Madeleintje (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over een jeugdliefde van Willem van Genk. Het eerste deel is hier te vinden.

Gezinskaart Pierre Stordiau (Haags gemeentearchief)

Met de kennis dat de Haagse portrettist Pierre Stordiau bekend was bij Willem van Genk en een dochter had die geboren was in 1928 en Madeleine heette, was het duidelijk dat “Madeleintje Storio” (zoals zuster Tiny haar noemde) in feite Madeleine Stordiau was. De inzet werd nu om een nakomeling van Pierre Stordiau te vinden, die dit zou kunnen bevestigen. Zijn jongste zoon Guido (1935) was verrassend snel te traceren en hij liet mij in een e-mail weten dat hij mijn verzoek om inlichtingen had besproken met zijn zuster Madeleine Mengarduque-Stordiau: ‘Mijn zuster is inmiddels 92 jaar maar zij kan zich Willem van Genk nog goed herinneren.’ Hij gaf mij haar mailadres: ‘Wellicht kan zij u verdere inlichtingen geven.’ [1]

Twee dagen later ontving ik al een zeer vriendelijk antwoord van het meisje op wie Willem van Genk zo’n tachtig jaar geleden verliefd was: ‘“Madeleintje” is inmiddels 92 jaar en weet niet zo heel veel meer van de oude tijd. Neemt niet weg dat ik best bereid ben om u het een en ander te vertellen over wat ik mij herinner uit een inmiddels ver verleden.’ In de mail zelf gaf zij al heel wat informatie, die zij verder toelichtte tijdens een telefoongesprek dat ik begin januari met haar had. Meteen hielp zij al het misverstand de wereld uit als zou zij violiste zijn: ‘Mijn tak van de familie is zeer muzikaal, twee van mijn broers waren musici (Gregor was violist en getrouwd met een fluitiste, Guido was slagwerker en getrouwd met een zangeres); maar al houd ik veel van muziek, ik heb zelf nooit een instrument bespeeld.’ [2]

Haar herinneringen bleken met name vader Jozef van Genk te betreffen, die tijdens de Tweede Oorlog regelmatig bij haar ouders op bezoek kwam, al dan niet in gezelschap van zijn kinderen:

Tijdens de oorlog woonde ik bij mijn ouders in een hofje in de Haagse Riemerstraat. Mijn vader was de Belgische schilder Pierre Stordiau, hij was getrouwd met de Friezin Annetje Gorter, mijn moeder. Ze ontvingen, ook tijdens de oorlog, in hun hofje altijd veel vrienden en kennissen, vaak uit de Haagse artiestenwereld […]. Uit wat er om mij heen werd gezegd begreep ik dat tijdens de oorlog Van Genk altijd klaar stond om mensen die moeilijkheden hadden te helpen, maar dat hij daar na de oorlog nooit enige erkenning of erkentelijkheid voor heeft mogen ontvangen. Hij was daarover, begrijpelijk, zeer teleurgesteld en gefrustreerd.

Deze woorden uit het e-mailbericht lichtte zij tijdens het telefoongesprek uitgebreid toe: Jozef van Genk noemde zij “goeiig”, ‘die man die was zo bedroefd dat … hij was bescheiden, heel bescheiden, dus … hij was niet bekend, wel als ze ‘m nodig hadden, dan was-ie wel bekend, dan hadden ze ‘m wel gevonden, maar om te bedanken: nooit. En daar was-ie vreselijk treurig over, hij zegt: nou ik zó veel gedaan heb, zó veel mensen geholpen, is er nou niet één die zegt van: goh, die man heeft mij het leven gered, maar ja …’

Net als Jozef van Genk was Pierre Stordiau een man die altijd klaar stond voor anderen (‘als-ie kon helpen dan deed-ie dat’) en die dankzij zijn uitgebreide netwerk – hij was onder meer lid van de Haagse Kunstkring – ook veel contacten had: ‘Stordiau kent iedereen!’ Het hofje waar zijn woning was, was uitgegroeid tot een kleine artistieke enclave binnen Den Haag, waar regelmatig mensen logeerden. Madeleine Mengarduque herinnerde zich dat zij dan soms haar kamer moest afstaan om in het atelier van haar vader te slapen. De kinderen Stordiau kregen nooit fysiek straf van hun vader: ‘Er mocht bij ons niet geslagen worden. Nooit van z’n leven hebben wij lijfstraf gekregen, want dat mocht niet. Zelfs als je vervelend was dan … je kreeg op je kop, zoals wij dat noemden, een flink standje … of je moest het betalen uit je spaarpot – zei mijn vader maar dat gebeurde niet, want je spaarpot was ook niet zo vet …’

Moeder Annetje Stordiau-Gorter was een belezen vrouw die onder meer advies gaf aan de directeur van de Openbare Leeszaal over aan te schaffen boeken. Bij de geboorte van Guido Stordiau was zij al veertig jaar en omdat ze zich toen eigenlijk te oud vond om een kind op te voeden, liet zij dit grotendeels over aan haar dochter. Die rolde daardoor als vanzelf in het vak van kinderverzorgster, behaalde na de oorlog een diploma als verzorgster in koloniehuizen en vertrok in 1953 naar Frankrijk. Daar werkte ze in verschillende kindertehuizen tot ze trouwde in 1960.

Detail Kathedraal Pilsen (ca. 1965)

Het beeld dat Madeleine Mengarduque-Stordiau schetst van Jozef van Genk, komt overeen met wat ik eerder over hem te weten kwam: een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel deed voor anderen maar daar nooit in enige vorm erkenning voor had gekregen. Kwam hij daarin in zekere zin overeen met Pierre Stordiau, de verschillen tussen beide mannen waren aanzienlijk: Jozef van Genk was een burgerlijk-katholieke middenstander/ambtenaar, Stordiau een kunstenaar die zich in artistiek-intellectuele kringen bewoog en die weinig gaf om bezit of geloof. [3] Het is dus inderdaad zeer goed denkbaar dat Willem van Genk zich bij het gezin Stordiau thuis voelde, zoals zijn zuster Tiny aangaf. Daarbij zal het ontbreken van enige vorm van lijfstraffen, als hij daarvan op de hoogte was, hem ook hebben aangesproken.

Opmerkelijk is dat Willem van Genk zelf bij Madeleine nauwelijks lijkt te zijn opgevallen, terwijl zij toch goed was met kinderen en bijvoorbeeld kinderen die bang waren voor de oorlog, op haar kamer een schuilplaats aanbood. Van Genk had wellicht ook toen hij al volwassen was nog contact met Pierre Stordiau: de 2e de Riemerstraat ligt op enkele honderden meters van de Sirtemastraat, waar de sociale werkplaats was gevestigd waar Van Genk jarenlang “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. Stordiau was lange tijd mogelijk de enige kunstenaar die hij persoonlijk kende.

Een laatste punt is de zwarte overjas waarin Pierre Stordiau altijd werd gezien, een kledingstuk dat lijkt op de raincoats die Van Genk droeg en verzamelde. Het valt zeker niet uit te sluiten dat deze kledingkeuze – ‘Zo ziet een kunstenaar er dus uit!’ – indruk heeft gemaakt op Van Genk en van invloed is geweest op zijn latere obsessie. Bij de nadruk die (al dan niet terecht) vaak op de jassen wordt gelegd, zou in ieder geval verder kunnen worden gekeken dan alleen naar de SD of Gestapo. Naar de vader van Madeleintje Storio, bijvoorbeeld.


NOTEN

[1] E-mail van Guido Stordiau aan Jack van der Weide, 17 december 2020.

[2] E-mail van Madeleine Mengarduque-Stordiau aan Jack van der Weide, 19 december 2020. Het telefoongesprek vond plaats op 2 januari 2021. Guido Stordiau liet mij desgevraagd weten ‘dat er geen verwantschap bestaat tussen de familie Andriessen en de fam. Stordiau. Ik heb gestudeerd met Louis Andriessen, de componist op het Kon. Conservatorium te Den Haag’ (e-mail, 10 januari 2021).

[3] Madeleine Mengarduque gaf tijdens het telefoongesprek aan dat haar moeder zich tot het katholicisme had bekeerd, ‘maar mijn vader had daar niet om gevraagd’. Op de gezinskaart van Pierre Stordiau staat in de kolom “kerkgenootschap” bij zijn naam ‘geen’.

