Aanzet tot een catalogue raisonné (12)

Dit is het twaalfde deel van een tekst over een aanzet tot een catalogue raisonné van het oeuvre van Willem van Genk en het derde deel over de bus-assemblages.

Willem van Genk met een van zijn trolleybussen, 1991 (foto: Mario del Curto)

In 2014 was de tentoonstelling Willem van Genk: Mind Traffic te zien in het American Folk Art Museum in New York. Tentoongesteld waren onder meer zes bus-assemblages, alle van de Stichting Willem van Genk. In de catalogus bij de tentoonstelling kregen ze de nummers 13 t/m 18. In alle gevallen is de naam van het werk ‘Untitled’, met een nadere aanduiding tussen haakjes die in vier van de zes gevallen identificatie mogelijk maakt. Als materiaal wordt steeds vermeld ‘Tin cans, cardboard, metal, paint, paper, and plastic’, als datering ‘c. 1980-2000’.


WVG-6017

Collectie: Stichting Willem van Genk

Untitled (Velp-Oosterbeek Trolley)

Afmetingen: 10,5 x 23,5 x 5,125 inch (bron: catalogus Mind Traffic)

Lijnnummer: 1

Algemeen: het gaat bij deze assemblage om een zandkleurige tram met een schaarbeugel. De basis is een kartonnen model, zij het niet van één van de twee genoemde typen. Een equivalent van de tram is te vinden op WVG-0119.

Linkerzijde: daklijst KWALITEIT TURMAC SIGARET, daarachter RATELBAND (links) HAP-HOEK (rechts).

Voorkant: 1, daaronder REMISE, onder de voorruit 1 manswagen en VELP


WVG-6018

Collectie: Stichting Willem van Genk

Untitled (Trolley)

Afmetingen: 11,5 x 24,5 x 5,125 inch (bron: catalogus Mind Traffic)

Lijnnummer: 1

Algemeen: wanneer het inderdaad de hieronder afgebeelde assemblage betreft, gaat het om een trolleybus op basis van een kartonnen model (type 1). De afbeelding kan ook bij WVG-6019 of WVG-6021 horen.

Linkerzijde: STIMOROL (midden onder), daarboven drie logo’s van McDonald’s; rechts boven VELP 1, daarboven drie papiertjes met in groene balpen KEMA OOSTERBEEK en WILLEMSPLEIN. Daklijst: ND HAP-HOEK de lekkerste, daarboven KAASLAND DRIEHOEK ONTVET.

Rechterzijde: driemaal ARNHEMSE KOERIER. Daklijst: têtes de nègre | negerküsse Arnhem BUYS | negerszoenen Trolleystad.


WVG-6019

Collectie: Stichting Willem van Genk

Untitled (Trolley)

Afmetingen: 4,5 x 26,5 x 4,75 inch (bron: catalogus Mind Traffic)

Algemeen: wanneer het inderdaad de hieronder afgebeelde assemblage betreft, gaat het om een trolleybus waarbij het lijnnummer niet te zien is. De afbeelding kan ook bij WVG-6018 of WVG-6021 horen.

Linkerzijde: daklijst RATELBAND HAP-HOEK.


WVG-6020

Collectie: Stichting Willem van Genk

Untitled (Toblerone Trolley)

Afmetingen: 10 x 19 x 5,125 inch (bron: catalogus Mind Traffic)

Lijnnummer: 2

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model (type 2). Door de voorgedrukte eindhalte GEITENKAMP op de voorkant is een kruis gehaald. De herkomst van de aanduiding ‘Toblerone Trolley’ is onduidelijk.

Linkerzijde: Aquafresh (midden), links daarvan een logo van McDonald’s. Daklijst: RATELBAND HAP-HOEK 2 STATION, daarboven Coke (links), Coca-Cola ELSWEIDE (rechts).

Voorkant: 2 GEITENKAMP, onder de voorruit ELSWEIDE, op de bumper een logo van Iglo.


