Alpha Cubic was overleden.

Bij een bezoek dat Nico van der Endt rond 2000 aan Willem van Genk bracht in een van de pensions waar deze zijn laatste levensjaren sleet, kreeg hij bij wijze van uitzondering een cadeau van de kunstenaar: een boekje op A5-formaat, met op het groene omslag in witte verf het woord JAPAN. Het ging om een werkstuk over Japan voor de Handelshogeschool in Rotterdam uit 1915/16, dat Van Genk ooit had gevonden en dat hij had bewerkt met aantekeningen, versieringen, literatuurlijsten en extra pagina’s. Brattinga figureerde prominent – al op de eerste pagina schreef Van Genk, boven de persoonlijke gegevens van de oorspronkelijke eigenaar: Japankenner bij uitstek: Pieter Brattinga, gevolgd door diens adres. Ernaast stond het bekende stempel met W.F.A.M. v. Genk Den Haag, met in het midden toegevoegd in groene balpen BRAGAH.

Japan NvdE 1.2 - 1.3

Japan NvdE 31-32

Pagina’s uit het Japan-boekje dat Van Genk schonk aan Nico van der Endt

Het boekje levert veel informatie over een periode in het werk van Van Genk (ruwweg: 1958-1968), niet alleen voor wat betreft Japan maar ook in meer brede zin. De schetsen en versieringen in potlood en pen tonen vaak bloemen, bomen, landschappen, tempels en pagodes, maar er zijn ook fabrieken, elektriciteitsmasten en schepen te onderscheiden. De teksten geven aan wat Van Genk bezig hield, waar hij inspiratie vandaan haalde en vooral welke bronnen hij raadpleegde. Er zijn toevoegingen die duidelijk van later datum zijn, te herkennen aan een chaotischer handschrift en een andere balpen. Ze versterken de indruk dat Van Genk zich met het vorderen der jaren directer en meer intuïtief ging uiten. Decennia later mocht Van der Endt het boekje hebben omdat, aldus de kunstenaar, Japan had ‘afgedaan’. [8]


 

NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 123.

[2] Een pagode kan behalve Japans ook Chinees, Koreaans of anderszins zijn. De pagode die Van Genk afbeeldde op London (ca. 1965) was die in het Londense park Kew Gardens.

[3] De afbeelding van Airports II – Japan Airlines in de catalogus (p. 52) laat zien dat Van Genk ná 1976 nog een aantal elementen aan het werk toevoegde, zoals het opschrift SOVIET SPACE RESEARCH ’78.

[4] Prijs volgens een lijst die Dick Heesen in 1976 aan Nico van der Endt gaf. Het Stedelijk Museum had in 1965 via de galerie van Alfred Schmela al het werk Metrostation Opéra aangekocht voor DM 4.000.

[5] Brief van Willem van Genk aan Dick Heesen, 23 april 1975 (archief Jack van der Weide). Het jaarboek waarop Van Genk duidt is mogelijk de publicatie New Japan van krantenuitgever Mainichi, die in de jaren vijftig en zestig jaarlijks verscheen.

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 51. Van der Endt noemt het werk Kyoto.

[7] Ibid., pp. 67-69.

[8] ‘Inderdaad verbaasde het mij ook dat ik het mocht hebben, maar hij was al wat onverschilliger geworden. Het gebeurde in het tweede pension. […] Het werkstuk zal hij ergens uit een vuilnisbak hebben gevist of op de rommelmarkt gevonden.’ (E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 13 juli 2020)

Harmelenstraat (4)

Dit is het vierde deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden, het tweede deel hier, het derde deel hier

Walda 002

Willem van Genk in zijn appartement, ca. 1997. Foto: Mattheus Engel

Bij het bestuderen van foto’s van het interieur van Willem van Genk kom je ogen tekort. Net als bij het bekijken van zijn tekeningen, schilderijen en assemblages ontdek je steeds weer andere details, duiken er verbanden op, zie je zaken die je eerder niet zag en ontstaan er nieuwe structuren. Ook in die zin kan Harmelenstraat 28 als een kunstwerk worden beschouwd, tegelijkertijd tweedimensionaal (de foto’s van het interieur), driedimensionaal (het interieur an sich) en zelfs vierdimensionaal (het interieur doorheen de tijd). Dat laatste heb ik eerder aangestipt: het interieur was tussen 1964 en 1998 uiteraard niet statisch, met een andere situatie in 1970, 1980, 1990 of wanneer dan ook. Van Genk kocht boeken en jassen, maakte trams en trolleybussen, veranderde de centrale muur in zijn voorkamer, bouwde Busstation Arnhem en ga zo maar door. En zelfs dat dynamische aspect is in verband te brengen met zijn andere werk, waaraan hij vaak eveneens elementen bleef toevoegen – als hij daartoe de mogelijkheid had.

Als gezegd bestond de woonkamer van Willem van Genk in zijn appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag uit een voor- en een achterkamer, beide met een raam aan de straatkant. In de achterkamer was nauwelijks eigen werk te vinden, in tegenstelling tot met name de slaapkamer en de voorkamer. Midden in de kamer stond een eettafel met (meestal) drie stoelen, die niet de indruk maakte vaak voor eten te worden gebruikt. Het is deze tafel waarop Ans van Berkum doelt als ze schrijft: ‘Op een ronde tafel zijn twee plastic zakken uitgespreid, een van Amsterdam Airport Shopping Center en een van de Haagsche Courant. Daarop staat zijn verzameling modelvliegtuigjes, voor een groot deel met de neuzen naar elkaar toe.’ [1]

Deze beschrijving van Van Berkum correspondeert met de situatie die te zien is op een gedetailleerde kleurenfoto van de achterkamer, die vermoedelijk uit dezelfde tijd (ca. 1997) is. Op de tafel liggen inderdaad de twee genoemde plastic zakken en staan de modelvliegtuigjes, zij het niet ‘voor een groot deel met de neuzen naar elkaar toe’. Verder liggen er onder meer het boek Bergen op Zoom verleden tijd (1983), met historische foto’s van de stad uit de titel, en een catalogus van de tentoonstelling Insita ’97 in Bratislava. [2]  Links naast de tafel ligt een kleurenkopie van een deel van Van Genks schilderij Praag, waarmee een opvallend aspect van de achterkamer in beeld komt: de ruimte bevatte geen primair werk van Van Genk, maar wel een aantal reproducties.

2010 005b

De achterkamer van Harmelenstraat 28, ca. 1997. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

Tegen de achtermuur (grenzend aan het trapportaal) is op de foto het tweede grote meubelstuk van de achterkamer te zien, een dressoir. Een nauwkeurige beschrijving van alles wat op, naast, voor en boven het dressoir staat, ligt en hangt zou duizenden woorden beslaan, zo druk is deze plek die echter tevens relatief geordend is. Op het dressoir staat naast een telefoon een groot aantal modelautootjes, -bussen, -treinen en -trams, alle schuin opgesteld en met de voorkant naar rechts. [3] Aan de rechterkant begint ‘de collectie mini-Eiffeltorens en zendmasten’, [4] die doorgaat op een lager kastje of tafeltje naast het dressoir. Achter de torentjes op het dressoir hangen twee posters voor homo-evenementen in Leiden en Den Bosch. Daaraan vastgemaakt is een afbeelding van het hoofd van Ivan Jirous, een Tsjechische dichter en dissident, [5] met daar weer overheen een pasfoto.

056 deur

De zijdeur in de achterkamer. In de groene cirkel de poster van de tentoonstelling van Peter Mattheij; in de rode cirkel de ets Collonade. Foto: Nico van der Endt (contactafdruk)

Boven en rondom het dressoir hangen andersoortige posters en schilderijen, die echter geen van allen als werk van Van Genk zelf te identificeren zijn. Wel staat op het dressoir, achter de gele treinstellen, een reproductie van Madrid, mogelijk afkomstig uit het boek nederlandse naïeve kunst (1979) van Joop Bromet en Nico van der Endt. Links naast het dressoir grenst de muur van de achterkamer aan een muurkast in de hal. Van Genk zette de deur hiervan soms tegen de voordeur open, omdat hij bang was bespied of afgeluisterd te worden door zijn buren, wat hij op deze manier dacht te voorkomen. [6] Door de uitsparing van de muurkast ontstond een soort nis waarin de deur tussen de achterkamer en de hal zich bevond, een deur die waarschijnlijk niet meer werd gebruikt. Op de deur had Van Genk onder meer een affiche bevestigd van een tentoonstelling van collega-kunstenaar Peter Mattheij (1932-2001), Het Arnhem van Peter J.H. Mattheij. Ook hing er een reproductie van de ets Collonade, samen met de afbeelding die mogelijk de inspiratie voor de ets had gevormd en die ook op de achterkant van het schilderij Colonnade St. Pieter is geplakt.

Opvallend en nadrukkelijk aanwezig op vrijwel alle foto’s van de achterkamer zijn de grote hoeveelheden boeken. Waar deze in vrijwel elke kamer van Harmelenstraat 28 te vinden waren, leek dit deel van de woonkamer de belangrijkste opslagplaats te zijn. De boeken stonden niet alleen op het dressoir maar lagen ook in rijen op de grond onder het raam. Op een foto uit 1991 is te zien dat ze daarnaast in grote hoeveelheden onder, voor en op de eettafel lagen. Daarop stond in het midden vrijwel altijd een grote vaas met lelies, en in 1991 lag er naast de boeken en modelvliegtuigjes ook een stapeltje ansichtkaarten met Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. [7]

056 Del Curto

De achterkamer van Harmelenstraat 28, 1991. In de rode cirkel de ansichtkaarten met Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Foto: Mario del Curto

Op andere momenten diende de tafel als uitstalling voor kranten en tijdschriften, zoals te zien op een foto van Nico van der Endt uit het midden van de jaren tachtig. Te herkennen zijn diverse exemplaren van het periodiek NU van de vereniging Nederlands-USSR, onder andere (op de voorgrond) het nummer waarin een tekening van Van Genk was afgedrukt. Op alle foto’s en filmbeelden uit de jaren negentig is de uitstalling op de tafel verdwenen, maar Dick Walda laat de kunstenaar er nog wel aan refereren in een interview uit dat decennium. [8]

056 waaier

Kranten en tijdschriften op de eettafel, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

De achterkamer van Harmelenstraat 28 leek niet de plek te zijn waar Willem van Genk zichzelf en zijn werk aan de buitenwereld wilde tonen, al wijzen het dressoir en de eettafel wel op een zekere presentatiefunctie. Bezoekers aan het appartement werden ontvangen in de voorkamer. Van daaruit was er vrij zicht op de achterkamer, maar rechtstreeks uit de hal werd deze niet meer betreden. Voor de boeken in de kamer zal wellicht een ordenend principe hebben gegolden, maar uit de foto’s is dit vooralsnog niet op te maken – op het dressoir staan enkele rijen naslagwerken, maar verder zijn alleen losse titels te herkennen die niet direct op een samenhang wijzen.