Pa

WhatsApp Image 2020-08-02 at 11.58.15

Magnoliastraat 10

Magnoliastraat 10 in Den Haag. Het appartement van het gezin Van Genk bevond zich op de tweede verdieping; de trap links op de onderste foto geeft toegang tot de voordeur. Foto’s: Jan Vellekoop (boven), Google Street View – oktober 2018 (onder)

In mei 1939 verhuisde Willem van Genk van Voorburg naar Harreveld – het gezin Van Genk was op dat moment dus nog woonachtig in Voorburg. Op 9 september van dat jaar staat in de Haagsche Courant een advertentie waarin de tweeëntwintigjarige ‘Mejuffr. J. van Genk’, met als adres Magnoliastraat 10 in Den Haag, haar diensten als stenotypiste aanbiedt. Omdat we weten dat het gezin Van Genk op enig moment tussen 1934 en 1940 verhuisde van Voorburg naar Magnoliastraat 10 in Den Haag, lijkt dit te gaan om Jacqueline en zou de plaatsing van zoon Willem op het internaat in Harreveld met deze verhuizing te maken kunnen hebben gehad. Ook in 1939 trouwde de dochter van Maria Heesen in Enschede, mogelijk een indicatie van de officieuze scheiding van Jozef van Genk en zijn tweede echtgenote. Hijzelf verruilde in deze jaren van beroep en ging hij werken bij het Gewestelijk Arbeidsbureau aan de Prinsegracht in Den Haag. Naar de precieze gezinssamenstelling aan de Magnoliastraat blijft het gissen. Slechts viif van de negen dochters zouden trouwen, allen ná 1945.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond de beruchte confrontatie van Willem van Genk met de Gestapo plaats, die volgens sommigen ten grondslag zou liggen aan zijn obsessie met raincoats. Tiny deed in haar gesprekken Dick Walda verslag van deze gebeurtenis, maar een precieze datering ontbrak. [1] Later zou zij nogmaals haar verhaal doen tegenover Carolien Satink voor het boek Een getekende wereld, maar van dat interview is mij geen opname of transscriptie bekend. Ans van Berkum maakte op basis van dit interview een reconstructie van de gebeurtenissen met een aantal significante details. Ze vertelde dat Jozef van Genk ‘tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet’ zat; hij ‘ontkwam op een gegeven moment op het nippertje aan de Gestapo, via een ziekenhuis […]. Het belang van zijn verzetswerk wordt wellicht geïllustreerd door het feit dat de stations in Den Haag en Voorburg na zijn ontsnapping onmiddellijk hermetisch werden afgegrendeld.’ Vervolgens:

Maar in huize Van Genk aan de Magnoliastraat, speelde zich ten tijde van de ontsnapping een scène af, die Willem voor zijn verdere leven zal tekenen. Twee mannen van de Gestapo stappen binnen in de woning op de tweede verdieping om Willem hardhandig aan de tand te voelen over de verblijfplaats van zijn vader en de ondergedoken joden die hij hielp. ‘Waar is Jozeph?’ werd hem telkens weer gevraagd. Het is waarschijnlijk dat Willem op dat moment in de war raakte. Bedoelden ze misschien een joodse jongen? Zijn vader werd immers nooit bij die naam genoemd. Hij was altijd Jos of Sjef. Tiny van den Heuvel doet verslag: “Hij heeft van die Duitsers een paar flinke lellen gekregen. Hij werd geslagen, omdat hij moest vertellen waar zijn vader zat, maar dat wist hij natuurlijk niet. Ze hadden in allerijl alle sporen van zijn gedoe met persoonsbewijzen, zijn werk voor joodse onderduikers, verwijderd. De mannen van de Gestapo in hun hooggesloten leren jassen, maakten een enorme indruk op Willem.” Verraden joodse jongens komen in haar verhaal niet ter sprake, ook al zaten er enkele in de brandstoffenhandel op de begane grond onder het huis van de Van Genks verborgen. [2]

De ontsnapping uit het ziekenhuis, de afgegrendelde stations, het misverstand over de voornaam, de joodse onderduikers ‘in de brandstoffenhandel op de begane grond’ – er zijn diverse uitermate gedetailleerde verhaalelementen die inderdaad wijzen op een betrokken verteller. Daarentegen is het moeilijk voor te stellen dat iemand als Tiny, van wie geluidsfragmenten bekend zijn, een zin zou uitspreken als ‘De mannen van de Gestapo in hun hooggesloten leren jassen, maakten een enorme indruk op Willem.’ Tiny sprak enigszins warrig, sprong van de hak op de tak en noemde haar broer altijd ‘Wim’.

WhatsApp Image 2020-08-02 at 11.48.56

De voordeur van Magnoliastraat 10 in Den Haag, 2 augustus 2020 (foto: Jan Vellekoop)

Op de website van museum De Timmerwerf in De Lier trof Jan Vellekoop de volgende tekst van verzetsman Bram Jonker aan:

Mijn normale kantoorwerk hield in dat ik ook regelmatig op het G.A.B. kwam en daar goede contacten met enkele ambtenaren kreeg. De Chef van de afdeling heette Huetink en mijn contactpersoon was de Heer van Genk, die in de Bomenbuurt woonde, alsmede enkele van zijn ondergeschikten […]. Met de Heer van Genk begon mijn illegale werk, want hij bleek bereid mij “Ausweise” te verschaften. Met deze “ausweise” konden onderduikers “boven” komen en werd voor anderen tewerkstelling in Duitsland voorkomen. Het was een ingewikkelde administratieve manipulatie, waarbij ik op verschillende afdelingen kwam.

De hier beschreven activiteiten werden uitgevoerd door de Katholieke verzetsgroep “Voor God en de Koning”, die onder leiding stond van Frans Mol, eveneens werkzaam op het Gewestelijk Arbeidsbureau. Het is daarmee vrijwel zeker dat ook Jozef van Genk deel uitmaakte van deze groep.

Bij de ontruiming van de woning van Willem van Genk in 1998 werden twee gekopieerde documenten gevonden die betrekking hadden op het verzetsverleden van Jozef van Genk: een ongedateerde autobiografische tekst, “Les mémoires de Pa”; en een brief aan hem uit oktober 1952 met als aanhef ‘Beste Paatje’. De brief is geschreven door een zekere Ed, een oude kennis uit het verzet die is vertrokken naar Zuid-Amerika om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Ed reageert op een eerdere brief van Jozef van Genk, waarin deze heeft aangegeven gedesillusioneerd te zijn door de gebeurtenissen van na de oorlog: ‘De eensgezindheid van gedurende de oorlog is verloren gegaan en uiteengevallen in veel eigenbelangetjes. Zo gaat het allemaal en er is totaal niets aan te doen, wij hebben ons leven gewaagd en de anderen gaan met de eer strijken. […] Paatje laat die mensen allemaal in hun vet gaar koken, trek je je er niets van aan. Wij hebben goed gedaan, laten wij daar tevreden over zijn.’

De verzetsnaam van Jozef van Genk was dus kennelijk “Pa”, zo blijkt ook uit de titel van zijn eigen tekst, “Les mémoires de Pa”. Hierin doet hij verslag doet van een roerige nacht bij hem thuis in de Magnoliastraat in december 1943. De eerste zinnen zetten de toon en geven meteen ook de activiteiten van de auteur aan:

Na een zeer zwaren dag op mijn bureau G.A.B en eene niet minder zware avondzitting; ik hielp n.l. de jongens aan afkeuringen, ausweizen, plaatsen voor onderduiking etc. (alzoo was ’t in de avonduren een aanloop van slachtoffers) kon ik eindelijk uitgeput ter ruste gaan.

Van Genk sr. wordt eerst wakker geschud door enkele Duitsers die aan zijn bed staan nadat ze de voordeur hebben geforceerd, maar ze blijken het adres verkeerd te hebben. Rond drie uur ’s nachts gaat de bel, aan de deur staat een haveloze man die hulp zoekt van ‘Pa van afdeling Buitenland G.A.B.’ Jozef van Genk doet of zijn neus bloedt en zegt dat hij Pa niet is, maar geeft de man wel wat te eten. Opnieuw wordt er gebeld, deze keer door twee personen van de Luchtbeschermingsdienst die hem erop wijzen dat zijn licht nog brandt. Als zij weer weg zijn laat Pa de vluchteling op zijn bank slapen en regelt hij de volgende dag dat de man wordt afgekeurd voor de Arbeidseinsatz. Een paar jaar na de oorlog overlijdt de man aan de TBC waar hij ten tijde van de beschreven avond al aan leed.

Memoires Pa 004

‘Dit was een van mijn onrustige nachten 20 Dec ‘43’

“Les mémoires de Pa” is een tekst die een goed beeld geeft van de leefsituatie van het gezin Van Genk tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarover enkele interessante details bevat. Zo blijkt Jozef van Genk met een revolver onder zijn kussen te slapen, woont hij op de tweede verdieping, is hij erop voorbereid snel te moeten vluchten voor de Duitsers en spreekt hij een aantal keren over ‘de kinderen’. Verder staat hij kennelijk bekend als iemand van wie hulp te verwachten is. Ook laat hij bij de bezoekjes van de Duitsers en de Luchtbeschermingsdienst zien dat hij niet bang is uitgevallen en dat hij goed weet wat hij wel en niet moet doen en zeggen. Zijn kinderen blijken van zijn verzetsactiviteiten op de hoogte te zijn en willen hem eventueel helpen te vluchten – in december 1943 waren de jongste dochters twintig (Willy), eenentwintig (Isabella) en drieëntwintig (Agnes) jaar oud. Zoon Willem was zestien, in de tekst wordt hij niet specifiek vermeld. [3]

In juni 1944 werd de verzetsgroep “Voor God en de Koning” van Frans Mol verraden door een onderduiker die eigenlijk werkte voor de Duitse Sicherheitsdienst. Bij een inval in de woning van Mol werden vervalste papieren en stempels gevonden, waarna er een golf van arrestaties in Den Haag volgde. [4] Meer dan dertig personen werden gevangen genomen, onder wie de broers Bouke en Leo Wartna die in de Molenstraat een stempelwinkel hadden. [5] Het is zeer waarschijnlijk dat Jozef van Genk een van de beoogde arrestanten was, hoewel hij dus wist te ontkomen. Het afgrendelen van de stations in Den Haag en Voorburg zal eerder te maken hebben gehad met de omvang van de operatie dan met de specifieke positie van “Pa”. De confrontatie van Willem van Genk met de agenten van de SD – niet: de Gestapo – moet daarmee in juni 1944 hebben plaatsgevonden, toen hij zeventien jaar oud was.


