Voorburg

Hoek Van de Wateringlaan/Van Wassenaerstraat in Voorburg. Op de benedenverdieping no. 25, het woon/winkelpand van het gezin Van Genk. Foto: Google Street View, april 2019

Het gezin van Jozef van Genk woonde tussen 1925 en 1939 in Voorburg, waar in 1927 zoon Willem werd geboren. Tot nog geen jaar geleden moesten we het voor wat betreft deze periode in het leven van de kunstenaar voornamelijk doen met de verhalen van zus Tiny, via de filters van Dick Walda en Ans van Berkum. De afgelopen maanden wist ik mondjesmaat gegevens boven water te krijgen die iets meer duidelijkheid schiepen over onder andere het tweede huwelijk van Jozef van Genk en de uiteindelijke verhuizing terug naar Den Haag. Recentelijk spoorde Jan Vellekoop in het Gemeentearchief in Den Haag een setje gezinskaarten op dat het bestaande beeld van de Voorburgse jaren aanzienlijk verscherpt.

Jozef en Maria van Genk verhuisden in juni 1925 van Den Haag naar Voorburg. Jozef was op dat moment 37 jaar oud, zijn vrouw 42 en er waren negen dochters, in de leeftijd van elf tot een. Het gezin kwam te wonen op het adres Van de Wateringelaan 25, een woon/winkelpand op de hoek met de Van Wassenaerstraat, waar op 1 september Van Genk’s Fruithandel officieel werd geopend. [1] Anderhalf jaar later, toen Maria van Genk op het punt stond opnieuw te bevallen, gingen dochters Leny (12), Nora (10), Jacqueline (8), Riet (7) en Agnes (6) naar het (uiteraard Rooms-katholieke) internaat Duinzigt in Oegstgeest, dat naast een kleuterschool en een lagere school ook een zevende en een achtste leerjaar kende. Oudste dochter Tiny (13) volgde begin juni, waarschijnlijk had zij tijdelijk de huishoudelijke taken van haar moeder opgevangen na de geboorte van Willem op 27 april. Ook Isabella (5) vertrok in september naar Oegstgeest, aan het begin van een nieuw schooljaar. Willy (4) en Addy (10) bleven daarmee als enige meisjes in Voorburg – Willy waarschijnlijk omdat zij nog te jong was, Addy mogelijk vanwege haar zwakke gezondheid. [2]

Eind juli 1929 keerden Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella uit Oegstgeest terug naar Voorburg; Nora volgde op 7 augustus. Half september vertrok Nora met Addy en Willy, die nog nooit van huis waren geweest, naar een kostschool in Leuven. Een maand later volgden de andere zes zusjes. Alle negen dochters waren daarmee het huis uit, alleen Willem woonde nog bij zijn ouders. In januari 1931 schreef Jozef van Genk de eerder geciteerde brief aan zijn dochters in België, waar alleen Nora niet goed haar best leek te doen: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld.

Op 25 november 1932 overleed Maria van Genk-Hoogstraten op 49-jarige leeftijd. Twee maanden later werd Van Genk’s Fruithandel opgeheven. [3] In februari 1933 keerden Tiny (19), Nora (16) en Jacqueline (14) na meer dan drie jaar vanuit Leuven terug naar Voorburg: de oudste dochters minus Leny en Addy, die in België bij de vier jongsten bleven. Kort daarvoor was Jozef van Genk verhuisd naar Van Aremberglaan 157 – het woon/winkelpand aan de Van de Wateringelaan, een paar honderd meter verderop, moest immers worden verlaten. Ook Addy (16) keerde begin augustus terug uit België, zij had kennelijk eerst het lopende schooljaar afgemaakt.

In 1934 leek Jozef van Genk een nieuw begin te (willen) maken. Op 9 mei trouwde hij in Den Haag op 46-jarige leeftijd met de 39-jarige weduwe Maria Heesen, wier zoon Herman (11) met haar meekwam naar Voorburg. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin van Genk naar Van Aremberglaan 86, tegenover de vorige woning aan Van Aremberglaan 157 waar ze slechts anderhalf jaar hadden gewoond. Dochter Riet (14) keerde eind september uit België terug naar huis; op het nieuwe adres woonden daarmee op dat moment negen personen. In april 1934 werden dat er tien, toen ook Maria Heesens dochter Christina (16) vanuit Enschede naar Voorburg kwam, waar ze een week later haar zeventiende verjaardag vierde. Haar verblijf was kennelijk geen succes, want nog geen zes weken later ging ze al weer terug naar Enschede.

Op 5 juni 1935 verscheen er een advertentie in de Haagsche Courant: ‘TUINMAN biedt zich aan voor het snoeien van fruitboomen, zomersnoei. Adres: J. van Genk, v. Aremberglaan no 86, Voorburg.’ Tiny zou later spreken over haar vader als eigenaar van een chocolaterie die daarna ging werken bij de Arbeidsinspectie in Den Haag. [4] De datum van die overstap is onduidelijk, maar op de kaarten van Voorburg wordt Jozef van Genk uitsluitend aangeduid als ‘fruithandelaar’. In ieder geval was de winkel al vanaf 1933 niet meer zijn eigendom en kluste hij kennelijk bij als tuinman – dat een fruithandelaar verstand had van fruitbomen, lag voor de hand. Drie jaar later bood hij zijn diensten nog steeds aan: ‘TUIN IN ORDE? Uw tuin één stukje natuurschoon. Advies gratis. Aanleg en onderhoud door vakman. Aanbev., JOS M VAN GENK’. [5]

V.l.n.r. Tiny, Leny en Nora van Genk, jaren dertig

In september 1935 vertrok de inmiddels jongvolwassen Nora (19) naar Naaldwijk. Haar nieuwe adres daar, Heerenstraat 1, was dat van haar ooms Arie en Jan Hoogstaten, twee ietwat zonderlinge maar zeer welgestelde broers van haar moeder die in Naaldwijk meerdere panden bezaten. Diezelfde maand ging Herman van Vlaardingen naar het internaat van de Kruisvaarders van St. Jan in Rijswijk, enkele dagen na zijn dertiende verjaardag. Hij zou niet meer naar Voorburg terugkeren. Het nu iets kleinere gezin Van Genk verhuisde opnieuw, dit keer naar Van Alphenstraat 93. Begin oktober vertrok Addy (18) naar haar oom en tante Van der Ouderaa in Bergen op Zoom. [6]

In maart 1936 keerden nog drie dochter terug uit België: Agnes (15), Isabella (14) en Willy (12) hadden zesenhalf jaar in Leuven gewoond. Leny hield het tot 1938 vol en was drieëntwintig toen ze terug naar Voorburg kwam. Dit suggereert dat zij al bezig was met haar voorgenomen intrede als kloosterlinge. In juni 1936 verhuisde Maria Heesen naar De Bilt; haar huwelijk met Jozef van Genk was kennelijk al na twee jaar officieus voorbij. In het najaar ging ook Tiny bij haar familie in Naaldwijk wonen, terwijl Addy in het voorjaar van 1937 juist weer terugkeerde naar Voorburg.

Begin 1939 gingen Addy en Jacqueline samen op kamers wonen op een adres in het centrum van Den Haag. [7] Een maand later vertrok Willem naar het internaat in Harreveld, waarna Jozef van Genk met zijn dochters Leny (23), Riet (19), Agnes (18), Isabella (17) en Willy (15) verhuisde naar Magnoliastraat 10 in Den Haag. Hier stoppen de gegevens op de gezinskaarten en zijn (vanuit die bron) de bewegingen van de Van Genks niet meer te volgen. Mogelijk voegden Addy en Jacqueline zich korte tijd later bij het gezin – in de Haagsche Courant stond op 1 juli 1939 een advertentie voor onder andere een ‘zo goed als nieuw, 2-persoons opklapbed’, met als adres Westeinde 195. De verhuizing van Voorburg naar Den Haag had mogelijk te maken met Jozefs nieuwe baan bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Een jaar later kwam ook Willem vanuit Harreveld weer naar huis. [8]


NOTEN

[1] Volgens de oude gezinskaart van Den Haag vertrokken de Van Genks naar het adres Van Heurnstraat 87 in Voorburg, volgens de gezinskaarten van Voorburg was het eerste adres in die gemeente Van de Wateringelaan 25. Het Handelsregister Zuid-Holland geeft 1 september als de officiële vestigingsdatum van ‘Van Genk’s Fruithandel – winkel in groenten en fruit, Van Wateringelaan 25 in Voorburg’.

