Jozef van Genk

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

De moeder van Willem van Genk, Maria van Genk-Hoogstraten, overleed op 25 november 1932, toen haar zoon vijf jaar oud was. Hij zal daarom geen concrete herinneringen aan haar hebben gehad, hooguit vage associaties. Maria Hoogstraten was volgens haar huwelijksakte van beroep ‘modiste’, net als enkele van de oudtantes van Willem van Genk uit Bergen op Zoom. Ze was dertig toen ze trouwde, haar vader was op dat moment al meer dan vijftien jaar dood dus ze had ruimschoots de tijd gehad voor het opbouwen van een eigen leven en daarmee ook voor een opleiding en uitoefening van een beroep.

Ouders Willem

De ouders van Willem van Genk, Maria van Genk-Hoogstraten en Jozef van Genk

Over vader Jozef van Genk zijn meer gegevens te vinden. Geboren in 1887 werd hij in 1906 ‘afgekeurd voor militaire dienst wegen[s] een gebrek aan de ogen. Zijn lengte was toen 1,71 cm.’ [1] Na zijn huwelijk met Maria Hoogstraten in 1913 verhuisde hij van Oudenbosch naar Roosendaal, waar in 1914 en 1915 zijn twee oudste dochters werden geboren. In oktober van dat laatste jaar vertrok het gezin Van Genk naar Den Haag, met als adressen onder meer Westeinde 257, Malakkastraat 6 en Renbaanstraat 7. In 1925 vond opnieuw een verhuizing plaats, dit keer naar Voorburg waar zoon Willem werd geboren.

In het adresboek van Roosendaal van 1914 staat Jozef van Genk vermeld als ‘winkelier’. Zowel in zijn eigen familie als in die van zijn vrouw kwamen diverse middenstanders voor, waarbij de negotie vaak in het verlengde van een ambacht (meubelmaker, schilder) lag. Dit was bij hem niet het geval: in zijn huwelijksakte wordt hij aangeduid als ‘fruithandelaar’ en dit blijft ook in andere officiële documenten terugkomen. Toch zal zijn oudste dochter Tiny later tegen Dick Walda zeggen dat haar vader een chocolaterie bezat. [2] Waar hij echter ook in handelde, het succes ervan lijkt wisselend te zijn geweest: zowel in 1914 als 1918 was in de Nederlandsche Staatscourant de mededeling te lezen dat hij ‘in staat van faillissement’ was verklaard, waarbij dit in het tweede geval binnen enkele weken weer werd opgeheven.

1914-1918 Nederlandsche Staatscourant

Mededelingen over faillissementen van Jozef van Genk in de Nederlandse Staatscourant, resp. 6 februari 2014 (boven), 2 september 1918 (midden) en 28 september 1928 (onder)

Jozef van Genk hertrouwde op 9 mei 1934 in Den Haag met Maria Anna Heesen, weduwe van Herman Johan Christiaan van Vlaardingen. De bruidegom was zesenveertig jaar oud, de bruid veertig; twee boden van de gemeente waren getuigen. In de huwelijksakte wordt Jozef van Genk nog steeds als ‘fruithandelaar […] wonende te Voorburg’ omschreven. Tiny van Genk over de tweede echtgenote van haar vader: ‘Hij vond een nieuwe vrouw, een Amerikaanse. Zij nam kinderen mee uit een vorig huwelijk.’ [3] Maria Heesen kwam uit Huisseling en Neerloon, en was dus geen Amerikaanse. Wel blijkt haar eerste man, afkomstig uit Zwolle, in 1931 overleden te zijn in Rochester in de staat New York. Het enige kind uit hun verbintenis was een dochter, Christina Johanna, geboren in 1918. [4]

Kort na zijn tweede huwelijk verhuisde Jozef van Genk weer naar Den Haag en ging hij volgens zijn oudste dochter werken voor de Haagse Arbeidsinspectie. In mei 1940 was hij 52 jaar oud. Tiny:

Onze vader was in de oorlog werkzaam bij de Arbeidsinspectie en beschikte zodoende over veel mogelijkheden om mensen te laten onderduiken en ze vooral aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment is de verzetsploeg van mijn vader opgepakt door de Duitsers. Hij is als enige de dans ontsprongen, alle anderen zijn doodgeschoten. Mijn vader wist via het ziekenhuis, waarin hij na de verhoren terecht was gekomen, te ontsnappen. […] Hij is via Schijndel naar Frankrijk gereisd, naar het plaatsje Nerac in Bourgondië, waar hij in een groot kasteel terecht kwam. [5]

Wanneer deze gebeurtenissen plaatsvinden, is onduidelijk. Tiny zegt ergens in haar verhaal ‘We woonden toen in de Magnoliastraat’, en Magnoliastraat 10 was in ieder geval al in juni 1941 het adres van de familie Van Genk. [6] Desalniettemin verschijnt begin 1942 een opmerkelijk bericht in een dagblad in het oosten van Nederland:

Uit een exploit, den 10den Februari 1942 door den ondergeteekenden deurwaarder beteekend op de wijze, voorgeschreven bij art. 4. lid 7 van het Wetboek van Burg. Rechtsv. blijkt, dat ten verzoeke van JOHANNES HENDRIKUS HERMANUS VAN DER GRAVEN, koopman, wonende te Enschede, te dezer zake domicilie gekozen hebbende te Enschede aan de Haaksbergerstraat no. 21 ten kantore van den procureur Mr. L. M N. Schweitzer is gedagvaard: JOSEPHUS JOHANNES MARIA VAN GENK, zonder bekende woon- of verblijfplaats, echtgenoot van Maria Anna Heesen, pensionhoudster, wonende te Enschede om bij procureur te verschijnen ter Civiele Terechtzitting der Arrondissements-Rechtbank te Almelo van Woensdag 15 April 1942 des voormiddags te tien ure, ten einde zich te hooren veroordeelen tot vanwaardeverklaring van een door den ondergeteekenden deurwaarder op 4 Febr. 1942 gelegd revindicatoir beslag met verdere vorderingen. [7]

De tekst roept een aantal vragen op: waarom werd van Jozef van Genk vermeld dat hij ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats’ is? Waarom woonde en werkte Maria Heesen in Enschede? En vooral: waar ging dit om?

Maria Heesen overleed in juni 1951 – in Enschede. Jozef van Genk trouwde acht maanden later voor een derde keer, met Leonarda Pennekamp uit Den Haag. Zij was dochter van een smid, weduwe van fabrieksarbeider Hendrik van der Wal en moeder van een zoon die in 1911 twee maanden na de huwelijksvoltrekking werd geboren. Het gaat hier om ‘Henk […], de zoon van Leni, zijn vaders derde vrouw […]. Henk had in de oorlog met zijn fascistische sympathieën niet helemaal aan de goede kant gestaan’. [8] Leonarda Pennekamp overleed in juni 1954. Jozef van Genk hertrouwde dit keer niet en overleed zelf op 3 oktober 1958 in Den Haag.


NOTEN

[1] Website Bijmans, geraadpleegd op 14 november 2019. Marijke Bijmans is een kleindochter van Jozef van Genk.

[2] Walda, Koning der stations, pp. 30-31. De chocolaterie figureert eveneens in de eerste grote monografie over Willem van Genk uit 1998, waarbij men zich andermaal baseert op een interview met zus Tiny. Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 11.

[3] Walda, Koning der stations, pp. 31-32.

[4] Informatie afkomstig van deze website (geraadpleegd op 15 november 2019).

[5] Walda, Koning der stations, p. 35.

[6] Onderdeel van de tentoonstelling Woest is een kaft van een schoolboek van Willem van Genk met genoemde datum en adres. Volgens de website Oozo gaat het om een (boven-) ‘woning uit 1924 […]. Het pand heeft een oppervlakte van 110 m² en heeft 4 kamers waarvan 3 slaapkamers.’ (Geraadpleegd op 16 november 2019.)

[7] Tubantia, 13 februari 1942

[8] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 38. Een bron ontbreekt, maar vermoedelijk is Tiny weer de informant.

Grootouders

Knipsel

Maria van Genk-Hoogstraten (1882-1932) en haar moeder, Lambertina Verbeek (1846-1922)

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Toen Willem van Genk in 1927 geboren werd, waren alle vier zijn grootouders overleden. [1] De ouders van zijn vader konden het huwelijk van hun zoon in 1913 al niet meer meemaken, de vader van zijn moeder evenmin. Zijn grootmoeder van moederskant stierf in 1922. De familie van Maria van Genk-Hoogstraten was voor een groot deel geconcentreerd in en om Naaldwijk. Alleen haar grootvader Petrus Ferdinandus Hoogstraten, geboren in 1803 in Bloemendaal en ‘heel- en vroedmeester’ van beroep, kwam niet uit de buurt. Hij trouwde in 1831 met Johanna Hekkers, geboren in 1801 in Naaldwijk. Johanna beviel op 16 januari 1833 van een zoon, Jacobus Engelbertus Adolphus, maar overleed (het beroep van haar man ten spijt) enkele weken later. Petrus Hoogstraten hertrouwde nog tweemaal en kreeg in totaal acht kinderen, alvorens in 1844 zelf te sterven.