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 35.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 34.

[3] Of “Les Mémoires de Pa” een hoofdstuk is van een langere tekst, is niet bekend. Wel schreef hij later in ieder geval nog een tekst van zo’n tweehonderd pagina’s over een zekere Peerke Franken. (e-mail van Marijke Bijmans aan Jack van der Weide, 3 augustus 2020)

[4] Voor een uitgebreide reconstructie van de gebeurtenissen, cf. Corien Glaudemans, ‘De Documentatiedienst van de Haagse politie in de Tweede Wereldoorlog’, in: Jaarboek Die Haghe (Den Haag 2012), pp. 53-103.

[5] ‘Op nr 41 was de stempelwinkel van de gebroeders Sjoerd, Bouke en Leo Wartna. Ze hadden ook een stempelfabriek in de Oog in ’t Zeilstraat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hielpen de broers het verzet door stempels te maken voor vervalsingen van distributiekaarten en identificatiepapieren. Frans Mol was de baas van hun verzetsgroep, hij werkte voor het Gewestelijk Arbeidsbureau. Frans Mol woonde aan de Stationsweg en had een onderduiker in huis. Later bleek deze Peter Marsman een V-man te zijn, die voor de Sicherheitsdienst werkte. Op 19 juni 1944 werden Frans en Truus Mol en hun 8-jarige zoontje gearresteerd. In hun huis werden stempels gevonden. Een dag later werd de winkel in de Molenstraat overvallen’. (Wikipedia, ‘Molenstraat (Den Haag)’; geraadpleegd op 6 augustus 2020).

Harmelenstraat (4)

Dit is het vierde deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden, het tweede deel hier, het derde deel hier

Walda 002

Willem van Genk in zijn appartement, ca. 1997. Foto: Mattheus Engel

Bij het bestuderen van foto’s van het interieur van Willem van Genk kom je ogen tekort. Net als bij het bekijken van zijn tekeningen, schilderijen en assemblages ontdek je steeds weer andere details, duiken er verbanden op, zie je zaken die je eerder niet zag en ontstaan er nieuwe structuren. Ook in die zin kan Harmelenstraat 28 als een kunstwerk worden beschouwd, tegelijkertijd tweedimensionaal (de foto’s van het interieur), driedimensionaal (het interieur an sich) en zelfs vierdimensionaal (het interieur doorheen de tijd). Dat laatste heb ik eerder aangestipt: het interieur was tussen 1964 en 1998 uiteraard niet statisch, met een andere situatie in 1970, 1980, 1990 of wanneer dan ook. Van Genk kocht boeken en jassen, maakte trams en trolleybussen, veranderde de centrale muur in zijn voorkamer, bouwde Busstation Arnhem en ga zo maar door. En zelfs dat dynamische aspect is in verband te brengen met zijn andere werk, waaraan hij vaak eveneens elementen bleef toevoegen – als hij daartoe de mogelijkheid had.

Als gezegd bestond de woonkamer van Willem van Genk in zijn appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag uit een voor- en een achterkamer, beide met een raam aan de straatkant. In de achterkamer was nauwelijks eigen werk te vinden, in tegenstelling tot met name de slaapkamer en de voorkamer. Midden in de kamer stond een eettafel met (meestal) drie stoelen, die niet de indruk maakte vaak voor eten te worden gebruikt. Het is deze tafel waarop Ans van Berkum doelt als ze schrijft: ‘Op een ronde tafel zijn twee plastic zakken uitgespreid, een van Amsterdam Airport Shopping Center en een van de Haagsche Courant. Daarop staat zijn verzameling modelvliegtuigjes, voor een groot deel met de neuzen naar elkaar toe.’ [1]

Deze beschrijving van Van Berkum correspondeert met de situatie die te zien is op een gedetailleerde kleurenfoto van de achterkamer, die vermoedelijk uit dezelfde tijd (ca. 1997) is. Op de tafel liggen inderdaad de twee genoemde plastic zakken en staan de modelvliegtuigjes, zij het niet ‘voor een groot deel met de neuzen naar elkaar toe’. Verder liggen er onder meer het boek Bergen op Zoom verleden tijd (1983), met historische foto’s van de stad uit de titel, en een catalogus van de tentoonstelling Insita ’97 in Bratislava. [2]  Links naast de tafel ligt een kleurenkopie van een deel van Van Genks schilderij Praag, waarmee een opvallend aspect van de achterkamer in beeld komt: de ruimte bevatte geen primair werk van Van Genk, maar wel een aantal reproducties.

2010 005b

De achterkamer van Harmelenstraat 28, ca. 1997. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

Tegen de achtermuur (grenzend aan het trapportaal) is op de foto het tweede grote meubelstuk van de achterkamer te zien, een dressoir. Een nauwkeurige beschrijving van alles wat op, naast, voor en boven het dressoir staat, ligt en hangt zou duizenden woorden beslaan, zo druk is deze plek die echter tevens relatief geordend is. Op het dressoir staat naast een telefoon een groot aantal modelautootjes, -bussen, -treinen en -trams, alle schuin opgesteld en met de voorkant naar rechts. [3] Aan de rechterkant begint ‘de collectie mini-Eiffeltorens en zendmasten’, [4] die doorgaat op een lager kastje of tafeltje naast het dressoir. Achter de torentjes op het dressoir hangen twee posters voor homo-evenementen in Leiden en Den Bosch. Daaraan vastgemaakt is een afbeelding van het hoofd van Ivan Jirous, een Tsjechische dichter en dissident, [5] met daar weer overheen een pasfoto.

056 deur

De zijdeur in de achterkamer. In de groene cirkel de poster van de tentoonstelling van Peter Mattheij; in de rode cirkel de ets Collonade. Foto: Nico van der Endt (contactafdruk)

Boven en rondom het dressoir hangen andersoortige posters en schilderijen, die echter geen van allen als werk van Van Genk zelf te identificeren zijn. Wel staat op het dressoir, achter de gele treinstellen, een reproductie van Madrid, mogelijk afkomstig uit het boek nederlandse naïeve kunst (1979) van Joop Bromet en Nico van der Endt. Links naast het dressoir grenst de muur van de achterkamer aan een muurkast in de hal. Van Genk zette de deur hiervan soms tegen de voordeur open, omdat hij bang was bespied of afgeluisterd te worden door zijn buren, wat hij op deze manier dacht te voorkomen. [6] Door de uitsparing van de muurkast ontstond een soort nis waarin de deur tussen de achterkamer en de hal zich bevond, een deur die waarschijnlijk niet meer werd gebruikt. Op de deur had Van Genk onder meer een affiche bevestigd van een tentoonstelling van collega-kunstenaar Peter Mattheij (1932-2001), Het Arnhem van Peter J.H. Mattheij. Ook hing er een reproductie van de ets Collonade, samen met de afbeelding die mogelijk de inspiratie voor de ets had gevormd en die ook op de achterkant van het schilderij Colonnade St. Pieter is geplakt.

Opvallend en nadrukkelijk aanwezig op vrijwel alle foto’s van de achterkamer zijn de grote hoeveelheden boeken. Waar deze in vrijwel elke kamer van Harmelenstraat 28 te vinden waren, leek dit deel van de woonkamer de belangrijkste opslagplaats te zijn. De boeken stonden niet alleen op het dressoir maar lagen ook in rijen op de grond onder het raam. Op een foto uit 1991 is te zien dat ze daarnaast in grote hoeveelheden onder, voor en op de eettafel lagen. Daarop stond in het midden vrijwel altijd een grote vaas met lelies, en in 1991 lag er naast de boeken en modelvliegtuigjes ook een stapeltje ansichtkaarten met Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. [7]

056 Del Curto

De achterkamer van Harmelenstraat 28, 1991. In de rode cirkel de ansichtkaarten met Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Foto: Mario del Curto

Op andere momenten diende de tafel als uitstalling voor kranten en tijdschriften, zoals te zien op een foto van Nico van der Endt uit het midden van de jaren tachtig. Te herkennen zijn diverse exemplaren van het periodiek NU van de vereniging Nederlands-USSR, onder andere (op de voorgrond) het nummer waarin een tekening van Van Genk was afgedrukt. Op alle foto’s en filmbeelden uit de jaren negentig is de uitstalling op de tafel verdwenen, maar Dick Walda laat de kunstenaar er nog wel aan refereren in een interview uit dat decennium. [8]

056 waaier

Kranten en tijdschriften op de eettafel, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

De achterkamer van Harmelenstraat 28 leek niet de plek te zijn waar Willem van Genk zichzelf en zijn werk aan de buitenwereld wilde tonen, al wijzen het dressoir en de eettafel wel op een zekere presentatiefunctie. Bezoekers aan het appartement werden ontvangen in de voorkamer. Van daaruit was er vrij zicht op de achterkamer, maar rechtstreeks uit de hal werd deze niet meer betreden. Voor de boeken in de kamer zal wellicht een ordenend principe hebben gegolden, maar uit de foto’s is dit vooralsnog niet op te maken – op het dressoir staan enkele rijen naslagwerken, maar verder zijn alleen losse titels te herkennen die niet direct op een samenhang wijzen.