056 boeken

Boeken op de vloer in de achterkamer. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

Was Harmelenstraat 28 te beschouwen als een Gesamtkunstwerk van Willem van Genk? Een bevestigend antwoord sluit in feite het losmaken uit het interieur van Busstation Arnhem of de raincoats uit – die zijn in dat geval integrale onderdelen van het werk in zijn geheel. Maar de vraag hoeft niet te worden beantwoord om de historische, biografische en ook artistieke waarde van het interieur te erkennen. Hoe het ook zij, het interieur bestaat niet meer. Wat rest zijn foto’s en enkele filmbeelden, die een overvloed aan informatie leveren en die samen met de bewaard gebleven elementen een gedeeltelijke reconstructie mogelijk maken. Dat kan in woorden, zoals ik hier uitgebreid (maar nog steeds relatief summier) heb gedaan. Beeldmateriaal is daarbij onontbeerlijk, en te denken valt aan een verzameling van zoveel mogelijk foto’s van het interieur als basis van een separate monografie die dit deel van het oeuvre van Van Genk kan tonen. Nog een stap verder is een daadwerkelijke, driedimensionale reconstructie van het hele interieur, idealiter op de oorspronkelijke locatie. Maar dat lijkt erg veel gevraagd, ook van de Stichting Willem van Genk – al zou een reconstructie van de woonkamer een begin kunnen zijn.


 

NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31.

[2] De Insita is een driejaarlijkse tentoonstelling voor naïeve kunst, art brut en outsider art in Bratislava, die in 1997 voor de vijfde keer werd gehouden: ‘In juni wordt de Triënnale Insita te Bratislava geopend. In de zogenaamde ‘competitieve sectie’ van hedendaagse kunstenaars wordt traditioneel een Grand Prix verleend. De jury, waar ik nog altijd deel van uitmaak, kiest ex aequo voor de Rus Pavel Leonov en de Nederlander Willem van Genk. De prijs bestaat uit een solo presentatie tijdens de volgende Triënnale. Willem zal de oorkonde zonder commentaar bekijken, zuster Tine is trots en zal hem laten inlijsten.’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 109).

[3] Zuster Tiny: ‘Het moet precies staan, zoals Wim het wil. Zelfs in de kasten, kijk maar in de keuken, daar staan de doosjes schuin op een rijtje. Heeft hij van z’n vader. […] Alles in huis moet schuin en scheef op een rij staan.’ (Walda, Koning der stations, pp. 142-143)

[4] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31. Ook: ‘In het huis van Van Genk getuigen veel voorwerpen van lang vervlogen gebeurtenissen, zoals zijn vroegere passie voor een bouwwerk als de Eiffeltoren. Hij kon er maar niet mee ophouden modellen van de toen aan te schaffen.’ (Walda, Koning der stations, p. 10)

[5] Jirous was de manager van de Tsjechische band The Plastic People of the Universe, waarvan de naam gedeeltelijk terugkeert op Van Genks werk Orkest van Coburg.

[6] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 24 mei 2020. In zijn boek Kroniek van een samenwerking maakt Van der Endt hiervan melding bij het jaar 1982: ‘Soms zet hij de deur van een kast naast de voordeur wijd open voor meer bescherming tegen spiedende buren en andere belagers.’ (p. 49)

[7] De kaarten waren uitgebracht ter gelegenheid van de duo-tentoonstelling van Van Genk en Gorki Bollar bij het Informatiecentrum Naïeve Kunst in Rotterdam, van 20 december 1990 tot 25 februari 1991.

[8] ‘Kijk, hier heb ik de kranten en tijdschriften op de ronde tafel als een soort waaier. Dat zag ik in een winkel in Boedapest, en later ook nog in de Gorkistraat in Moskou. Dat doe ik na.’ (Walda, Koning der stations, p. 27)

Zwakzinnigen nazorg (3)

Dit is het derde en laatste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier.

ZZN - detail 004

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg lijken de afbeeldingen in de twee onderste stroken van het werk het meest persoonlijk te zijn. De afbeelding in vlak 10, links naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een gevelrij met enkele huizen en een fabrieksgebouw. Tegen de huizen staat een handkar geleund, voor de fabriek komt een kar met twee paarden voorbij. Bovenop de fabriek staan de letters ZHB, aan de voorkant is graffiti aangebracht: CPN LIJST 6. Vlak boven de letters ZHB staat Heineke, in de rechter benedenhoek den Haag Sirtemastraat. Rechtsboven staan omlijnd de woorden Thans gesloopt, daarnaast “Schroeder [onleesbaar],  daaronder PSYCHIATRIE IN DE USSR.

ZZN - detail 005

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

De woorden Thans gesloopt hebben betrekking op het fabriekscomplex eronder, van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB). Het complex werd in 1881 in gebruik genomen, werd in 1974 gesloten en gesloopt, en grensde inderdaad voor een deel aan de Haagse Sirtemastraat, zoals expliciet aangegeven door de kunstenaar. Belangrijker binnen de autobiografie van Van Genk is echter het enigszins uitspringende pand náást het complex. Op deze plaats, Sirtemastraat 179, was de sociale werkplaats van de Vereniging Schroeder van der Kolk gevestigd, waar Van Genk vanaf het einde van de jaren veertig tot 1964 “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. De tekst VOORMALIGE GEESTESZORG in het aangrenzende vlak 11, met een pijl naar vlak 10, bevestigt dit. Met die kennis ontstaat er een sterke relatie met de ZWAKZINNIGENNAZORG in het centrale vlak 1. Ook wordt een verband gelegd met nog een ander motief uit met name vlak 1, de verhouding tussen Nederland en de Sovjet-Unie, via de tekst PSYCHIATRIE IN DE USSR en zelfs de graffiti CPN LIJST 6.

De afbeelding in vlak 12, rechts naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een vrouw naast een auto. Ze draagt een geel-rood-bruin geruite jas en heeft lang bruin haar. Vanaf haar oog loopt een stippellijn naar rechts, als om aan te geven dat ze ergens naar kijkt – haar rechterarm is geheven, mogelijk richt ze een pistool op iets of iemand. De rode auto heeft aan de bovenkant van de achterruit een Datsun-logo, op de kofferruimte staat DATSUN. Op de muur achter de auto staat in krullende letters Salon Amércain en TARIEF; links is een klein stukje van een kapperspaal te zien. Over de auto staat in blauwe letters BOUWEN  IN HET DERDE RIJK G. TROOST. [1] Enerzijds is er daarmee een verband met het motief van gebouwen en sloop, ook via het automerk Datsun – vgl. DATSUN CENTER op de nieuwbouw in de grote afbeelding rechts van het portret. Anderzijds kent de afbeelding een duidelijk autobiografische component in het lange haar van de vrouw en haar voorgenomen of juist afgelegde bezoek aan de kapsalon Salon Amér[i]cain, een expliciet verwijzing naar het haarfetisjisme van Van Genk.

Dat laatste element keert terug in de afbeelding in de onderste strook van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waar een kapsalon te zien is met twee klanten wier haren worden gewassen door twee kapsters. In de ruimte ernaast zijn twee andere kapsters twee mannen aan het scheren. Op de ramen/muren staat HOOGKATHARIJNE, STATIONSKAPPER en 4711. Van Genk toont hier een voor hem uiterst opwindende (en dus zeer persoonlijke) scène, die ook in narratieve zin een voortzetting zou kunnen zijn van de afbeelding van de vrouw bij de Datsun: ze stapt uit de auto bij een kapper en laat daar haar haar wassen.

Rond het tafereel in de kapperszaak zijn drie tondo’s aangebracht die er inhoudelijk weinig verband mee lijken te hebben: de afbeeldingen links (kleiner) en rechts zijn vrijwel identiek en tonen een koetsier op de bok van een koets, met op de achtergrond een gebouw met een toren. [2] De koetsier draagt een zwarte jas, een hoge hoed en een bril. Het middelste tondo toont twee kussende vrouwen, waarschijnlijk op een vliegveld: boven hen staat de tekst KLM SCHIPHOL, ernaast LUFTHANSA, SOVIET AIR, EL AL air, POLSKI AIR en IBERIA. Zowel de koetsier als de kussende vrouwen (met lang haar) lijken een kledingstuk te dragen dat voor Van Genk eveneens een seksuele lading had, een lange plastic regenjas of raincoat.

Is de seksuele lading van sommige afbeeldingen in het onderste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg impliciet, de teksten zijn dat minder. MENSCH UND SEXUALIÄT DR. FRIEDRICH DAMASKOW staat links van het kleinste koetsier-tondo, met daaronder GAY-INT. [3] Ook andere teksten in dit deel van het werk verwijzen specifiek naar (homo)seksualiteit, vrijwel steeds in een Duitse context. Links naast het tondo met de kussende vrouwen staat RWV BERLINER SCHWULEN ’81 der ROSA WINKEL VERLAG, rechts onder andere PRINZ EISENHERZ en HIRSCHFELD. Respectievelijk gaat het daarbij om een Duitse uitgeverij en een boekhandel in Berlijn die voortkwamen uit de Duitse homobeweging, en een Duitse seksuoloog wiens werk onder meer gericht was op de emancipatie van homoseksuelen (Magnus Hirschfeld).

ZZN - homoseksualiteit

Middelste foto: in het appartement van Willem van Genk

Elders in Zelfportret – Zwakzinnigennazorg treffen we eveneens tekstuele verwijzingen naar homoseksualiteit aan. Het meest opvallend zijn uiteraard de prominente roze en paarse driehoeken in de zes rood-gele vlakken met voornamelijk tekst. Homoseksuelen als groep lijken door Van Genk te worden geschaard in het kamp van de onderdrukten, net als ‘onvolwaardige’ zwakzinnigen. Zijn verhouding tot homoseksualiteit was complex en komt onder meer naar voren in De grote naïeven (ca. 1975) en Pink Pronkjewail (ca. 1985). Na de deceptie van het communisme zocht Van Genk een andere groepering waar hij bij kon horen, en in combinatie met twijfels over zijn seksuele identiteit dacht hij die in de jaren zeventig en tachtig gevonden te hebben in de homobeweging. Op Zelfportret in De Ark staat te lezen “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Nico van der Endt, naar aanleiding van de tekst: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee nee, dat was een vergissing”.’ [4]

ZZN - signatuur

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is gesigneerd in het vlak met paarse driehoeken onder de centrale afbeelding.  Naast het logo met zijn naam, woonplaats en het jaartal 1975, is een plakbanddoosje met een stuk plakband afgebeeld: NITTO Plastic Tape Highest Quality. Willem van Genk toont zich in dit zelfportret een kunstenaar die gebukt gaat onder kwalificaties van onvolwaardigheid of zwakzinnigheid, die worstelt met zijn seksuele driften en twijfels, en die het Amerikaans/Japanse kapitalisme beschouwt als de boze macht achter de sloop van monumentale gebouwen. Tegen de macht van dat kapitalisme is hij echter niet opgewassen, hij is er zelfs van afhankelijk. De Nitto-tape is Made in Japan, de kunstenaar kan niet anders dan werken met het materiaal (tape, verf, lak, spijkertjes, boardplaten) dat hem wordt verstrekt door het grootkapitaal dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zijn stad. [5]


 

NOTEN

[1] Bouwen in het Derde Rijk is de Nederlandse vertaling van Das Bauen im Neuen Reich uit 1943 van kunsthistorica Gerdy Troost, echtgenote van nazi-architect Paul Troost.