18300116 Opregte Haarlemsche Courant

Advertentie in de Opregte Haalemsche Courant, 16 januari 1830

Oudste zoon Jacobus Engelbertus Adolphus groeide op bij zussen van zijn moeder; hij werd geen medicus, maar eerst winkelier en later schilder. Hij trouwde in 1868 met de dertien jaar jongere Lambertina Verbeek, dochter uit een tuiniersgezin. Ze kregen twaalf kinderen, van wie de jongste in 1889 werd geboren. Grootvader Hoogstraten overleed op 6 december 1897. Een half jaar later maakte de Nederlandsche Staatscourant bekend dat twee van zijn ongetrouwde kinderen, Petrus Adrianus (1869) en Johanna Maria (1875), ‘ter zake van krankzinnigheid’ onder curatele waren gesteld. Petrus Adrianus overleed in 1898, Johanna Maria is niet meer terug te vinden in de archieven. [2]

18980811 Nederlansche Staatscourant

Nederlandsche Staatcourant, 11 augustus 1898

De familie van Willem van Genks vader was vrijwel in haar geheel afkomstig uit Bergen op Zoom. Grootvader Wilhelmus Leonardus van Genk (1848) was meubelmaker van beroep, net als diens vader Cornelis Adrianus van Genk. Het gezin van deze Van Genk was uitzonderlijk kunstzinnig, zelfs in de mate dat er in 1977 een tentoonstelling aan de familie werd gewijd in museum De Markiezenhof in Bergen op Zoom onder de titel Van Genk. Een kunstclan uit de tweede helft van de 19e eeuw. Uit de inleiding:

In 1833 vestigde zich te Bergen op Zoom de uit Princenhage afkomstige meubelmaker Cornelis Adrianus van Genk, die hier nog hetzelfde jaar huwde met Adriana Hopmans. Van de dertien uit dit huwelijk geboren kinderen stierven er vier jong. Vier van de vijf zoons volgden een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. Twee dochters trouwden met studiegenoten van hun broers. De twee andere dochters bleven ongehuwd en werkten in Bergen op Zoom als modiste. Kennelijk was het klimaat in het gezin van Genk bijzonder gunstig voor de ontwikkeling van de creativiteit van de kinderen. [3]

Twee van de kinderen uit het gezin, Cornelis Adrianus (Kees) en Petrus Johannes (Piet) zouden bekende architecten worden, van zowel kerkelijke als wereldse gebouwen. Beiden waren uitermate productief, waarbij Kees de kroon spande. Toen de VVV in Bergen op Zoom in 2007 een wandelroute langs zijn panden organiseerde, merkte een journalist op: ‘daar moet de liefhebber wel even de tijd voor nemen want het zijn er nogal wat’. [4] Zijn bekendste bouwwerk is het zogeheten “torentje van Van Genk”, het neorenaissancistische woonhuis van de architect uit 1884, op de hoek van de Stationsstraat en de Wassenaarstraat. Tegenwoordig is het een rijksmonument, net als nog tientallen andere door hem ontworpen woningen, kerken, scholen en wat al niet.

Architectuurroute

Omslag van de wandelroute uit 2007 langs panden van Kees van Genk in Bergen op Zoom. Afgebeeld is het woonhuis van de architect, “het torentje van Van Genk”.

Meubelmaker Wilhelmus Leonardus, naar wie Willem van Genk werd vernoemd, was de enige zoon uit het gezin van Cornelis Adrianus van Genk die geen opleiding had gevolgd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Wel zijn van hem diverse gegevens bekend:

[V]an de meubelmaker Wilhelmus Leonardus [konden] geen produkten worden achterhaald. Hierbij moet worden opgemerkt dat de meubelmakerij in tegenstelling tot de schilder- en beeldhouwkunst en in mindere mate de architectuur, als een ambacht werd gezien. Willem van Genk zal zich dan waarschijnlijk ook wel geen kunstenaar hebben gevoeld. Een gevolg hiervan was, dat hij zijn werk niet signeerde, waardoor er (indien meubels van zijn hand bewaard zijn gebleven) niets met zekerheid aan hem kan worden toegeschreven. In enkele gevallen bleek ook Willem door zijn broers de architecten ingeschakeld te zijn in de “clan”, o.a. leverde hij voor de kerk in De Heen kerkstoelen en voor het Smits-kerkje te Bergen op Zoom vergulde hij o.m. de preekstoel. Men mag veronderstellen dat Willem van Genk de meubelmakerij van zijn in 1870 overleden vader heeft voortgezet. Ook in het openbare leven blijkt hij een rol te hebben gespeeld. Op 6 februari 1898 werd hij beëdigd als gemeenteraadslid van Bergen op Zoom. In zijn necrologie in een plaatselijke krant wordt hij geprezen om zijn werkzaamheid en vriendelijke omgang. [5]

Grootvader Van Genk overleed in 1901, zijn echtgenote in 1907.

wl_van_genk_veraart

itc_1901_05_18_004_w_l_van_genk

Boven: het huis van Wilhelmus Leonardus van Genk aan de Grote Markt, wijk A 24 in Bergen op Zoom. Boven de ramen op de tweede verdieping is het woord “meubelmagazijn” te lezen.
Onder: advertentie voor de meubelfabriek van grootvader Van Genk


NOTEN

[1] Gegevens ontleend aan genealogische websites, met name deze. In het Historisch Archief Westland zijn verschillende aktes te vinden die betrekking hebben op de familie van de moeder van Willem van Genk. (Beide geraadpleegd op 15 november 2019.)

[2] Twee andere broers van Maria Hoogstraten, Johannes Adrianus (Jan) en Adrianus Leonardus Jacobus (Arie), waren bekende, ietwat zonderlinge figuren in Naaldwijk. Ze stonden bekend onder de namen “Strik en Stropdas” en droegen armoedige kleding, hoewel ze diverse woonpanden plus een sigarenmagazijn bezaten. Ook hun zus Sjaantje (Adriana Johanna Maria) woonde bij hen. Jan overleed in 1952, Arie in 1957 – Willem van Genk kan deze excentrieke ooms dus nog hebben gekend. Zie: “Strik en Stropdas: veel verhalen doen over hen de ronde” (geraadpleegd op 15 november 2019). Informatie over de families Hoogstraten en Hekkers is verder te vinden in: G. Beijer en G.J.M. Vreede, Gemeente Naaldwijk 120 jaar in beeld, Naaldwijk 1994.

[3] W. Blok en L.J. Weys, “Inleiding”, in: Van Genk. Een kunstclan uit de tweede helft van de 19e eeuw, Bergen op Zoom 1977, pp. 3-5 (aldaar 3). Princenhage was tot 1942 een zelfstandige gemeente bij Breda.

[4] Leon Krijnen, “Overal loop je tegen Van Genk aan”, in: BN De Stem, 10 september 2007.

[5] Blok en Weys, “Inleiding”, p. 5.

Willem Franciscus Antonius Maria

70748886_1339737126191353_7719471383981326336_o

Willem van Genk en zijn zusters, ca. 1929

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Het is geweldig dat Willem van Genk met Woest een grote overzichtstentoonstelling heeft gekregen in het Outsider Art Museum. Eindelijk erkenning, eindelijk waardering, eindelijk een kans om een flink aantal van zijn werken in het echt te zien. Het soort aandacht dat de tentoonstelling genereert, vind ik echter minder geslaagd. Hoe vaker de psychische stoornissen en biografische gegevens van Van Genk worden benadrukt ten koste van zijn werk, hoe kleiner de kans dat dat werk buiten de beperkende arena van de outsider art kan treden. Van Genk dreigt steeds meer die rare man te worden die ook nog leuke schilderijtjes maakte – of zoals iemand mij tijdens de opening van Woest verbeterde, die tóch nog leuke schilderijtjes maakte. En tekeningen, en collages, en trolleybussen.

Het lijkt mede daarom contraproductief om biografische teksten over Van Genk te publiceren. Dat is het volgens mij niet. In beschouwing na beschouwing komen dezelfde verhalen over het leven van Van Genk terug, meestal zonder of met gebrekkige bronvermelding. Ik denk dat het goed is om een meer gedegen biografische basis te leggen en om tegelijkertijd aan te geven welke zaken verder onderzoek verdienen, omdat we nog over te weinig gegevens beschikken. Zoals ik al eerder heb geschreven: in het geval van Willem van Genk bestaat er geen twijfel over het belang van zijn ervaringen, obsessies en mentale problemen voor zijn werk. Door echter alleen op zijn leven te focussen doet men dat werk ernstig te kort. [1] Wie het werk desalniettemin wil verklaren vanuit Van Genks psychobiografie, zou dat in ieder geval op basis van controleerbare feiten dienen te doen.

