Acht van de negen zusjes Van Genk in de tuin van het Heilig Hartinstituut in Heverlee, rond 1930 (inkleuring: AI)
Onlangs verscheen nieuwsbrief #53 van Cultureel Erfgoed Annuntiaten Heverlee, met een bijdrage over de zusters van Willem van Genk. De nieuwsbrief is hier te lezen, hieronder de tekst over de zusjes Van Genk.
Heimwee in Heverlee
De Nederlandse kunstenaar Willem van Genk (1927-2005) was de jongste in een katholiek gezin met tien kinderen. Hij had negen oudere zussen en was zelf een nakomertje. Hun vader, Jozef van Genk, had een fruithandel en wilde dat zijn kinderen een goede opleiding kregen. Oudste zus Tiny vertelde hierover toen zij in de jaren negentig werd geïnterviewd: ‘Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden.’
In het najaar van 1929 vertrokken de negen zusjes vanuit Voorburg, bij Den Haag, naar het Heilig Hartinstituut van de Zusters Annuntiaten in Heverlee. Ze hadden er een moeilijke tijd: ze spraken aanvankelijk geen woord Frans en sommigen van hen waren nog erg jong – Agnes, Isabella en Willy van Genk waren respectievelijk acht, zeven en zes jaar oud. Desalniettemin verbleven ze jarenlang in Heverlee, de drie jongsten zelfs tot 1936. Alleen in de vakanties keerden ze korte tijd terug naar Voorburg, en zelfs dat was niet altijd het geval. Het lange verblijf had ook te maken met het overlijden van moeder Maria van Genk-Hoogstraten, in 1932.
De zusjes Van Genk in Heverlee, rond 1930. Voorste rij: Jacoba (Jacqueline), Adriana (Addy), Helena (Lena/Leny), Maria (Riet), Eleonora (Nora). Achterste rij: Alberdina (Tina/Tiny), Isabella, Agnes, Wilhelmina (Willy)
Vader Jozef van Genk schreef in januari 1931 een brief aan zijn dochters, die bewaard is gebleven. In die brief is hij niet al te lang van stof, maar hij getroost zich duidelijk wel moeite om al zijn dochters ook even individueel aan te spreken: ‘Zeg Wilhelmientje hebt ge braaf gebeden, jongens wat een groote meid al en mooie punten, maar Isabella ook hoor, en Agnes hewel meske, kunde gij al Vlaamsch klappen’, en zo verder. Ze deden goed hun best en hadden bijna allen een mooi kerstrapport, op Nora na. Jozef van Genk: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld. … Over zes maanden is het weer groote vacantie die tijd schiet op, gebruikt ze nu daarom erg nuttig. […] Nu kinderen nu ga ik eindigen hoor vele groeten de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.
Lena van Genk, die goed kon leren, verbleef van 1929 tot 1938 in Heverlee. Ze trad op 26 september 1932 in, waarschijnlijk was het ziekbed en naderende overlijden van haar moeder daarbij een factor. Lena was op dat moment zeventien jaar oud. Ze ging hierna zes jaar door het leven als ‘Lidwina’. Die kloosternaam verwees naar de heilige Liduina van Schiedam, patrones van de chronisch zieken en ook de naamgeefster van de parochie van het gezin Van Genk. In 1938 trad ze weer uit. Midden jaren dertig werd een foto van haar gemaakt in habijt, bij de Lourdesgrot in de tuin van het instituut.
Lena van Genk (Lidwina) in Heverlee, midden jaren dertig
Het uittreden van Lena van Genk kan ook te maken hebben gehad met mentale problemen, die veelvuldig voorkwamen in de familie van haar moeder. Een oom en tante waren in 1897 door het rijk onder curatele gesteld wegens ‘krankzinnigheid’, een andere oom en tante heetten ‘minder begaafd’ te zijn. In een brief uit 1946 schreef vader Jozef van Genk dat Lena ‘sinds jaren zenuwziek’ was en ook haar broer Willem kreeg al bij zijn eerste tentoonstelling het etiket ‘geestelijk gestoord’ mee. Lena van Genk verhuisde na de Tweede Wereldoorlog naar Sancta Maria in Noordwijkerhout, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize. In 1957 werd haar oudere zus Tiny haar curator.
Uiteraard overleden de zusjes Van Genk één voor één, zij het bepaald niet in volgorde van leeftijd. De altijd ziekelijke Isabella, de op een na jongste, werd slechts drieënveertig en was in 1965 de eerste die stierf. Oudste zus Tiny werd daarentegen drieënnegentig jaar oud en overleed pas in 2007. Alleen Jacqueline (1919-2010) overleefde haar, ondanks het feit dat zij een kettingrookster was.
