Rome

Rome Termini

Roma Termini | ca. 1965 | gemengde techniek op hardboard | 69 x 284 cm | The Museum of Everything, Londen

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Bibeb over Willem van Genk: ‘In zijn vrije tijd tekent hij enorme panorama’s van steden: Moskou, Berlijn, Keulen, Rome, Tokio, Wenen. […] Hij ging met reisverenigingen naar Parijs, Rome, Madrid, Kopenhagen, Keulen en Praag.’ En Van Genk zelf, ever verderop in het interview: ‘Dat is de Tiber, dat is de Engelenburcht, daar is ’t justitiepaleis in Rome. Daar ben ik geweest.’ [1] De panorama’s van Moskou, Berlijn, Keulen, Tokio en Wenen waren te zien tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964. Rome ontbrak, terwijl uit bovenstaande citaten blijkt dat de kunstenaar er in ieder geval geweest was en er waarschijnlijk ook een tekening van had gemaakt. Misschien zelfs wel meerdere – later zullen Italiaanse werken opduiken die mogelijk al begin jaren zestig zijn ontstaan. Maar van één werk weten we zeker dat het in 1964 al bestond, of in ieder geval: dat er in 1964 al een eerste versie van bestond.

Brandpunt 04a

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk aan het werk

In de reportage die Brandpunt over Van Genk maakte, zien we hem werken aan een forse tekening in het appartement van zijn zuster Willy aan de Harmelenstraat. Bibeb: ‘Nu volgt de tocht die Van Genk elke avond maakt, naar ’t huis van zijn jongste zuster. We lopen bijna een uur door een bar stuk van Den Haag, o.a. de Loosduinsekade af, en ’t is koud. […] Z’n zuster, klein, mager, nerveus, zet een elektrische kachel in de achterkamer. Van Genk legt op tafel weer andere tekeningen, ze bestaan uit grote vellen geplakte schriftblaadjes, zijn 2 tot 3 meter lang, een halve meter hoog.’ [2]

Brandpunt 04b

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk aan het werk

Wie iets weet van het werk van Willem van Genk en de beelden uit de Brandpunt-reportage ziet, kan denken: die tekening heb ik eerder gezien. En dat klopt, hij is hier onmiskenbaar bezig aan een werk dat bekend staat als Roma Termini. Het was onder meer in 1998 te zien op de tentoonstelling Een getekende wereld in museum De Stadshof in Zwolle. In de publicatie bij die tentoonstelling kreeg het werk het jaartal 1965 en de maten 69 x 284 cm. [3] Nico van der Endt verkocht het in 2000 voor fl. 50.000 aan een Zwitserse verzamelaar. Deze had het kennelijk weer doorverkocht aan de Brit James Brett, wiens Museum of Everything in 2016 een grote tentoonstelling had in de Rotterdamse kunsthal. [4] Roma Termini was daar voorlopig voor het laatst te zien op Nederlandse bodem.

Maar er is iets vreemds aan de hand. In de Brandpunt-reportage is Van Genk overduidelijk bezig om met een kroontjespen en inkt op papier te tekenen, terwijl Roma Termini is uitgevoerd in olieverf op board. Desalniettemin lijkt het wel degelijk om dezelfde afbeelding te gaan. Nico van der Endt desgevraagd: ‘Wat denk je van deze theorie: hij tekende in of voor 1964 zoals op de still. De tekening is verloren gegaan en hij schilderde er (daarom) nog een op boardplaten. Hij zag er nooit tegenop zichzelf eens te herhalen, is het niet?’ [5] Zoiets kan het inderdaad zijn geweest: een versie op papier en aan de hand daarvan (uit het hoofd of met de tekening voor zich) een kopie op board, toen Van Genk was overgestapt van Oost-Indische inkt op olieverf.