In de catalogus bij de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 houdt auteur Joop Beljon zich voor wat de biografische gegevens betreft op de vlakte – waarschijnlijk ook omdat hij over weinig materiaal beschikt. Hij vertelt iets over de werk- en woonomstandigheden van Van Genk, over diens opleiding, noemt een verkeerd geboortejaar (1936) en merkt op: ‘Hij heeft geen familie.’ Dat laatste is een merkwaardige zin, die desalniettemin niet metaforisch bedoeld lijkt te zijn. Van Genks ouders zijn in 1964 inderdaad al overleden, maar zijn zusters leven dan allen nog.

Willem Franciscus Antonius Maria van Genk werd geboren op 2 april 1927, als tiende kind van Josephus Johannes Maria van Genk en Maria Martina Hoogstraten. Jozef van Genk en Maria Hoogstraten waren getrouwd op 15 april 1913 in Naaldwijk, geboorte- en woonplaats van de bruid. De huwelijksakte:

Heden den vijftienden april negentienhonderd dertien zijn voor mij, ambtenaar van den burgerlijken stand te NAALDWIJK, verschenen, ten einde een huwelijk aan te gaan:

Josephus Johannes Maria van Genk, oud vijfentwintig jaren, van beroep fruithandelaar, geboren te Bergen op Zoom en wonende te Oudenbosch, meerderjarige zoon van Wilhelmus Leonardus van Genk, en Cornelia Eleonora Vervaart, beide overleden

en Maria Martina Hoogstraten, oud dertig jaren, van beroep modiste, geboren en wonende alhier, meerderjarige dochter van Jacobus Engelbertus Adolphus Hoogstraten, overleden, en Lambertina Verbeek, zonder beroep, wonende alhier

Als getuigen waren bij het huwelijk aanwezig twee broers van de bruid (beiden ‘verver’ van beroep), en een broer (fruithandelaar) en een zwager (boomkweker) van de bruidegom.

x

Huwelijksakte van de ouders van Willem van Genk

Op 9 februari 1914 werd hun eerste kind geboren, dochter Lamberdina Cornelia Maria Susanna (Tiny). [2] Na haar volgden nog acht meisjes: Leny (1915), Nora (1916), Addy (1917), Jacqueline (1918), Riet (1919), Agnes (1920), Isabella (1922) en Willy (1923). Gezien die laatste naam leken Jozef en Maria van Genk de moed te hebben opgegeven om ooit nog een zoon te krijgen: de eerste naam van de vader van de vader werd vergeven aan een meisje. Maar op 2 april 1927, Maria van Genk was al vierenveertig jaar oud, kwam alsnog Wim/Willem ter wereld. [3]

Geboorte WvG

Vermelding van de geboorte van Willem van Genk op 11 april 1927 in de Haagsche Courant (links) en Het Vaderland (rechts).


NOTEN

[1] Jack van der Weide, “Het wereldwijde web van Willem van Genk”, in: Ons erfdeel 57 (2014), nr. 4, pp. 112-115 (aldaar p. 113).

[2] Willem van Genk noemde zijn oudste zus ‘Tine’, de meeste anderen noemden haar ‘Tiny’. Ook de zes kleinkinderen van Jozef en Maria van Genk spraken en spreken over ‘tante Tiny’. Een verklaring is mogelijk dat Willem van Genk een deel van zijn jeugd doorbracht in het gezin van een tante die eveneens een dochter Tiny had, wat voor hem een reden kan zijn geweest om het onderscheid in namen te maken. Door familieleden werd hij zelf overigens altijd ‘Wim’ genoemd.

[3] Familiegegevens ontleend aan diverse genealogische sites op internet, met name deze (geraadpleegd op 15 november 2019).

Pilsen

IMG_9740 (800x465)

Kathedraal Pilsen | ca. 1965 | gemengde techniek op papier | 126 x 201 cm | Musée L, Louvain-la-Neuve | foto: Ans van Berkum, Almere

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Nogmaals het interview uit 1964 van Bibeb met Willem van Genk. De kunstenaar: ‘Ik ben na Rome naar Tsjechoslowakije gegaan. Je eet er goed in Rome, maar in Tsjechoslowakije is ’t bier weer beter. Daar is de Wenzelplats van de heilige Wenzel.’ [1] Op 16 juni 1963 vertrok Willem van Genk om 7:15 uur van het adres Wagenstraat 40 in Den Haag voor een achtdaagse groepsreis naar Tsjechoslowakije. De organisatie was in handen van reisbureau Europa Express N.V., directeur H. Vermaat fungeerde als reisleider. De groep bestond uit veertien personen uit onder meer Rijswijk, Breda, Deventer en Delft, die in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam op de ‘autocar’ konden stappen. Er werd onderweg overnacht in Aschaffenburg, Mariënbad, Praag, Nürnberg en Koblenz. Op de dag van terugkomst in Nederland was er een afscheidsdiner in hotel De Schuur in Breda.

Al deze gegevens zijn bekend omdat Van Genk de deelnemerslijst met alle details van de reis netjes bewaarde, waarna hij bovendien op de achterkant een kort reisverslag maakte. [2] Hij beschrijft hoe het gezelschap in Tsjechoslowakije via Cheb, Marianske Lazne (Mariënbad), Karlovy Vary (Karlstad) en Lidice naar Praag reist. Op de terugweg wordt Pilsen aangedaan en daarna gaat het via Duitsland weer naar huis. In telegramstijl worden per stad enkele activiteiten en bezienswaardigheden opgesomd – in Mariënbad: ‘bezichtiging aan een Arbeiderskultuurhuis avondwandeling volkspark wafelbakkerij kurzaal concertgebouw rk kerk (moskee) mineraalwaterbronnen centraalpostkantoor’. Soms klinkt nog iets door van de specifieke interesses of preoccupaties van de kunstenaar, wanneer hij bijvoorbeeld melding maakt van een ‘slangenfarm in dienst der geneeskunde’, van een traject ‘door de donkere tunnel naar ’t centrum van Praag’ of van een ‘panorama op Praag van de Petrin eifeltoren te bereiken met lijn 9 en de bergbaan gezicht op de Moldau’.

Naamloos

Reisgids 1963, Europa Expres N.V.

Pilsen moet het met slechts enkele regels doen: ‘verder van Praag naar Pilsen diner Pilsen is bekend om z’n pilsner bier, Pilsen is de grote fabriek stad bij uitnemendheid men treft er onder ander de Skoda autowerke aan van Pilsen terug naar de grens’. Desalniettemin zal de stad de inspiratie leveren voor twee grote werken van Van Genk, Kathedraal Pilsen en Pilsen 2. Beide werken zijn rond 1965 te dateren en beide markeren ze op verschillende manieren de overgang tussen twee fasen die te onderscheiden zijn binnen het oeuvre van Van Genk, door Nico van der Endt omschreven als ‘een sprong naar complexiteit en fragmentatie’. [3]

Net als het geval is bij Rome Termini is een versie van Kathedraal Pilsen al te zien in de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid uit 1964. Tijdens het afsluitende interview wordt de kunstenaar gefilmd tegen een achtergrond van een van zijn tekeningen. Het betreft de centrale afbeelding van Kathedraal Pilsen. Verwonderlijk is deze keuze niet: de tekening lijkt te voldoen aan de kenmerken van veel andere stadsgezichten van Van Genk, met centraal een groot gebouw (de Sint-Bartholomeüskathedraal) dat uittorent boven een deel van een stad – in dit geval het centrale plein van Pilsen, het Náměstí Republiky. [4] Nergens is echter te zien dat de collagetechniek al is toegepast, dat Van Genk de kathedraal en het plein is gaan gebruiken als centrale afbeelding in een veel groter en meer gelaagd werk.

Brandpunt Pilsen

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – interview met Willem van Genk

En gelaagd, dat is Kathedraal Pilsen. In het midden van de jaren zestig begint Van Genk met het maken van collages op papier, waarbij hij oude tekeningen (al dan niet verknipt) samenvoegt tot een groter geheel, waarbij meestal ook nog teksten worden toegevoegd. Binnen deze groep van collages op papier zijn meer en minder complexe werken te onderscheiden. Kathedraal Pilsen is overduidelijk een van de meest complexe exemplaren. Rondom de centrale afbeelding zijn er zo’n dertig tot veertig inzetstukken, vrijwel zonder uitzondering uiterst gedetailleerd. In, om en door de afbeeldingen heen staan teksten, soms in de vorm van hotelnamen, affiches, spandoeken of uithangborden, soms ook als graffiti-achtige kreten. Vrijwel alle thema’s en motieven die we kennen uit het werk van Van Genk – vervoer, steden, reizen, beroemde mannen, klassieke muziek, geweld, communisme, optochten, kerken en kathedralen, treinstations, trambestuurders, trolleybussen, tanks, hotels, 1 mei, plattegronden, lijsten, de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958, een meisjes met een ijsje – zijn terug te vinden in Kathedraal Pilsen, meestal meerdere malen.