[2] In het rechter, iets meer gedetailleerde tondo staan boven de koets de letters C.R.M.

[3] In de reeks Mensch und Sexualität van uitgeverij Wilhelm Heyne verscheen in 1972 als nummer 25 Fetischismus. Abart oder Stimulans van de Duitse seksuoloog Friedrich Damaskow. Mogelijk was dit één van de boeken die Van Genk leende van zijn psychiater Hans Grelinger. In de woorden van zuster Tiny in de documentaire Ver van huis: ‘En dat Wim … die heeft zijn probleem, hij heb een probleem … en dat heeft-ie in de boeken … die dokter, die psychiater die die eerst had, die is ook al een tijdje dood, en die begreep ‘m, en die gaf ‘m zíjn boeken, want Wim was ‘r zuinig op, en dan mocht-ie lezen of zijn probleem misschien in die boeken … dat-ie dat … dat het daarin stond, maar die dokter zei tegen mij: het bestaat, dat probleem, maar niet in de … hij heb ’t heel erg, hè? Zijn mensen die het hebben …  hairfetiïsme, hè? … die dat hebben, maar hij heb ’t heel erg.’

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[5] Het LaM in Lille bezit een aantal documenten van Van Genk met aantekeningen van of voor zijn buitenlandse reizen. Een van deze documenten heeft betrekking op een bezoek aan Berlijn in de zomer van 1981 en vermeldt onder meer ‘Buchladen Prinz Eisenherz’ en ‘”Fetischismus” Abart oder Stimulans / Dr. Friedrich Damaskow’. Een mail met een verzoek voor beter leesbare foto’s van de documenten werd niet beantwoord.

Zwakzinnigen nazorg (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen.

ZZN - detail 001b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wordt het centrale portret van Willem van Genk geflankeerd door twee vlakken waarop de sloop van gebouwen is afgebeeld. Links (vlak 2) zien we een kerk die wordt afgebroken. [1] Uit de muren die nog overeind staan steken metalen spijlen, enkele glas-in-lood ramen lijken nog intact. Aan de linkerkant is de arm van een kraan met een sloopkogel te zien, op een muur bevinden zich vijf bouwvakkers in overall met hamers en houwelen. Op een schutting staat in witte letters AANN. BEDRIJF de WILDE B.V. met daaronder SLOOP, waarbij de twee O’s in een gezichtje met bril zijn verwerkt. Rechts staat op een schutting, eveneens in witte letters, HIER KO BEJAARD HUIS RK, daaronder in blauwe letters WANTED en daar weer onder in geel, groen en bruin van 8t. Naast de afbeelding staat in ballpoint: Monumentensloperij in Nederland; Wat stelt de zg Heemschut-serie in de praxis voor? Kunst voor wie? Afbeelding: de sloping der Haagse St Jozefkerk, armen wijk … [2]

De rechter afbeelding (vlak 3) toont eveneens een gebouw dat wordt afgebroken, met op de achtergrond het skelet van een nieuw gebouw. Naast het gebouw in afbraak staat een kraan op rupsbanden met een sloopkogel, met op de cabine de tekst MADE in USA. De kogel heeft een bres geslagen in het slooppand, één muurdeel lijkt om te vallen. In de graffiti op het gebouw is SLOOP ZIONISM en twee keer SLOOP te lezen. Het blauw skelet van het nieuwe gebouw draagt links de tekst Hier komt Louwman N.V., rechts DATSUN CENTER en daartussen enkele Oosters aandoende karakters met daaronder NISSAN. Boven DATSUN CENTER staat, moeilijk leesbaar, Parqui b.v. en E.V.N. Louwman & Brouine. De tekst in ballpoint naast de afbeelding: Haage huizen en gebouwen / 7 eeuwen bouwkunst in de hofstad … 7 eeuwen sloop en afbraak / het sanneeringsmonster Binnenhof …

In haar interpretatie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wijst Ans van Berkum op het belangrijke motief van ‘de sloop en opbouw van zijn stad Den Haag; een activiteit die [Van Genk] meestal met scepsis beschouwt’. [3] Inderdaad had de kunstenaar grote moeite met de veranderingen in Den Haag, de stad waar hij vrijwel zijn gehele leven woonde. De ingevoegde tondo’s in de beschreven vlakken kunnen nader licht werpen op de context van die veranderingen in zijn werk. Aan de linkerkant beginnen we nog een stap eerder met de afbeelding in vlak 7. Ook hier is een kerk afgebeeld die wordt afgebroken, het uiteinde van een kraan met een sloopkogel komt boven het gebouw uit. Op de achtergrond zijn de contouren te zien van een bouwskelet, rechtsboven is een tekst toegevoegd: den Haag afbraak Regentessekerk 74, met eronder op last v. CRM.

De Regentessekerk was een hervormde kerk die aan het Regentesseplein in stond. De kerk werd tussen 1899 en 1901 gebouwd, sloot in het begin van de jaren zeventig haar deuren wegens teruglopend kerkbezoek en werd in 1974 gesloopt. De Sint-Josephkerk in het vlak eronder was een rooms-katholieke kerk in de Schilderswijk in Den Haag die tussen 1886 en 1888 werd gebouwd. Ook hier was teruglopend kerkbezoek er de oorzaak van dat de kerk in 1971 werd gesloten en in 1974-1975 gesloopt. Of het gebouw in vlak 3 eveneens de Sint-Josephkerk voorstelt, is onduidelijk, al wordt dit wel gesuggereerd door de symmetrie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.

ZZN - Afbraak Jozefkerk

Ca. 1975, afbraak Sint-Josephkerk (foto: J.H. van As )

Het tondo linksboven in vlak toont de Sint-Josephkerk vóór de sloop – thans gesloopt staat in vage letters boven het dak van het middenschip. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in groene letters tegen een oranje achtergrond: OPENBAAR KUNSTBEZIT N.T.S. B.R.T. RADIO T.V. HAAGSCHE HUIZEN EN GEBOUWEN V.V.V. [onleesbaar] ABBONNEEER U OP [onleesbaar]. Rondom de buitenrand staat in gele letters eveneens een tekst: den HAAG en WIJ BOUWEND ’s GRAVENHAGE … IN BEELD RE [onleesbaar] V.V.V. [onleesbaar]. Vanuit dit tondo wijst een groene pijl naar de afbeelding eronder, opnieuw een tondo met de Sint-Josephkerk maar nu inclusief de arm van een kraan met een sloopkogel (opschrift: MADE IN USA) die een bres heeft geslagen in het dak van het middenschip. Rond het tondo staat in rode letters de tekst van STADVERNIEUWERIJ TOT STADVERNIELERIJ STICHTING: BEJAARDENHUIS REVALIDATIE … Een uitgaande groene pijl wijst naar de hoofdafbeelding in vlak 2, waar de sloop van de kerk in volle gang is.

ZZN - detail 002b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk verwijt landelijke en vooral lokale bestuurders dat zij monumenten slopen, zo lijkt het, met als voorbeeld de Sint-Josephkerk. Vanuit de hoofdafbeelding in vlak 2 loopt een pijl naar een derde tondo, waarin een tekenaar of architect aan het werk is. Op het vel papier voor hem staat een lijnenstructuur met daarboven de teksten AFD. SLOOPKERKEN ’74, BLUE PRINT ’75 en GEM. WERKEN. Boven hem hangt aan de muur een afbeelding van een halfnaakte vrouw met de teksten BROADWAY en show biz ness. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in blauwe letters tegen een witte achtergrond: van HOUTEN HAM tot BALLAST NEDAM RECONSTRUCTIEPLAN ’s GRAVENHAGE B.V. OPENBAAR KULTUURBEZIT ’74-75 STICHTING BEJAARDENHUIS A [onleesbaar]. Rondom de buitenrand, in gele letters: IN HET GOUDEN ATOOMTIJDPERK PANIEKRAPORT 034 CALCAR PRESTIGE OBJECTEN [onleesbaar].

Dat de kranen die de sloopwerkzaamheden uitvoeren het opschrift MADE IN USA krijgen, is de meest directe uiting van de opvatting (van Van Genk) dat het kapitalisme ten grondslag ligt aan de vermeende afbraakwoede van de gemeente. In dat opzicht is ook de ‘decadente’ afbeelding aan de muur van de tekenaar veelzeggend. Handlanger van de Verenigde Staten is in dit wereldbeeld Japan, meer in het bijzonder de Japanse auto-industrie. De afbeelding aan de rechterzijde van het centrale portret wordt nu duidelijker: een modern gebouw van Datsun/Nissan is in aanbouw vlak naast de plaats waar een monument wordt gesloopt. De namen Louwman en Parqui, Haagse importeurs van Japanse auto’s, zorgen voor de connectie met de gemeentepolitiek.

ZZN - detail 003b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk laat weinig misverstanden bestaan over relaties die er zouden zijn tussen verschillende, in zijn ogen abjecte praktijken. Hij schildert een groene pijl tussen de nieuwbouw van Datsun/Nissan en een tondo met zes Arabische mannen, die lachend een rund de keel doorsnijden. Aan de pijl voegt hij bovendien een stralende zak met een dollarteken toe – Amerikaans geld, het kapitalisme, is de oorzaak van alle kwaad. Aan de binnenrand van het tondo staat met rode letters tegen een gele achtergrond LEVE DE DIERENBESCHERMING MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR ’74. Rondom de buitenrand, in rode letter: WORLDRELIGIËNS DIE BIROBIDSJANER STERN DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME S.O.S. Dus: de auto-industrie is een symptoom van dat kapitalisme, het kapitalisme is een vorm van fascisme (MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER), het kapitalisme heeft een verbond gesloten met de Arabische wereld (FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR), de zwaksten van de samenleving – hier: dieren – zijn vooral het slachtoffer (LEVE DE DIERENBESCHERMING), het conflict in het Midden-Oosten is een strijd tussen kwaad en goed (DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME) en ook in de Sovjet-Unie woedt deze strijd, rond de Joods-autonome enclave Birobidzjan (DIE BIROBIDSJANER).