IMG_0001

Detail achterzijde Roma Termini

De afbeeldingen in Een getekende wereld uit 1998 laten zien dat de achterkant van Roma Termini nog heel erg veel informatie bevat – over vooral Rome, maar ook Bergen op Zoom en Brussel worden onder meer genoemd. Intrigerend zijn de brieven die in hun geheel zijn opgeplakt maar die op de foto helaas onleesbaar zijn. Wel te zien is dat Van Genk het werk ook zelf betitelt als Roma Termini of Roma – Stazione Termini. Voer voor kunsthistorisch onderzoek.


NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier’, pp. 111-112.

[2] Ibidem, p. 118.

[3] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 120-121.

[4] ‘Het is James Brett, hij komt uit Londen, zwijgt over zijn leeftijd, maar is geboren in 1967 en sinds een jaar of vijf is hij de baas van zijn eigen museum: The Museum of Everything. Dat is geen gebouw met kunst erin waar je tegen betaling naar mag komen kijken. Zijn museum is een rondreizend circus, waarmee hij langs musea in Parijs, Moskou en Venetië trekt om het werk te laten zien van kunstenaars die officieel geen kunstenaar mogen heten. De kunstenaars van het Museum of Everything zijn solisten en autodidacten. Buitenstaanders zijn het, zonderlingen soms, of om het aardiger te zeggen, zelfstandigen. Walter Potter, die met zelf opgezette katjes en eekhoorntjes een theekransje inrichtte. Of Willem van Genk; wereldvreemde kluizenaar die zijn angsten en zorgen vertaalde in potloodtekeningen.’ (Rinkskje Koelewijn, “Niemand is normaal”, in: NRC Handelsblad, 20 februari 2016) Voor de verkoop in 2000, cf. Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 121.

[5] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 7 oktober 2019.

Leningrad

Leningrad II

Leningrad | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 72 x 91 cm | coll. Galerie Hamer, Amsterdam | foto: Clemens Boon, Amsterdam

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 waren 27 werken van Willem van Genk te zien. De kleine tentoonstellingscatalogus werd voor het grootste deel gevuld met een tekst van Joop Beljon – ‘het wilde geschrijf van Beljon’, om met Bibeb te spreken. [1] Pas op de laatste pagina staat een lijst met de geëxposeerde werken. Steeds gaat het om de naam van een stad, met daarbij de afmetingen van het werk in kwestie in zowel centimeters als inches. Negen van de 27 werken dragen de naam Mockba, vijf heten Amsterdam. Elk twee keer komen voor Tokyo, Köln en Leipzig, elk één keer Paris, Frankfurt am Main, Antwerpen, Berlin, Arnhem, Den Haag en Wien.

Ondanks deze schaarse informatie is het mogelijk om de meeste van de Hilversumse werken thuis te brengen. Daarbij dient de informatie uit de catalogus te worden gecombineerd met enkele foto’s die van de expositie zijn gemaakt, de beelden uit Brandpunt en het filmpje van Har Oudejans, teksten over de tentoonstelling, latere afbeeldingen en zo nog het een en ander. Dan blijkt onder meer dat de samensteller van de catalogus – Pieter Brattinga – niet altijd even zorgvuldig is geweest. De gegevens over het eerste werk tonen meteen al enkele zwakke plekken:

1    Mockba  . . . . . .  80 x 64 cm | 31½” x 25¼”

De spelling ‘Mockba’ was een poging om het Cyrillische МОСКВА = Moskou weer te geven. Een foto van Eddy de Jongh, kennelijk gemaakt tijdens het bezoek dat Van Genk met Bibeb bracht aan de tentoonstelling, laat de eerste vier werken uit de catalogus zien. [2] Nummer 1 is duidelijk het hierboven afgebeelde werk, dat echter niet Moskou maar Leningrad voorstelt. Ook de maten kloppen niet: de tekening meet in werkelijkheid 72 x 91 cm.