Acht van de negen zusjes Van Genk in de tuin van het Heilig Hartinstituut, rond 1930
Twee vragen blijven wat mij betreft over. Allereerst: waar haalde vader Jozef van Genk, winkelier, het geld vandaan om negen dochters jarenlang op een buitenlandse kostschool onder te brengen? Hun verblijf zal zeker niet gratis zijn geweest. Dan is natuurlijk ook de vraag waarom hij juist koos voor het Heilig Hartinstituut in Heverlee. Mogelijk had dit te maken met zijn echtgenote, die volgens het bidprentje bij haar overlijden ‘Lid der Derde Orde’ was geweest, tertiares dus. Ook de Annuntiaten zijn een orde van tertiarissen en tertiaressen.
En hun broertje Willem? Die keerde zich af van het geloof van zijn familie en kreeg communistische sympathieën. Twee collages van hem belandden in het universiteitsmuseum van Louvain-la-Neuve, een kleine dertig kilometer van Heverlee. Nog in 1997 zei hij in een interview: ‘Maar ik heb mijn hele leven een zwerm zusters gehad. Gisteren nog, het was maar een droom. Ze zaten aan m’n bed. Allemaal. En dat praat nog een keer door mekaar. Je kan er niks van verstaan, negen moeders die m’n bed willen opmaken. En toch ben je eenzaam.’
In een van de eerste posts van deze blog schreef ik naar aanleiding van alle (en naar mijn mening: te grote) aandacht voor het leven van Willem van Genk: ‘in het geval van Willem van Genk bestaat er geen twijfel over het belang van zijn ervaringen, obsessies en mentale problemen voor zijn werk. Door echter alleen op zijn leven te focussen doet men dat werk ernstig te kort.’ Waaraan ik toevoegde dat het tegelijkertijd wel goed is om een meer gedegen biografische basis te leggen en om tegelijkertijd aan te geven welke zaken verder onderzoek verdienen, omdat we nog over veel te weinig gegevens beschikken, met name waar het gaat om Van Genks jeugd en vroege volwassenheid.
Inmiddels begint er steeds meer informatie te komen over het leven van Willem van Genk: er dook een stiefbroer op, er bleek een setje gezinskaart uit de jaren dertig te zijn, de contouren van Jozef van Genk gingen zich duidelijker aftekenen, jeugdliefde ‘Madeleintje Storio’ kon worden geïdentificeerd en zo verder. Mijns ondanks ben ik steeds verder verstrikt aan het raken in de levensfeiten van Willem van Genk en het einde is nog bepaald niet in zicht. Want waar is de geboorteakte? Welke opleidingen volgde hij, en waar? Wat waren zijn eerste baantjes? Hoe kwam hij onder de aandacht van Nico Speijer? Wie was Troekie Spigt? En zo verder, ongetwijfeld.
Volgens de monografie over Willem van Genk van De Stadshof uit 1998 ‘is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld.’ [1] Waarom dit ‘bekend’ is, is niet duidelijk; desalniettemin is het de enige verwijzing naar Huijbergen en Harreveld waar we over beschikken. Uit korte mededelingen in kranten bleek dat Willem/Wim van Genk in mei 1939 uit Voorburg was vertrokken naar Harreveld en dat hij in juli 1940 weer terugkeerde, naar Den Haag waar Jozef van Genk inmiddels met zijn dochters woonde. Het archief van het internaat in Harreveld was bij een brand verloren gegaan, zodat we het met die gegevens moesten doen.
Huijbergen dan. Volgens zijn oudste zuster Tiny Van Genk werd haar broer na de dood van zijn moeder ‘door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [2] Huijbergen noemt zij niet en Van Genk zelf laat zich evenmin over dit verblijf over uit. In Huijbergen, een paar kilometer ten zuiden van Bergen op Zoom, was inderdaad een “pensionaat voor jongeheeren” genaamd Sainte/Sint Marie, een jongenskostsschool die was ondergebracht in het Wilhelmietenklooster van de Broeders van Huijbergen. In het archief van het pensionaat was echter niets over Van Genk te vinden. Gelukkig bezat mijn contactpersoon, nadat ik had vermeld dat de moeder was overleden, de tegenwoordigheid van geest om ook te kijken in het archief van het eveneens door de Broeders van Huijbergen bestierde weeshuis, en dit keer was het raak:
Informatie uit het archief van de Broeders van Huijbergen betreffende:
Wim F. van Genk, geboren 2 april 1927
Naam en geboortedatum komen voor op een lijst persoonsgegevens van de leerlingen die in 1941 in het weeshuis verbleven, toegezonden aan de Nederlandsche bond tot kinderbescherming. Hierbij moest worden aangegeven of zij “geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede” waren. (De ondertekenaar laat overigens weten dat hij niet op de hoogte is van de komst van deze kinderen.)