Met de twee andere tondo’s in vlak 3 wordt aangegeven dat er ook een relatie is tussen de auto-industrie en de Sovjet-Unie. Van Genk verwijst in het meest rechtse tondo naar Toljatti, een stad aan de Wolga die ook wel de ‘autohoofdstad van Rusland’ werd genoemd. De in Toljatti gevestigde fabriek AvtoVAZ, waar onder andere Lada’s werden geproduceerd, werkte sinds het begin van de jaren zeventig samen met Fiat. Kapitalisme en communisme zijn daarmee één pot nat (MULTINATIONALS AN DER WOLGA). Het andere tondo brengt vervolgens ook het communisme weer in verband met de afbraak van monumenten (ZERSTÖRT BERLINER STADTSCHLOSS DDR), evenals het fascisme (BEELD UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG DE VERNIETIGING VAN […] CENTRUM VAN WARSCHAU).

De houding ten opzichte van landen als Duitsland en de Sovjet-Unie is bij Van Genk een dubbele: ze schrikken af en trekken aan. Vijf van de zes vlakken in het bovenste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bevatten steeds in tekst of beeld verwijzingen naar vliegtuigen of vliegreizen in combinatie met de reeds genoemde landen. Met name de Sovjet-Unie (of in bredere zin Oost-Europa) lijkt aantrekkingskracht uit te oefenen. Vanaf het midden van de jaren zestig, als hij zelf waarschijnlijk zijn eerste vliegreizen heeft gemaakt, is luchtvaart sterk vertegenwoordigd in het werk van Van Genk. Er is een nadrukkelijk verband met het autobiografische motief: de in vlak 1 prominent genoemde VERENIGING NEDERLAND USSR (VERNU) organiseerde reizen waarmee belangstellenden per vliegtuig de Sovjet-Unie konden bezoeken. Van Genk maakte hier veelvuldig gebruik van, ook nog nadat de communistische heilsstaat voor hem van haar voetstuk was gevallen.


 

NOTEN

[1] De nummers van de vlakken corresponderen met die in het schema uit het eerste deel van deze analyse.

[2] De Heemschutserie was een serie boekjes die tussen 1940 en 1954 verscheen. De verschillende delen gingen over specifieke steden of dorpen, dan wel aspecten van architectuur, volkskunst of landschap. In 1943 verscheen als deel 27 De historische schoonheid van ’s-Gravenhage, door Hendrik Enno van Gelder.

[3] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 48-49.

Dick Walda

carnaval 24 (800x534)

Willem van Genk en Dick Walda bezoeken het carnaval in Den Bosch (1996)

In 1998 verscheen in het tijdschrift Witte wolken de tekst “De vrienden van Willem van Genk. Gesprek tussen Nico van der Endt en Dick Walda”. Inderdaad verdienden Walda en Van der Endt als enigen de kwalificatie “vriend” waar het om Van Genk ging. Van der Endt balanceerde jarenlang tussen een zakelijke en een meer persoonlijke relatie met Van Genk, zoals hij beschreef in zijn boek Kroniek van een samenwerking (2014). Voor Walda lag dit anders, hij had geen enkel zakelijk belang om in de gaten te houden, het ging hem vooral om een fascinatie met een persoon wiens genialiteit hij herkende. Uit het gesprek tussen Walda en Van der Endt, nadat de psychiaters van Van Genk ter sprake zijn gekomen:

Dick: Maar hoe komt het Nico dat wij, zonder medische kennis, Willem begrijpen en een psychiater niet?
Nico: Juist omdat we geen psychiater zijn. Wij oordelen niet.
Dick: Is dat zo?
Nico: Ja,… waarom denk je dat ik in dit soort kunst zit? Omdat ik geen kunstgeschiedenis gestudeerd heb, ik ben een outsider, en wij zijn outsiders.
Dick: En dan?
Nico: En dan sta je er vers tegenover met je belangstelling, je bewondering. Dan herken je de juiste punten en de kwaliteiten. [1]

Walda leerde Van Genk kennen in 1981, toen hij voor een Haags studentendispuut een lezing hield over Siberië. ‘In het publiek bevond zich een heer, duidelijk als enige geen student. Hij viel mij op, omdat hij zijn jas (een zwarte raincoat van canvas) had aangehouden. Deze heer hoorde beslist niet tot het studentenvolkje en ik begrijp vandaag de dag nog niet hoe hij daar verzeild was geraakt. Ik heb het over Willem van Genk, die mijn lezing gefascineerd aanhoorde en ook de enige was die na afloop — in dat mooie Haags van hem —zinnige vragen stelde.’ [2] Na afloop bood Walda Van Genk een kop koffie aan en raakte hij geïntrigeerd. ‘Een drukke, maar fascinerende man. Dat hij een uniek talent als kunstenaar had, begreep ik pas later. Maar het was vooral die briljante chaos in zijn hoofd die me interesseerde. Een man die het verschil tussen links en rechts niet kende, niet kon klokkijken, maar wel over een encyclopedisch geheugen beschikte en bijvoorbeeld enorm veel wist over muziek. Die puzzel wilde ik ontcijferen.’ [3]

Walda ontwikkelde zich in de loop der jaren steeds meer tot de vertrouwenspersoon van Van Genk, die hem meestal ‘Diederik’ noemde. Hij stuurde Walda regelmatig brieven of kaarten, die door de ontvanger op waarde werden geschat en daarom zorgvuldig werden bewaard. [4] Af en toe probeerde Walda Van Genk gericht te vragen naar diens leven, werk en motieven, zoals een document uit begin 1986 laat zien. ‘VRAGENLIJSTJE VOOR WILLEM VAN GENK’, typt Walda netjes boven het blad, waarnaast Van Genk consciëntieus met potlood 27 januari Den Haag ’86 noteert, met daaronder als aanhef (Beste dick Walda). Eerste vraag van Walda: ‘Willem: wanneer was je voor het eerst van je leven op een station? Hoe vond je dat?’ Van Genk: ‘och Beste lezer dat is moeilijk (voor de oorlog) daar een antwoord op te geven […] dat zijn de stoomlocomotieven en de zeppelinachtige overkappings(fobie)angst het spinnenweb (†) etc.’ Na dit nog redelijk gestructureerde begin laat Van Genk zich bij latere vragen steeds meer meeslepen door zijn associaties en preoccupaties van dat moment. ‘Wat betekent reizen voor jou?’ typt Walda. Van Genk:

Beste lezer, het jaarlijkse uitje, het hoogtepunt in het jaar, (onverschillig voor het vrijdenken etc.) … wel dan voel ik me wel eenzaam zonder hond … De … trein … opa… reist … per … spoor … take the sprinter KLM maar dat kan ook het vliegtuig zijn, wat denk je van de nieuwe kanaaltunnel «Londen-Parijs» ? v.v. Neen beste lezer … ik ben blij als ik uit het openbaar vervoer ben, (de beulskar) (de zespijper) «de stoljapins» en de Blitz 40-45 … het verkeer van vandaag … een schrikbeeld New York op de buis – kaas – uit – de – vuist … vergeet het maar het beruchte momentenjaar … van Blansjaar … de koepelkerk … exit

Dat een zespijper een boevenwagen is; dat de “Stolypin wagon” (Столыпинский вагон) een type Russische treinwagon is waarin vaak gevangenen werden vervoerd; dat ‘Blansjaar’ waarschijnlijk een fonetische weergave is van ‘Blanchard’, een Franse ballonvaarder die ooit vanuit Den Haag opsteeg; [5] dat de Amsterdamse Koepelkerk aan de Stadhouderskade in 1972 gesloopt was – dat alles geeft aan dat er wel degelijk logica in het antwoord van Van Genk zit maar dat die niet meteen toegankelijk is. [6]

In een poging het werk van zijn vriend onder de aandacht te brengen, zorgde Walda voor een publicatie in het tijdschrift NU van de vereniging Nederlands-USSR. In verband daarmee vroeg hij Van Genk om enige biografische gegevens, maar het antwoord was niet echt bruikbaar: ‘Beste lezer ik ben n.l. in Voorburg ZH geboren in ‘27. Ja veel is gesloopt. Voorbij de Voorburgse tram NZH vergane glorie. Maar ach ik ben ook op een Roomsche Jongens Kostschool geweest (Nur für die Weiseknaben) stond op de WC’s of ‘Zum Hausverein’. Beste lezer dit is natuurlijk niks voor de NU … maar we gokken op een puriteinse opvoeding.’ En zo verder. [7]

De publicatie verscheen in oktober 1985 in NU. Het betrof een spread met Van Genks Moskou-tekening waarvan Pieter Brattinga had beweerd haar in 1973 verhandeld te hebben maar die hoogstwaarschijnlijk al jaren eerder door Schmela was verkocht. [8] Walda had zelf voor de begeleidende tekst gezorgd:

De Haagse beeldend kunstenaar Willem van Genk is iemand die op zijn tekeningen en schilderijen voornamelijk stadsgezichten afbeeldt. Ze zijn een samenballing van verscheidene gebouwen en buurten: de stad is in werkelijkheid niet zo; de onderdelen zijn dat wel. Door een fotografisch geheugen slaagt Van Genk erin datgene wat hij eens zag op knappe en minutieuze wijze tot één panorama te verenigen. Op de hier afgedrukte tekening is het centrum van Moskou te ontdekken met het Kremlin, alsook de Lomonosow-universiteit, de Moskwa en de Manege. Zó bestaat Moskou in Van Genk’s hoofd en zo heeft hij het op papier gezet. [9]

Moskou in NU 002b (1024x738)

‘Zó bestaat Moskou in Van Genk’s hoofd …’

Dat Walda koos voor een tekening van Moskou in het tijdschrift van de vereniging Nederlands-USSR, lag uiteraard enigszins voor de hand. Ook betrof het een relatief toegankelijk werk, waar meer recente schilderijen mogelijk te heftig waren geweest voor de lezers. Opmerkelijk was wel dat het om een afbeelding ging van een werk dat al jaren uit zicht was verdwenen en waarvan de verblijfplaats onbekend was. Hoe kwam Walda aan de foto? Desgevraagd zei hij dat hij deze van Van der Endt had gekregen, maar dat was niet het geval. [10] Waarschijnlijk ging het om een foto die in 1964 tijdens de tentoonstelling in Hilversum was gemaakt door Eddy de Jongh en waarvan Van Genk een afdruk bezat. [11]

Van Genk bewaarde het nummer van het tijdschrift met ‘zijn’ bijdrage, samen met een briefje van Walda waarin deze zich verontschuldigde voor een licht oponthoud van de publicatie: ‘Ik kan je meedelen dat ik Moskou in het oktobernummer zal meenemen. In september had ik te weinig ruimte. Ik wil de tekening graag zo groot mogelijk afdrukken. Ik las dat je momenteel exposeert bij De Hamer. Ik ga van de week eens kijken. Hoe staat het met je laatste schilderij: de metro van Boedapest? Is het al af? De hartelijke groeten (ook voor je hondje) van je toegegenegen, ik stotter al schrijvende, Dick Walda.’