[2] Volgens Tineke Dietvorst, dochter van een neef van de kinderen Van Genk, was Addy ‘heel fragiel’ (interview met Pierre en Tineke Dietvorst, 17 oktober 2018).

[3] In het Handelsregister Zuid-Holland staat op het document met oprichtingsgegevens de opmerking: ‘Handelszaak Januari 1933 opgeheven’. Een separaat document geeft aan dat Van Genk’s Fruithandel op 29 september 1933 formeel van eigenaar wisselde.

[4] Walda, Koning der stations, p. 31.

[5] Haagsche Courant, 22 november 1938.

[6] Willem was bij deze tante en oom opgevangen na het overlijden van zijn moeder, maar zijn woonplaats werd voor dit verblijf niet aangepast op de gezinskaarten.

[7] Het adres is Westeinde 195. In de Haagsche Courant staan rond deze tijd voortdurend advertenties voor woonruimte op dit adres, onder andere op 2 februari: ‘TE HUUR nette gemeubil. zit-sl.-kamer voor 2 personen, ƒ 4 per week.’

[8] De precieze data:

  • 19 juni 1925 – verhuizing vanuit Den Haag naar Van de Wateringelaan 25 in Voorburg
  • 28 februari 1927 – Leny, Nora, Jacqueline, Riet en Agnes vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 3 juni 1927 – Tiny vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 16 september 1927 – Isabella vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 27 juli 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 7 augustus 1929 – Nora vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 14 september 1929 – Nora, Addy en Willy vanuit Voorburg naar Leuven
  • 12 oktober 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Voorburg naar Leuven
  • 2 februari 1933 – verhuizing (Van Aremberglaan 157)
  • 16 februari 1933 – Tiny , Nora en Jacqueline vanuit Leuven naar Voorburg
  • 4 augustus 1933 – Addy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 8 mei 1934 – Herman van Vlaardingen vanuit Renkum naar Voorburg
  • 5 juni 1934 – verhuizing (Van Aremberglaan 86)
  • 28 juni 1934 – Maria Heesen vanuit Den Haag naar Voorburg
  • 28 september 1934 – Riet vanuit Leuven naar Voorburg
  • 13 april 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Enschede naar Voorburg
  • 25 mei 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Enschede
  • 5 september 1935 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 10 september 1935 – Herman van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Rijswijk
  • 11 september 1935 – verhuizing (Van Alphenstraat 93)
  • 1 oktober 1935 – Addy vanuit Voorburg naar Bergen op Zoom
  • 5 maart 1936 – Agnes, Isabella en Willy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 25 juni 1936 – Maria Heesen vanuit Voorburg naar De Bilt
  • 22 augustus 1936 – Tiny vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 14 april 1937 – Addy vanuit Bergen op Zoom naar Voorburg
  • 26 augustus 1938 – Leny vanuit Leuven naar Voorburg
  • 6 oktober 1938 – Nora vanuit Naaldwijk naar Voorburg
  • 17 januari 1939 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 15 maart 1939 – Addy en Jacqueline vanuit Voorburg naar Den Haag
  • 27 april 1939 – Willem vanuit Voorburg naar Harreveld
  • 28 juli 1939 – Jozef van Genk, Leny, Riet, Agnes, Isabella en Willy van Voorburg naar Den Haag

Vader en kinderen

Jozef van Genk (vermoedelijk 1958) (1024x649)

Jozef van Genk met twee van zijn kleinkinderen, voorjaar 1958

Het is moeilijk om verifieerbare informatie te vinden over de eerste decennia van het leven van Willem van Genk. Zelf was hij als bron verre van ideaal, zijn notities en opmerkingen hadden eigenlijk altijd een vorm van interpretatie nodig. Dick Walda was vanaf de jaren tachtig degene die een begin maakte met het in kaart brengen van Van Genks verleden, maar hij had daarbij vrijwel geen basisgegevens tot zijn beschikking. Wanneer Van Genk het tegenover Walda bijvoorbeeld had over ‘de weduwe van Von Ribbentrop en Arthur Schmelage’ die werk van hem zouden hebben, dan kunnen deze namen pas later worden thuisgebracht. [1] Met ‘Arthur Schmelage’ doelde hij waarschijnlijk op Alfred Schmela, de Duitse galeriehouder die in de jaren zestig enkele werken van hem had verkocht maar er, voor zover bekend, zelf geen bezat. Een van de klanten van Schmela was inderdaad Anneliese von Ribbentrop (1896-1973), de weduwe van de Duitse minister van buitenlandse zaken in nazi-Duitsland. [2]

Een belangrijke informant voor Walda, en later ook voor de makers van Een getekende wereld (1998), was Tiny van den Heuvel-van Genk, de oudste zuster van de kunstenaar. Ze kreeg van Walda in diens boek Koning der stations een eigen hoofdstuk, waarin ze ook vertelt over de jeugd van de kinderen Van Genk in het algemeen en haar broer in het bijzonder. Fragmenten uit de gesprekken die Ans van Berkum daarna met Tiny hield, kwamen recentelijk beschikbaar op de website van Theo Faber. [3] Daaruit viel onder meer op te maken dat ook in het geval van Tiny vaak enige interpretatie nodig was, zij het minder dan bij haar broer. Vreemd is dat uiteraard niet, als je bedenkt dat het herinneringen aan zaken van vijftig tot zestig jaar geleden betreft. Tiny’s woorden waren misschien niet altijd naar de letter nauwkeurig, maar meestal wezen ze wel in de goede richting.

Tiny vertelde tegen Walda terzijde over de kostschool waar zij en haar acht zusjes door haar ouders onder waren gebracht:

Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. Het katholieke internaat in Leuven heette ‘Ecole du Commerce’. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden. […] Ik was de oudste en had ook nog eens de zorg voor de kleintjes. Twee van mijn zusjes, die het meeste heimwee hadden, kwamen na verloop van tijd weer terug in Voorburg’. [4]

Waar het internaat in Leuven niet door mij kon worden getraceerd, kreeg ik wel van een van de kleindochters van Jozef van Genk een brief ter inzage die hij in januari 1931 aan zijn dochters in Leuven schreef.

In de brief is vader Van Genk niet al te lang van stof, maar hij getroost zich duidelijk wel moeite om al zijn dochters ook even individueel aan te spreken: ‘Zeg Wilhelmientje hebt ge braaf gebeden, jongens wat een groote meid al en mooie punten, maar Isabella ook hoor, en Agnes hewel meske, kunde gij al Vlaamsch klappen’, en zo verder. Ze doen goed hun best en hebben bijna allen een mooi kerstrapport, op Nora na. Addy en Jacqueline blijken de twee zusjes te zijn die met heimwee weer naar huis mochten, ze woonden ten tijde van de brief echter niet in Voorburg maar in Bergen op Zoom. Hun broertje was de enige van de tien kinderen die bij zijn ouders in Voorburg was. Wat Jozef van Genk over hem aan zijn dochters vertelde, biedt een zeldzame blik op de dan driejarige Willem van Genk:

Oh ja, jullie dachten aan Willem, nu dat is een echte kwajongen geworden, een deugniet in hooge mate. Wanneer hij een koekje van mama krijgt zegt hij dank u wel papa, het is immers volgens hem van papa’s centen! Geen kind in den winkel, mag ergens aanraken, hij slaat erop. Vorige week was hij op straat met twee grootere  jongens aan het rollen, ze hadden wat afgepakt. Hij weet al hoe oud hij is, waar hij woont, en is mama’s kleine jongen, niet van papa! [5]

De verleiding is groot om op grond van dit korte portret te gaan psychologiseren en eigenschappen van de oudere Willem terug te lezen in de woorden van zijn vader. In ieder geval dient in aanmerking te worden genomen dat het gaat om een beschrijving van een vader aan zijn dochters in de leeftijden van acht tot zestien jaar, waarbij hij ook nog eens – mogelijk: ondanks alle problemen – trots was op zijn enige zoon.