WVG-6021

Collectie: Stichting Willem van Genk

Untitled (Poppell Club, Restoril, Iglo Trolley)

Afmetingen: 10,75 x 26,75 x 5 inch (bron: catalogus Mind Traffic)

Algemeen: mogelijk gaat het hier om de assemblage die is afgebeeld bij WVG-6018 of WVG-6019.


WVG-6022

Collectie: Stichting Willem van Genk

Untitled (Plan Leideritz Trolley)

Afmetingen: 5 x 21,75 x 11 inch (bron: catalogus Mind Traffic)

Lijnnummer: 4

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model, zij het niet van één van de twee genoemde typen. De herkomst en betekenis van de aanduiding ‘Plan Leideritz Trolley’ is onduidelijk. Er zijn geen verwijzingen naar Arnhem zichtbaar.

Rechterzijde: daklijst PRODENT (rechts).

Voorkant: Tempo, daarboven XYLITOL.


Naast de hiervoor genoemde bus-assemblages in grotere collecties zijn er ook enkele die in particuliere verzamelingen zijn terechtgekomen. Een aparte categorie vormen de bussen waarvan wel een afbeelding bekend is, maar die ik niet kan koppelen aan een collectie.


WVG-6023

Collectie: Arnulf Rainer, Wenen [i]

Afmeting: ca. 102 cm (bron: catalogus tentoonstelling Outsiders, Galerie Hamer 1999)

Lijnnummer: 3

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model (type 1).

Linkerzijde: links en rechts van de achterdeur twee logo’s van Iglo, daarnaast HISTOR, FLEXA | FLEXA, logo McDonald’s, logo Iglo; daaronder DE RABOBANK EEN INTERNATIONALE BANK. Daklijst: BAND HAP-HOEK (links), ’t CRANEVELD 3 (rechts); daarboven Coca-Cola (links), EXTRA GROOT (midden).


WVG-6024

Collectie: privécollectie, Den Haag

Lijnnummer: 2

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model (type 2). De assemblage was te zien tijdens de tentoonstelling Woest.

Linkerzijde: PRODENT, links en rechts daaronder Hero, links en rechts daarboven logo McDonald’s. Daklijst: RATELBAND HAP-HOEK, links daarboven Coca-Cola, rechts daarboven Coke.

Rechterzijde: KATJA, links en rechts daarnaast logo McDonald’s. Daklijst: Patisserie-Bonbonnerie Leon Steenstraat 93 Arnhem Tel.: 085-422459, daarboven 6828 CH; rechts boven Coke Drink Coca-Cola.

Voorkant: 2 en (voorgedrukt) 2 GEITENKAMP, onder de voorruit STATION, links onder 2.


WVG-6025

Collectie: privécollectie

Lijnnummer: 36

Algemeen: het lijkt niet te gaan om een trolleybus op basis van een van de genoemde modellen. Ook zijn er geen direct zichtbare verwijzingen naar Arnhem. In Een getekende wereld staat de bus afgebeeld op. p. 35, met als bijschrift: ‘Trolleybus | ca 1990 | mixed media | h. 19 cm | De Stadshof, Zwolle’. De bus behoort echter niet tot de vier assemblages die Stichting Collectie De Stadshof bezit. Navraag leerde dat toenmalig Stadshof-directeur Ans van Berkum ‘nog bezig [was] met de definitieve keuze voor de aankoop van de werken van Van Genk toen Een getekende wereld verscheen.’ [ii] Galerie Hamer zou de bus uiteindelijk verkopen aan een Amsterdamse verzamelaar.

Linkerkant: Marl Marlboro boro (midden); 96 (rechts). Daklijst: Marl boro (rechts), daaronder 36.


WVG-6026

Collectie: privécollectie, Zandhoven

Lijnnummer: 3

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model (type 1). Bij een artikel in Trouw over Walter Van Beirendonck, die de tentoonstelling Woest ontwierp, was hij op een foto te zien met in zijn handen een bus-assemblage die geen deel uitmaakte van de tentoonstelling. Het ligt daarmee voor de hand te veronderstellen dat de assemblage afkomstig is uit de collectie van Van Beirendonck en zijn partner Dirk Van Saene, beiden bewonderaars van het werk van Van Genk. [iii]

Rechterzijde: CESAR (midden onder), daklijst Arnhem Trolleystad.