 

NOTEN

[1] Helena van den Enden, “De vrienden van Willem van Genk. Gesprek tussen Nico van der Endt en Dick Walda”, in: Witte wolken 3 (1998), nr. 17, pp. 3-7 (aldaar p. 5).

[2] Dick Walda, Koning der stations, p. 48.

[3] Arjen Ribbens, “De briljante chaos in het hoofd van Willem van Genk”, in: NRC Handelsblad, 10 april 2019.

[4] Nico van der Endt: ‘Het is opvallend dat hij Dick Walda wel eens brieven schrijft, maar mij altijd opbelt.’ (Kroniek van een samenwerking, p. 97)

[5] Van Genk kon dit onder meer weten uit het boekje Luchtschepen en ballons van J. Boesman, deel 80 uit de Alkenreeks (Alkmaar z.j.). Titel en auteur komen voor op een etiket op de achterkant van Het project Abery – Moskou, met daarnaast het getal 80.

[6] Het document is afgebeeld in de tweede druk van Walda’s boek Koning der stations, p. 212.

[7] Ibid, p. 223. Walda geeft als datum bij het document ‘19 december 1982’, maar dat lijkt erg vroeg.

[8] Zie mijn tekst Brattinga vs. Van Genk.

[9] “Willem van Genk tekende Moskou”, in: NU 38 (1985), nr. 10, pp. 16-17.

[10] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 7 juni 2019. Van der Endt ontkende dit uiteraard.

[11] De foto is hier te zien.

 

Project Asbery

Genk, Willem van78x122

Het project Asbery – Havanna| ca. 1970-1980 | gemengde techniek op hardboard | 78 x 122 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

Parallel aan de ontwikkelingen in het Westen probeerde de Sovjet-Unie tussen de twee wereldoorlogen eveneens een eigen luchtschip te ontwikkelen – de naam “zeppelin” werd niet gebruikt, ook omdat men voortbouwde op een tsaristisch initiatief dat al in de negentiende eeuw was begonnen. De resultaten waren bescheiden, zeker in vergelijking met kolossen als de Graf Zeppelin en de Hindenburg. Hoogtepunt was halverwege de jaren dertig de USSR-W6 “Ossoawiachim”, met een lengte van 106 meter en een volume van 19.400 kubieke meter. De luchtschepen werden met name ingezet om afgelegen gebieden binnen de eigen landsgrenzen te bereiken. Ook het Sovjet-Russische luchtschipprogramma eindigde met een ernstig ongeval, toen de W6 in februari 1938 werd ingezet om een onderzoekteam in de Noordelijke ijszee te redden. Het vloog daarbij tegen een bergwand aan en dertien van de negentien inzittenden kwamen om. In 1950 kwamen de laatste binnenlandse vluchten ten einde. [1]

Niettegenstaande het feit dat er dus ná 1950 geen sprake meer was van Sovjet-Russische “zeppelins”, schildert Van Genk rond 1970 twee werken waarop prominent luchtschepen staan afgebeeld met teksten in Cyrillisch schrift, waaronder АЗРОФЛОТ en СССР: Het project Asbery – Moskou (Project Asbery I) en Het project Asbery – Havanna (Project Asbery II). Met name het laatstgenoemde werk heeft binnen het oeuvre van Van Genk een bijna iconische status gekregen, mede omdat het stond afgebeeld op het omslag van de monografie over de kunstenaar uit 1998. Dat jaar ook kwam het via galerie Hamer in bezit van museum De Stadshof, later Stichting Collectie De Stadshof. [2] De andere Asbery was in particulier bezit en werd pas in 2010 voor het eerst tentoongesteld. In 2017 kwam het werk in handen van museum Het Dolhuys in Haarlem. [3]

Het project Asbery – Havanna is op voor Van Genk in deze periode bekende wijze vormgegeven als cover van het tijdschrift Life, met in brede gele banden de aankondiging van een fictief hoofdartikel waar de illustratie bij hoort: GIANTS OF THE AIR | SOVIET AIRSHIPS TOMORROW | WORLDAIRCRAFT (2000) THE ADVENTURE  OF SPACE | THE AGE OF SPACE BEGINS | TRAVELLERS IN SPACE | GIANTS OF THE AIR | SOVIET A. Het laatste woord breekt af, met de suggestie dat de tekst als in een loop rondgaat. Daarnaast kent het werk kleinere teksten, waaronder Andrej Amalrik / HAALT DE SOVJETUNIE 1984? Dat laatste is een bestaande tekst uit 1969 van Sovjet-dissident Amalrik, een essay waarin hij de ineenstorting van de Sovjet-Unie voorspelt. Al met al lijkt er sprake te zijn van een blik in de nabije toekomst, waarin ook enorme Sovjet-Russische luchtschepen zouden kunnen bestaan.

PA 2x achterkant

Details achterzijden Het project Asbery – Havanna (onder) en Het project Asbery – Moskou (boven)

Waar komt de naam “Asbery” vandaan? Op de achterkanten van beide werken is een papiertje aangebracht met in grote letters […] ROJECT ASBERY en kleiner […] werp Feodor Asbery, luchtschepen in […] SR / drijfkracht atoom / science fiction. Maar wie is of was Feodor Asbery? Van Genk geeft indirect het antwoord zelf, met de vermelding op Het project Asbery – Moskou van het boek Alles over Russische vliegtuigen (1968) van Hugo Hooftman. Journalist Hooftman was een uitermate productief auteur van publicaties over allerlei aspecten van de luchtvaart, wiens boeken veelvuldig door Van Genk werden genoemd. In Alles over Russische vliegtuigen is de volgende passage te lezen:

Hooftman 003Opmerkelijk zijn de recente berichten uit Rusland die zeggen dat Aeroflot belangstelling heeft voor een groot atoom-luchtschip. Een zekere Feodor Asbery zou bezig zijn een dergelijk luchtschip te ontwerpen. Het zou in staat zijn om op 2 kilo uranium tweemaal om de aarde te vliegen. Het zal 302 meter lang worden en een diameter hebben van 52 meter. Het zou met 340.000 m3 helium in 17 reservoirs worden gevuld. Het zal met een bemanning van slechts tien koppen 500 tot 700 passagiers kunnen vervoeren. Er komen een bioscoopzaal en een zwembad aan boord. Het luchtschip zal vanaf het water opstijgen en er ook op landen, terwijl er aan boord een helikopterplatform komt. Zullen de Russen er werkelijk in slagen om het luchtschiptijdperk, dat met de ramp van de Duitse ‘Hindenburg’ op 6 mei 1937 definitief leek afgesloten, opnieuw op gang te brengen? Ook dit zou een primeur kunnen zijn van méér dan gewone betekenis. [4]

De optie van Sovjet-Russische luchtschepen voor binnenlands verkeer hield Van Genk eind jaren zestig duidelijk bezig. Op Märklin beeldt hij (links boven naast de stervorm) enkele zeppelins af, met daarboven de tekst SOVJET UNIE ZEPPELIN MINDET? Misschien nog wel duidelijker is hij op 50 jaar Sovjet-Unie, waar links in het midden de neus van een vliegtuig is afgebeeld met daaronder soviet airlines en rechts tegen het kader Rode zeppelinlijnen…?

PA 2x PA I

Het project Asbery – Moskou | ca. 1970-1980 | gemengde techniek op hardboard | 84 x 189 cm | Het Dolhuys, Haarlem. Boven: de afbeelding in de catalogus van De Ark uit 1976 (p. 50)

Het project Asbery – Moskou en Het project Asbery – Havanna staan beide afgebeeld in de catalogus van De Ark uit 1976. Hoewel het daarbij gaat om kwalitatief slechte reproducties in zwart-wit, is in het geval van Het project Asbery – Moskou toch te zien dat er enkele duidelijke verschillen zijn tussen de toenmalige en de huidige versie van het werk. De inzetstukken op de centrale afbeelding ontbreken, terwijl ook de lucht boven en rechts van het luchtschip vrijwel leeg lijkt. Toen het Dolhuys het werk in mei 2017 had aangekocht, werd op de eigen website als naam “Project Asbury I” vermeld en als datering “ca. 1977”. [5] Op een mail met vragen hierover kreeg ik de volgende reactie:

Asberry II en Asbery I vullen elkaar aan, maar hebben elk ook een eigen betekenis. In II zien we in de schaduw van het grote schip een Zeppelin die nog ligt vastgemeerd. Het gevaarte stijgt op, omgeven door heroïsche teksten. Staat op II in zilveren letters: Celebrating the National Air & Space Museum Smithsonian Washington, op het andere stuk zijn over de romp twee inleg-stukken geplaatst, die rechtstreeks beeldend verwijzen naar die gebeurtenis. Het ene is een afbeelding van het nieuwe museumgebouw dat in 1976 werd ingewijd, het andere toont een beeld van een varende Zeppelin verbonden met de flambouw van het Vrijheidsbeeld. Een afbeelding van Asbery I is inderdaad opgenomen in de catalogus van de tentoonstelling die in 1976 in De Ark in Boxtel is gehouden. Waarschijnlijk dateert het werk vanwege de vermelding van de opening van het Amerikaanse museum in 1976, inderdaad van 1976, dus van kort voor de tentoonstelling in Boxtel. [6]

Een aantal hier genoemde zaken is suggestief, onjuist of onvolledig. Allereerst de tekst in zilverkleurige letters op Het Project Asbery – Havanna: die is min of meer juist geciteerd, maar wordt gevolgd door D.C. «U.S.A.» 1980. De tekst ontbreekt (uiteraard) op een opname van het werk in de reportage die Uit de kunst in januari 1974 maakte over De Ark. Vervolgens komt het jaartal 1980 ook voor in de teksten in het kader van de inzet met het museumgebouw: National Air and Space Museum DC 1980 en THE WASHINGTON SMITHSONIAN ’80. Ten slotte werd de nieuwe museumruimte in 1976 geopend op 1 juli, toen de tentoonstelling in De Ark al afgelopen was. [7]

Samenvattend: Van Genk maakte rond 1970 twee werken waarin hij Sovjet-Russische luchtschepen afbeeldde die in de (dan) nabije toekomst realiteit zouden kunnen zijn. Zijn geloof in de Sovjet-Unie als het beloofde land voor maatschappelijk verschoppelingen als hijzelf lijkt op dat moment nog intact. Rond 1980 voegt hij elementen aan de werken toe die zijn eerdere geloof relativeren en de Verenigde Staten in meer positieve zin tegenover de Sovjet-Unie stellen. De inzet met de nazi-zeppelin op Het Project Asbery – Moskou zou ik willen interpreteren als een embleem met als betekenis “hoogmoed komt voor de val”, en tegelijk als vooruitwijzing naar de Amerikaanse overwinning op de nazi’s in WWII: ook de schijnbaar machtige Hindenburg kwam in 1937 smadelijk aan zijn einde in de Verenigde Staten. Het Vrijheidsbeeld steekt het luchtschip symbolisch aan.