056 boeken

Boeken op de vloer in de achterkamer. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

Was Harmelenstraat 28 te beschouwen als een Gesamtkunstwerk van Willem van Genk? Een bevestigend antwoord sluit in feite het losmaken uit het interieur van Busstation Arnhem of de raincoats uit – die zijn in dat geval integrale onderdelen van het werk in zijn geheel. Maar de vraag hoeft niet te worden beantwoord om de historische, biografische en ook artistieke waarde van het interieur te erkennen. Hoe het ook zij, het interieur bestaat niet meer. Wat rest zijn foto’s en enkele filmbeelden, die een overvloed aan informatie leveren en die samen met de bewaard gebleven elementen een gedeeltelijke reconstructie mogelijk maken. Dat kan in woorden, zoals ik hier uitgebreid (maar nog steeds relatief summier) heb gedaan. Beeldmateriaal is daarbij onontbeerlijk, en te denken valt aan een verzameling van zoveel mogelijk foto’s van het interieur als basis van een separate monografie die dit deel van het oeuvre van Van Genk kan tonen. Nog een stap verder is een daadwerkelijke, driedimensionale reconstructie van het hele interieur, idealiter op de oorspronkelijke locatie. Maar dat lijkt erg veel gevraagd, ook van de Stichting Willem van Genk – al zou een reconstructie van de woonkamer een begin kunnen zijn.


 

NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31.

[2] De Insita is een driejaarlijkse tentoonstelling voor naïeve kunst, art brut en outsider art in Bratislava, die in 1997 voor de vijfde keer werd gehouden: ‘In juni wordt de Triënnale Insita te Bratislava geopend. In de zogenaamde ‘competitieve sectie’ van hedendaagse kunstenaars wordt traditioneel een Grand Prix verleend. De jury, waar ik nog altijd deel van uitmaak, kiest ex aequo voor de Rus Pavel Leonov en de Nederlander Willem van Genk. De prijs bestaat uit een solo presentatie tijdens de volgende Triënnale. Willem zal de oorkonde zonder commentaar bekijken, zuster Tine is trots en zal hem laten inlijsten.’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 109).

[3] Zuster Tiny: ‘Het moet precies staan, zoals Wim het wil. Zelfs in de kasten, kijk maar in de keuken, daar staan de doosjes schuin op een rijtje. Heeft hij van z’n vader. […] Alles in huis moet schuin en scheef op een rij staan.’ (Walda, Koning der stations, pp. 142-143)

[4] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31. Ook: ‘In het huis van Van Genk getuigen veel voorwerpen van lang vervlogen gebeurtenissen, zoals zijn vroegere passie voor een bouwwerk als de Eiffeltoren. Hij kon er maar niet mee ophouden modellen van de toen aan te schaffen.’ (Walda, Koning der stations, p. 10)

[5] Jirous was de manager van de Tsjechische band The Plastic People of the Universe, waarvan de naam gedeeltelijk terugkeert op Van Genks werk Orkest van Coburg.

[6] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 24 mei 2020. In zijn boek Kroniek van een samenwerking maakt Van der Endt hiervan melding bij het jaar 1982: ‘Soms zet hij de deur van een kast naast de voordeur wijd open voor meer bescherming tegen spiedende buren en andere belagers.’ (p. 49)

[7] De kaarten waren uitgebracht ter gelegenheid van de duo-tentoonstelling van Van Genk en Gorki Bollar bij het Informatiecentrum Naïeve Kunst in Rotterdam, van 20 december 1990 tot 25 februari 1991.

[8] ‘Kijk, hier heb ik de kranten en tijdschriften op de ronde tafel als een soort waaier. Dat zag ik in een winkel in Boedapest, en later ook nog in de Gorkistraat in Moskou. Dat doe ik na.’ (Walda, Koning der stations, p. 27)

Harmelenstraat (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden.

052 Valle-de-los-Caidos

Valle de los Caidos | ca. 1985 | gemengde techniek op hardboard | 64 x 119 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

In de tijd dat Willem van Genk er woonde, telde Harmelenstraat 28 in Den Haag twee slaapkamers. Waarschijnlijk hadden de kunstenaar en zijn zuster Willy van 1964 tot 1972 ieder een eigen slaapkamer, waarbij de grootste voor Willy was. Na haar overlijden bleef Van Genk in zijn eigen kamer slapen en werd Willy’s kamer zijn opslagkamer, met name voor zijn collectie raincoats. Beide kamers waren vanuit de hal van het appartement te bereiken, tussen de opslagkamer en de woonkamer was daarnaast nog een schuifdeur.

052 NvdE 1986 002

De slaapkamer van Willem van Genk, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

In de slaapkamer van Van Genk stond tegen de rechtermuur (grenzend aan de keuken) een opklapbed, met op de ombouw enkele werken en kleinere voorwerpen. Op een foto die Nico van der Endt rond 1986 maakte is aan de rechterkant Valle de los Caidos te zien, tegenwoordig in bezit van Stichting Collectie De Stadshof. Links zijn twee werken te onderscheiden met afbeeldingen van Italiaanse locaties, Dom van Ravenna en daarachter Engelenburcht. Naast Engelenburcht is met enige moeite ook nog Smolny Kathedraal te zien, dat Van der Endt net als Dom van Ravenna in 1999 verkocht aan een Amsterdamse verzamelaar. [1] In de rechterbovenhoek van Engelenburcht is een plaatje bevestigd van een meisje met een ijsje. Het zou gemaakt kunnen zijn met een sjabloon dat links te zien is. Naast het sjabloon hangt een label van reisorganisatie Holland International.

Zo’n tien jaar later maakten Ans van Berkum, Bart van Hattum en Pim Leutholff een aantal foto’s van de slaapkamer waarop onder andere eveneens de ombouw van het opklapbed te zien is. [2] Nu stonden er gedeeltelijk andere werken uitgestald: naast nog steeds Dom van Ravenna en Smolny Kathedraal waren te zien Tank II, Pink Pronkjewail, Wissenschaft und Menschheid en Keleti Station. Te zien was verder dat het sjabloon van het meisje met het ijsje met een wasknijper vast zat aan Smolny Kathedraal. Van Berkum als zij het over Engelenburcht (niet te zien op de foto’s) heeft:

Van Genk heeft dit werk altijd bewaard op de plank boven zijn opklapbed. Met een wasknijper was er rechtsbovenaan een sjabloon op bevestigd. Onder de tekst *bezoek de druivenfeesten in Naaldwijk* en enkele schertsende mannentronies, is de contour van het bekende meisje met de blonde krul uitgesneden. Ook onderaan Engelenburcht is zij weer aanwezig, met haar krul in reliëf. Ze blijkt tevens naast de fotograaf in de bruiloftsstoet [op Dom van Ravenna; JvdW] te staan en is in de zogenaamde lijst van de barokke kathedraal [Smolny Kathedraal; JvdW] gestoken. We zullen haar nog vaker treffen. [3]

052 Meisje Pilsen

Kathedraal Pilsen, ca. 1965 (detail)

Inderdaad komt het meisje met het ijsje vaker voor, onder andere ook op Victoria Station, Vervoer USSR, 1 mei parade en Kathedraal Pilsen. Het meisje op dit laatste werk lijkt wel heel erg op het plaatje in de rechterbovenhoek van Engelenburcht op de foto van de slaapkamer door Van der Endt.

Op die foto zijn verder op de rand van de ombouw enkele voorwerpen te onderscheiden, waaronder een brillendoos, een bril, een verstuiver, buttons en een schemerlampje. De bril en het lampje zijn ook te zien op de foto’s uit Een getekende wereld, nieuw zijn daar onder meer een wekkertje en een globe. Linksboven aan de muur zijn enkele affiches en knipsels opgehangen, waaronder een kindertekening met een gele kip en afbeeldingen van trams. Ook zijn op het bed enkele bus-assemblages te zien, al gaat het daarbij mogelijk om een enscenering. De wand tegenover de deur bestaat vrijwel geheel uit een raam en een deur naar het balkon, met onder het raam een verwarmingsradiator.

052 slaapkamer AvB

De slaapkamer van Willem van Genk, ca. 1997. Foto’s: Ans van Berkum, Bart van Hattum en Pim Leutholff

De linkerkant van de kamer is volgestouwd met spullen, vooral kastjes en opgestapelde bananendozen met boeken. Naar het raam toe staan een tafeltje en een stoel, met op het tafeltje opnieuw enkele bus-assemblages. Naast het tafeltje staat het schilderij Vesuvius, tussen de boeken staat een oud radiotoestel, dat al te zien is in de reportage van Brandpunt uit 1964 en dat dus waarschijnlijk van Willy is geweest. Ook is af te leiden uit de reportage dat dit de kamer is waarin Van Genk werd gefilmd terwijl hij aan het werk was bij Willy. Zelf het vaasje op het radiotoestel is blijven staan.