17b - Jenny

Maria Heesen, jaren veertig

Maria van Genk-Hoogstraten overleed in november 1932 en Jozef van Genk hertrouwde in mei 1934 met Maria Heesen, wier roepnaam ‘Jenny’ was. [6] Over deze verbintenis is weinig bekend, door latere generaties werd het huwelijk doodgezwegen. Hoe het daarna met de kinderen van Jozef van Genk verliep, is eveneens onduidelijk. In het Dagblad van Noord-Brabant werd op 19 oktober 1935 melding gemaakt van de verhuizing vanuit Voorburg van A. van Genk naar Zuivelstraat 11 in Bergen op Zoom – dit was Addy van Genk die (opnieuw) bij haar tante en oom Van der Ouderaa in Bergen op Zoom ging wonen. Dezelfde krant meldde op 17 april 1937 haar terugkeer naar Voorburg.

Interessanter nog is een lijstje in De Graafschap-bode van 5 mei 1939 met ingekomen personen in de gemeente Lichtenvoorde: onder hen ‘W.F.A.M van Genk, F24 van Voorburg’. Het ging hier om de verhuizing van Willem van Genk naar het internaat in Harreveld, waarbij F24 mogelijk een geografische precisering betrof. Op 12 juli 1940 vertrok hij weer: ‘W.F.A.M van Genk, van F24 naar Venlo’. Dat laatste was waarschijnlijk een tikfout, aangezien ook de volgende persoon naar Venlo vertrok. Willem van Genk was dus net twaalf jaar oud toen hij naar het internaat in Harreveld werd gestuurd, waar hij één schooljaar verbleef. Toen hij weer naar huis kwam, was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken.


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 28.

[2] Nico van der Endt had bij zijn zoektocht naar de verdwenen werken van Van Genk in 2000 haar naam gekregen van Charlotte Zander.

[3] De fragmenten zijn hier te vinden. Zowel Willem van Genk zelf (in gesprek met Dick Walda en Nico van der Endt) als Tiny (in gesprek met Ans van Berkum) zijn te horen (geraadpleegd op 27 juli 2020).

[4] Walda, Koning der Stations, p. 31.

[5] Jozef van Genk aan zijn dochters, 5 januari 1931 (archief Marijke Bijmans).

[6] Mededeling Herman van Vlaardingen aan Jack van der Weide, 3 juli 2020.

Herman (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over de stiefbroer van Willem van Genk, Herman van Vlaardingen. Het eerste deel is hier te vinden.

02b - Herman sr, Tiny, Herman jr, Jenny

Links: Herman van Vlaardingen sr. met zijn gezin, ca. 1925. Rechts: Tiny van Vlaardingen, Maria van Vlaardingen-Heesen en Herman van Vlaardingen jr., ca. 1930.

Wachtend op bericht van Herman van Vlaardingen III uit Brugge, mogelijk een zoon van de stiefbroer van Willem van Genk, vond ik in het Stadsarchief Rotterdam een huwelijksakte en een gezinskaart waarvan vooral de laatste erg veel nieuwe en relevante informatie bleek te bevatten. [1] Herman van Vlaardingen I en Maria Heesen, beiden ‘wonende alhier, doch binnen de laatste zes maanden te Enschede’, waren op 31 oktober 1917 getrouwd in Rotterdam. Het beroep van de bruidegom was ‘koffiehuisbediende’ volgens de huwelijksakte, ‘kellner’ volgens de gezinskaart. Die vermeldde ook dat Herman Nederlands Hervormd was en Maria Rooms Katholiek, en dat het echtpaar op 16 mei 1918 officieel was vertrokken naar (opnieuw) Enschede.

Helemaal duidelijk waren de verhuizingen tussen Rotterdam en Enschede niet, want al op 10 mei 1918 was in die laatste stad dochter Christina Johanna geboren. Op 14 juni keerde het gezin terug naar Rotterdam, om op 3 februari 1920 weer te vertrekken naar Gouda. Dat verblijf was van korte duur: nog geen vier maanden later, op 3 juni 1920, werd Rotterdam andermaal de woonplaats. Daar werd op 31 augustus 1922 zoon Herman Johan Christiaan geboren. Beide kinderen kregen de geloofsovertuiging van de moeder mee. Een kleine twee jaar voor de geboorte van Herman jr. was bovendien de jongste broer van Herman sr., Jan Willem, bij het gezin ingetrokken. Hij was geboren in 1899, behoorde niet tot een kerkgenootschap en was van beroep kapper.

Het leken geen vette jaren voor het gezin Van Vlaardingen in Rotterdam. De gezinskaart vermeldt zeven adressen in drie jaar, waarbij het voor een deel om ‘inw[onend]’ ging. Bovendien stond op 23 maart 1923 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant het volgende bericht: ‘Bij vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam d.d. 21 maart 1923 is het faillissement van HERMAN JOHAN CHRISTIAAN VAN VLAARDINGEN, kellner […], opgeheven, wegens gebrek aan baten.’ Herman van Vlaardingen I was dus failliet verklaard, maar omdat er bij hem niets te halen viel, werd het faillissement weer opgeheven.

Kelner Herman en kapper Jan vertrokken volgens de gezinskaart op 25 september 1923 naar Amerika – vanuit Rotterdam, aanmonstering op een schip van Holland-Amerika Lijn is derhalve denkbaar. Vrouw en kinderen van Herman kwamen na op 28 mei 1924, inmiddels was er een adres in de stad Kingston in Canada, aan de Canadese kust van Lake Ontario. Jan van Vlaardingen hield het zo’n vijfenzestig jaar vol aan de overkant van de oceaan en overleed pas op 10 maart 1988 in Monterey, Californië. Bij de Amerikaanse volkstelling uit 1940 werden van hem de volgende gegevens opgetekend:

Name                     John Van Vlasrdingen
Age                         40, born abt. 1900
Birthplace             Holland
Home in 1940      2139 North Central Park Avenue
                                Chicago, Illinois
Wife                       Hedy Van Vlasrdingen (35)
Daughter              Ruby Van Vlasrdingen (14)
Daughter              Ruth Van Vlasrdingen (14)
Daughter              Irma Van Vlasrdingen (12) [2]

10b - Herman jr, Jenny

Maria van Vlaardingen-Heesen en Herman van Vlaardingen jr. aan boord van het s.s. Statendam, 1932.

Herman van Vlaardingen I stierf op 26 december 1931 in Genesee Hospital in Rochester, waar hij woonde op het adres 1319 Dewey Avenue. [3] Zijn weduwe keerde in 1932 met haar beide kinderen terug naar Nederland met het s.s. Statendam, een cruiseschip van de Holland-Amerika Lijn. Ze vestigde zich eerst in Renkum [4] en daarna in Den Haag, waar ze in 1934 trouwde met Jozef van Genk. Haar kinderen Christina (Tiny) en Herman waren ongeveer even oud als zijn dochters Jacqueline en Isabella.

WhatsApp Image 2020-07-02 at 19.35.53 001b

Herman van Vlaardingen jr., 1928

De verbintenis tussen Jozef en Maria was geen gelukkige. [5] Begin jaren veertig, en misschien al eerder, waren de twee officieel nog getrouwd maar leefden zij gescheiden. Maria was teruggegaan naar Enschede, de stad waar ze ook met haar eerste man enige tijd had gewoond. Dochter Tiny was daar in 1939 gehuwd met Piet (Pieter Albertus) Bos maar overleed eind 1943 aan de verwondingen die ze opliep bij het bombardement op Enschede op 10 oktober 1943. [6] Twee andere slachtoffers van dat bombardement waren Arend Jan Wargerink en Hermina Wargerink-Reef. [7] Hun dochter Enna zou in oktober 1950 op 28-jarige leeftijd trouwen met de even oude Herman van Vlaardingen jr. [8]

Een week nadat ik een brief had gestuurd aan Herman van Vlaardingen uit Brugge, kreeg ik een reactie: hij was inderdaad de zoon van Herman van Vlaardingen II en Enna Wargerink! Tijdens enkele telefoongesprekken vertelde hij onder meer dat zijn grootvader Herman van Vlaardingen I in Rochester was overleden als gevolg van een auto-ongeval; dat zijn grootmoeder Maria Heesen (roepnaam: Jenny) in 1950 na een lang ziekbed was gestorven aan kanker; en dat zijn vader was overleden in 1987. Een paar dagen later mailde hij mij een dossier met genealogische gegevens, waaruit onder meer bleek dat de ouders van Herman van Vlaardingen I in 1914 met hun nog thuiswonende kinderen vanuit Zwolle naar Enschede waren verhuisd. Verder ging het met name om voorouders binnen de Van Vlaardingen-tak. Maria Heesen werd uiteraard wel genoemd, maar van Jozef van Genk geen spoor. Herman III had van zijn vader ook nooit iets gehoord over diens Haagse jaren.