Knipsel a

Kathedraal Pilsen, ca. 1965 (detail)

Een flink deel van deze thema’s en motieven in Kathedraal Pilsen is terug te voeren op de reis naar Tsjechoslowakije die Van Genk in 1963 maakte met Europa Express N.V. Daarmee is dat deel van het werk niet onschadelijk gemaakt, maar kan wel de interpretatie enigszins worden gestuurd. Zo is in twee stroken boven en onder de centrale afbeelding een soort route aangegeven, inclusief bordjes met plaatsnamen, die overeenkomt met de reisroute uit 1963. Halteplaatsen krijgen iets meer aandacht in de vorm van een klein tekeningetje. Verschillende inzetstukken verwijzen naar activiteiten en bezienswaardigheden tijdens de reis. Opvallend is bijvoorbeeld een portret van Richard Wagner linksboven, dat beter te duiden is als men weet dat op de tweede dag van de reis een stadsbezoek aan Bayreuth is gebracht. Via Wagner lopen vervolgens weer associaties met andere componisten, met Leipzig, met de DDR en zo verder. Vrijwel alles wat Van Genk in zijn reisverslag noemt, heeft een plaats gekregen in Kathedraal Pilsen.

Knipsel b

Kathedraal Pilsen, ca. 1965 (detail)

Van Genk is duidelijk lang elementen aan de collage blijven toevoegen, en dat is het eindresultaat niet ten goede gekomen. Het is een onevenwichtig werk, een mer à boire voor de liefhebber maar geen overtuigende eenheid. Indicatief voor het groeiproces is de meervoudige signatuur rechtsonder, die suggereert dat de kunstenaar gedeelten is blijven invlechten. Nico van der Endt verkocht het werk in 1988 samen met een andere grote collage van iets latere datum, Vervoer USSR, aan ‘een zekere Prof. Jacques Schotte […] voor het Musée de l’Université van Louvain-la-Neuve’. [5] Momenteel is het te zien als onderdeel van de tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum.


NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 113.

[2] Het reisverslag is te zien op de website van de Stichting Willem van Genk (hier; geraadpleegd op 9 november 2019) en maakt ook deel uit van de tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 21.

[4] Terzijde zij opgemerkt dat ook deze tekening in tegenspraak is met de kenschets van het werk van Van Genk als zouden er geen lege plekken in voorkomen, wat dan meestal wordt gekoppeld aan zijn geestesgesteldheid: ‘Van Genk laat geen centimeter op zijn doeken onbeschreven. Hiermee poogt hij het contact met de realiteit op verbeten wijze te herstellen. Zo’n werkwijze is kenmerkend voor zijn dispositie.’ (Beljon, “Tien hoofdstukken schaal 1:100”, VII); ‘Het heel opvallende aan hem … dat nergens een lege plek op zijn schilderijen … dat vind ik nog wel iets heel typerends wat bij … ik wil niet eens zeggen zijn ziektebeeld maar zijn hele persoon past, enorme angst voor leegte …’ (psychiater P.P. van Gent in Ver van huis). Juist in veel van de stadsgezichten uit de jaren vijftig zijn grote delen van de tekeningen ingeruimd voor een uitgestrekte wolkenlucht met hier en daar een vliegtuig.

[5] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 57.

Rome

Rome Termini

Roma Termini | ca. 1965 | gemengde techniek op hardboard | 69 x 284 cm | The Museum of Everything, Londen

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Bibeb over Willem van Genk: ‘In zijn vrije tijd tekent hij enorme panorama’s van steden: Moskou, Berlijn, Keulen, Rome, Tokio, Wenen. […] Hij ging met reisverenigingen naar Parijs, Rome, Madrid, Kopenhagen, Keulen en Praag.’ En Van Genk zelf, ever verderop in het interview: ‘Dat is de Tiber, dat is de Engelenburcht, daar is ’t justitiepaleis in Rome. Daar ben ik geweest.’ [1] De panorama’s van Moskou, Berlijn, Keulen, Tokio en Wenen waren te zien tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964. Rome ontbrak, terwijl uit bovenstaande citaten blijkt dat de kunstenaar er in ieder geval geweest was en er waarschijnlijk ook een tekening van had gemaakt. Misschien zelfs wel meerdere – later zullen Italiaanse werken opduiken die mogelijk al begin jaren zestig zijn ontstaan. Maar van één werk weten we zeker dat het in 1964 al bestond, of in ieder geval: dat er in 1964 al een eerste versie van bestond.

Brandpunt 04a

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk aan het werk

In de reportage die Brandpunt over Van Genk maakte, zien we hem werken aan een forse tekening in het appartement van zijn zuster Willy aan de Harmelenstraat. Bibeb: ‘Nu volgt de tocht die Van Genk elke avond maakt, naar ’t huis van zijn jongste zuster. We lopen bijna een uur door een bar stuk van Den Haag, o.a. de Loosduinsekade af, en ’t is koud. […] Z’n zuster, klein, mager, nerveus, zet een elektrische kachel in de achterkamer. Van Genk legt op tafel weer andere tekeningen, ze bestaan uit grote vellen geplakte schriftblaadjes, zijn 2 tot 3 meter lang, een halve meter hoog.’ [2]

Brandpunt 04b

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk aan het werk

Wie iets weet van het werk van Willem van Genk en de beelden uit de Brandpunt-reportage ziet, kan denken: die tekening heb ik eerder gezien. En dat klopt, hij is hier onmiskenbaar bezig aan een werk dat bekend staat als Roma Termini. Het was onder meer in 1998 te zien op de tentoonstelling Een getekende wereld in museum De Stadshof in Zwolle. In de publicatie bij die tentoonstelling kreeg het werk het jaartal 1965 en de maten 69 x 284 cm. [3] Nico van der Endt verkocht het in 2000 voor fl. 50.000 aan een Zwitserse verzamelaar. Deze had het kennelijk weer doorverkocht aan de Brit James Brett, wiens Museum of Everything in 2016 een grote tentoonstelling had in de Rotterdamse kunsthal. [4] Roma Termini was daar voorlopig voor het laatst te zien op Nederlandse bodem.

Maar er is iets vreemds aan de hand. In de Brandpunt-reportage is Van Genk overduidelijk bezig om met een kroontjespen en inkt op papier te tekenen, terwijl Roma Termini is uitgevoerd in olieverf op board. Desalniettemin lijkt het wel degelijk om dezelfde afbeelding te gaan. Nico van der Endt desgevraagd: ‘Wat denk je van deze theorie: hij tekende in of voor 1964 zoals op de still. De tekening is verloren gegaan en hij schilderde er (daarom) nog een op boardplaten. Hij zag er nooit tegenop zichzelf eens te herhalen, is het niet?’ [5] Zoiets kan het inderdaad zijn geweest: een versie op papier en aan de hand daarvan (uit het hoofd of met de tekening voor zich) een kopie op board, toen Van Genk was overgestapt van Oost-Indische inkt op olieverf.

IMG_0001

Detail achterzijde Roma Termini

De afbeeldingen in Een getekende wereld uit 1998 laten zien dat de achterkant van Roma Termini nog heel erg veel informatie bevat – over vooral Rome, maar ook Bergen op Zoom en Brussel worden onder meer genoemd. Intrigerend zijn de brieven die in hun geheel zijn opgeplakt maar die op de foto helaas onleesbaar zijn. Wel te zien is dat Van Genk het werk ook zelf betitelt als Roma Termini of Roma – Stazione Termini. Voer voor kunsthistorisch onderzoek.


NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier’, pp. 111-112.

[2] Ibidem, p. 118.

[3] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 120-121.

[4] ‘Het is James Brett, hij komt uit Londen, zwijgt over zijn leeftijd, maar is geboren in 1967 en sinds een jaar of vijf is hij de baas van zijn eigen museum: The Museum of Everything. Dat is geen gebouw met kunst erin waar je tegen betaling naar mag komen kijken. Zijn museum is een rondreizend circus, waarmee hij langs musea in Parijs, Moskou en Venetië trekt om het werk te laten zien van kunstenaars die officieel geen kunstenaar mogen heten. De kunstenaars van het Museum of Everything zijn solisten en autodidacten. Buitenstaanders zijn het, zonderlingen soms, of om het aardiger te zeggen, zelfstandigen. Walter Potter, die met zelf opgezette katjes en eekhoorntjes een theekransje inrichtte. Of Willem van Genk; wereldvreemde kluizenaar die zijn angsten en zorgen vertaalde in potloodtekeningen.’ (Rinkskje Koelewijn, “Niemand is normaal”, in: NRC Handelsblad, 20 februari 2016) Voor de verkoop in 2000, cf. Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 121.