Het tafeltje was vermoedelijk ooit de plek waar Van Genk werkte aan de bus-assemblages: aan de linkerkant zijn op de foto’s uit Een getekende wereld materialen te zien als plakband, lijm en terpentine. Op de dozen met boeken ernaast staan frisdrankbekers en frietdoosjes van McDonald’s. In het vaasje op het radiotoestel staat ook een vlaggetje van McDonalds’s, een fastfoodketen waar Van Genk regelmatig at; gedeeltes van McDonald’s-verpakkingen keren terug in de bus-assemblages. Dick Walda:

Na de Looserweg naar Donald.
Ik vraag: – Wie is Donald?
Hij bedoelt Mc Donald, als ik verder vraag.
Van Genk eet daar achter elkaar drie bakjes patat op en stopt vervolgens de lege bakjes […] in zijn zak. [4]

Op de foto’s van Van Berkum e.a. is te zien dat de linkermuur van de slaapkamer beplakt en behangen is met een grote hoeveelheid knipsels en affiches. Naast het werktafeltje hangt een afdruk van de ets Colonnade, samen met de al eerder genoemde tekening met een afbeelding die vrijwel identiek is aan die op de ets. Opvallende affiches zijn onder meer die met een foto van een gebroederlijk naast elkaar zittende kat en hond – Deze poster wordt u aangeboden door kitekat en CHAPPI – en een poster met een prominente roze driehoek en de tekst internationale homodag ’80. Rechts hangt een grote poster in zwart-wit met een afbeelding van het Sowjetisches Ehrenmal in het Treptower Park in Berlijn: een man met een zwaard en een kind op zijn arm. Het bijschrift in het Spaans vermeldt dat het om een herinnering aan de overwinning van de Sovjetunie in de Tweede Wereldoorlog gaat.

Van de opslagkamer zijn minder foto’s bekend dan van de slaapkamer. Naast de deur in de hal bevatte de kamer nog twee schuifdeuren, naar het balkon en naar de woonkamer. De belangrijkste meubelstukken waren enkele grote kledingkasten waarin het merendeel van de raincoats hing, met soms op de planken erboven boeken. Ook in de kamer stond een kaptafel met daarop materialen om de jassen te bewerken. Dick Walda: ‘De belangrijkste kamer in de woning was de ‘opslagkamer’, met een kast boordevol raincoats en een enorme stapel tekeningen, rechts als je het kamertje binnen kwam. Ik heb eerlijk gezegd die stapel nooit bekeken maar er kwam alsmaar nieuw werk bij’. [5] De stapel die Walda wellicht bedoelt is te zien op enkele foto’s in Een getekende wereld, al springen daar met name de bus-assemblages in het oog die vóór 1996 in de douchecel waren opgeslagen.

052 NvdE 1986 004
052 NvdE 1986 003

052 NvdE 1986 001

De opslagkamer van Willem van Genk, ca. 1986. Foto’s: Nico van der Endt

Nico van der Endt, sprekend over een bezoek aan het appartement van Van Genk in 1977: ‘In de logeerkamer zie ik een grote berg plastic regenjassen opgestapeld. Even later opent hij een kledingkast en toont hij mij met een brede glimlach zijn kostbare schat van tientallen plastic regenjassen.’ [6] Ook Ans van Berkum refereert een kleine twintig jaar later aan de opslagkamer als ‘de logeerkamer’ als ze de jassen bespreekt: ‘Hij vult er de kasten mee in zijn logeerkamer, tot er echt geen plekje meer leeg is. Op knaapjes en in stapels gevouwen […]. Op het logeerbed, onder de deken, ligt een gigantische bult. Hij drapeert ze in bergen over een kruk.’ [7] De muren van de opslagkamer waren niet geheel leeg, maar in vergelijking met de slaap- en woonkamer was de aankleding uiterst sober.

De raincoats kunnen naar mijn mening het beste worden beschouwd als een onderdeel van het interieur van Van Genk. Daarmee is hun waarde in zichzelf niet meteen artistiek maar zijn ze een aspect van, zo men wil, het Gesamtkunstwerk dat de woning vormde. Vrijwel elke ruimte in Harmelenstraat 28 droeg – uiteraard – het stempel van de bewoner, wat op zichzelf nog geen reden is om van een kunstwerk te spreken. Het appartement was de plaats waar de persoonlijke en artistieke sferen elkaar raakten en in feite niet meer te scheiden waren. Het duidelijkst was dit het geval in de woonkamer, die in deze beschrijving tot het laatst is bewaard en waarvan met afstand de meeste afbeeldingen beschikbaar zijn.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 117. De verzamelaar woonde boven Galerie Hamer; hij overleed enige jaren later. Wat er met de werken van Van Genk is gebeurd, is niet bekend.

[2] Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 72-73.

[3] Ibid., p. 26.

[4] Walda, Koning der stations, p. 71.

[5] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 25 mei 2020. In een mail van 27 mei 2020 zegt hij verder: ‘Het hele huis stond boordevol, vooral de opslagkamer was een puinhoop waarin Willem feilloos de weg kon vinden.’

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41.

[7] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28.

Knipsels

2018-09-19 09.30.26 (1024x721)

Zonder titel (Keulen, 1 mei) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

In de monografie bij de overzichtstentoonstelling in Museum De Stadshof in 1998 onderscheidt Ans van Berkum binnen het werk van Willem van Genk vier hoofdonderdelen:

Eerst is er het tweedimensionale werk, waarin hij schilderingen en tekeningen aaneenrijgt en af en toe ook reliëf aanbrengt. Daarnaast vormt zijn collectie regenjassen een wezenlijk onderdeel. De derde categorie bestaat enkele tientallen trolleybussen, die hij maakte van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal. Tenslotte is er het interieur van zijn flat aan de Harmelenstraat, een ‘Gesamtkunstwerk’. [1]

Twaalf jaar later zijn er van deze indeling nog drie onderdelen overgebleven en noemt Van Berkum achtereenvolgens ‘circa honderd tweedimensionale werken’ (waartoe zij ook Van Genks brieven rekent); ‘zijn collectie regenjassen’ (die volgens haar bewerkt zijn met insignes); en ‘enkele tientallen trolleybussen, die hij met behulp van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal vervaardigde, en die naar mijn mening een onderdeel vormen van de grote installatie Trolleybusstation Arnhem, die in zijn flat aan de Harmelenstraat in Den Haag in de woonkamer was opgesteld.’ [2]

Over deze indelingen van het oeuvre van Van Genk valt veel te zeggen. In het algemeen is het denk ik zinvol om in ieder geval het tweedimensionale en driedimensionale werk te onderscheiden. Binnen de eerste categorie vallen alle tekeningen, schilderijen, collages, etsen en litho’s die Van Genk maakte. Met name het onderdeel “tekeningen” is uitermate breed en omvat naast de stadspanorama’s en late balpen-tekeningen ook nog nauwelijks geïnventariseerd werk uit de jaren veertig en vijftig. Of ook de brieven tot het tweedimensionale werk moeten worden gerekend, is zeer de vraag. Weliswaar zijn het meestal opmerkelijke objecten die soms ook nog grotere of kleinere tekeningen bevatten, maar de documentatieve waarde lijkt groter dan de artistieke. Daarbij zou inclusief de brieven het aantal tweedimensionale werken vele malen groter zijn dan ‘circa honderd’. Het driedimensionale werk bestaat uit enerzijds de bus-assemblages en anderzijds het busstation. De regenjassen zijn in deze blog al uitgebreid aan de orde geweest, met als conclusie dat ze voor mij (en voor de meeste beschouwers) geen deel uitmaken van Van Genks oeuvre. Het interieur van de woning in de Harmelenstraat vormt een aparte categorie die ik op een andere plaats zal bespreken.

De tweede indeling van Van Berkum was in 2010 te lezen in het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, een gezamenlijke publicatie van Museum Dr. Guislain en Stichting Willem van Genk. Aanleiding was volgens het voorwoord vooral de toegenomen kennis van zijn werk; daarbij zouden ‘het belang van de medische achtergrond van Willem van Genk voor zijn oeuvre, evenals zijn liefde voor muziek, zijn encyclopedische fascinaties en zijn kijk op architectuur verder [zijn] onderzocht.’ [3] Waar men vraagtekens kan zetten bij de diepgang van dit onderzoek, zijn in ieder geval de illustraties in het boek de moeite waard. Naast werken die al bekend waren uit de monografie uit 1998 plus enkele nieuwe tekeningen en schilderijen, bevat de uitgave zo’n dertig ‘knipsels, uit de bibliotheek van Willem van Genk’.