WVG-6027

Collectie: galerie Arte Magica, Haarlem

Afmetingen: 81 x 35 x 20 cm (bron: galerie Arte Magica)

Algemeen: het gaat om een trolleybus uit Moskou. Zie hier voor meer informatie over dit werk. De assemblage was te zien tijdens de tentoonstelling Woest.


WVG-6028

Collectie: onbekend

Lijnnummer: 2

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model (type 2). De assemblage was te zien tijdens de tentoonstelling Woest.

Linkerzijde: daklijst RATELBAND HAP-HOEK, rechts STATION. Boven ingang Arnhem 2 Trolleystad.

Rechterzijde: daklijst Patisserie Leon Steenstraat 93 Arnhem Tel.: 085-422459, daarboven Bonbonnerie.

Voorkant: 2 GEITENKAMP, daarboven TROLLEYBUS VERENIGING.


WVG-6029

Collectie: onbekend

Lijnnummer: 3

Algemeen: het lijkt niet te gaan om een trolleybus op basis van een van de genoemde modellen.

Linkerzijde: tussen de middelste deur en de ingang logo McDonald’s en Pico. Daklijst: RATELBAND HA.


WVG-6030

Collectie: onbekend

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model (type 2). De dominante kleur is blauw, een lijnnummer is niet te zien.

Rechterzijde: Croky CHIPS; daklijst Patisserie-Bonbonnerie Leon Steenstraat 93 Arnhem Tel.: 085-422459, daarboven donuts.

Voorkant: logo Iglo (bumper).


WVG-6031

Collectie: onbekend

Lijnnummer: 5

Algemeen: het gaat om een trolleybus op basis van een kartonnen model, zij het niet van één van de twee genoemde typen. De dominante kleur is blauw.

Rechterzijde: 5 en ARNHEM TROLLEYSTAD (boven de ramen); BERNE BERNER BERNE (onder), links en rechts daarboven twee halve logo’s van McDonald’s. Daklijst: MERCEDES BENZ (links), STADSBUS 0205 (rechts).


NOTEN

[i] In de catalogus van de tentoonstelling Outsiders bij Galerie Hamer (1999) staat de bus afgebeeld op p. 10, met als bijschrift ‘Trolleybus, ca. 1990, karton + div. materialen, ca. 102 cm (coll. Rainer)’. In Kroniek van een samenwerking (uit 2014) staat de bus afgebeeld op p. 135, met als bijschrift ‘Trolleybus | ca. 1990 | mixed media | length 55 cm | private collection | France’. Desgevraagd antwoordde Nico van der Endt dat hij het weliswaar niet meer met zekerheid kon zeggen maar dat de informatie uit 1999 hem betrouwbaarder leek dan die uit 2014 (e-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 2 mei 2021).

[ii] E-mail van Liesbeth Reith aan Jack van der Weide, 7 augustus 2020.

[iii] Walter Van Beirendonck en Dirk Van Saene waren in september 2014 gastredacteuren van een editie van NRC DeLUXE. Daarin stond ook een artikel over Willem van Genk – Van Beirendonck: ‘Willem van Genk is een boeiend persoon. Wij vinden zijn sculpturen het mooist.’

Jassen

WvG met jas

Willem van Genk (foto: Mattheus Engel)

Nico van der Endt: ‘In 1976 organiseerde Galerie De Ark een afsluitende tentoonstelling met werk van Van Genk. Ik zou de openingstoespraak houden en Van Genk zou daarbij aanwezig zijn. Toen hij binnenstapte, keek hij mij aan en grijnsde naar me. Ik dacht “Wat wil die man van me? Heb ik iets van hem aan?” En inderdaad; dat was het geval. Ik droeg een lange plastic regenjas. Nu weet ik dat zulke jassen voor hem een speciale betekenis hadden.’ [1] De jassen, door hemzelf raincoats genoemd, namen inderdaad een bijzondere plaats in in het leven van Van Genk. Hij bezat er honderden, veelal zwart maar soms ook in andere kleuren; vaak van plastic, soms van canvas, een enkel keer van een ander materiaal. Hij zette er extra drukknopen aan, voegde knoopsgaten toe en/of bewerkte ze anderszins.