055 Herman van Vlaardingen II

Herman van Vlaardingen jr. en Enna Wargerink bij hun huwelijk in 1950.

Hier eindigde de zoektocht voorlopig. Opmerkelijk bleef dat kennelijk zowel in de familie van Jozef van Genk als in die van Maria Heesen het huwelijk tussen beiden diep was weggestopt. Bij het overlijden van Jozef van Genk stond op diens gedachtenisprentje vermeld: ‘weduwnaar van Leonarda Pennekamp, eerder weduwnaar van Maria M. Hoogstraten’. Zijn tweede echtgenote werd niet genoemd. Dat Willem van Genk enkele jaren een oudere stiefbroer had gehad die, volgens Tiny van den Heuvel-van Genk, hem in bescherming nam en die op hem gesteld was – daarvan was nauwelijks meer een spoor te vinden. Maar Herman Johan Christiaan van Vlaardingen jr. (1922-1987) bleek wel degelijk te hebben bestaan.

Met veel dank aan Jan Vellekoop en Herman van Vlaardingen.


NOTEN

[1] Cf. hier en hier (geraadpleegd op 13 juni 2020).

[2] ‘John Van Vlasrdingen in the 1940 Census’ (geraadpleegd op 13 juni 2020).

[3] Informatie ontleend aan het overlijdensbericht van Herman van Vlaardingen in de krant The Democrat and Chronicle, 28 december 1931. Op 13 januari 1932 stond er een kleine overlijdensadvertentie in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, ondertekend door zijn moeder.

[4] ‘Bevolking – Gemeente Renkum – Gevestigd’, in: Arnhemsche Courant, 28 oktober 1932.

[5] Een kleindochter van Jozef van Genk liet weten dat haar moeder diens tweede huwelijk zelfs nooit had genoemd en dat ze er pas achter kwam dat er een tweede en een derde huwelijk geweest waren toen ze zich in haar stamboom was gaan verdiepen. Ook twee andere kleinkinderen hadden van hun respectieve moeders nooit iets over Maria Heesen gehoord.

[6] ‘Droeve plechtigheid’, in: Twentsch Nieuwsblad, 30 december 1943. Drie dagen eerder stond in dezelfde krant een overlijdensadvertentie voor Christina Johanna Bos-van Vlaardingen namens ‘MOEDER, HERMAN en JO’. Wie Jo is, heb ik niet kunnen achterhalen.

[7] ‘Inwoners van Enschede, omgekomen bij bombardementen’ (geraadpleegd 15 juni 2020).

[8] ‘Burgerlijke stand – Enschede – Gehuwd’, in: Tubantia, 26 oktober 1950.

Herman

De reeks teksten over de woning van Willem van Genk wordt tijdelijk onderbroken voor een tweeluik over zijn al dan niet vermeende stiefbroer.

Graf Maria Anna Heesen

Het graf van Maria Heesen in Enschede. Foto: Jan Vellekoop

Jozef van Genk, de vader van Willem van Genk, trouwde drie keer. Zijn eerste huwelijk, met Maria Hoogstraten, duurde bijna twintig jaar: van 1913 tot het overlijden van zijn echtgenote in 1932. Jozef trouwde in 1934 voor een tweede maal, met Maria Anna Heesen, weduwe van Herman Johan Christiaan van Vlaardingen. Opnieuw kwam het huwelijk van Jozef pas ten einde door het overlijden van zijn echtgenote in 1951, al leefden de twee al sinds het begin van de jaren veertig gescheiden. Het huwelijk had daarmee formeel zo’n zeventien jaar geduurd. In vergelijking daarmee was het derde huwelijk, met Leonarda Pennekamp van 1952 tot 1954, van korte duur. Weer was het zijn echtgenote die overleed. Jozef van Genk stierf zelf in 1958, op zeventigjarige leeftijd.

Alle kinderen van Jozef van Genk werden geboren tijdens zijn eerste huwelijk. Zijn oudste dochter Tiny vertelde in het midden van de jaren negentig tegen Dick Walda dat de tweede echtgenote van haar vader een Amerikaanse was die kinderen meenam uit een vorig huwelijk. [1] Zoals ik al eerder opmerkte, was Maria Heesen geen Amerikaanse maar kwam ze uit Huisseling en Neerloon. Wel bleek haar eerste man in 1931 overleden te zijn in Rochester, een stad aan de Amerikaanse kant van Lake Ontario. Ook het door Tiny gebruikte meervoud ‘kinderen’ leek onjuist: op verschillende genealogische sites was alleen een dochter te vinden, Christina Johanna, geboren in 1918.

Een paar jaar geleden kreeg ik een e-mail van Ans van Berkum:

Over die tweede vrouw van vader Jozef van Genk gesproken, Tiny van den Heuvel (oudste zus) vertelde (bandopname 1998) dat deze twee kinderen had, een jongen en een meisje, die bij Den Haag op kostschool zaten. Deze zouden aan het eind van de oorlog omgekomen zijn bij een bombardement. Willem zou erg gesteld zijn geweest op die jongen en door zijn dood een flinke schok hebben gekregen, misschien een trigger voor de geestelijke toestand waarin hij zich is gaan bevinden. [2]

Mijn antwoord toen:

Ik zie maar één kind, Christina Johanna van Vlaardingen, geboren 1918 in Enschede, overleden 27 december 1943 in Enschede. Geen broer, geen Haags bombardement als doodsoorzaak en al volwassen tijdens WWII. Wel is Herman Johan Christiaan van Vlaardingen in 1931 overleden in Rochester, Tiny zou ooit gezegd hebben dat hij een Amerikaan was – nee dus, maar wel een Nederlander (uit Zwolle) die kennelijk op enig moment naar Amerika is vertrokken. [3]

Er waren derhalve twee interviews met Tiny geweest waarin ze het over de kinderen uit het eerste huwelijk van Maria Heesen had. Het door Van Berkum genoemde interview bleek op internet te vinden te zijn, zodat kon worden nagegaan wat precies de bewoordingen van Tiny waren:

… toen mijn vader voor de tweede keer trouwde, daar was een jongen … en een meisje kwam er dan nog bij. En die jongen die was heel erg gesteld op Wim, die was ouder … en die zag in Wim … het zwakke broertje, en dan zei-die tegen de andere jongens: denk d’r om … anders breken jullie z’n arm, of zoiets … die was er zuinig op, maar … voorzichtig … maar die zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog, die jongen, en ook dat meisje … met die atoomgeschiedenis. En die jongen die was bij de Broeders van Sint Jan in Rijswijk, op een internaat … en ik zie nog die voltreffer, ik zat bij het ministerie van Marine en ik zie nog dat ding gaan, en dan hoorde ik op de … bij de Broeders van Sint Jan … was een Herman … maar ’t was een hele aardige jongen, ja … en dat was heel erg … [4]

Wat was er in dit verhaal wel en niet juist? De naam ‘Herman’ zou kunnen kloppen, dat was ook de voornaam van de vader van Willem van Genks stiefbroer. De dochter was bovendien inderdaad overleden tijdens de Tweede Wereldoorlog, weliswaar niet in Den Haag maar Tiny zegt ook niet dat dat eveneens tijdens het door haar genoemde bombardement was. Ook bestaat er een religieuze organisatie genaamd ‘Broeders van Sint Jan’, al zaten die niet in Rijswijk maar onder meer in Den Haag zelf. Daarbij kon ik geen internaat vinden dat bij die organisatie hoorde. Bij een bombardement op Den Haag gaan de gedachten bovendien al gauw uit naar het bombardement op de wijk Bezuidenhout op 3 maart 1945, maar dat is geen Rijswijk en er was ook niets te vinden over een internaat dat geraakt was.