 

NOTEN

[1] Informatie ontleend aan de Duitse Wikipedia-pagina “Russische Luftschifffahrt” (geraadpleegd 4 januari 2020).

[2] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 113.

[3] Website Het Dolhuys, 23 mei 2017: “Dolhuys verwerft werken Willem van Genk” (geraadpleegd 4 januari 2020).

[4] Hugo Hooftman, Alles over Russische vliegtuigen, Zwolle 1968, p. 31.

[5] Het oorspronkelijke bericht is inmiddels verwijderd. De spelling “Asbury” komt nog wel voor in het artikel over de aankoop in Trouw, 20 juni 2017 (Henny de Lange, “Een Russische zeppelin met het Amerikaanse Vrijheidsbeeld”; geraadpleegd 5 januari 2020).

[6] E-mail van Ans van Berkum aan Jack van der Weide, 29 mei 2017.

[7] Wikipedia, “National Air and Space Museum” (geraadpleegd 5 januari 2020).

Zeppelins

1929 HGA 625843

Graf Zeppelin boven Den Haag, 13 oktober 1927 (foto: Haags Gemeentearchief)

De Duitse graaf Ferdinand von Zeppelin kreeg in 1895 het patent op een luchtschip dat bestond uit een metalen skelet bekleed met textiel, rondom een aantal met gas gevulde zakken. Onder het skelet hing een commandogondel en een aantal motoren voorzien van propellers. In 1899 begon de bouw van de eerste zeppelin in een drijvende montagehal op het Bodenmeer in Zuid-Duitsland, bij Friedrichshafen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zette het Duitse leger zeppelins in voor spionagedoeleinden en voor bombardementen boven vijandelijk gebied. Na de oorlog had de zeppelin het een aantal jaren moeilijk vanwege de beperkingen die de geallieerden oplegden aan de bouw van luchtschepen in Duitsland. De Verenigde Staten probeerden om zelf een zeppelin te bouwen, maar dit lukte niet.

In 1926 werden de beperkingen aan de Duitse luchtvaart versoepeld, waarna begonnen werd aan de bouw van de grootste zeppelin tot op dat moment: de Graf Zeppelin was 236,6 meter lang en had een volume van 105.000 kubieke meter. Toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen in Duitsland, gingen zij de zeppelins meer en meer gebruiken voor propagandadoeleinden. Ze dachten in 1936 met de Hindenburg, de grootste zeppelin ooit, het paradepaardje van hun luchtvloot te hebben. Omdat de Verenigde Staten geen helium wilden leveren, werd het luchtschip gevuld met uiterst brandbaar waterstofgas. Dit bleek een fatale vergissing te zijn: op 6 mei 1937 vloog de Hindenburg tijdens de landing in Lakehurst in brand. Er kwamen 36 mensen om het leven en het ongeluk luidde het einde van het zeppelin-tijdperk in. In mei 1940 werden de laatste Duitse zeppelins op bevel van oorlogsminister Goering vernietigd.

Op zondag 13 oktober 1929 maakte de Graf Zeppelin een rondvlucht boven Nederland, waarbij het imposante luchtschip ook over Den Haag en omgeving vloog. Hoewel Willem van Genk pas twee jaar oud was en hoogstwaarschijnlijk later geen bewuste herinneringen aan het gebeuren meer had, is de kans zeer groot dat hij een van de vele toeschouwers is geweest. Een ooggetuigenverslag uit zijn woonplaats:

Bij het bezoek van het luchtschip Graf Zeppelin aan Den Haag had ik gisteren het zeldzame geluk, dat het als het ware dicht langs mijn woonhuis te Voorburg voorbij kwam en dat ik het, met mijn vrouw voor het raam staande, in alle bijzonderheden kon zien. Na gedurende een paar uren met ongeduld naar de komst van het luchtschip te hebben uitgezien, niet precies wetende, waar het te voorschijn zou komen, ontdekte ik het om 10.48 vlak boven de huizen en boomen in Zuidelijke richting, natuurlijk op grooten afstand. Een nevelige, vischvormige silhouet schoof langzaam naar het Westen en kwam tegelijk snel nader. […] Vijf minuten, nadat het hier in het zicht was gekomen, werd het snorren van de vijf motoren hoorbaar. […] Het luchtschip naderde nu zeer snel, zoodat gaandeweg bijzonderheden zichtbaar werden, de vijf motorgondels, de ramen van de groote cabine onder het voorste gedeelte, de wapperende Duitsche vlag en de overlangsche banen van het zilvergrijze omhulsel. […] Talrijke menschen stonden langs de wegen en op de daken der huizen en sloegen stil het prachtige luchtschip gade. […] Om vijf minuten over elf wendde het den steven in een grote boog naar het Noordoosten en verdween daarna spoedig in de verte. [1]

19370507 Haagsche Courant

Voorpagina Haagsche Courant, 7 mei 1937: ‘’s Werelds grootste luchtschip tot een vormeloozen wrakhoop verbrand’ (foto: Delpher)

De aandacht in de Nederlandse media was in oktober 1929 enorm, maar ook in de jaren die volgden was het steeds groot nieuws als een zeppelin – meestal: de Graf Zeppelin – ergens in het land te zien was. Zo werden in juni 1931 de inwoners van Den Haag en omgeving ‘verrast door het passeren boven de Residentie van de Graf Zeppelin’, die bij wijze van uitzondering op weg was naar IJsland: ‘te 1 uur koerste het luchtschip boven Den Haag en Scheveningen, waar het duidelijk waarneembaar was.’ [2] Een jaar later maakte het luchtschip een pleziertochtje voor geïnteresseerden en landde het op vliegvelden in Twente en Rotterdam; opnieuw vloog het over Den Haag. [3] Nog in 1936 was het nieuws als er een zeppelin over Nederland vloog, ook al was het ’s nachts. [4] De ontwikkeling van de Hindenburg, die voorzien was van enorme swastika’s op de staart, werd nauwlettend gevolgd; opnamen van de eerste proefvlucht waren in de filmtheaters te zien. [5] Uiteraard werd ook de ondergang van het luchtschip breed uitgemeten in de kranten en haalden de beelden van de ramp alle bioscoopjournaals. Willem van Genk was toen net tien jaar oud.

De zeppelin komt in het vroege werk van Van Genk nauwelijks voor. Op de 27 tekeningen die in 1964 geëxposeerd waren in Hilversum, is alleen in de linkerbovenhoek van Frankfurt – door Van Genk in alle hoeken van swastika’s voorzien – de vage contour van het luchtschip te onderscheiden. Wel was in Hilversum een werk te zien met de binnenzijde van een station, waarvan de gebogen rasterstructuur sterk doet denken aan die van een zeppelin. Het werd enkele maanden later in Düsseldorf verkocht en door Schmela omschreven als ‘Bahnhof mit Lokomotiven’. [6] De reportage van Brandpunt over de tentoonstelling in Hilversum bevat een afbeelding van het werk, evenals de uitnodiging die Schmela rondstuurde voor de tentoonstelling in Düsseldorf. Waarschijnlijk gaat het om nummer 22 uit de Hilversumse catalogus, Mockba (80 x 58 cm). [7]

Schmela Düssedorf 003

Mockba | ca. 1960 | gemengde techniek op papier | 80 x 58 cm | collectie onbekend

Vanaf het midden van de jaren zestig gaat de zeppelin nadrukkelijk zijn opwachting maken in werken van Van Genk, met grote exemplaren op Pilsen 2, World Aircraft I – KLM en vooral Het project Asbery – Havanna en Het project Asbery – Moskou. De staart van een van de zeppelins op World Aircraft I – KLM is getooid met swastika’s, ten teken dat het om een luchtschip uit de nazitijd gaat. Een zeppelin op een inzetstuk in Het project Asbery – Moskou kent een vergelijkbare staart. Het inzetstuk zelf heeft net als Frankfurt een rand met swastika’s in de hoeken. Een ander inzetstuk in dit werk toont een detail van een zijkant van een zeppelin met de tekst Graf Zeppelin. Op Het project Asbery – Havanna is onder meer te lezen Ondergang van de “Hindenburg” … † 6 Mai 1937.

Collage '78 detail

Detail Collage ’78 (1978)

Kleinere zeppelins komen bij Van Genk veelvuldig voor, onder meer op Collage 2000 Beljon Inc., Keulen, Brooklyn Bridge, Het Waarheidsfestival, Zelfportret in De Ark en Collage ’78. Op een titelloze tekening van rond 1990 legt Van Genk een ander verband tussen de zeppelin en het nazisme, door het luchtschip af te beelden boven het Olympisch stadion van Berlijn. In Collage ’78 grijpt hij terug op zijn periode bij De Ark in Boxtel, met een klein tondo waarin vaag zichtbaar een zeppelin met de tekst AIRSHIP ABOVE BOXTEL ’36. En inderdaad was in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant van 27 augustus 1936 het volgende berichtje te lezen: ‘ZEPPELIN LANGS DEN BOSCH – Hedenochtend kwart over acht verscheen een zeppelin aan den Z. W. rand van Den Bosch boven de horizon. De Zeppelin welke ook te Boxtel gesignaleerd was, kruiste over Vught ten Westen van Den Bosch in de richting Utrecht.’


NOTEN

[1] “Uit Voorburg”, in: Het Vaderland, 14 oktober 1929.

[2] “De ‘Graf Zeppelin’ boven ons land”, in: Nieuwe Apeldoornsche Courant, 30 juni 1931.

[3]  “De Graf Zeppelin op Waalhaven”, in: Algemeen Handelsblad, 19 juni 1932.

[4] “Kort nieuws”, in: Soerabaijasch Handelsblad, 15 april 1936.

[5] “Bioscopen”, in: Haagsche Courant, 14 maart 1936.