Knipsels - KOLN 002

Detail titelloos document (ca. 1950)

De eerste tekst in Willem van Genk bouwt zijn universum, van de hand van Patrick Allegaert en Bart Marius, is getiteld “KUNST REIZEN BOEKEN De reisbibliotheek van Willem van Genk in Museum Dr. Guislain Gent”. Delen van de inboedel van Van Genk, met name diens boekenverzameling, waren na de onttakeling van het appartement in de Harmelenstraat terechtgekomen bij Museum Dr. Guislain. De auteurs betogen dat ook deze bibliotheek kan worden gezien als een onderdeel van het kunstenaarschap van Van Genk. Zoals Robert Geilfuss echter aangeeft, ligt hier een probleem:

Although Allegaert and Marius argue for the exceptional import of van Genk’s library, claiming that “it is part of his artistic production,” they only show how van Genk used his library as source material, an image bank to draw on and transform in his drawings, paintings, and collages: “And herein lies the importance of his library,” they write. “The realism and accurateness of his work were made possible thanks to the visual memory bank to which van Genk had access in his books.” It is not uncommon, however, for artists to use books as source material. What is uncommon is to consider the source material part of the artistic production. [4]

Evenmin als de regenjassen is voor Geilfuss daarmee de bibliotheek onderdeel van het oeuvre van Van Genk – waarmee nadrukkelijk niet is gezegd dat beide zaken, jassen en boeken, niet belangrijk kunnen zijn bij het begrijpen en interpreteren van dat oeuvre.

De zogenoemde “knipsels” zijn in de praktijk een aantal tekeningen en documenten van verschillende omvang, vaak met een uitgeknipt gedeelte; een enkele keer vormt juist dat uitgeknipte deel zelf het knipsel. Door het ontbreken van formaten in de bijschriften is het onmogelijk een goed beeld te krijgen van de afmetingen. Ook de titels variëren, naast de generieke naam ‘knipsel’ komt eveneens ‘zonder titel’ voor of zelfs een daadwerkelijke naam (‘Geldersche tramwegen’), waarna de materiaaltypering ‘knipsel’ is. De toevoeging ‘uit de bibliotheek van Willem van Genk’ doet vermoeden dat de tekeningen zijn aangetroffen in of tussen de boeken van Van Genk, maar ook dit is onduidelijk.

De in- of uitgeknipte tekeningen zijn uiteraard van groot belang bij onderzoek naar het werk van Van Genk, waarbij een eerste stap zou kunnen zijn om vast te stellen of, waar en hoe een uitgeknipt gedeelte is gebruikt in een groter werk. Ten tijde van de samenstelling van Willem van Genk bouwt zijn universum leek hier nog weinig aandacht voor te zijn: het tondo dat hoorde bij de ronde lacune in een tekening die was afgedrukt op bladzijde 8, was enkele pagina’s eerder op zijn kop afgedrukt onder de inhoudsopgave. Vier jaar later werd in een vitrine in het Gemeentemuseum in Den Haag het verband tussen beide delen van dezelfde tekening wél gelegd.

Knipsels - GTW 002

GTW Geldersche Tramwegen | ca. 1950  | gemengde techniek op papier | 47 x 62 cm | Museum Dr. Guislain, Gent

De tekening GTW Geldersche tramwegen is in het boek twee keer afgebeeld, op de achterkant van het omslag en op bladzijde 34. Uit de tekening is een tondo geknipt dat eveneens in het boek te vinden is, zij het met moeite: op bladzijde 49 is het werk Urbanisme et Architecture (ca. 1965) te zien, waar Van Genk in het middendeel het uitgeknipte tondo heeft gebruikt. De associatie is duidelijk: het tondo bevat een schematische weergave van het openbaar-vervoernet in en rond Arnhem, de stad die ook het onderwerp vormt van het middendeel van Urbanisme et Architecture. [5]

Knipsels - GTW 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

Blijven we bij Urbanisme et Architecture, dan zien we in het linkerdeel van dat werk in uitgeknipte letters het woord KOLN staan. Waar dit linkerdeel vooral gewijd lijkt te zijn aan Stockholm, is ook Duitsland in het algemeen en Keulen in het bijzonder meerdere malen vertegenwoordigd. Naast de letters zien we onder meer afbeeldingen van de spitsen van de Keulse Dom tijdens onweer en een tondo met daarin de bovenleidingen van een Duitse spoorweg. [6] Een deel van het document waaruit de letters K O L N zijn geknipt, is afgedrukt op bladzijde 8 van Willem van Genk bouwt zijn universum. Het betreft een lijst met boeken over vooral Duitsland met de titel Plaatwerken land en volkerenkunde. De letters K O L N zijn geknipt uit het gedeelte over Duitsland, waardoor vorm en inhoud met elkaar in relatie staan.

Knipsels - KOLN 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

We stuiten hier op een principe dat Van Genk vaker toepaste: letters werden geknipt uit een door hemzelf opgesteld document dat informatie bevatte over het land of de stad waarop het door de letters gevormde woord betrekking had. Ook in Brooklyn Bridge (ca. 1970) is dit aanwijsbaar: de woorden USA (links aan de onderkant) en AMERICANO (midden onder) zijn opgebouwd uit letters die zijn geknipt uit documenten over de Verenigde Staten. In USA is aan de bovenkant leesbaar “Werken (Lektuur) der U.S.A.” en betreft het duidelijk een literatuurlijst. In het geval van AMERICANO gaat het om een document met topografische informatie, met aanduidingen als 42e straat, Riverside Park, Yosemitedal en Los Angeles. In het middendeel van Urbanisme et Architecture is het woord ARNHEM opgebouwd uit letters die geknipt zijn uit een document over de tram- of trolleylijnen in die stad: lijn 1 – Velp – Arnhem – Oosterbeek.

Knipsels - BB 001

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

Een laatste opmerking over Urbanisme et Architecture betreft een detail in het rechterdeel, waar Moskou centraal staat, met uiteraard ook verwijzingen naar 1 mei. Aan de bovenkant is een tondo aangebracht met een afbeelding van een 1 mei-optocht, waarbij de deelnemers zich echter niet in Moskou bevinden maar in Keulen: de teksten op de meegedragen borden zijn in het Duits, op de achtergrond is HOTEL KÖLNERHOF te zien. De tekening waaruit het tondo afkomstig is bevindt zich eveneens in Museum Dr. Guislain, kon ik in het najaar van 2018 vaststellen. Er valt daar nog veel te ontdekken.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 25.

[2] Van Berkum, “Een vogel boven de stad”, pp. 57-58. Als onderbouwing van de opvatting dat alle trolleybussen onderdeel vormen van de busstation-installatie, haalt Van Berkum in noot 44 een uitspraak aan die ze toeschrijft aan Nico van der Endt (ibid., p. 101). De geciteerde uitspraak is echter afkomstig van Caroline Satink, Van der Endt is deze mening juist níet toegedaan.

[3] Patrick Allegaert & Annemiek Cailliau / Ans van Berkum, “Woord vooraf”, in: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 4.

[4] Wikipedia, “Willem van Genk” (geraadpleegd op 4 mei 2020). Geilfuss schreef het lemma in 2014 aan de hand van Engelse teksten over Van Genk, tijdens een stage bij het American Folk Art Museum (e-mail van Robert Geilfuss aan Jack van der Weide, 10 oktober 2014).

[5] Een grotere afbeelding van Urbanisme et Architecture is te vinden in Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 62-63. Van Berkum in haar bespreking van dit werk: ‘Opvallend in dit werk is de plaats die Van Genk inruimt voor de stedelijke vervoerskanalen.’ (ibid., p. 63)

[6] Dat het om een Duitse spoorweg gaat wordt aangegeven door het logo DB en de tekst DIE DEUTSCHE BUNDESBAHN WÜNSCHT IHNEN EINE AANGENEHME REISE! De tekening waaruit dit tondo is geknipt, was eveneens in 2014 in het Gemeentemuseum in Den Haag te zien.

USA

USA

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

In het interview met Bibeb uit 1964 kwamen de reiswensen van Van Genk al aan het begin ter sprake. Via Brattinga was er op dat moment uitzicht op een reis naar de Verenigde Staten in combinatie met een tentoonstelling daar, maar de kunstenaar zelf wilde eerst naar Moskou. Zwager Peter Persoon was daar geen voorstander van: ‘’t Is verstandiger eerst naar de States te gaan. De kans bestaat, als je eerst naar Moskou gaat, dat je Amerika niet meer in komt.’ [1] In een al eerder geciteerde brief aan Brattinga woog Van Genk braaf de voors en tegens van beide reisbestemmingen af, maar het was wel duidelijk waar zijn hart lag:

Nu die Amerikaanse reis had ik gaarne ’t volgend jaar gemaakt, de Amerikaanse reis kost (f 2.677) tweeduizendzeshonderdzevenenzeventig gulden hierbij zijn excursies per bus door New York en Washington (DC) bezocht wordt New York na een vermoeiende reis vol gevaren van 8 uur … per vliegtuig wordt New York (city) doorkruist per tourbus. […] New York … met zijn Hudsonrivier en negersongs en chinezenstad deze reis duurt … 20 dagen. Van New York gaat de reis naar Washington (DC) met herinneringen aan (wijlen) Kennedy en Pittsburg (hel zonder deksel) staalfabrieken, Detroit hier worden de Fordautofabrieken bezocht vervolgens Buffalo Niagara watervallen Toronto (Canada) Montreal de grote stad … met wolkenkrabbers Burlington (ook bij Boston) alles wordt per continental Trailways in de USA bereden (tourbus) En de Wereldtentoonstelling het gebouw der verenigde Naties Dit is de Amerikaanse reis, de reis gaat per KLM weer terug n. Amsterd. Geachte lezer ik had ’t liefst deze reis ’t volgend jaar gemaakt. Ik weet niet hoe die reis van de ‘Islander’ er uit gaat zien, doch 8 uur vliegen in eens wel te veel van ’t goede, er blijft altijd een risico aan. [2]

Van Genk legde de nadruk op het financiële aspect en de reisduur, maar ook zonder die twee zaken was zijn voorkeur zonneklaar.