Na wat spelen met zoektermen vond ik de gebeurtenis waar Tiny op doelde:

In de middag van 27 oktober 1944 werd in het Rijswijkse bos een raket afgevuurd, die meteen na de start neer viel op het ‘Huis van de Kruisvaarders van St. Jan’, een R.K. jongensinternaat aan de Vredenburchweg. Zeven jongens, vijf broeders en twee arbeiders kwamen om het leven. Het hoofdgebouw werd geheel vernield. [5]

Geen Broeders van Sint Jan, maar Kruisvaarders van Sint Jan! Een andere bron was wat gedetailleerder over het gebeuren en vermeldde bovendien een gedenkplaat in de St. Bonifatiuskerk in Rijswijk, ook aan de Van Vredenbughweg:

Op het terrein waar in de 13e eeuw het kasteel Steenvoorde stond, werd in 1922 een katholiek jongensinternaat van de Kruisvaarders van Sint-Jan gevestigd. Het internaat werd in 1944 vernietigd bij de mislukte lancering van een Duitse V2 raket. Er kwamen vijf broeders, zeven jongens en twee bezoekers om het leven. In het torenportaal van de St. Bonifatiuskerk herinnert een gedenkplaquette aan dit ongeluk. [6]

De gedenkplaat zou de namen van de slachtoffers vermelden, mogelijk inclusief die van Herman van Vlaardingen. Van Genk-verzamelaar Jan Vellekoop was onmiddellijk bereid in Rijswijk een kijkje te gaan nemen.

Knipsel

De gedenkplaat in de St. Bonifatiuskerk in Rijswijk. Foto’s: Jan Vellekoop

Helaas leek geen van de namen de gezochte stiefbroer te betreffen. Vellekoop vond echter wel enkele krantenberichten die erop leken te wijzen dat er in ieder geval een familielid met een vergelijkbare naam bestond. Op 26 oktober 1950 maakte dagblad Tubantia melding van een huwelijk in Enschede tussen H.J.C. van Vlaanderen en E. Wargerink, beiden 28 jaar oud. Dit leken dezelfde personen te zijn die genoemd werden in de overlijdensadvertentie in Tubantia voor ‘onze innig geliefde Moeder, Zuster en Tante’ Maria Heesen op 18 juni 1951: H.C.J. van Vlaardingen en E. van Vlaaardingen-Wargerink. Bovendien was in een andere overlijdensadvertentie op 28 januari 1971, opnieuw in Tubantia, sprake van een gezin dat in Brugge woonde en bestond uit E. van Vlaardingen-Wargerink, H. van Vlaardingen, Herman en Ineke. Vellekoop had ten slotte ook opgezocht dat in het telefoonboek van Brugge nog steeds een Herman Van Vlaardingen werd vermeld, die ik onmiddellijk aanschreef.

19510618 Tubantia

De overlijdensadvertentie voor Maria Heesen in Tubantia, 18 juni 1951

Kijken we nogmaals naar de tekst uit het interview met Tiny, dan zegt ze feitelijk niet dat de zoon van Maria Heesen bij het voorval met de neergestorte V2 in Rijswijk omkwam. Het kan een associatie zijn geweest: hij zat ooit op het internaat in Rijswijk dat later, in 1944, werd getroffen door een V2. Daarbij zegt ze dat ‘Herman’ ouder was dan haar broer Wim, maar dat kan bijna niet als hij in 1944 nog op een internaat verbleef. En waarom zou een zoon van een broer van Herman van Vlaardingen sr. – die inderdaad een aantal broers had – de initialen H.C.J. (of H.J.C.) hebben? Zou degene die wordt genoemd in Tubantia misschien toch Herman van Vlaardingen jr. zijn en dácht Tiny alleen maar dat hij was overleden?

Een ander punt was dochter Christina Johanna. In een gezin werd de oudste zoon meestal vernoemd naar de vader van de vader, de oudste dochter naar de moeder van de moeder. In het geval van het gezin Herman van Vlaardingen en Maria Heesen heette de vader van de vader Johannes, de moeder van de vader Christina. Dochter Christina Johanna werd dus naar beide ouders van haar vader vernoemd. Bovendien werd het huwelijk van haar ouders gesloten op 31 oktober 1917 en werd zij in 1918 geboren – een exacte datum was niet te vinden, ook niet op haar overlijdensakte. Het zou daarom kunnen dat Maria Heesen ten tijde haar huwelijk al zwanger was, waarbij de naamgeving een poging was om de vader mild te stemmen.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, pp. 31-32.

[2] E-mail van Ans van Berkum aan Jack van der Weide, 17 januari 2018.

[3] E-mail van Jack van der Weide aan Ans van Berkum, 17 januari 2018.

[4] Het interview is hier te vinden, onder het kopje ‘Willem het begin en gevolg’. Het bewuste fragment begint op 02:37 (geraadpleegd op 7 juni 2020).

[5] ‘V2-Raketten leken niet te verslaan’ (geraadpleegd op 7 juni 2020).

[6] ‘Rijswijk, Van Vredenburchweg / Prinses Beatrixlaan – Kapel Kruisvaarders van Sint Jan’ (geraadpleegd op 7 juni 2020).

Jeugd

Dorpstraat Harreveld 001

Zonder titel (Dorpsstraat Harreveld) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | 12 x 28,5 cm| particuliere collectie

Tiny van den Heuvel-van Genk tegen Dick Walda: ‘Mijn moeder […] overleed – toen onze Wim vier jaar was – aan kanker. Wim is toen door zijn zusje Noor en later ook door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [1] Dit is in feite alles wat zij aan Walda vertelt over de jeugd van haar broer. De monografie van De Stadshof uit 1998 vermeldt (zonder bron) over de jaren daarna:

Wel is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld. Intussen strandt het nieuwe huwelijk [van Jozef van Genk; JvdW] en de tweede moeder verdwijnt met haar kinderen naar onbekende verten. In Harreveld leert Willem schoenen poetsen, maar verder is er geen waarneembaar resultaat van zijn verblijf in de opvoedingsinrichting. [2]

Als vaker in deze monografie lijkt hier een versie van de gebeurtenissen te worden gegeven die in grote lijnen juist is maar waarvan de details niet helemaal kloppen. Zo kan het zijn dat het huwelijk van Jozef van Genk met Maria Heesen rond 1937 niet meer goed was, maar op de overlijdensakte van die laatste staat ze nog steeds als zijn echtgenote vermeld – het huwelijk is dus nooit ontbonden, al woonde ze al tijdens de Tweede Wereldoorlog in Enschede, waar ze ook overleed, en staat op haar grafsteen alleen haar eerste echtgenoot vermeld. [3] Daarnaast had ze maar één dochter, die geboren was in 1918 en dus eind jaren dertig mogelijk al zelfstandig was.

De beide kostscholen kwamen ook ter sprake tijdens het gesprek met Pierre en Tineke Dietvorst in oktober 2018. [4] De precieze chronologie blijft onduidelijk: Willem van Genk zou mede zijn opgevoed door zijn zus Nora, zat een of twee jaar bij zijn neef Kees op de lagere school (waar hij achterin de klas moest zitten omdat hij onhandelbaar was) en ging op enig moment naar het jongensinternaat Sainte Marie in Huijbergen, niet ver van Bergen op Zoom. [5] Er bestaat een vrij precies te dateren foto uit mei 1940 met een dertienjarige Willem van Genk en het gezin van zijn tante, genomen ter gelegenheid van (volgens een tekst op de achterzijde) “de Plechtige Communie [i.e. Vormsel; JvdW] van Kees en Wim”.

WvG communie

“De Plechtige Communie van Kees en Wim” (mei 1940).  Zittend tweede van rechts Willem van Genk, geheel rechts zijn zuster Addy. Vierde van rechts neef Kees van der Ouderaa, tussen Kees en Wim Helena van der Ouderaa-Hoogstraten, staande haar echtgenoot Kees van der Ouderaa sr. Geheel links hun oudste dochter Tiny.