[5] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 7 oktober 2019.

Leningrad

Leningrad II

Leningrad | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 72 x 91 cm | coll. Galerie Hamer, Amsterdam | foto: Clemens Boon, Amsterdam

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 waren 27 werken van Willem van Genk te zien. De kleine tentoonstellingscatalogus werd voor het grootste deel gevuld met een tekst van Joop Beljon – ‘het wilde geschrijf van Beljon’, om met Bibeb te spreken. [1] Pas op de laatste pagina staat een lijst met de geëxposeerde werken. Steeds gaat het om de naam van een stad, met daarbij de afmetingen van het werk in kwestie in zowel centimeters als inches. Negen van de 27 werken dragen de naam Mockba, vijf heten Amsterdam. Elk twee keer komen voor Tokyo, Köln en Leipzig, elk één keer Paris, Frankfurt am Main, Antwerpen, Berlin, Arnhem, Den Haag en Wien.

Ondanks deze schaarse informatie is het mogelijk om de meeste van de Hilversumse werken thuis te brengen. Daarbij dient de informatie uit de catalogus te worden gecombineerd met enkele foto’s die van de expositie zijn gemaakt, de beelden uit Brandpunt en het filmpje van Har Oudejans, teksten over de tentoonstelling, latere afbeeldingen en zo nog het een en ander. Dan blijkt onder meer dat de samensteller van de catalogus – Pieter Brattinga – niet altijd even zorgvuldig is geweest. De gegevens over het eerste werk tonen meteen al enkele zwakke plekken:

1    Mockba  . . . . . .  80 x 64 cm | 31½” x 25¼”

De spelling ‘Mockba’ was een poging om het Cyrillische МОСКВА = Moskou weer te geven. Een foto van Eddy de Jongh, kennelijk gemaakt tijdens het bezoek dat Van Genk met Bibeb bracht aan de tentoonstelling, laat de eerste vier werken uit de catalogus zien. [2] Nummer 1 is duidelijk het hierboven afgebeelde werk, dat echter niet Moskou maar Leningrad voorstelt. Ook de maten kloppen niet: de tekening meet in werkelijkheid 72 x 91 cm.

Een fraaie reproductie van het werk is te zien in het boek Nederlandse naïeve kunst uit 1979. [3] Het boek was gekoppeld aan een tentoonstelling in Slot Zeist bij Utrecht met werk van veertien kunstenaars wier werk als (enigszins) naïef kon worden beschouwd. Een jaar eerder had Nico van der Endt de tekening al verkocht aan een Amsterdamse kunstverzamelaar voor fl. 4.0000 tijdens de tentoonstelling Winterexpositie van naïeven uit binnen- en buitenland[4] Van der Endt zou het werk later weer terugkopen.

Leningrad I (800x603)

Leningrad | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 60 x 80 cm | coll. De Ruuk, Amsterdam | foto: Galerie Hamer, Amsterdam

En er was in Hilversum nog een tweede stadsgezicht van Leningrad te zien. Catalogusnummer 25, opnieuw aangeduid als Mockba, stelt eveneens Leningrad voor. De laatste tien werken in de catalogus zijn moeilijker te identificeren, omdat er geen foto’s of filmbeelden van zijn. De tentoonstellingsruimte omvatte waarschijnlijk drie muren met werk, van de derde muur zijn geen opnames bekend. Juist bij nummer 25 komt de catalogus echter te hulp, door bij wijze van uitzondering een afbeelding af te drukken. Nico van der Endt verkocht de tekening in 1985 aan een Amsterdamse verzamelaar voor fl. 4.500. [5]

Knipsel

Still uit Ver van huis (1997) – de heer De Ruuk toont zijn Leningrad

Beide stadsgezichten van Leningrad zijn te zien tijdens de lopende tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum, zij het niet naast elkaar. Wel naast elkaar staan ze in de catalogus, maar daar is nummer 1 uit Hilversum helaas in spiegelbeeld afgedrukt. Na Amsterdam reist de tentoonstelling door naar Lausanne en … Sint-Petersburg, het voormalige Leningrad. De twee stadsgezichten zullen daar vermoedelijk extra aandacht krijgen, dus misschien kan de indeling van de tentoonstelling daarop worden aangepast.


NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[2] ‘Twee dagen later. Wim van Genk en ik in de restauratiewagen van de trein, naar Utrecht. We zijn op weg naar Van Genks tentoonstelling in Hilversum.’ (Ibidem, p. 121) De foto is hier te zien (geraadpleegd op 9 november 2019); de vrouw rechts is Bibeb. Het kostte overigens enige moeite om de foto’s van Eddy de Jongh, waarvan bekend was dat ze bestonden, op te diepen uit de collectie van het Nederlands Fotomuseum: de naam van de kunstenaar ontbreekt, de foto’s zijn gelabeld ‘schilder den haag’. (Met dank aan Jos ten Berge.)

[3] Joop Bromet en Nico van der Endt, Nederlandse naïeve kunst, Venlo 1979. Leningrad is afgebeeld op p. 33. Een beschouwing over Van Genk is te lezen op pp. 34-38.

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41.

[5] Ibidem, p. 51. De tekening was daarna te zien tijdens verschillende tentoonstellingen, onder andere Vijf x vijf in Rhoon (december 1989 / januari 1990).

Oudejans

Oudejans collage WFH

Collage van stills uit het filmpje van Har Oudejans – W.F. Hermans verdiept zich in het werk van Willem van Genk

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

W.F. Hermans opende op 18 januari 1964 de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid bij Steendrukkerij De Jong en Co. in Hilversum. In september 2014 vertelde Nico van der Endt mij dat hij een filmpje op het spoor was met beelden van de opening. Hij had contact gehad met een oudere dame uit Schoorl, wier echtgenoot in de jaren zestig als amateurfilmer de openingen van een aantal tentoonstellingen bij Steendrukkerij De Jong & Co. had vastgelegd, waaronder die van Willem van Genk.

Een paar weken later had ik het filmpje in handen. Het was blijkens de eerste beelden gemaakt door ‘H.Th. (Har) Oudejans, architect te Amsterdam’ en duurde iets minder dan drie minuten. Na enkele shots van het tentoonstellingsaffiche zien we Hermans samen met de andere aanwezigen de geëxposeerde werken bekijken. Het filmpje heeft geen geluid, de kijker kan dus niet horen wat er wordt gezegd. Na ongeveer een minuut verschuift de aandacht naar wat een receptie lijkt en nu verschijnt ook Willem van Genk in beeld. Hermans onderhoudt zich met hem, Van Genk is een aantal malen pratend te zien. Ook eet hij een blokje kaas.

In juni 2019 stuurde ik een kort tekstje over Hermans en Van Genk, waarin ik het filmpje van Har Oudejans noemde, naar het tijdschrift De God van Nederland van Bob Polak. [1] Polak was enthousiast, gaf aan mijn tekst graag te plaatsen en meldde dat hij op de stills die ik had meegestuurd publicist H.J.A. Hofland meende te ontwaren. Hij had gelijk – ook Hofland was dus bij de opening. Naspeuringen leerden dat hij ten tijde van de tentoonstelling werkzaam was voor het Algemeen Handelsblad, waar Hans Redeker verantwoordelijk was voor de kunstredactie. Redeker werd korte tijd later een verklaard bewonderaar van Van Genk en publiceerde een uitgebreid stuk over de Hilversumse tentoonstelling in het Algemeen Handelsblad[2] Of het Hofland was die Redeker had getipt of vice versa, is niet bekend.

Oudejans collage 04-15

Collage van stills uit het filmpje van Har Oudejans – W.F. Hermans spreekt met Willem van Genk

Filmer Har Oudejans (1928-1992) bleek daarnaast iets minder onbekend te zijn dan ik aanvankelijk had gedacht: samen met Constant Nieuwenhuys, Armando en Ton Alberts had hij eind jaren vijftig de eerste proclamatie van de Nederlandse afdeling der Internationale Situationisten ondertekend. Oudejans was getrouwd geweest met dichteres Mischa de Vreede. Bob Polak herinnerde zich na wat heen en weer gemail dat hij het filmpje al ooit had gezien: ‘Ik zie dat we (redacteur Dirk Baartse en ik van Hermans-magazine) in 2004 op bezoek zijn geweest bij Mischa de Vreede in Camperduin en toen al dat filmpje met Willem van Genk hebben mogen bekijken. Zij bezit dus dat filmpje.’ En inderdaad, in het bewuste nummer van het Hermans-magazine staat een kort verslag van de filmvoorstelling bij Mischa de Vreede:

Maar wij zijn vooral ook uitgenodigd om een bijzonder 8 mm-filmpje te komen bekijken. Het gaat om opnamen die haar toenmalige echtgenoot Har Oudejans op 18 januari 1964 maakte van de opening van de tentoonstelling van beeldend kunstenaar Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co in Hilversum. Van Genk was autistisch en had een fascinatie voor drukke steden. Zijn werken zijn tot de rand toe gevuld met gebouwen, neonreclames, auto’s, trams, treinen en af en toe een mens. Hermans opende de tentoonstelling met een toespraak getiteld ‘De werkelijkheid van Willem van Genk’.