Amerika wordt nog lange tijd uitgesteld. In november 1967 wint Van Genk de Co-op schilder- en tekenwedstrijd voor zondagsschilders, zijn prijs bestaat uit een veertiendaagse vliegreis naar de Verenigde Staten en Canada. Addy Persoon-van Genk zou hiernaar kunnen verwijzen als zij Alfred Schmela in februari 1969 schrijft: ‘Mijn broer Willem van Genk vertoeft de hele maand april in Amerika’. [3] Maar ook deze reis ging niet door, om welke reden dan ook. Nico van der Endt: ‘Een maand lang alleen op stap, niet in een groep? Misschien geen begeleiding gevonden, reis afgezegd. Dit lijkt mij het meest waarschijnlijk’. [4]

In een brief aan Dick Walda uit 1982 meldt Van Genk, als hij zijn belangrijkste levensfeiten opsomt: ‘ik heb ook een klein reisje naar de USA gemaakt (tijdens de goedkope dollar).’ [5] Dat kleine reisje vond plaats in 1980, toen Galerie Hamer deelnam aan de kunstbeurs Art Expo in New York met een solo-presentatie van kunstenaar Gorki Bollar. Art Expo werd dat jaar van 6 tot 10 maart voor de eerste keer gehouden en zou uitgroeien tot een van de grootste internationale evenementen op het gebied van beeldende kunst. Nico van der Endt:

Als Van Genk hiervan hoort, vraagt hij of hij mee mag naar New York. Na overleg met mijn vrouw en de zuster van Willem gaan wij schoorvoetend akkoord. Uit voorzichtigheid boek ik een groepsreis met vliegtuig, transfers en hotels, zodat een host of hostess ter plaatse zo nodig ook assistentie kan bieden. Van Genk wordt in een eenvoudig hotel ondergebracht in verband met zijn haarfetisjisme: een kapsalon in het hotel zou tot problemen leiden. Af en toe bel ik hem op, ook reizen we soms samen in de ondergrondse, waarin hij met verbluffend gemak zijn weg weet te vinden, wij volgen. Zelfs in deze onbekende metropool voelt hij zich als een vis in het water, zowel bovengronds als ondergronds.

Op de terugweg blijkt Van Genk een groot aantal plastic regenjassen te hebben aangeschaft, ‘zo veel, dat wij problemen vrezen bij de douane. We nemen elk een viertal jassen onder onze arm en passeren bij thuiskomst ongehinderd de douane.’ [6]

De reis maakte uiteraard indruk op Van Genk, ook in kleine zaken. Dick Walda herinnerde zich ‘dat Willem enorm drammerig sprak over een hoed die hij wilde hebben. Vond dat helemaal niet bij Willem passen. Hij had gelogeerd in New York in een hotel waar uitsluitend handelsreizigers kwamen. Het was inderdaad in de hoedentijd. Ik ben daar nooit op in gegaan.’ [7] De indrukken die hij opdeed in de ondergrondse van New York, legde Van Genk vast in een van zijn laatste werken in olieverf: ‘Het middenpaneel van […] Keleti Station is na de reis ontstaan en verbeeldt een scène uit een ondergrondse trein van New York. Een klein affiche maakt reclame voor de kunstbeurs Art Expo ‘80.’ [8]

Keletistation Budapest

Detail Keleti Station (ca. 1980-1985)

Het zal ook na deze reis zijn geweest dat Van Genk de woorden ART EXPO NY en NEW YORK C ’80 aanbracht op het middenpaneel van Collage 200 Beljon Inc. Opnieuw Nico van der Endt: ‘In 1980 reisde Willem met ons mee naar New York, waar ik de kunstenaar Gorki Bollar exposeerde op de eerste editie van “de eerste kunstbeurs” van Amerika. Onuitgesproken bleef de wens van Willem daar ook te exposeren. Tekortkoming van Nico! Beljon had dat wel kunnen regelen!’ [9]

Van Genks zuster Addy in 1964 tegen Bibeb: ‘Is dat wat voor een kunstenaar, Amerika? Is daar kunst?’ [10] Vijftig jaar later kwam het antwoord, toen in het American Folk Art Museum in New York de tentoonstelling Willem van Genk: Mind Traffic te zien was. Volgens The New York Times ging het om ‘an in-depth introduction to an outstanding artist you’ve barely heard of’, een ‘concise, electrifying survey of Willem van Genk’. [11] Het tijdschrift The Brooklyn Rail was nog enthousiaster:

Willem van Genk: Mind Traffic, the American Folk Art Museum’s current exhibition of 43 works by the Dutch artist, which range from large-scale paintings and collages, to an installation of the artist’s prized raincoats, is an historical victory, a correction of a curious oversight in the art historical annals of U.S. institutions. To pronounce an exhibition “historical” is usually an abuse of hyperbole (and a pledge that exhibitions rarely honor). Mind Traffic, however, delivers on its promises. [12]

Van Genk had het gemaakt in de VS, maar dat had wel even geduurd.


 

NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[2] Brief van Willem van Genk aan Pieter Brattinga, 25 maart 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[3] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Alfred Schmela, 12 februari 1969 (Galerie Schmela Records, Getty Research Insititute).

[4] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 30 juli 2018.

[5] Brief van Willem van Genk aan Dick Walda, 19 december 1982 (archief Dick Walda).

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[7] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 2 augustus 2018.

[8] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 45.

[9] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 8 januari 2020.

[10] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[11] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins”.

[12] Alana Shilling-Janoff , “WILLEM VAN GENK Mind Traffic”, in: The Brooklyn Rail , 3 oktober 2014.

Jassen

WvG met jas

Willem van Genk (foto: Mattheus Engel)

Nico van der Endt: ‘In 1976 organiseerde Galerie De Ark een afsluitende tentoonstelling met werk van Van Genk. Ik zou de openingstoespraak houden en Van Genk zou daarbij aanwezig zijn. Toen hij binnenstapte, keek hij mij aan en grijnsde naar me. Ik dacht “Wat wil die man van me? Heb ik iets van hem aan?” En inderdaad; dat was het geval. Ik droeg een lange plastic regenjas. Nu weet ik dat zulke jassen voor hem een speciale betekenis hadden.’ [1] De jassen, door hemzelf raincoats genoemd, namen inderdaad een bijzondere plaats in in het leven van Van Genk. Hij bezat er honderden, veelal zwart maar soms ook in andere kleuren; vaak van plastic, soms van canvas, een enkel keer van een ander materiaal. Hij zette er extra drukknopen aan, voegde knoopsgaten toe en/of bewerkte ze anderszins.

Wat te schrijven over de raincoats van Van Genk? Op allerlei manieren kan worden gezegd dat deze een fetisjistische betekenis voor hem hadden, dat hij er zich veilig in voelde, dat ze te maken hadden met zijn seksuele fantasieën en zo verder. De meeste van deze aspecten kwamen aan bod in het artikel ‘De mantelzorg van Willem van Genk’ (2014) door Eva von Stockhausen, die in 2014 een overzicht gaf van de materie rond de jassen. [2] Datzelfde jaar was er in het American Folk Art Museum in New York een grote tentoonstelling met Van Genks werk. Roberta Smith was in de The New York Times uitermate enthousiast over deze voor haar onbekende kunstenaar en besteedde aan het einde van haar recensie ook kort aandacht aan de jassen:

There were even aspects of performance art to van Genk’s creativity. The most eccentric works in the show are examples of the hundreds of heavy rubber raincoats that he scavenged, personalized with additional buttons, patches and studs and occasionally wore to feel protected and in control. They are thought to recall the leather overcoats worn by Nazis who brutally interrogated him during World War II in an effort to locate his father, a member of the Dutch Resistance. [3]

Het verhaal van de nazi’s die Van Genk ondervroegen gaat voor een belangrijk deel terug op een getuigenis van zuster Tiny. In het midden van de jaren negentig vertelt zij aan Dick Walda hoe haar vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was bij de Haagse Arbeidsinspectie, over mogelijkheden beschikte om mensen te laten onderduiken en ze aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment werd de verzetsploeg waar Jozef van Genk deel van uitmaakte, opgepakt door de Duitsers, waarbij hij als enige wist te ontsnappen. ‘Daarna zijn de Duitsers bij ons thuis geweest. Huiszoeking. We woonden toen in de Magnoliastraat en ze hebben Wim toen ook nog helemaal uitgevraagd en toegesnauwd. Wim wist natuurlijk niet waar mijn vader was.’ [4] Vervolgens vertelt Tiny over andere gebeurtenissen in het leven van haar broer en komt ze uiteindelijk ook te spreken over diens obsessie met de raincoats. Ze legt daarbij echter geen verband met de huiszoeking door de nazi’s.