Hoe Harreveld in dit alles past, is de vraag. Dát hij daar heeft gezeten, staat vast. Er bestaat een tekening door Van Genk van het plaatsje met naast de dorpskern het internaatscomplex. Op de achterkant van die tekening staat de tekst Gemeente Lichtenvoorde; dorpstraat te Harreveld (Gld) met daaronder in potlood (Roomsche nederzetting) †. [6] Harreveld maakte tot 2005 inderdaad deel uit van de gemeente Lichtenvoorde. De naam Willem Franciscus Antonius Maria van Genk komt voor in het bevolkingsregister van Lichtenvoorde, ‘Buurtschap Harreveld, 1925-1940’. [7]

Van Genk doelt waarschijnlijk op het internaat in Harreveld als hij in de jaren tachtig aan Dick Walda schrijft: ‘ik ben ook op een Roomsche Jongens Kostschool geweest (Nur für die Weisknaben) stond op de WC’s of ‘Zum hausverein’. […] Beste Lezer wat die buitenlandse zinnen betreft n.l. die kostschool was n.l. door Duitse soldaten bezet tijdens de oorlog.’ [8] Later is hij explicieter: ‘Je weet dat ik ook nog op een Roomse kostschool ben geweest, Huize Alexander in Harvelt. ‘Nur für Weiseknaben’ stond op de WC. Moest pissen, mocht het niet. ‘Zum Hausverein’. Ook nooit vergeten.’ [9] Het internaat in Harreveld ging terug op een landhuis uit 1805 dat in 1875 dienst ging doen als klooster voor uitgeweken Duitse Franciscanen. In 1911 werd het complex aangekocht door de St. Vincentiusvereniging die er een opvoedingsgesticht in vestigde. De door Van Genk geciteerde Duitse frasen zouden kunnen stammen uit de tijd van de Duitse Franciscanen. Daarbij lag het internaat zo’n tien kilometer van de Duitse grens.

Het verblijf in Harreveld, hoe lang of kort ook, lijkt ten grondslag te liggen aan Van Genks fascinatie met Gelderland in het algemeen en Arnhem in het bijzonder. Er zijn tientallen vroege tekeningen met verwijzingen naar plaatsen als Dieren, Nijmegen, Doetinchem en dus vooral Arnhem. De opmerking van Jacqueline van Genk dat haar broer vaak met zijn vader in Arnhem was geweest, [10] moet misschien ook in de context van het verblijf in Harreveld worden gezien. Vanuit Harreveld is Doetinchem weliswaar de dichtstbijzijnde stad (ca. 20 km), maar Arnhem (ca. 50 km) is een stuk groter. In 1940 telde Doetinchem ongeveer 17.500 inwoners tegen Arnhem zo’n 90.000.

Geldersche tramwegen 001b

Geldersche Tramwegen | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 60 x 70 cm | Het Dolhuys, Haarlem

In een – eveneens: vroege – collage over Gelderland komen twee van Van Genks interesses, steden en openbaar vervoer, samen. De centrale afbeelding van Geldersche Tramwegen toont twee wagons die door een landschap rijden, met op de achtergrond een stad. Daaroverheen zijn andere teksten geschreven en tekeningen geplakt, waaronder veertien kleine tondo’s van kerktorenspitsen uit Gelderse steden, verbonden door een spoor- of tramlijn. Van rechts naar links lopen de tondo’s vanaf Lochem via onder meer Lichtenvoorde, Aalten en Nijmegen naar Zutphen. Tussen Arnhem en Nijmegen staat (electrische trams in Arnhem en Nijmegen), hetgeen een aanwijzing geeft over de datering van het werk – in Nijmegen reed de trolleybus vanaf 1952. Linksonder is een groot inzetstuk aangebracht met nogmaals de toren van de Arnhemse Eusebiuskerk en enkele huizen. Het betreft een blik op de toren vanuit de vooroorlogse Trompetsteeg, een perspectief dat vele kunstenaars inspireerde en dat ook bij Van Genk meerdere malen terugkeert. [11]

Geldersche tramwegen (detail)

Detail GTW Geldersche Tramwegen (ca. 1950)

Er is nog een tweede werk met in grote letters de woorden GELDERSCHE TRAMWEGEN, een tekening uit de bibliotheek van Van Genk bij Museum Dr. Guislain. Het betreft een gedetailleerde plattegrond van het openbaar vervoer-netwerk in het oostelijk deel van Gelderland (inclusief legenda), waaruit een tondo is geknipt van de streek rond Arnhem. Ook de omgeving in en rond Lichtenvoorde is nauwkeurig beschreven, met onder meer de Markt, het spoor voor een goederen-tram, de Lichtenvoordsche Beek en natuurlijk Harreveld. Die plaatsaanduiding is met enig zoeken eveneens te vinden op Geldersche Tramwegen, maar verdere toevoegingen ontbreken in beide gevallen. Dus voor wie daar al naar zocht: geen enkele indicatie van een jeugdtrauma.


 

NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 31.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[3] ‘Hier rust Maria Anna van Vlaardingen-Heesen’. Met dank aan Jan Vellekoop, die mij een foto van de grafsteen stuurde.

[4] Na het overlijden van moeder Maria van Genk in 1932 zou niet alleen Wim maar ook zijn zuster Addy naar het gezin van hun tante in Bergen op Zoom zijn gegaan. Pierre Dietvorst over het huis boven de banketbakkerij van opa Van der Ouderaa: ‘Zijn oudere zus Addy heeft er veel langer gewoond. Die is opgegroeid samen met haar [i.e. van Tineke Dietvorst; JvdW] tante Tiny, Tiny van de Biggelaar-van der Ouderaa.’ Tineke Dietvorst: ‘Die zei altijd: ze was als een zusje voor mij […]. De rest van die kinderen is toen die moeder overleed naar een internaat gegaan, maar tante Addy die was heel fragiel en daarom is die bij mijn oma terechtgekomen.’

[5] ‘In deze aan het zicht onttrokken, gesloten wereld wachtte […] een opvoeding tot godvrezend, geestelijk ontwikkeld en welgemanierd mens. Je nam afscheid van je ouders en trok in bij de mannen in zwarte toga’s, die het de komende jaren over jou en je groepsgenootjes te zeggen kregen. Je werd een van de ‘internen’ en kwam in een groep terecht van jongens uit alle windstreken.’ “Internaten Sainte Marie en Sint Frans in Huijbergen” (geraadpleegd 7 april 2020).

[6] ‘Vanaf de Dorpsstraat kon je van het gesticht alleen de hoofdpoort, de daken en stukken gevels zien. De rest lag verscholen achter sparren, rododendronstruiken en enorm hoge coniferen. Een houten brug die met een ijzeren hek kon worden afgesloten, vormde de enige toegang tot het complex.’ (Jos Coopmans, Satanskinderen. Het verhaal van een gestichtsjeugd [Nijmegen 2014], p. 100)

[7] Archieven.nl, geraadpleegd 7 april 2020.

[8] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 223. “Huize Alexander” kan ik niet thuisbrengen.

[9] Ibid., p. 190.

[10] Ibid., p. 34.

[11] ‘Het Gelders Archief in Arnhem zit vol met afbeeldingen van de gekromde Trompetsteeg met aan het einde de toren van de Eusebiuskerk. De laatste foto dateert van 1945. […] Oorlogsgeweld had weinig heel gelaten van de toren, van de Trompetsteeg nog minder. Het gebied ging plat, de steeg verdween.’ (“Arnhem krijgt iconisch straatbeeld terug”, in: De Gelderlander, 8 september 2016; geraadpleegd 9 april 2020). Een grote tekening van de Trompetsteeg door Van Genk is aanwezig bij Museum Dr. Guislain.