We zien op het filmpje (zwart-wit, geen geluid) een opvallend ontspannen Hermans, die lacht en zich tamelijk soepel beweegt. Als hij met de kunstenaar staat te praten, zwaait hij met zijn rechterarm, waarin een leeg wijnglas, breed door het beeld. De kunstenaar zelf lijkt verloren tussen zoveel mensen. Zijn gelaatsuitdrukking is steeds star, argwanend, we zien hem nooit iets zeggen. Onder de vele aanwezigen herkennen wij een jonge, nieuwsgierige Henk Hofland. Mischa de Vreede weet nog de meeste namen van de bekende Nederlanders op de opening op te noemen. Maar vaak moet ze eraan toevoegen: Die is inmiddels dood, die ook en die leeft geloof ik ook niet meer. Al met al een uniek tijdsbeeld dat het verdient om in bredere kring te worden uitgezonden. [3]

Na dit te hebben gelezen stuurde ik onmiddellijk een mailtje naar Mischa de Vreede, ik was onder meer erg benieuwd naar die ‘bekende Nederlander op de opening’. Een reactie bleef echter uit.

Knipsel

Boekenbal  24 februari 1961. De jonge vrouw linksonder is Mischa de Vreede.  Rechtsboven met sigaret Har Oudejans.

Een jaar geleden gaf ik een kopie van het filmpje van Oudejans aan curator Ans van Berkum van de tentoonstelling Woest, na eerst bij Nico van der Endt te hebben geïnformeerd of het mocht worden gebruikt. Dat mocht. Het is nu inderdaad te zien aan het begin van de tentoonstelling, zij het zonder enige informatie over de inhoud of herkomst. Korrelige beelden van Van Genk zijn kennelijk voldoende.


NOTEN

[1] Jack van der Weide, “In een web gevangen zoals iedereen (2)”, in: De God van Nederland 19 (2019), pp. 50-51.

[2] Hans Redeker, “In de fijn dichtgekrabbelde volte”, in: Algemeen Handelsblad, 22 februari 1964.

[3] “Van onze verslaggever Tom van ’t Hoff”, in: Hermans-magazine 13 (2004), nr. 52, p. 127.

Hilversum (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die eerder in iets andere vorm verscheen onder de titel “De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.” Het eerste deel is hier te vinden.

Brandpunt 04e

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Joop Beljon in gesprek met een reporter van Brandpunt

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Een van de motieven van Joop Beljon om de tentoonstelling bij Steendrukkerij de Jong & Co. te organiseren, was om Van Genk meer financiële armslag te geven. De academiedirecteur was verbolgen over het feit dat de kunstenaar de tijd noch de ruimte had om zijn talent te ontwikkelen: overdag moest hij geestdodend werk verrichten in de AVO-werkplaats en ’s avonds liep hij vier kilometer naar zijn zuster Willy om in haar warme huiskamer te kunnen tekenen. Zelf woonde hij in een armoedig pension, op een minuscule kamer die hij met een zwakzinnige grondwerker moest delen. Hij verdiende veertig gulden per week, waarvan hij vijf gulden in handen kreeg als zakgeld. Enige financiële steun in de vorm van een prijs of een subsidie zou volgens Beljon al veel helpen. Van Genks zwager Peter Persoon, echtgenoot van zus Addy van Genk, had zich opgeworpen als zaakwaarnemer.

Het kostte de organisatoren nog enige moeite om de werken van Van Genk gereed te maken voor expositie. Veel stukken waren gemaakt op aan elkaar geplakte stukken papier die eerst op linnen bevestigd, daarna geprepareerd en uiteindelijk ingelijst moesten worden. Er werden zevenentwintig ingekleurde pentekeningen tentoongesteld, vrijwel allemaal stadsgezichten. Negen werken, waaronder ook een afbeelding van een tank en een close-up van een trein die een station binnenrijdt, waren getiteld “Mockba” (Moskou). Tot aan de dag voor de opening werd Van Genk zelf in het ongewisse gelaten over de expositie – Beljon vreesde dat hij het niet goed zou vinden of bang zou worden. Het was dan ook onzeker of de kunstenaar bij de opening van zijn tentoonstelling op zaterdagmiddag aanwezig zou zijn.

Die vrees bleek ongegrond: Van Genk verscheen en leek het niet onprettig te vinden om in het middelpunt van de belangstelling te staan. De opkomst was groot, wellicht ook omdat de tentoonstelling werd geopend door de schrijver Willem Frederik Hermans. Hermans was bepaald kritisch over veel moderne kunst – de term “experimenteel” achtte hij onjuist – maar zag in Van Genk een maker die iets uitzonderlijks vermocht: ‘Elke lijn die Van Genk zet, stelt iets voor uit het dagelijks leven op straat. Maar toch staan alle heterogene dingen die op straten en pleinen kunnen worden aangetroffen in relatie tot elkaar. Gevels, bestrating, voertuigen en de dingen waaruit deze grote eenheden zijn samengesteld: stenen, vensters, ornamenten, reclameborden, allerlei opschriften, plaveisel, zebrapaden, rotondes, vluchtheuvels, rails, wissels, stroomdraden. Al deze details vormen met elkaar een eenheid. Een eenheid die misschien op zichzelf een soort abstract patroon vormt, maar misschien is ook dit patroon goed beschouwd niet helemaal abstract en vormt het een reële eenheid. De eenheid van het spinnenweb.’ Hermans besloot: ‘Zijn tekeningen zijn huiveringwekkend mooi, maar zullen velen herinneren aan iets dat zij liever vergeten.’ [1]

Hoewel gering van omvang kreeg Van Genk’s fantastische werkelijkheid veel aandacht in de media. Hoogtepunten waren de genoemde televisiereportage voor Brandpunt en een uitgebreid interview met Bibeb in Vrij Nederland. In de televisiereportage kwam ook de kunstenaar zelf even aan het woord, maar hij had duidelijk moeite om coherente antwoorden te formuleren op de vragen die hem werden gesteld. [2] Het interview met Bibeb gaf een gedetailleerd, schrijnend beeld van de omstandigheden waaronder Van Genk moest werken. Naast de kunstenaar zelf kwamen zijn betweterige zwager Peter Persoon en zijn zusters Addy en Willy aan het woord. Bibeb bezocht de woningen van de familieleden, de AVO-werkplaats en het kosthuis van Van Genk. Uiteindelijk reisde zij met hem naar de tentoonstelling in Hilversum. [3]

19640403 Vrije Volk

Advertentie uit Het Vrije Volk, 3 april 1964


NOTEN

[1] W.F. Hermans, ‘De werkelijkheid van Willem van Genk’, in: Kunst van nu 1 (1963-1964), nr. 5, pp. 8-9. Voor de kunstopvattingen van Hermans, zie met name zijn essay “De lange broek als mijlpaal in de cultuur” uit 1951, herdrukt in: Carel Willink, De schilderkunst in een kritiek stadium, Amsterdam 1981, pp. 59-85. Willem Otterspeer geeft in het tweede deel van zijn Hermansbiografie een verslag van de opening (De zanger van de wrok, Amsterdam 2015, pp. 362-364).

[2] Dick Walda tekent dertig jaar later uit de mond van Van Genk op: ‘Er was een uitzending van Brandpunt. Ik schrok van m’n kop. Vreselijk vond ik dat. Ik heb helemaal niet geluisterd naar wat er gezegd werd.’ (Koning der stations. Episoden uit het leven van Willem van Genk, Amsterdam 1997, p. 26)

[3] Bibeb, ‘Wim van Genk: Ik ben een stuk grijs pakpapier’, in: Bibeb & VIP’s, Amsterdam 1965, pp. 111-123. Oorspronkelijk verschenen in Vrij Nederland, 4 april 1964.