Een fraaie reproductie van het werk is te zien in het boek Nederlandse naïeve kunst uit 1979. [3] Het boek was gekoppeld aan een tentoonstelling in Slot Zeist bij Utrecht met werk van veertien kunstenaars wier werk als (enigszins) naïef kon worden beschouwd. Een jaar eerder had Nico van der Endt de tekening al verkocht aan een Amsterdamse kunstverzamelaar voor fl. 4.0000 tijdens de tentoonstelling Winterexpositie van naïeven uit binnen- en buitenland[4] Van der Endt zou het werk later weer terugkopen.

Leningrad I (800x603)

Leningrad | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 60 x 80 cm | coll. De Ruuk, Amsterdam | foto: Galerie Hamer, Amsterdam

En er was in Hilversum nog een tweede stadsgezicht van Leningrad te zien. Catalogusnummer 25, opnieuw aangeduid als Mockba, stelt eveneens Leningrad voor. De laatste tien werken in de catalogus zijn moeilijker te identificeren, omdat er geen foto’s of filmbeelden van zijn. De tentoonstellingsruimte omvatte waarschijnlijk drie muren met werk, van de derde muur zijn geen opnames bekend. Juist bij nummer 25 komt de catalogus echter te hulp, door bij wijze van uitzondering een afbeelding af te drukken. Nico van der Endt verkocht de tekening in 1985 aan een Amsterdamse verzamelaar voor fl. 4.500. [5]

Knipsel

Still uit Ver van huis (1997) – de heer De Ruuk toont zijn Leningrad

Beide stadsgezichten van Leningrad zijn te zien tijdens de lopende tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum, zij het niet naast elkaar. Wel naast elkaar staan ze in de catalogus, maar daar is nummer 1 uit Hilversum helaas in spiegelbeeld afgedrukt. Na Amsterdam reist de tentoonstelling door naar Lausanne en … Sint-Petersburg, het voormalige Leningrad. De twee stadsgezichten zullen daar vermoedelijk extra aandacht krijgen, dus misschien kan de indeling van de tentoonstelling daarop worden aangepast.


NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[2] ‘Twee dagen later. Wim van Genk en ik in de restauratiewagen van de trein, naar Utrecht. We zijn op weg naar Van Genks tentoonstelling in Hilversum.’ (Ibidem, p. 121) De foto is hier te zien (geraadpleegd op 9 november 2019); de vrouw rechts is Bibeb. Het kostte overigens enige moeite om de foto’s van Eddy de Jongh, waarvan bekend was dat ze bestonden, op te diepen uit de collectie van het Nederlands Fotomuseum: de naam van de kunstenaar ontbreekt, de foto’s zijn gelabeld ‘schilder den haag’. (Met dank aan Jos ten Berge.)

[3] Joop Bromet en Nico van der Endt, Nederlandse naïeve kunst, Venlo 1979. Leningrad is afgebeeld op p. 33. Een beschouwing over Van Genk is te lezen op pp. 34-38.

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41.

[5] Ibidem, p. 51. De tekening was daarna te zien tijdens verschillende tentoonstellingen, onder andere Vijf x vijf in Rhoon (december 1989 / januari 1990).

Oudejans

Oudejans collage WFH

Collage van stills uit het filmpje van Har Oudejans – W.F. Hermans verdiept zich in het werk van Willem van Genk

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

W.F. Hermans opende op 18 januari 1964 de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid bij Steendrukkerij De Jong en Co. in Hilversum. In september 2014 vertelde Nico van der Endt mij dat hij een filmpje op het spoor was met beelden van de opening. Hij had contact gehad met een oudere dame uit Schoorl, wier echtgenoot in de jaren zestig als amateurfilmer de openingen van een aantal tentoonstellingen bij Steendrukkerij De Jong & Co. had vastgelegd, waaronder die van Willem van Genk.

Een paar weken later had ik het filmpje in handen. Het was blijkens de eerste beelden gemaakt door ‘H.Th. (Har) Oudejans, architect te Amsterdam’ en duurde iets minder dan drie minuten. Na enkele shots van het tentoonstellingsaffiche zien we Hermans samen met de andere aanwezigen de geëxposeerde werken bekijken. Het filmpje heeft geen geluid, de kijker kan dus niet horen wat er wordt gezegd. Na ongeveer een minuut verschuift de aandacht naar wat een receptie lijkt en nu verschijnt ook Willem van Genk in beeld. Hermans onderhoudt zich met hem, Van Genk is een aantal malen pratend te zien. Ook eet hij een blokje kaas.