Zelfportret in De Ark

Zelfportret in De Ark (1024x692)

Zelfportret in De Ark | ca. 1974 | gemengde techniek op hardboard | 92 x 62 cm | The Museum of Everything, Londen

Al tijdens de juridische schermutselingen met Brattinga, in de eerste helft van 1973, was Van Genk in contact gekomen met een galerie die wel mogelijkheden in hem zag. Het gaf zijn advocaat Schutte een extra argument in handen om de tekeningen van Van Genk die Brattinga nog beheerde, terug te eisen: de galerie wilde het werk van haar nieuwe cliënt exclusief gaan verkopen. Het ging om de jonge Galerie De Ark in Boxtel van ondernemer en kunstliefhebber Dick Heesen. Het contact was gelegd door Pieter van der Linden, die een relatie had met de oudste dochter van Van Genks zuster Nora. Van der Linden reed wekelijks enkele malen op en neer tussen Eindhoven en Den Haag en passeerde dan Boxtel. Voor Van Genk kan de achternaam van zijn nieuwe galeriehouder vertrouwd hebben geklonken – ook de tweede echtgenote van zijn vader heette Heesen. [1]

Heesen had grote plannen met zijn galerie. Enkele dagen na de opening op 7 april 1973, door burgemeester Paul Pesch van Boxtel, besteedde de Volkskrant aandacht aan De Ark, ‘een onderneming […] van een respectabel formaat, in Nederland niet eerder vertoond’:

In Boxtel is een galerie geopend die ongewoon grote pretenties heeft. Een voormalig parochiehuis, dat niet zo goed meer wilde functioneren als schouwburg, is door de zakenman Dick Heesen opgekocht en hij heeft er een tweevoudige bestemming aan gegeven: het oude voorwerk is in gebruik genomen als kantoorruimte voor een handelsonderneming, de oorspronkelijke schouwburgzaal is omgebouwd tot een galerie voor beeldende kunst. Zeg maar museum: de allure van de zaal is, ten gevolge van de omvang, eerder die van een museum dan van een galerie. […] Door zijn centrale ligging tussen Den Bosch, Tilburg en Eindhoven zou de Boxtelse Ark een belangrijke functie kunnen gaan vervullen in het cultuurpatroon van dit gebied. Het ziet er naar uit, dat daarop zowel zakelijk als artistiek wordt gemikt. Artistiek wordt een non-conformistische koers gezocht. [2]

Van Genk zou wel eens bij die non-conformistische koers kunnen passen, meende Heesen. Van 21 december 1973 tot 27 januari 1974 was in De Ark een dubbeltentoonstelling te zien van werk van Van Genk, gecombineerd met Afrikaanse kunst van de Amsterdamse galerie Anuschka. [3]

De dubbeltentoonstelling trok veel aandacht, meer dan De Ark tot dan toe had gekregen. Niet alleen verschenen er artikelen in onder meer de Volkskrant en Het Vrije Volk, ook zond het NOS-programma Uit de kunst op 11 januari 1974 een reportage over de galerie uit. Het leek daarbij vooral Van Genk te zijn die alle belangstelling genereerde. Sinds 1964 was nauwelijks meer iets van hem vernomen, maar: ‘Dick Heesen van de Boxtelse galerie De Ark heeft Van Genk om zo te zeggen opnieuw ontdekt. Ook hij is heilig overtuigd van Van Genks ongewone kunstenaarschap en hij heeft na tien jaar werkelijk en stralende tentoonstelling van het werk gemaakt.’ [4]

Uit de kunst 102

Still uit Uit de kunst, 11 januari 1974 – Dick Heesen wordt geïnterviewd in galerie De Ark; links achter hem (van boven naar beneden) Collage 2000 Beljon Inc., Paranasky Culture, Mr. Petrov, Kollage van de Haat

In de ruim zes minuten durende reportage van Uit de kunst mocht Heesen eerst iets vertellen over zijn galerie, terwijl de camera langs de werken van Van Genk en de etnografica van Anuschka gleed. Tentoongesteld waren enkele oudere stadsgezichten, collages op papier, etsen en de meeste werken van het lijstje dat Addy Persoon-Van Genk in februari 1972 aan Pieter Brattinga had gestuurd. Collage 2000 Beljon Inc. was te zien naast de verwante drieluiken Kollage van de Haat, Mr. Petrov en Paranasky Culture. In de tweede helft van de reportage was de aandacht exclusief voor Van Genk. Heesen was te horen als voice-over:

Willem van Genk is in 1936 geboren, hij woont in Den Haag, alleen, op een flat, met een hondje. ’t Is een man die vrij moeilijk z’n communicatie met z’n medemens gaande houdt, omdat … ja, waarom, is moeilijk te zeggen eigenlijk maar hij, hij communiceert gewoon moeilijk en heeft daarvoor zijn werk nodig om datgene wat op ‘m afkomt, de indrukken die-ie krijgt, wat-ie persoonlijk ondergaat, wat-ie ook aan wereldgebeuren zelf ervaart, om dat weer kwijt te raken, dat doet-ie eigenlijk helemaal via z’n werk …

Iedere vierkante centimeter van zijn doeken is volgekrabbeld met details die bovendien dan nog altijd ter zake doen. Puur fantasie is het geloof ik geen van allen, hij is d’r overal geweest, ófwel hij heeft er zoveel over gelezen en zoveel platen en opnamen over gezien dat-ie het zich zeer levendig kan voorstellen

Ook Van Genk zelf kwam nog enkele seconden in beeld, opduikend tussen de camera en Collage 70 Ruimtevaart.

Uit de kunst 104

Still uit Uit de kunst, 11 januari 1974 – Willem van Genk duikt op voor Collage 70 Ruimtevaart

Van Genk verwerkte zijn eerste ervaringen bij De Ark, met name de dubbeltentoonstelling met de etnografica van Anuschka, in Zelfportret in De Ark (ca. 1974). In het verlengde van de vier drieluiken uit de periode 1971-1972 is er opnieuw sprake van een centrale afbeelding met links en rechts ervan kleinere voorstellingen, plus een roodgele rand aan de onder- en bovenkant. De rand loopt nu echter door over de hele breedte van het werk en de golvende lijnen en punten zijn vervangen door teksten in verschillende talen en lettertypes. De centrale afbeelding is een zelfportret van de kunstenaar, met naast en zelfs gedeeltelijk over zijn gezicht enkele zwarte balken waarin teksten in witte letters: ART of PICASSO and ANUSCHKA / AFRICAN ART IN THE ARK ’73 / BOXTEL (NBr) / UIT DE KUNST NOS TV ’74 / DADAÏSM INFO. [5]

De centrale afbeelding kent nog meer teksten, zoals Dick Heesen (onder BOXTEL (NBr)); rechts onder Gevaert Photo ANVERS als fictieve signatuur van het zelfportret; en links boven “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Van Genk probeerde in de jaren zeventig en tachtig enige tijd aansluiting te vinden bij de homobeweging, wat terug te vinden is in sommige van zijn werken uit die tijd. Nico van der Endt, naar aanleiding van deze ‘inscriptie’: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee, nee, dat was een vergissing”.’ [6] Naast AFRICAN ART IN THE ARK ’73 staat ARMAND VANDERLICK, een Belgische kunstenaar die in het najaar van 1973 een tentoonstelling had in De Ark.

Een van de zaken die opvallen in Zelfportret in De Ark is de aanwezigheid van Poolse elementen, met Poolse teksten in de rood/gele balken en verwijzingen als WARSZAWA en THE BATTLE [of] WARSAW in de afbeeldingen. Naast Van Genks fascinatie met Oostblokstaten kan dit te maken hebben met het feit dat De Ark in 1973 zeer regelmatig werk van Poolse grafici exposeerde. Ook Antwerpen keert, als ANVERS, diverse malen in het zelfportret terug, maar hier gaat het om een locatie die al vanaf de vroegste tekeningen een rol speelt in het werk van Van Genk. Dat De Ark ook tentoonstellingen wijdde aan Belgische kunstenaars als Vanderlick, Jan Cobbaert en Camille D’Havé, lijkt hier niet meteen mee in verband te staan. Hoe dan ook had Van Gent in Boxtel artistiek weer onderdak gevonden.


 

NOTEN

[1] Mededelingen over de eerste contacten met Galerie De Ark afkomstig van Ans van Berkum. Dick Heesen en Van Genks stiefmoeder Maria Heesen waren voor zover valt na te gaan geen familie.

[2] Lambert Tegenbosch, “De Ark”, in: de Volkskrant, 14 april 1973.

[3] Een advertentie in De Tijd van 1 februari 1973 suggereert dat de tentoonstelling later nog werd verlengd tot 4 februari.

[4] Lambert Tegenbosch, “W. van Genk”, in: de Volkskrant, 28 december 1973.