Hilversum

Brandpunt 03a

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – bezoekers aan de tentoonstelling

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Van 18 januari tot 18 maart 1964 was in de kantine van Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid te zien. Het was de eerste keer dat Willem van Genk zijn werk aan een breed publiek toonde. Het actualiteitenprogramma Brandpunt besteedde door middel van een korte televisiereportage aandacht aan de tentoonstelling. Het publiek kon er kennismaken met ‘de bizarre tekeningen van deze zondagsschilder’, ‘grote vellen papier, meestal volgekrabbeld met stadspanorama’s, treinen, autobussen, tanks’. De reden dat de expositie nogal wat publiciteit trok, lag volgens het programma aan de psychische constitutie van de kunstenaar: ‘Willem van Genk is namelijk geestelijk gestoord.’ De bezoekers waren in twee groepen te verdelen – zij die de tekeningen ‘als uitingen van een zieke, manische geest’ zagen en zij die de kunstenaar ‘als een grote artistieke ontdekking zien. Die zeggen dat hij met zijn intelligentie de kortsluiting met de werkelijkheid wil opheffen. Zij verwachten dat Van Genk over een paar jaar een beroemd man zal zijn.’ [1]

De expositie in Hilversum was op instigatie van J.J. (Joop) Beljon, directeur van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, georganiseerd door grafisch ontwerpers Pieter Brattinga (1931-2004) en Simon den Hartog (1933). Brattinga’s vader was directeur van de Steendrukkerij, en Van Genk’s fantastische werkelijkheid maakte deel uit van een reeks tentoonstellingen die Brattinga daar als director of design tussen 1954 en 1972 verzorgde. De tentoonstellingen hadden aanvankelijk als doel het eigen personeel vertrouwd te maken met de laatste ontwikkelingen op het gebied van grafische vormgeving en beeldende kunst. Brattinga had echter een goede neus voor kwaliteit en was vaak vooruitstrevend in zijn onderwerpkeuzes, waardoor de tentoonstellingen ook vrij snel buiten het eigen bedrijf bekendheid kregen. Er waren vroege exposities rond het werk van kunstenaars als Carel Visser en Shinkichi Tajiri, maar aan bod kwamen onder meer ook de typografische experimenten van Willem Sandberg, de architectuur van Ludwig Mies van der Rohe, putdeksels in New York en een geurenprogramma van Wim T. Schippers. [2]

De discussie over kunstuitingen van psychiatrische patiënten was in Nederland in het begin van de jaren zestig opgeflakkerd met de publicatie van het boek Geschonden beeld. Beeldende expressie bij schizofrenen van de psychiater J.H. Plokker. Plokker betoogde dat men het werk van schizofrenen kon herkennen aan wat hij de “structuur” noemde. Dit werk zou niet individueel bepaald, sterk naar binnen gericht en primitief van vorm zijn. Kunst was het op geen enkele manier: ‘In het kunstwerk is de vormgeving op individuele wijze belangrijker dan het affect, dat eraan ten grondslag ligt’. [3] Dit was volgens Plokker bij het werk van schizofrenen overduidelijk níet het geval. Hij analyseerde 91 tekeningen en schilderijen van schizofrenen en constateerde slechts in twee gevallen artistieke waarde, die bovendien op toeval berustte. Zijn ideeën waren zeer invloedrijk en zijn boek werd vertaald in het Frans, Duits en Engels.

Niet verwonderlijk waren het kort na de Tweede Wereldoorlog vooral experimentele schrijvers en kunstenaars geweest die gegrepen waren door de kunstuitingen van “waanzinnigen”, zoals Lucebert, Karel Appel en Corneille. [4] Dit paste bij de groeiende interesse in, en bewondering voor de veronderstelde authentieke kunst van onder andere geesteszieken in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw, uitmondend in de introductie in 1949 van de term art brut door Jean Dubuffet. Dubuffet gebruikte deze term voor ‘werken die zijn gemaakt door mensen die immuun zijn voor de artistieke cultuur […]. Wij zijn hier getuige van het artistieke proces in zijn meest zuivere, meest ruwe vorm, van begin tot eind geheel volvoerd door een kunstenaar die slechts put uit zijn innerlijke impulsen.’ [5] Heden ten dage is het niet moeilijk de ideeën van Dubuffet te herkennen als uitingen van wat Jos ten Berge noemt ‘een romantisch-modernistische hang naar onbesmette originaliteit’. [6]

 In het essay dat Beljon schreef voor de kleine catalogus bij Van Genk’s fantastische werkelijkheid, zien we deze opvatting gedeeltelijk terug. Beljon haalt onder meer ‘een psychiater’ (namelijk Van Genks psychiater Nico Speijer) aan die tegenover hem volhield ‘dat de geestelijke inhoud van Willem van Genk gelijk staat met nul komma nul. […] De bewustzijnsvernauwing, die bij tal van psychiaters optreedt bij hun jacht naar het aangepast-zijn, maakt hen o.a. blind voor enkele kenmerken van de geniale schilder.’ Tegelijkertijd betoogt hij dat de geestesgesteldheid van Van Genk er niet toe doet: ‘Het is niet de bedoeling van dit tabletje om medelijden op te wekken met Van Genk. […] Niemand vraagt om kunst, om jouw kunst. Je móet. En dús doe je het. Desnoods tegen de draad in. De Apie Prinsen, de Karel Appels en de Willem van Genken gaan hun “eigen baan”.’ [7] Uiteraard is het geen toeval dat Beljon hier Van Genk op één lijn stelt met Appel, de aanvankelijk verguisde maar inmiddels gevierde experimenteel.

Brandpunt 05b

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk verlaat de AVO-werkplaats

Willem van Genk werd kort na de Tweede Wereldoorlog afgekeurd voor militaire dienst wegens schizofrenie. Na een aantal reguliere baantjes, die steeds in ontslag eindigden, werd hij vanaf 1947 tewerkgesteld in een AVO-werkplaats in zijn woonplaats Den Haag – “AVO” stond voor “Arbeid Voor Onvolwaardigen”. Hier moest hij van ’s morgens acht tot ’s middags vijf uur werkzaamheden verrichten zoals het monteren van afwasborstels en het sorteren van stukjes kabel. Directeur van de werkplaatsen was eerdergenoemde psychiater Nico Speijer, bij wie Van Genk ook onder behandeling stond. Eind 1958 meldde hij zich met enkele van zijn tekeningen aan bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. Onderdirecteur Cees Bolding en directeur Joop Beljon onderkenden zijn talent en lieten hem toe tot de avondacademie. Beljon probeerde van Speijer gedaan te krijgen dat Van Genk meer tijd op de academie mocht doorbrengen, maar Speijer weigerde. Beljon bleef zich echter voor zijn pupil inspannen, wat uiteindelijk resulteerde in de tentoonstelling in Hilversum. [8]

Dit is het eerste deel van een tekst die eerder verscheen onder de titel “De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.” in Desipientia 24 (2017), nr. 2, pp. 30-33.


NOTEN

[1] De reportage is vrijwel integraal opgenomen in de documentaire die Dick Walda en Jan Keja eind jaren negentig over Van Genk maakten, Ver van huis. De documentaire werd als aflevering in de serie Werelden van de IKON uitgezonden op 31 oktober 2001 en is hier te vinden (geraadpleegd op 5 november 2019).

[2] Informatie over de tentoonstellingen bij Steendrukkerij De Jong en Co. ontleend aan: Geneviève Waldmann, The activities of Pieter Brattinga: a portrait of an era, Den Haag 1988; en William Graatsma, “Herinneringen aan Pieter Brattinga”  (geraadpleegd op 5 november 2019).

[3] J.H. Plokker, Geschonden beeld. Beeldende expressie bij schizofrenen, ’s Gravenhage en Parijs 1962, p. 16.

[4] Voor een overzicht van de receptie van naïeve kunst en outsider art in Nederland, zie: Jos ten Berge, “Naive and Outsider Art in The Netherlands – A Chronicle of Facts and Views”, in: Frans Smolders e.a., Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection, Eindhoven 2014, pp. 293-316.

[5] Geciteerd in: Jos ten Berge, “Willem van Genk en het geboefte, of de stagnatie van het outsider-debat”, in: Jong Holland 14 (1998), nr. 4, pp. 14-19 (aldaar p. 14).

[6] Ibidem, p. 18.

[7] J.J. Beljon, “Tien hoofdstukken schaal 1:100. Over de wereld van Willem van Genk, kunstschilder”, in: Van Genk’s fantastische werkelijkheid, tent. cat. Hilversum (Steendrukkerij De Jong & Co.), Hilversum 1964. In het laatste citaat verwijst Beljon naar het boek boek Ik ga m’n eige baan (1958) van schrijver Apie Prins.