Wie dat wel doet is Ans van Berkum, die in 1998 de jassen benoemt als ‘een wezenlijk onderdeel’ van het oeuvre van Van Genk: ‘Met zijn collectie jassen grijpt Van Genk terug op de cruciale ervaring uit zijn jeugd.’ Vervolgens citeert ze een bandopname van een interview dat Dick Walda in 1997 met Van Genk had. Daarin koppelt die zijn angst voor ‘jongens die je niet kent in Oost-Europa’ aan de episode van de huiszoeking: ‘dat heb ik overgehouden van de Tweede Wereldoorlog, want twee mannen van de Gestapo, die zijn bij ons geweest. […] Ik moest zeggen tegen die gasten waar die joodse jongens waren. Ze zaten me aan de pols te voelen. Ze zeiden, als je het niet zegt, dan loopt het slecht met je af.  […] Dat heb ik daarvan overgehouden. Dat ik altijd bang ben.’ [5]

Wat opvalt in zowel het verhaal van Tiny als dat van Van Genk zelf is dat er geen sprake is van fysiek geweld. In de versie van Tiny werd haar broer ‘helemaal uitgevraagd en toegesnauwd’, in diens eigen versie zaten de mannen van de Gestapo hem ‘aan de pols te voelen’, een samentrekking van “polsen” en “aan de tand voelen”. De oorlog moet een verpletterende indruk op Van Genk hebben gemaakt, de inval in zijn ouderlijk huis zal hij als extreem beangstigend hebben ervaren. Daarbij zal de Gestapo bepaald niet zachtzinnig zijn opgetreden, maar daar houdt onze kennis op en begint de interpretatie: ‘In verwarring, maar ook in diepe bewondering voor het indrukwekkende leer en de glanzende knopen, gouden tressen en speldjes, blijft hij achter. De fakkel is ontstoken’, aldus Ans van Berkum die op een suggestieve manier aspecten van de Gestapo-episode met het jassenfetisjisme probeert te verbinden. ‘Levenslang blijft Van Genk gefascineerd door de tekenen van macht die hij met die bewuste Gestapomannen kan associëren.’ [6]

Waarom nu zouden de raincoats, die al dan niet verbonden zijn met de ondervraging door de Gestapo tijdens de Tweede Wereldoorlog, een wezenlijk onderdeel vormen van het oeuvre van Van Genk? Dat ‘kunsthistorici het niet eens zijn’ over de artistieke waarde van de jassen, zoals Kees Keijer aan de vooravond van de opening van de tentoonstelling Woest schreef, is feitelijk niet waar. [7] Ans van Berkum lijkt de enige te zijn die de raincoats als een kunstzinnige uiting ziet. Haar argumenten haalt ze uit uitspraken van Van Genk zelf. In 1998 draait haar interpretatie om diens woorden ‘… ook artistiek leef je je erin uit’, samen met enkele cryptische opmerkingen van Van Genk tegenover Nico van der Endt als zou hij met de jassen “verder” zijn dan met zijn schilderijen. Als Van der Endt doorvraagt blijkt het Van Genk vooral om de rol van de jassen in zijn persoonlijke leven te gaan: hij voelt zich er veiliger door en in tegenstelling tot zijn schilderijen worden ze hem niet afgenomen. [8]

WvG + jassen

Willem van Genk en zijn jassen, ca. 1990

In haar tekst “Een vogel boven de stad” en in de documentaire Een getekende ziel (beide uit 2010) maakt Van Berkum de rol van de jassen nog belangrijker – opnieuw met het argument dat de kunstenaar dit immers zelf had gezegd. ‘“Wat nou tekeningen, collages? Die raincoats, daar ben ik veel verder in”, probeert hij telkens weer te zeggen. Er wordt zelden geluisterd.’ [9] En aan het slot van de documentaire, na een uitgebreide en deels gefictionaliseerde versie van het Gestapo-verhaal: ‘In die jassen, die hele grote verzameling ‘werkzaam’ gemaakte jassen, ligt voor Willem van Genk het belangrijkste deel van zijn oeuvre. “In die jassen ben ik veel verder in gekomen dan in mijn collages, en in mijn tekeningen, en dan in mijn installatie van trolleybussen die je voor het raam ziet staan in mijn flat … in die jassen ben ik het verst gekomen”, zei hij altijd. Maar het heeft heel lang geduurd voor het begrepen werd dat het een deel was van zijn artistieke oeuvre, van zijn zelfcreatie.’ [10]

De eerder geciteerde opmerking van Roberta Smith in de The New York Times over de jassen als een vorm van “performance art” lijkt een uiterste poging te zijn om dit vermeende onderdeel van het oeuvre een plaats te geven – al was de context waarin Van Genk de jassen droeg bepaald geen artistieke. Nico van der Endt is kort over de jassen, als hij schrijft over de verhuizing van Van Genk in 1998: ‘De talloze regenjassen worden door AvB als waardevol aangemerkt en […] in het museum opgeslagen. Zelf heb ik er moeite mee dat de jassen, die immers niet artistiek bewerkt zijn, geëxposeerd zullen worden.’ [11] Hij wordt in zijn standpunt bijgevallen door Dick Walda: ‘Kunnen de jassen in een artistiek kader geplaatst worden, zoals de trolleybussen en zijn tweedimensionaal werk? Nico van der Endt en Dick Walda vinden van niet.’ [12] Kunsthistoricus Jos ten Berge was het daarmee eens en vond het jammer dat ze tijdens Woest deel uitmaakten van de tentoonstelling: ‘De meeste regenjassen zijn verloren gegaan, maar enkele tientallen exemplaren zijn bewaard gebleven Ze hangen er, tot spijt van Jos ten Berge: “Ik vind dat dat niet tot zijn artistieke erfenis hoort. Dit is deel van zijn privéleven en hoort niet in een museum.”’ [13]

De raincoats duiken incidenteel op in het late tweedimensionale werk van Van Genk (Collage ’78, Zelfportret zwakzinnigennazorg, Kapsalon). Ook in het vroege werk zijn enigszins verhulde verwijzingen te vinden, maar daarbij moet een beschouwer oppassen om niet in elke jas of geüniformeerde persoon (politieagent, tramconducteur) een teken te zien. Meer in het algemeen past de onevenredige aandacht voor dit deel van het privéleven van Van Genk bij de onevenredige aandacht die de outsider-kunstenaar als persoon vaak krijgt in verhouding tot zijn werk. Het lijkt daarbij meer de wéns te zijn dat de jassen kunstwerken zijn dan dat daar daadwerkelijk argumenten voor worden gegeven. ‘Hij heeft het zelf gezegd’, blijft de enige troef van de voorstanders in het debat. Geen steekhoudend argument, dunkt mij.

In een korte tekst over de jassen van Van Genk stelde Valérie Rousseau, conservator van het American Folk Art Museum in New York: ‘they became a recurrent theme in his work.’ [14] Als gezegd gaat dit niet op voor het werk in de zin van het tweedimensionale werk, waar de jassen niet echt een terugkerend onderwerp vormen. Desgevraagd antwoordde Rousseau mij: ‘When I refer to his “work”, I mean his artistic practice at large, in gathering, transforming and wearing real raincoats, and not necessary in the form of a motif in his paintings.’ [15] Dit zou betekenen dat de jassen deel zouden uitmaken van Van Genks’s ‘artistic practice at large’, waarvoor echter nog steeds moeilijk argumenten te geven zijn.

Naar mijn mening bestaat er een interessante parallel tussen de manier waarop Van Genk zich verhield tot zijn jassen en de manier waarop hij zich verhield tot zijn kunst. Dit maakt de jassen zelf echter niet tot kunstwerken. Aan het einde van haar tekst schrijft Rousseau: ‘Symbols of fear, the coats are also signs of fascination with empowerment, and highlight a duality that permeates the artist’s entire oeuvre.’ Hiermee ben ik het eens: de jassen kunnen een licht werpen op de tegenstelling tussen macht en onmacht in het oeuvre van Van Genk. Ik denk echter niet dat de jassen zelf deel uitmaken van dat oeuvre.


 

NOTEN

[1] Frits Gronert, “Fascinerende ontmoetingen”, p. 22.

[2] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, in: Out of Art 9 (2014), nr. 2, pp. 15-23.

[3] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins. ‘Willem van Genk: Mind Traffic’ and ‘Ralph Fasanella: Lest We Forget’”, in: The New York Times, 4 september 2014.

[4] Dick Walda, Koning der stations, p. 35.

[5] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 29. Opmerkelijk is dat Van Genk zelf over Joodse onderduikers spreekt, terwijl Tiny daar in haar verhaal aan Dick Walda niet van rept.

[6] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 80.

[7] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”, in: Het Parool, 19 september 2019.

[8] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28; pp. 88-89.

[9] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 81.

[10] Van Berkum beweert in de documentaire ook een aantal keren dat Van Genk zijn jassen opsierde met ‘allerlei insignes’, wat niet het geval was.

[11] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 115. ‘AvB’ is Ans van Berkum, in 1998 directeur van museum De Stadshof in Zwolle.

[12] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, p. 21.

[13] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”.

[14] Valérie Rousseau, “Van Genk’s raincoat collection”, in: Willem van Genk – Mind Traffic, tent. cat. New York (American Folk Art Museum), New York 2014.

[15] E-mail van Valérie Rousseau aan Jack van der Weide, 15 januari 2020.