In juni 2019 stuurde ik een kort tekstje over Hermans en Van Genk, waarin ik het filmpje van Har Oudejans noemde, naar het tijdschrift De God van Nederland van Bob Polak. [1] Polak was enthousiast, gaf aan mijn tekst graag te plaatsen en meldde dat hij op de stills die ik had meegestuurd publicist H.J.A. Hofland meende te ontwaren. Hij had gelijk – ook Hofland was dus bij de opening. Naspeuringen leerden dat hij ten tijde van de tentoonstelling werkzaam was voor het Algemeen Handelsblad, waar Hans Redeker verantwoordelijk was voor de kunstredactie. Redeker werd korte tijd later een verklaard bewonderaar van Van Genk en publiceerde een uitgebreid stuk over de Hilversumse tentoonstelling in het Algemeen Handelsblad[2] Of het Hofland was die Redeker had getipt of vice versa, is niet bekend.

Oudejans collage 04-15

Collage van stills uit het filmpje van Har Oudejans – W.F. Hermans spreekt met Willem van Genk

Filmer Har Oudejans (1928-1992) bleek daarnaast iets minder onbekend te zijn dan ik aanvankelijk had gedacht: samen met Constant Nieuwenhuys, Armando en Ton Alberts had hij eind jaren vijftig de eerste proclamatie van de Nederlandse afdeling der Internationale Situationisten ondertekend. Oudejans was getrouwd geweest met dichteres Mischa de Vreede. Bob Polak herinnerde zich na wat heen en weer gemail dat hij het filmpje al ooit had gezien: ‘Ik zie dat we (redacteur Dirk Baartse en ik van Hermans-magazine) in 2004 op bezoek zijn geweest bij Mischa de Vreede in Camperduin en toen al dat filmpje met Willem van Genk hebben mogen bekijken. Zij bezit dus dat filmpje.’ En inderdaad, in het bewuste nummer van het Hermans-magazine staat een kort verslag van de filmvoorstelling bij Mischa de Vreede:

Maar wij zijn vooral ook uitgenodigd om een bijzonder 8 mm-filmpje te komen bekijken. Het gaat om opnamen die haar toenmalige echtgenoot Har Oudejans op 18 januari 1964 maakte van de opening van de tentoonstelling van beeldend kunstenaar Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co in Hilversum. Van Genk was autistisch en had een fascinatie voor drukke steden. Zijn werken zijn tot de rand toe gevuld met gebouwen, neonreclames, auto’s, trams, treinen en af en toe een mens. Hermans opende de tentoonstelling met een toespraak getiteld ‘De werkelijkheid van Willem van Genk’.

We zien op het filmpje (zwart-wit, geen geluid) een opvallend ontspannen Hermans, die lacht en zich tamelijk soepel beweegt. Als hij met de kunstenaar staat te praten, zwaait hij met zijn rechterarm, waarin een leeg wijnglas, breed door het beeld. De kunstenaar zelf lijkt verloren tussen zoveel mensen. Zijn gelaatsuitdrukking is steeds star, argwanend, we zien hem nooit iets zeggen. Onder de vele aanwezigen herkennen wij een jonge, nieuwsgierige Henk Hofland. Mischa de Vreede weet nog de meeste namen van de bekende Nederlanders op de opening op te noemen. Maar vaak moet ze eraan toevoegen: Die is inmiddels dood, die ook en die leeft geloof ik ook niet meer. Al met al een uniek tijdsbeeld dat het verdient om in bredere kring te worden uitgezonden. [3]

Na dit te hebben gelezen stuurde ik onmiddellijk een mailtje naar Mischa de Vreede, ik was onder meer erg benieuwd naar die ‘bekende Nederlander op de opening’. Een reactie bleef echter uit.