Wat te schrijven over de raincoats van Van Genk? Op allerlei manieren kan worden gezegd dat deze een fetisjistische betekenis voor hem hadden, dat hij er zich veilig in voelde, dat ze te maken hadden met zijn seksuele fantasieën en zo verder. De meeste van deze aspecten kwamen aan bod in het artikel ‘De mantelzorg van Willem van Genk’ (2014) door Eva von Stockhausen, die in 2014 een overzicht gaf van de materie rond de jassen. [2] Datzelfde jaar was er in het American Folk Art Museum in New York een grote tentoonstelling met Van Genks werk. Roberta Smith was in de The New York Times uitermate enthousiast over deze voor haar onbekende kunstenaar en besteedde aan het einde van haar recensie ook kort aandacht aan de jassen:

There were even aspects of performance art to van Genk’s creativity. The most eccentric works in the show are examples of the hundreds of heavy rubber raincoats that he scavenged, personalized with additional buttons, patches and studs and occasionally wore to feel protected and in control. They are thought to recall the leather overcoats worn by Nazis who brutally interrogated him during World War II in an effort to locate his father, a member of the Dutch Resistance. [3]

Het verhaal van de nazi’s die Van Genk ondervroegen gaat voor een belangrijk deel terug op een getuigenis van zuster Tiny. In het midden van de jaren negentig vertelt zij aan Dick Walda hoe haar vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was bij de Haagse Arbeidsinspectie, over mogelijkheden beschikte om mensen te laten onderduiken en ze aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment werd de verzetsploeg waar Jozef van Genk deel van uitmaakte, opgepakt door de Duitsers, waarbij hij als enige wist te ontsnappen. ‘Daarna zijn de Duitsers bij ons thuis geweest. Huiszoeking. We woonden toen in de Magnoliastraat en ze hebben Wim toen ook nog helemaal uitgevraagd en toegesnauwd. Wim wist natuurlijk niet waar mijn vader was.’ [4] Vervolgens vertelt Tiny over andere gebeurtenissen in het leven van haar broer en komt ze uiteindelijk ook te spreken over diens obsessie met de raincoats. Ze legt daarbij echter geen verband met de huiszoeking door de nazi’s.

Wie dat wel doet is Ans van Berkum, die in 1998 de jassen benoemt als ‘een wezenlijk onderdeel’ van het oeuvre van Van Genk: ‘Met zijn collectie jassen grijpt Van Genk terug op de cruciale ervaring uit zijn jeugd.’ Vervolgens citeert ze een bandopname van een interview dat Dick Walda in 1997 met Van Genk had. Daarin koppelt die zijn angst voor ‘jongens die je niet kent in Oost-Europa’ aan de episode van de huiszoeking: ‘dat heb ik overgehouden van de Tweede Wereldoorlog, want twee mannen van de Gestapo, die zijn bij ons geweest. […] Ik moest zeggen tegen die gasten waar die joodse jongens waren. Ze zaten me aan de pols te voelen. Ze zeiden, als je het niet zegt, dan loopt het slecht met je af.  […] Dat heb ik daarvan overgehouden. Dat ik altijd bang ben.’ [5]