[6] Brief van Alfred Schmela aan Pieter Brattinga, 15 oktober 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[7] Willem van Genk in Koning der stations van Dick Walda: ‘Ik ben bang voor stoomlocomotieven en de zeppelinachtige overkappingen van een stationsgebouw. Kijk maar eens goed. Als je bijna je ogen dichtknijpt denk je dat er een zeppelin in het station binnen komt drijven. Maar het is de overkapping.’ (p. 21)

Collages

Collage '70 Ruimtevaart (719x800)

Collage 70 Ruimtevaart (Collage ’70) | 1970 | gemengde techniek op hardboard | 140,5 x 126 cm | LaM, Villeneuve d’Asq

Op het lijstje dat Addy Persoon-van Genk begin 1972 aan Pieter Brattinga stuurde, staan twee werken met het woord “collage” in de titel: Collage 70 Ruimtevaart en Collage 2000 Beljon Inc. Beide werken zijn te dateren, op respectievelijk 1970 (via de titel op het lijstje en de tweemaal nadrukkelijk gepresenteerde tekst Collage ’70 in het werk) en 1971 (via het getal 71 in de signatuur). Collage 2000 Beljon Inc. lijkt het eerste te zijn van een serie van vier opvallend gelijkvormige werken uit het begin van de jaren zeventig, die verder bestaat uit Kollage van de Haat (1971), Mr. Petrov (1971) en Paranasky Culture (1972). In alle gevallen gaat het om drieluiken met aan de onder- en bovenkant rood/gele randen met golvende lijnen en punten. De middelste afbeelding is vormgegeven als een cover van het tijdschrift Life, links en rechts staan vooral kleinere afbeeldingen verbonden door teksten. De signaturen rechtsonder bevatten steeds een datering en een tekst die het woord “collage” bevat. De afmetingen zijn vergelijkbaar en variëren van een hoogte van 61,5 tot 70 cm bij een breedte van 142 tot 163 cm.

Collage 70 Ruimtevaart is te beschouwen als een opmaat naar dit viertal, als een poging tot het vinden van een vorm om een aantal motieven weer te geven die persoonlijker zijn dan de treinen, vliegtuigen en steden die tot dan toe de boventoon voeren. In het linkerdeel zijn het nog steeds deze “klassieke” motieven die in de meerderheid zijn, met centraal twee opstijgende raketten – een Sovjetraket en een Amerikaanse raket – die het tweede deel van de titel verklaren. Verder zien we kleinere afbeeldingen met onder meer een tram, fietsen, auto’s, een schip, bussen, gebouwen, mensenmassa’s en ook weer een 1 mei-optocht. Veel van de stadsscènes spelen zich af in Aziatische landen als Indonesië en China. Een aantal van de afbeeldingen is vormgegeven als de cover van een tijdschrift: Life, maar ook Realta Sovietica, Revue en National Geographic.

In de rechterhelft van het werk zijn de steden en vervoersmiddelen vrijwel afwezig. Het is ook in deze helft dat de tekst Collage ’70 voorkomt. De middelste twee afbeeldingen zijn hier eveneens covers van tijdschriften, met links (Life) een voor Van Genk zeldzame close-up van een dier, in dit geval een aap (gesigneerd Karel Appel). Op het rechter tijdsschrift staat een man met in zijn ene hand een blindenstok en onder zijn andere arm een KALENDER 1970 NEDERL. KATTENZORG. Boven de man staat de tekst adam of aap, over hem heen ABSCHIED VOM MYTHOS MANN en onder beide afbeeldingen DE WET VAN CHARLES DARWIN. Thema van dit deel van het werk is derhalve “mens en dier”, met name de evolutietheorie van Darwin.

Onder de twee tijdschriftomslagen staat het meest in het oog springende deel van het werk, een zelfportret van Van Genk omgeven door kleinere afbeeldingen. Links van hem is een persoon te zien die schiet op een rij kruisbeelden, daaronder enkele gelaarsde benen die lopen over een vloer met diezelfde kruisbeelden, daar weer onder een doodskist. Rechts van het zelfportret ligt een uitgemergelde persoon in bed met daarboven in grote letters KANKER KANKER, over het bed heen KREBS en rondom het bed HET ZAL JE FAMILIE MAAR WEZEN – niet alleen de moeder van Van Genk was aan kanker overleden, de ziekte zou ook vrijwel al zijn zusters vellen. [1] Daarbij aansluitend staat links van het gezicht van Van Genk STEUNT HET KWF! Rechtsonder staat op zijn colbertjasje de signatuur met de tekst ONTW: WFAM van GENK ’S GRAVENHAGE. [2]

Die laatste woorden maken op andere werken uit deze periode deel uit van een meer uitgebreide formulering, die de samenwerking van de kunstenaar met Pieter Brattinga onder de aandacht moest brengen. En waar Brattinga zich in de loop der jaren steeds meer in stilte ging hullen, werd Van Genk juist spraakzamer – in zijn werk. Op Brooklyn Bridge (ca. 1970) is dit het duidelijkst, met centraal op het werk de teksten COPYRIGHT ∙ PIETER ∙ BRATTINGA ∙ NEW ∙ YORK ∙ TOKYÔ ∙ DJAKARTA en ONTW ∙ WFAMvanGENK ∙ ’s GRAVENHAGE. In weer andere werken kort hij de naam “Brattinga” af tot “Bratt” en/of gebruikt hij het woord “Bragah” om hun samenwerking onder de aandacht te brengen. De hierboven genoemde reeks van vier gelijkvormige werken, die begint met Collage 2000 Beljon Inc., kent rechtsonder op de gele rand steeds de tekst (GKF) BRATT ∙ PRINTING ∙ COMP ∙ MODEL ∙ WFAM ∙ s’HAGE’71 ∙ HOLLAND ∙ COLL ∙ ZH. [3] Daarbij is GKF – eigenlijk: GKf – de afkorting voor de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten, waarvan Brattinga in 1960 lid was geworden. [4]

Collage 2000 Beljon Inc

Collage 2000 Beljon Inc. (Academy Information/Art Expo) | 1971 | gemengde techniek op hardboard | 61,5 x 155 cm | Collectie Graffe, Brussel

In Collage 2000 Beljon Inc. stelt Van Genk zich de vraag welke positie hij innam of zou moeten innemen binnen de kunstwereld. Niet verwonderlijk is daarom in het werk een centrale rol weggelegd voor Joop Beljon, de persoon die van cruciaal belang was voor de eerste doorbraak van de kunstenaar in 1964 – een doorbraak die in de jaren die volgden nauwelijks een vervolg kreeg. Het middelste paneel heeft andermaal de vorm van een cover van het tijdschrift Life, met IN THIS ISSUE onder meer MR BELJON INC. Op de omslagfoto (van PHOTO STUDIO Eddy de Jongh, aldus Van Genk) is DRS J J BELJON afgebeeld achter een bureau, enthousiast sprekend door een van de vier telefoons die voor hem staan. Voor hem zit een man op een stoel in wie Van Genk waarschijnlijk zichzelf heeft afgebeeld. Op zijn rug staat onder meer de tekst Penning van genk’s werkelijkheid, Drs J J Beljon … geniaal, maniakaal … Bibeb & Vips; Wim van Genk ik ben een stuk grijs pakpapier, Bratt (GKF) “New-Realism” – woorden en namen die te maken hebben met zijn successen tot dan toe.

Ans van Berkum ziet in de afbeelding van Van Genk voor het bureau van Beljon een weergave van diens eerste bezoek aan de Haagse kunstacademie in 1958. [5] Aanvankelijk dacht ik dat het daarentegen ging om een soort toekomstvisie waarbij een al wat oudere Beljon bezig was om iets te regelen voor een al wat oudere Van Genk. Boven Beljon staan in grote letters de woorden ART EXPO NY met daaronder NEW YORK C ’80. De suggestie leek te zijn dat de afgebeelde scène gesitueerd was in een nabije, gewenste toekomst met Beljon die een tentoonstelling in New York regelt voor Van Genk. Nico van der Endt wees mij er echter op dat deze woorden pas later zijn toegevoegd, en inderdaad beleefde de genoemde beurs Artexpo in New York, die nog steeds jaarlijks wordt gehouden, in 1980 pas haar eerste editie.

Van Genk voegt aan de afbeelding elementen toe die hij kent, zoals een rol die tegen het bureau van Beljon ligt met de teksten AVONDLESSEN en TOON WINKEL. Beljon liet Van Genk indertijd toe tot de avondopleiding van de academie, [6] waar Toon Winkel docent was:

Toen de schilder Toon Winkel er van Genk, een beetje geïrriteerd opmerkzaam op maakte, dat hij een hele avond besteed had aan het prepareren van doeken voor van Genk, dat hij die doeken zelf betaald had en in de trein hád moeten meeslepen van Dordrecht naar Den Haag, merkte van Genk goeïg op: U doet maar, meneer, U doet maar. Ik laat alles aan U over. Wat U doet is goed gedaan. [7]

Op Collage 2000 Beljon Inc. zijn nog veel meer verwijzingen te zien naar kunst en de kunstwereld, onder andere in het linker paneel waar de namen SCHMELA en ROB RAUSCHENBERG opduiken in een tondo waarin Van Genk een galerie of museum afbeeldt. In het rechter paneel maakt ook Brattinga zijn opwachting, in een groot tondo dat hij deelt met Van Genks interpretatie van een werk van Ger Lataster. Dat het om Brattinga gaat, is te lezen in een grote pijl die wijst naar de in een blauw pak gehulde man: drs Pieter Brattinga behartiger der Westerse belangen stoere werker gezien persoon op het [onleesbaar]. Achter Brattinga is nog een deel van een deur te zien met de tekst … NG & CokerijVERSUM – Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum, de locatie van Van Genks eerste expositie.

Pieter Brattinga was zeker een harde werker en een gezien persoon in de wereld van kunst en grafisch ontwerp, [8] maar Van Genk wist daar na 1964 geen vruchten meer van te plukken. Joop Beljon had al eerder zijn handen van de kunstenaar afgetrokken. Van Genk wilde dit alles echter niet zien en bleef de twee mannen beschouwen als zijn wegbereiders naar wereldsucces. In een brief van Beljon aan Brattinga uit april 1972 zegt de eerste ‘vrij regelmatig bezoek van Willem van Genk’ te krijgen, die zijn werken terug wil hebben van Brattinga. [9] Kennelijk had de kunstenaar na acht jaar zijn hoop in de behartiger der Westerse belangen uiteindelijk toch opgegeven.


 

NOTEN

[1] Mededeling familielid van Willem van Genk in een e-mail aan mij, 22 december 2019.

[2] Voor de beschrijving van het werk heb ik me gebaseerd op een dia van Galerie Hamer. Een scherpe foto zou nog veel meer aspecten kunnen belichten van dit werk, dat niet te zien was tijdens de tentoonstelling Woest.

[3] In het geval van Paranasky Culture is 71 vervangen door 72.

[4] Cf. het lemma over Brattinga op de website van het RKD, geraadpleegd op 24 december 2019.

[5] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 90.

[6] ‘Van Genk, die zichzelf schilderen heeft geleerd, bezoekt de avondschool van de academie’ (Graficus, 21 januari 1964); ‘Directeur J.J. Beljon […] nam Van Genk als leerling aan op de avondschool’ (Haagsche Post, 25 januari 1964).

[7] J.J. Beljon, “Tien hoofdstukken schaal 1:100. Over de wereld van Willem van Genk, kunstschilder”, VIII.