[8] Voor verdere biografische informatie over Willem van Genk, zie: Jack van der Weide, “Nieuwe avonturen van Willem van Genk. Biografische notities”, in: Tijdschrift voor Biografie 5 (2016), nr. 1, pp. 67-75. Teksten over de tentoonstelling verschenen begin 1964 onder andere in De Telegraaf (18 januari, 5 februari), Gooi- en Eemlander (20 januari, 29 januari), Graficus (21 januari), Haagsche Post (25 januari), De Volkskrant (1 februari), De Tijd (8 februari), Trouw (17 februari) en Algemeen Handelsblad (22 februari).

Penning

Moskou (Sheffield) (800x655)

Moskou | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 115 x 140,5 cm | Museums of Sheffield | foto: Clemens Boon, Amsterdam

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Willem van Genk maakte zijn publieke debuut als kunstenaar op zaterdag 6 december 1958, op pagina 2 van het Wekelijks Bijvoegsel van de Haagsche Courant. In zijn rubriek ‘Beeldende kunst’ laat R.E. Penning de lezer kennismaken met ‘een jongeman [die] met een groot pak tekeningen onder de arm, zich een beetje zenuwachtig bij de Academie voor Beeldende Kunsten aanmeldde […] Het bijzondere zat in de tekeningen zelf, die de jonge man — Willem van Genk is zijn naam — uitpakte voor de onder-directeur van de academie, de schilder Cees Bolding. Deze heeft in zijn lange loopbaan van leraar en schilder toch al heel wat onder ogen gehad, maar nog nooit zoiets als dit.’ [1] Van Genk is 31 jaar oud als hij zich, waarschijnlijk in november 1958, meldt bij de genoemde Haagse kunstacademie.

De tekst van Penning is om een aantal redenen belangrijk. Allereerst is er de historische component: Penning beschrijft vrij exact hoe Van Genk zich meldt, wie hem ontvangt, wat diens reactie is en wat de achtergrond en wensen van de kunstenaar zijn: ‘Hij zelf zou niets liever willen dan in zijn tekenen een middel vinden om uit zijn tegenwoordig milieu weg te komen (hij werkt overdag als ongeschoold arbeider).’ Daarnaast beschrijft hij het werk van Van Genk dat hij heeft gezien zowel technisch als inhoudelijk:

Het pak bleek een stapel slordig opgevouwen vellen goedkoop papier te bevatten, waar met pen en inkt en soms een beetje waterverf enorme stadsgezichten op waren getekend. […] Om de tekeningen, die ruim anderhalve meter breed en een meter lang zijn, is bij wijze van afsluiting een knalrood of zilverkleurig randje geverfd. Hier en daar, waar door het vouwen gaten zijn gekomen in het versleten papier, is op de achterkant een reepje plakband bevestigd.

Als in vogelvlucht glijdt de blik over een reusachtige mierenhoop van huizen, straten, pleinen, krioelend van mensen, auto’s en trams. Kolossale gebouwen rijzen op, meestal zijn het op de voorgrond stations, waarachter men weer een warnet van rails en wissels ontwaart. Torens, koepels en wolkenkrabbers steken hier en daar boven de huizenzee uit, die zich in de verte in nevels oplost. Op de gebouwen van enkele tekeningen staan vreemde lettertekens, Russische of Japanse. […] Als nietige, zwarte mieren krioelen de mensen tussen de auto’s en de trams, die voortglijden over de slangachtige, kronkelende rails. Als droompaleizen rijzen in dit koortsachtige gewriemel machtige stationsgebouwen op.

Verder noteert Penning ook uit eerste hand de methode die Van Genk voor zijn stadpanorama’s hanteert:

Het bleek dat Van Genk in oude reisgidsen zocht naar stadsplattegronden en afbeeldingen van gebouwen. Met zo’n plattegrond voor ogen posteerde hij zich dan in zijn verbeelding van een of ander punt van Moskou, Tokyo of New York en met behulp van zijn gegevens reconstrueerde hij voor zijn geestesoog het stadsbeeld. Uiteraard waren de plaatjes van enkele gebouwen die hij had, onvoldoende om een heel stadspanorama op te bouwen. Zijn verbeelding vulde echter de lacunes aan en zo ontstonden, na maanden lange arbeid, deze steden die er tegelijkertijd realistisch en fantastisch uitzien.

Opmerkelijk is dat Penning meteen al komt met het beeld van het spinnenweb, een constante in beschouwingen over Van Genk tot aan de titel van deze blog: ‘Met een verbetenheid, die nauwelijks meer geduld of toewijding genoemd kan worden, is dit alles getekend als een gewirwar, een spinneweb van zwarte inktlijntjes.’

Penning beschrijft niet alleen, hij interpreteert ook – vooral in psychologische zin:

Het zijn dagdromen, die deze steden uit de grond hebben getoverd. Verlangens en psychische conflicten en spanningen hebben er een uitweg gezocht. Het verlangen naar bevrijdende verten, maar vooral de pogingen te ontsnappen aan de benauwenis van een ziedende en borrelende heksenketel. […] Dit mengsel van geobsedeerde verbetenheid die op geestelijke spanningen wijst en aan de andere kant een zeker kinderlijke naïviteit en primitiviteit, maar toch ook weer een aangeboren grafisch talent, geeft aan deze tekeningen een wonderlijk karakter.

Uiteindelijk komt hij uit, zonder het te noemen, in de buurt van art brut en wat tegenwoordig outsider art heet:

Met dat al is Willem van Genk voor een academie een moeilijk geval. Wat moet men hem daar leren? Want het bijzondere van deze tekeningen is niet zozeer het talent wat er zich in manifesteert, doch de eigenaardige geestesgesteldheid. Men zou de tekeningen kunnen vergelijken met het kasteel dat een Franse postbode in zijn vrije tijd steen voor steen bouwde, veertig jaar lang. Dit vreemde droomkasteel is een bezienswaardigheid voor toeristen geworden, maar als de postbode voor architect had gestudeerd zou hij het nooit gebouwd hebben. Zo is het ook met Van Genk. Als hij op de gebruikelijke manier leert tekenen (en het is nog zeer de vraag óf hij daar aanleg voor heeft), dan zou hij zijn stadsgezichten niet meer maken.

In die laatste formulering klinkt de later veel geciteerde mening door van academiedirecteur Joop Beljon, die zich als voorvechter van het werk zou gaan opwerpen: men moet niet proberen Van Genk iets bij te brengen, dat zou zijn aangeboren talent alleen maar verstoren. [2]

Wie was deze Penning? Informatie over hem op internet is schaars, maar door hier en daar wat bij elkaar te schrapen is toch een beeld te geven. [3] Rudolf Ernst Penning werd geboren op 14 maart 1910 te Buitenzorg in Bogor, Nederlands-Indië, als zoon van Christiaan Apollos Penning en Hendrina Cornelia Wentink. Hij kwam in 1916 met zijn ouders naar Nederland en woonde tot 1932 in Den Haag. In dat jaar trouwde hij met Helena Alida Maria Bruin (1908-1996). Hierna vertrok hij naar Parijs, om in 1939 terug te keren naar Den Haag. In 1946 scheidde hij van zijn eerste echtgenote, waarna hij hertrouwde met Elisabeth Thérèse Hulshoff (1923-2005). Penning werkte als kunstcriticus voor de Haagsche Courant en als docent aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Dat laatste gegeven ontleen ik aan de website van het RKD, maar onduidelijk is welke jaren zijn docentschap omspant.

De tekst van Penning was tot voor kort in beschouwingen over Van Genk bekend onder de titel ‘Beeldende kunst’, de generieke naam van zijn rubriek. [4] Oorzaak was een doorgekopieerd krantenknipsel in de map over Van Genk bij het RKD in Den Haag, dat wel de tekst van Pennings artikel bevatte maar niet de eigenlijke titel, ondertitel en illustratie. Pas enkele maanden geleden ontdekte ik de volledige krantenpagina met alle gegevens en zag ik dat de illustratie in kwestie een van de grote Moskou-tekeningen betrof die in 1964 zouden worden getoond tijdens Van Genks eerste solotentoonstelling.


NOTEN

[1] R.E. Penning, “Reiziger in verbeelding. Een eigenaardig geval” in: Haagsche Courant [wekelijks bijvoegsel], 6 december 1958.

[2] Zie bijvoorbeeld: ““Zo’n natuurtalent mag je niets leren” zegt academiedirecteur J.J. Beljon”, in: De Telegraaf, 18 januari 1964.

[3] Informatie over Penning vond ik op een genealogische website, op een website met documentatie over beeldende kunst in Zuid-Holland en op de website van het RKD (alle geraadpleegd op 4 november 2019).

[4] Zie bijvoorbeeld Ans van Berkum e.a., Willem van Genk. Een getekende wereld, Zwolle 1998, p.135; en Jack van der Weide, “Nieuwe avonturen van Willem van Genk. Biografische notities”, in: Tijdschrift voor Biografie 5 (2016), nr. 1, pp. 67-75 (aldaar p. 74).