Wat opvalt in zowel het verhaal van Tiny als dat van Van Genk zelf is dat er geen sprake is van fysiek geweld. In de versie van Tiny werd haar broer ‘helemaal uitgevraagd en toegesnauwd’, in diens eigen versie zaten de mannen van de Gestapo hem ‘aan de pols te voelen’, een samentrekking van “polsen” en “aan de tand voelen”. De oorlog moet een verpletterende indruk op Van Genk hebben gemaakt, de inval in zijn ouderlijk huis zal hij als extreem beangstigend hebben ervaren. Daarbij zal de Gestapo bepaald niet zachtzinnig zijn opgetreden, maar daar houdt onze kennis op en begint de interpretatie: ‘In verwarring, maar ook in diepe bewondering voor het indrukwekkende leer en de glanzende knopen, gouden tressen en speldjes, blijft hij achter. De fakkel is ontstoken’, aldus Ans van Berkum die op een suggestieve manier aspecten van de Gestapo-episode met het jassenfetisjisme probeert te verbinden. ‘Levenslang blijft Van Genk gefascineerd door de tekenen van macht die hij met die bewuste Gestapomannen kan associëren.’ [6]

Waarom nu zouden de raincoats, die al dan niet verbonden zijn met de ondervraging door de Gestapo tijdens de Tweede Wereldoorlog, een wezenlijk onderdeel vormen van het oeuvre van Van Genk? Dat ‘kunsthistorici het niet eens zijn’ over de artistieke waarde van de jassen, zoals Kees Keijer aan de vooravond van de opening van de tentoonstelling Woest schreef, is feitelijk niet waar. [7] Ans van Berkum lijkt de enige te zijn die de raincoats als een kunstzinnige uiting ziet. Haar argumenten haalt ze uit uitspraken van Van Genk zelf. In 1998 draait haar interpretatie om diens woorden ‘… ook artistiek leef je je erin uit’, samen met enkele cryptische opmerkingen van Van Genk tegenover Nico van der Endt als zou hij met de jassen “verder” zijn dan met zijn schilderijen. Als Van der Endt doorvraagt blijkt het Van Genk vooral om de rol van de jassen in zijn persoonlijke leven te gaan: hij voelt zich er veiliger door en in tegenstelling tot zijn schilderijen worden ze hem niet afgenomen. [8]

WvG + jassen

Willem van Genk en zijn jassen, ca. 1990

In haar tekst “Een vogel boven de stad” en in de documentaire Een getekende ziel (beide uit 2010) maakt Van Berkum de rol van de jassen nog belangrijker – opnieuw met het argument dat de kunstenaar dit immers zelf had gezegd. ‘“Wat nou tekeningen, collages? Die raincoats, daar ben ik veel verder in”, probeert hij telkens weer te zeggen. Er wordt zelden geluisterd.’ [9] En aan het slot van de documentaire, na een uitgebreide en deels gefictionaliseerde versie van het Gestapo-verhaal: ‘In die jassen, die hele grote verzameling ‘werkzaam’ gemaakte jassen, ligt voor Willem van Genk het belangrijkste deel van zijn oeuvre. “In die jassen ben ik veel verder in gekomen dan in mijn collages, en in mijn tekeningen, en dan in mijn installatie van trolleybussen die je voor het raam ziet staan in mijn flat … in die jassen ben ik het verst gekomen”, zei hij altijd. Maar het heeft heel lang geduurd voor het begrepen werd dat het een deel was van zijn artistieke oeuvre, van zijn zelfcreatie.’ [10]

De eerder geciteerde opmerking van Roberta Smith in de The New York Times over de jassen als een vorm van “performance art” lijkt een uiterste poging te zijn om dit vermeende onderdeel van het oeuvre een plaats te geven – al was de context waarin Van Genk de jassen droeg bepaald geen artistieke. Nico van der Endt is kort over de jassen, als hij schrijft over de verhuizing van Van Genk in 1998: ‘De talloze regenjassen worden door AvB als waardevol aangemerkt en […] in het museum opgeslagen. Zelf heb ik er moeite mee dat de jassen, die immers niet artistiek bewerkt zijn, geëxposeerd zullen worden.’ [11] Hij wordt in zijn standpunt bijgevallen door Dick Walda: ‘Kunnen de jassen in een artistiek kader geplaatst worden, zoals de trolleybussen en zijn tweedimensionaal werk? Nico van der Endt en Dick Walda vinden van niet.’ [12] Kunsthistoricus Jos ten Berge was het daarmee eens en vond het jammer dat ze tijdens Woest deel uitmaakten van de tentoonstelling: ‘De meeste regenjassen zijn verloren gegaan, maar enkele tientallen exemplaren zijn bewaard gebleven Ze hangen er, tot spijt van Jos ten Berge: “Ik vind dat dat niet tot zijn artistieke erfenis hoort. Dit is deel van zijn privéleven en hoort niet in een museum.”’ [13]