Knipsel

Boekenbal  24 februari 1961. De jonge vrouw linksonder is Mischa de Vreede.  Rechtsboven met sigaret Har Oudejans.

Een jaar geleden gaf ik een kopie van het filmpje van Oudejans aan curator Ans van Berkum van de tentoonstelling Woest, na eerst bij Nico van der Endt te hebben geïnformeerd of het mocht worden gebruikt. Dat mocht. Het is nu inderdaad te zien aan het begin van de tentoonstelling, zij het zonder enige informatie over de inhoud of herkomst. Korrelige beelden van Van Genk zijn kennelijk voldoende.


NOTEN

[1] Jack van der Weide, “In een web gevangen zoals iedereen (2)”, in: De God van Nederland 19 (2019), pp. 50-51.

[2] Hans Redeker, “In de fijn dichtgekrabbelde volte”, in: Algemeen Handelsblad, 22 februari 1964.

[3] “Van onze verslaggever Tom van ’t Hoff”, in: Hermans-magazine 13 (2004), nr. 52, p. 127.

Woest

Merchandise 009 (800x512)

Deze blog gaat over Willem van Genk. Over de persoon, maar vooral over het werk. Directe aanleiding was de grote Van Genk-tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum in Amsterdam – kijk, daar heb je het al, je kunt geen drie zinnen over Van Genk schrijven of het woord ‘outsider’ duikt op. En dat is meteen ook het probleem: eens een outsider, altijd een outsider. Zelfs de grootsten onder de kunstenaars wier werk onder de outsider art wordt geschaard (naast Van Genk bijvoorbeeld ook Adolf Wölfli of Henry Darger) krijgen het etiket eigenlijk nooit meer afgeschud. Is dat een probleem? Ik denk van wel. Het plaatst de kunstenaar, en daarmee diens kunst, in een bepaalde hoek. Een hoek die een serieuze beschouwing van het werk in de weg staat en die ervoor zorgt dat er altijd een niet meer te slechten muur komt te staan tussen dat werk en de reguliere kunst.

In het geval van Willem van Genk (of van Wölfli, of van Darger) ligt de nadruk op diens vermeende verstandelijke beperkingen. Gevolg is dat men het gerechtvaardigd vindt om een tentoonstelling te maken die ‘een reis door zijn hoofd’ heet te zijn, waarbij het hele oeuvre chronologisch ongedifferentieerd door elkaar komt te hangen. Alsof Van Genk tientallen jaren lang tegelijkertijd bezig was met het schilderen van overvolle drieluiken, het in elkaar knutselen van trolleybussen, het tekenen van gedetailleerde stadsgezichten, het maken van collages en zo nog het een en ander, gehuld in een zwarte regenjas terwijl hij aan één stuk door kapsalons bezocht. Daar valt veel over te zeggen en dat gaat in deze blog ook gebeuren, als de omstandigheden dat toelaten.

Woest, heet de tentoonstelling in Amsterdam. ‘Kunstenaar Willem van Genk was een leven lang woest’, kopte Trouw naar aanleiding van de tentoonstelling. [1] Nadere beschouwing leert dat dit een citaat is van de Belgische modeontwerper Walter Van Beirendonck, die de tentoonstelling vormgaf (en niet, zoals Trouw schrijft, maakte). In zijn woorden: ‘Van Genk wordt nauwelijks getoond in gewone musea, al heeft hij in zijn leven best wel erkenning gekregen. Maar niet altijd de goede. Ik wil hem uit de probleemhoek halen.’ Van Beirendonck spreekt consequent over ‘Willem’, noemt de kunstenaar te pas en te onpas een soulmate en duwt hem, zijn eigen woorden ten spijt, nog even een flink stuk vaster in de door hem genoemde probleemhoek. De modeontwerper zegt uitgebreide research te hebben gedaan. Hij denkt het een en ander te weten over de trauma’s, obsessies en fetisjen van Van Genk, maar voor wat het werk betreft lijkt hij niet te worden gehinderd door enige kennis van zaken.