[8] ‘Brattinga bracht voortdurend mensen met elkaar in contact, speelde een bemiddelende rol tussen ontwerpers en kunstenaars enerzijds en zakenmensen, museummedewerkers en ambtenaren anderzijds, en probeerde steeds met behulp van woord en/of beeld informatie over te dragen. […] Recensenten noemden hem een “kosmopoliet”, “duizendpoot”, “polyglot” en “alleskunner”.’ (Wikipedia, “Pieter Brattinga”, geraadpleegd 25 december 2019.)

[9] Brief van Joop Beljon aan Pieter Brattinga, 24 april 1972 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

Lijstje

World Aircraft I - KLM

World Aircraft I – KLM (World Aircraft) | ca. 1970 | gemengde techniek op hardboard | 101 x 101 cm | particuliere collectie

Pieter Brattinga beklaagde zich in 1973 tegenover zijn advocaat onder andere over Van Genks ‘weigering om verdere werkstukken toe te voegen aan de “afgeronde” collectie’, dat wil zeggen aan de zevenentwintig werken waarvoor hij in 1964 een contract had ondertekend. [1] Dat was niet helemaal waar. Begin 1972 had hij van Addy Persoon-van Genk een brief gekregen waarin zij hem namens haar broer nieuw werk aanbood:

Hierbij treft U een lijstje aan, hetwelk Willem mijn broer tijd mij geruime tijd geleden heeft gegeven. […] Mijn broer heeft alleen het werk opgeschreven wat hij wel wilde verkopen. Ik denk echter, dat er inmiddels bijgekomen zullen zijn, aangezien ik het lijstje reeds zeer lange tijd in mijn bezit heb. […] Door het grote formaat is het werk zeer kwetsbaar niet gemakkelijk te vervoeren. Het is echter zeer zeker de moeite waard, aangezien het werk wat hij maakt veel beter is dan voorafgaande. Alles is geschilderd in kleur. [2]

Het bijgevoegde lijstje bevatte de titels en afmetingen van tien werken, geschreven in ballpoint – de titels in groen, de afmetingen in blauw. Zichtbaar is dat de titels eerst in potlood waren geschreven en daarna met groene ballpoint overgetrokken. Kenmerkend voor Van Genk is het gebruik van uitsluitend hoofdletters en vooral van liggende punten tussen de woorden. Aan de onderkant van de lijst bevindt zich de getypte regel ‘Etsen zwart/wit en gekleurd’, waarschijnlijk toegevoegd door zijn zuster. [3] Het handgeschreven deel van het lijstje:

RAILWAYS                                     66 cm   151 cm
AIRPORTS I/ - TOKYO·HANEDA·(INT.)           114 cm – 119 cm
AIRPORTS II/ - JAPAN·AIR·LINES              111 cm – 119 cm
AIRPORTS III/ - GARUDA-INDONESIA            120 cm –  91 cm
WORLDAIRCRAFT I/ K.L.M                       97 cm –  98 cm
WORLDAIRCRAFT II/ CUBANA·AIRWAYS             81 cm –  91 cm
HET·PROJECT·ASBERY·MOSKOU                    81 cm –  76 cm
HET·PROJECT·ASBERY·HAVANNA                   77 cm –  98 cm
COLLAGE·70 RUIMTEVAART                      138 cm – 123 cm
COLLAGE·2000·BELJON·INC.                     61 cm – 155 cm

Het leek hier inderdaad te gaan om nieuw werk, geen van de genoemde titels was bijvoorbeeld te zien tijdens de expositie De eigen wereld van 12 vrijetijdsschilders die in het najaar van 1967 werd gehouden in de Haarlemse Vishal. Het is verleidelijk om de volgorde die Van Genk geeft te zien als een chronologische, hoewel hier geen directe aanwijzingen voor zijn.

2019-12-16 15.46.36 (800x456)

‘Hierbij treft U een lijstje aan, hetwelk Willem mijn broer tijd mij geruime tijd geleden heeft gegeven.’ (Addy Persoon-van Genk)

Alle titels op het lijstje zijn terug te voeren op werken die later onder een (soms: gedeeltelijk) andere naam bekend werden. In volgorde, met steeds het equivalent zoals opgenomen in het overzicht “Oeuvre” in Een getekende wereld (1998): [4]

RAILWAYS [66 x 151 cm]
           = Great Railroads of the World [ca. 1970; 68 x 133 cm]
AIRPORTS I/ - TOKYO·HANEDA·(INT.) [114 x 119 cm] 
          = World Airport [ca. 1965; 113,5 x 120 cm]
AIRPORTS II/ - JAPAN·AIR·LINES [111 x 119 cm] 
          = Arthur Hailey Airport 1 (Soviet Space Research) 
            [ca. 1965; 111 x 119,5 cm]
AIRPORTS III/ - GARUDA-INDONESIA [120 x 91 cm] 
          = Arthur Hailey Airport 2 [ca. 1965; 91 x 120 cm]
WORLDAIRCRAFT I/ K.L.M [97 x 98 cm] 
          = World Aircraft [ca. 1965; 97 x 99 cm]
WORLDAIRCRAFT II/ CUBANA·AIRWAYS [81 x 91 cm] 
          = Cubaanse Luchthaven [ca. 1975; 81 x 91 cm]
HET·PROJECT·ASBERY·MOSKOU [81 x 76 cm] 
          = Project Asbery I [ca. 1970; 80 x 185 cm]
HET·PROJECT·ASBERY·HAVANNA [77 x 98 cm] 
          = Project Asbery II [ca. 1970; 78 x 122 cm]
COLLAGE·70 RUIMTEVAART [138 x 123 cm] 
          = Collage ’70 [ca. 1970; 140,5 x 126 cm]
COLLAGE·2000·BELJON·INC. [61 x 155 cm] 
          = Academy Information/Art Expo [ca. 1970; 61,5 x 155 cm]

Wat allereerst opvalt zijn enkele significante verschillen tussen de opgegeven maten en de werkelijke afmetingen. Het gaat daarbij om drie werken: Railways, Het project Asbery – Moskou en Het project Asbery – Havanna. In het geval van de laatste twee is identificatie met bekende werken desalniettemin onbetwistbaar, bij het eerste werk zou er lichte twijfel kunnen zijn. Omdat het bij alle werken gaat om aan elkaar bevestigde boardplaatjes, kan het zijn dat een strook in een eerdere versie nog niet tot het werk behoorde of andere afmetingen had.

Wat groepering en datering van de tien werken betreft zijn er meer opmerkingen te maken. Uiteraard zijn (deze versies van) de werken ontstaan vóór de datum waarop Addy Persoon-van Genk haar brief aan Pieter Brattinga stuurde, 11 februari 1972. Bovendien schrijft zij in die brief dat ze het lijstje ‘reeds zeer lange tijd’ in haar bezit heeft. Gevoegd bij het feit dat de werken nooit eerder gezien of genoemd zijn, zou ik ze willen dateren op ca. 1965-1971. Dit komt overeen met bijna alle dateringen die worden gegeven in Een getekende wereld. Collage 2000 Beljon Inc. (Academy Information/Art Expo) lijkt bij de signatuur gedateerd met het getal 71.

Vervolgens valt op dat de titels van bijna alle werken op het lijstje wijzen op kleinere clusters. Driemaal komt “Airports” voor, tweemaal “Worldaircraft”, tweemaal “Het project Asbery” en tweemaal “Collage”. Ten opzichte van de latere titels blijkt World Airport daarmee deel uit te maken van dezelfde serie als Arthur Hailey Airport 1 en Arthur Hailey Airport 2, en zijn ook World Aircraft en Cubaanse Luchthaven verwant. Dat laatste is tegelijk wel en niet onverwacht. Wel onverwacht omdat de twee latere titels geen enkele overeenkomst vertonen en omdat de dateringen in Een getekende wereld zo’n tien jaar uit elkaar liggen. Niet onverwacht omdat in beide werken sprake is van een frontaal afgebeelde neus van een vliegtuig die gedeeltelijk driedimensionaal is weergegeven.

Verder zijn er overeenkomsten als het gebruik van tijdschriftcovers in zeven van de negen afbeeldingen, met name die van Life – een procedé dat Van Genk tot halverwege de jaren zeventig zal blijven toepassen. Daarnaast komen op drie van de negen werken prominent zeppelins voor. De combinatie van prominent afgebeelde zeppelins en Life komt overigens ook terug in het bovendeel van het verticale tweeluik Pilsen 2, dat we om die reden eveneens in de periode 1965-1971 zouden kunnen situeren.

World Aircraft II - Cubana Airways

World Aircraft II – Cubana Airways (Cubaanse luchthaven) | ca. 1970 | gemengde techniek op hardboard | 81,5 x 91 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | Foto: Marcel Köppen

Een belangrijke factor bij pogingen tot dateren van werk van Van Genk is de aard en het gebruik van gele dan wel rood/gele randen en stroken, al dan niet voorzien van golvende lijnen en punten, of woorden. Zowel Railways als World Aircraft I – KLM hebben een donkergele rand aan respectievelijk de onder- en bovenkant en de zijkanten. De combinatie met een rode strook is hier afwezig. Het project Asbery – Havanna kent gele stroken met woorden, Collage 2000 Beljon Inc. heeft de kenmerkende rood/gele randen met golvende lijnen en punten. Bij Collage ’70 Ruimtevaart is sprake van verschillende soorten randen aan de linker- en bovenkant – geel, rood, rood/geel, rood met woorden, geel met woorden – alsof de kunstenaar geen vaststaand idee hierover had. Tekenend hierbij is dat de woorden in de randen aan de bovenkant van het werk ondersteboven staan.

World Aircraft II – Cubana Airways ten slotte heeft aan de onder- en bovenkant de rood/gele stroken met geel/rode letters, zoals die voorkomen in werk uit de periode na 1975 (Collage ’78, Zelfportret zwakzinnigennazorg, Keleti). Dit verklaart waarschijnlijk de datering ‘ca. 1975’ in Een getekende wereld. Inderdaad lijken de stroken een anachronisme te zijn in een werk dat rond 1970 moet worden gedateerd, maar de maten die Van Genk in zijn lijstje geeft zijn identiek met de afmetingen van Cubaanse luchthaven. De eerste afbeelding van het werk dateert van begin 1976; daar ziet het werk eruit zoals we het nu nog steeds kennen. [5]


 

NOTEN

[1] Brief van Pieter Brattinga aan F.W. Grosheide, 8 maart 1973 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[2] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga, 22 februari 1971 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[3] Bijlage bij idem.

[4] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 107-119. Dit is de eerste en tot op heden enige systematische poging tot het in kaart brengen van het oeuvre van Willem van Genk.

[5] Willem van Genk, tent. cat. Boxtel (Galerie De Ark), Boxtel 1976, p. 53.