[5] Tegelijk met het werk van Van Genk en de etnografica van Anuschka waren in De Ark ook litho’s van Picasso te zien. Waar DADAÏSM INFO naar verwijst is mij niet duidelijk.

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

Jozef van Genk

De moeder van Willem van Genk, Maria van Genk-Hoogstraten, overleed op 25 november 1932, toen haar zoon vijf jaar oud was. Hij zal daarom geen concrete herinneringen aan haar hebben gehad, hooguit vage associaties. Maria Hoogstraten was volgens haar huwelijksakte van beroep ‘modiste’, net als enkele van de oudtantes van Willem van Genk uit Bergen op Zoom. Ze was dertig toen ze trouwde, haar vader was op dat moment al meer dan vijftien jaar dood dus ze had ruimschoots de tijd gehad voor het opbouwen van een eigen leven en daarmee ook voor een opleiding en uitoefening van een beroep.

Ouders Willem

De ouders van Willem van Genk, Maria van Genk-Hoogstraten en Jozef van Genk

Over vader Jozef van Genk zijn meer gegevens te vinden. Geboren in 1887 werd hij in 1906 ‘afgekeurd voor militaire dienst wegen[s] een gebrek aan de ogen. Zijn lengte was toen 1,71 cm.’ [1] Na zijn huwelijk met Maria Hoogstraten in 1913 verhuisde hij van Oudenbosch naar Roosendaal, waar in 1914 en 1915 zijn twee oudste dochters werden geboren. In oktober van dat laatste jaar vertrok het gezin Van Genk naar Den Haag, met als adressen onder meer Westeinde 257, Malakkastraat 6 en Renbaanstraat 7. In 1925 vond opnieuw een verhuizing plaats, dit keer naar Voorburg waar zoon Willem werd geboren.

In het adresboek van Roosendaal van 1914 staat Jozef van Genk vermeld als ‘winkelier’. Zowel in zijn eigen familie als in die van zijn vrouw kwamen diverse middenstanders voor, waarbij de negotie vaak in het verlengde van een ambacht (meubelmaker, schilder) lag. Dit was bij hem niet het geval: in zijn huwelijksakte wordt hij aangeduid als ‘fruithandelaar’ en dit blijft ook in andere officiële documenten terugkomen. Toch zal zijn oudste dochter Tiny later tegen Dick Walda zeggen dat haar vader een chocolaterie bezat. [2] Waar hij echter ook in handelde, het succes ervan lijkt wisselend te zijn geweest: zowel in 1914 als 1918 was in de Nederlandsche Staatscourant de mededeling te lezen dat hij ‘in staat van faillissement’ was verklaard, waarbij dit in het tweede geval binnen enkele weken weer werd opgeheven.

1914-1918 Nederlandsche Staatscourant

Mededelingen over faillissementen van Jozef van Genk in de Nederlandse Staatscourant, resp. 6 februari 2014 (boven), 2 september 1918 (midden) en 28 september 1928 (onder)

Jozef van Genk hertrouwde op 9 mei 1934 in Den Haag met Maria Anna Heesen, weduwe van Herman Johan Christiaan van Vlaardingen. De bruidegom was zesenveertig jaar oud, de bruid veertig; twee boden van de gemeente waren getuigen. In de huwelijksakte wordt Jozef van Genk nog steeds als ‘fruithandelaar […] wonende te Voorburg’ omschreven. Tiny van Genk over de tweede echtgenote van haar vader: ‘Hij vond een nieuwe vrouw, een Amerikaanse. Zij nam kinderen mee uit een vorig huwelijk.’ [3] Maria Heesen kwam uit Huisseling en Neerloon, en was dus geen Amerikaanse. Wel blijkt haar eerste man, afkomstig uit Zwolle, in 1931 overleden te zijn in Rochester in de staat New York. Het enige kind uit hun verbintenis was een dochter, Christina Johanna, geboren in 1918. [4]

Kort na zijn tweede huwelijk verhuisde Jozef van Genk weer naar Den Haag en ging hij volgens zijn oudste dochter werken voor de Haagse Arbeidsinspectie. In mei 1940 was hij 52 jaar oud. Tiny:

Onze vader was in de oorlog werkzaam bij de Arbeidsinspectie en beschikte zodoende over veel mogelijkheden om mensen te laten onderduiken en ze vooral aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment is de verzetsploeg van mijn vader opgepakt door de Duitsers. Hij is als enige de dans ontsprongen, alle anderen zijn doodgeschoten. Mijn vader wist via het ziekenhuis, waarin hij na de verhoren terecht was gekomen, te ontsnappen. […] Hij is via Schijndel naar Frankrijk gereisd, naar het plaatsje Nerac in Bourgondië, waar hij in een groot kasteel terecht kwam. [5]

Wanneer deze gebeurtenissen plaatsvinden, is onduidelijk. Tiny zegt ergens in haar verhaal ‘We woonden toen in de Magnoliastraat’, en Magnoliastraat 10 was in ieder geval al in juni 1941 het adres van de familie Van Genk. [6] Desalniettemin verschijnt begin 1942 een opmerkelijk bericht in een dagblad in het oosten van Nederland:

Uit een exploit, den 10den Februari 1942 door den ondergeteekenden deurwaarder beteekend op de wijze, voorgeschreven bij art. 4. lid 7 van het Wetboek van Burg. Rechtsv. blijkt, dat ten verzoeke van JOHANNES HENDRIKUS HERMANUS VAN DER GRAVEN, koopman, wonende te Enschede, te dezer zake domicilie gekozen hebbende te Enschede aan de Haaksbergerstraat no. 21 ten kantore van den procureur Mr. L. M N. Schweitzer is gedagvaard: JOSEPHUS JOHANNES MARIA VAN GENK, zonder bekende woon- of verblijfplaats, echtgenoot van Maria Anna Heesen, pensionhoudster, wonende te Enschede om bij procureur te verschijnen ter Civiele Terechtzitting der Arrondissements-Rechtbank te Almelo van Woensdag 15 April 1942 des voormiddags te tien ure, ten einde zich te hooren veroordeelen tot vanwaardeverklaring van een door den ondergeteekenden deurwaarder op 4 Febr. 1942 gelegd revindicatoir beslag met verdere vorderingen. [7]

De tekst roept een aantal vragen op: waarom werd van Jozef van Genk vermeld dat hij ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats’ is? Waarom woonde en werkte Maria Heesen in Enschede? En vooral: waar ging dit om?

Maria Heesen overleed in juni 1951 – in Enschede. Jozef van Genk trouwde acht maanden later voor een derde keer, met Leonarda Pennekamp uit Den Haag. Zij was dochter van een smid, weduwe van fabrieksarbeider Hendrik van der Wal en moeder van een zoon die in 1911 twee maanden na de huwelijksvoltrekking werd geboren. Het gaat hier om ‘Henk […], de zoon van Leni, zijn vaders derde vrouw […]. Henk had in de oorlog met zijn fascistische sympathieën niet helemaal aan de goede kant gestaan’. [8] Leonarda Pennekamp overleed in juni 1954. Jozef van Genk hertrouwde dit keer niet en overleed zelf op 3 oktober 1958 in Den Haag.


 

NOTEN

[1] Website Bijmans, geraadpleegd op 14 november 2019. Marijke Bijmans is een kleindochter van Jozef van Genk.

[2] Walda, Koning der stations, pp. 30-31. De chocolaterie figureert eveneens in de eerste grote monografie over Willem van Genk uit 1998, waarbij men zich andermaal baseert op een interview met zus Tiny. Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 11.

[3] Walda, Koning der stations, pp. 31-32.

[4] Informatie afkomstig van deze website (geraadpleegd op 15 november 2019).

[5] Walda, Koning der stations, p. 35.

[6] Onderdeel van de tentoonstelling Woest is een kaft van een schoolboek van Willem van Genk met genoemde datum en adres. Volgens de website Oozo gaat het om een (boven-) ‘woning uit 1924 […]. Het pand heeft een oppervlakte van 110 m² en heeft 4 kamers waarvan 3 slaapkamers.’ (Geraadpleegd op 16 november 2019.)

[7] Tubantia, 13 februari 1942

[8] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 38. Een bron ontbreekt, maar vermoedelijk is Tiny weer de informant.