Want hoe woest was Willem van Genk? Begin jaren zeventig ontstond een aantal werken in olieverf die de kunstenaar, zo zou hij later tegenover zijn galeriehouder Nico van der Endt verklaren, ‘woedend’ had geschilderd. [2] Dit corpus beslaat ongeveer vijf werken. Voor de overgrote rest van zijn oeuvre – vroege tekeningen, stadsgezichten, collages op papier en board, driedimensionale trolleybussen, late tekeningen – is het epitheton ‘woedend’ bepaald niet van toepassing, laat staan ‘woest’. Het werk is indrukwekkend, intrigerend, apart, vaak druk, soms overweldigend, maar woest? Woest is wellicht het werk van Karel Appel, van Jackson Pollock, heel misschien van Vincent van Gogh. Niet dat van Willem van Genk.

xxx

Catalogus Woest, rechts het oorspronkelijke ontwerp

Kijken we naar de persoon Van Genk dan waren ook aan hemzelf weinig woeste trekken te bespeuren. Hij was een ietwat schlemielige man met een hondje, een eenzame zonderling om wie veel mensen met een boogje heen liepen – zie de foto op pagina 1 van de catalogus. [3] Soms betrad hij een kapsalon waar hij zich voor de aanwezigen ontblootte, later was hij af en toe een scharrelaar in vuilnisbakken. Hij was tegelijkertijd bang voor én gefascineerd door heel veel zaken, gebeurtenissen, personen en verschijnselen. Maar woest? Dick Walda en Nico van der Endt hebben hem goed gekend, waren (voor zover dat mogelijk was) met hem bevriend. Geen van beiden typeert hem in de verste verte als woest.

Belangrijker nog dan wat wie dan ook vindt, is dat Willem van Genk met de tentoonstellingstitel weer een etiket krijgt opgeplakt. In de jaren vijftig werd hij als onvolwaardig beschouwd. Toen hij in 1964 eindelijk een eigen tentoonstelling kreeg en even in de belangstelling stond, werd hij in de media als geestelijk gestoord weggezet. Vanaf het midden van de jaren zeventig bleek hij steeds beter te passen in het hokje van art brut en outsider art. Het legde hem geen windeieren, maar de kans om naam te maken als regulier kunstenaar was verkeken. Zoals ik hierboven al stelde: eens een outsider, altijd een outsider.

Het is tekenend dat de vorige grote Van Genk-tentoonstelling, in 1998 in Zwolle, te zien was in De Stadshof, toentertijd een museum voor naïeve en outsiderkunst. Anno 2019 is het Outsider Art Museum de gastheer. Het museum laat volgens de eigen website ‘verrassende, niet-gepolijste kunst zien van mensen met een bijzondere achtergrond’ – een mooie reeks eufemismen, waarmee men echter niet kan (en waarschijnlijk ook niet wil) verhullen dat de persoon van de kunstenaar het doorslaggevende criterium vormt. Maar die kunstenaars zijn niet gek, ze zijn bijzonder! En heel soms zijn ze woest. Of juist niet.

 


NOTEN

[1] Joke de Wolf, ‘‘Kunstenaar Willem van Genk was een leven lang woest’’, in: Trouw, 24 september 2019.

[2] Nico van der Endt, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking, Eindhoven 2014, p. 25.

[3] Deze afbeelding was aanvankelijk bedoeld om op het omslag van de catalogus te komen, blijkens de eerste advertenties van uitgeverij Lannoo. Later werd gekozen voor een portret van Van Genk die ietwat verward voor zich uitkijkt terwijl uit zijn hoofd details uit zijn werk lijken te barsten: een zeppelin, een kerk, een treinstation, de staart van een vliegtuig en zo verder. Aan de basis van die afbeelding ligt een foto van Nico van der Endt en een tekening die enkele jaren geleden op internet te zien was. De tekening is inmiddels verdwenen.