De raincoats duiken incidenteel op in het late tweedimensionale werk van Van Genk (Collage ’78, Zelfportret zwakzinnigennazorg, Kapsalon). Ook in het vroege werk zijn enigszins verhulde verwijzingen te vinden, maar daarbij moet een beschouwer oppassen om niet in elke jas of geüniformeerde persoon (politieagent, tramconducteur) een teken te zien. Meer in het algemeen past de onevenredige aandacht voor dit deel van het privéleven van Van Genk bij de onevenredige aandacht die de outsider-kunstenaar als persoon vaak krijgt in verhouding tot zijn werk. Het lijkt daarbij meer de wéns te zijn dat de jassen kunstwerken zijn dan dat daar daadwerkelijk argumenten voor worden gegeven. ‘Hij heeft het zelf gezegd’, blijft de enige troef van de voorstanders in het debat. Geen steekhoudend argument, dunkt mij.

In een korte tekst over de jassen van Van Genk stelde Valérie Rousseau, conservator van het American Folk Art Museum in New York: ‘they became a recurrent theme in his work.’ [14] Als gezegd gaat dit niet op voor het werk in de zin van het tweedimensionale werk, waar de jassen niet echt een terugkerend onderwerp vormen. Desgevraagd antwoordde Rousseau mij: ‘When I refer to his “work”, I mean his artistic practice at large, in gathering, transforming and wearing real raincoats, and not necessary in the form of a motif in his paintings.’ [15] Dit zou betekenen dat de jassen deel zouden uitmaken van Van Genks’s ‘artistic practice at large’, waarvoor echter nog steeds moeilijk argumenten te geven zijn.

Naar mijn mening bestaat er een interessante parallel tussen de manier waarop Van Genk zich verhield tot zijn jassen en de manier waarop hij zich verhield tot zijn kunst. Dit maakt de jassen zelf echter niet tot kunstwerken. Aan het einde van haar tekst schrijft Rousseau: ‘Symbols of fear, the coats are also signs of fascination with empowerment, and highlight a duality that permeates the artist’s entire oeuvre.’ Hiermee ben ik het eens: de jassen kunnen een licht werpen op de tegenstelling tussen macht en onmacht in het oeuvre van Van Genk. Ik denk echter niet dat de jassen zelf deel uitmaken van dat oeuvre.


 

NOTEN

[1] Frits Gronert, “Fascinerende ontmoetingen”, p. 22.

[2] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, in: Out of Art 9 (2014), nr. 2, pp. 15-23.

[3] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins. ‘Willem van Genk: Mind Traffic’ and ‘Ralph Fasanella: Lest We Forget’”, in: The New York Times, 4 september 2014.

[4] Dick Walda, Koning der stations, p. 35.

[5] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 29. Opmerkelijk is dat Van Genk zelf over Joodse onderduikers spreekt, terwijl Tiny daar in haar verhaal aan Dick Walda niet van rept.

[6] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 80.

[7] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”, in: Het Parool, 19 september 2019.

[8] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28; pp. 88-89.

[9] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 81.

[10] Van Berkum beweert in de documentaire ook een aantal keren dat Van Genk zijn jassen opsierde met ‘allerlei insignes’, wat niet het geval was.

[11] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 115. ‘AvB’ is Ans van Berkum, in 1998 directeur van museum De Stadshof in Zwolle.

[12] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, p. 21.

[13] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”.

[14] Valérie Rousseau, “Van Genk’s raincoat collection”, in: Willem van Genk – Mind Traffic, tent. cat. New York (American Folk Art Museum), New York 2014.

[15] E-mail van Valérie Rousseau aan Jack van der Weide, 15 januari 2020.