Hij verbleef in het weeshuis te Huijbergen van september 1940 tot 26 juli 1941 en volgde de 5e klas.
Dit blijkt uit: een register waarin de maandelijkse (gedrags)punten vermeld staan; en een aantekening in het register van aankomst, waarvan hier alleen vermeld is dat hij een volledige uitzet bij zich had, en de datum van zijn vertrek.[3]
Bijgevoegd waren foto’s van de genoemde documenten.
Details van documenten uit het archief van de Broeders van Huijbergen
Van Genk was dus pas naar Hijbergen gegaan ná zijn verblijf in Harreveld en al tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit verklaart ook waarom er op de gezinskaarten uit de Voorburgse periode niets te zien is over een eventueel vertrek naar Huijbergen: hij woont dan nog thuis. Dat hij op dertienjarige leeftijd in de vijfde klas wordt geplaatst, zegt iets over zijn leerproblemen. Zijn gedrag was daarentegen redelijk voorbeeldig. Wat de rol was van de kinderbescherming, helemaal tijdens de bezetting, zou verder moeten worden onderzocht. Opmerkelijk vind ik ook dat Van Genk bijna acht jaar na het overlijden van zijn moeder pas naar een weeshuis wordt gestuurd – en dat hij na een jaar weer terugkeert. [4]
Hoe ver moet je gaan bij het zoeken naar biografische gegevens? Willem van Genk had negen zusters, van wie in ieder geval Riet (1919-1995), Agnes (1920-1988) en Isabella (1922-1965) weinig invloed op zijn leven hebben gehad. Dit lijkt ook het geval te zijn met Leny, de tweede dochter van het gezin. Helena Eleonora Maria van Genk werd geboren op 14 januari 1915, net als haar één jaar oudere zuster Tiny in Roosendaal; hierna verhuisde het gezin naar Den Haag, waar de andere zeven dochters werden geboren. Tiny, Leny en hun zusje Nora (1916-1984) verbleven van oktober 1920 tot januari 1922 in het pensionaat Sacré Coeur in Moerdijk. Van februari 1927 tot juli 1929 verbleef Leny met een aantal van haar zusjes in internaat Duinzigt in Oegstgeest, in het najaar van 1929 gingen alle dochters naar een kostschool in Leuven. In een brief die vader Van Genk aan zijn kinderen in Leuven schreef, vraagt hij hen de groeten te doen aan ‘de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.
Leny van Genk
Hierna keren de meisjes één voor één terug naar Voorburg, Leny in augustus 1938 als laatste; ze is dan al drieëntwintig. Op een foto die waarschijnlijk uit die tijd stamt, heeft ze een habijt aan: Leny had de ambitie om in te treden en verder als kloosterzuster door het leven te gaan. Volgens haar neef Albert Roozenburg, zoon van Riet van Genk, zou dat er uiteindelijk nooit van komen. [5] Op enig moment vertrok ze naar Noordwijkerhout waar ze ging werken in Sancta Maria, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize die in 1928 was opgericht door de congregatie van Zusters van liefde voor Jezus en Maria. [6] In 1957 werd zij hier patiënt: ‘Bij vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ’s Gravenhage dd. 30 augustus 1957 is op eigen verzoek onder curatele gesteld; Helena Eleonora Maria van Genk, momenteel verblijvend Huize Sancta Maria te Noordwijkerhout.’ [7] Albert Roozenburg:
Ik ben vaak in Sancta Maria geweest bij haar en heb daar nog wel herinneringen aan. Ze kwam ook bij ons thuis in Den Haag op visite. Ik heb ooit een mooie puzzel van Nederland van haar voor mijn verjaardag gehad. In Sancta Maria viel het mij wel op dat zij eigenlijk een van de betere patiënten was: volgens mij hielp ze het verplegend personeel ook met de zorg voor andere patiënten.
Leny van Genk overleed in Noordwijkerhout op 10 december 1967. Ze was tweeënvijftig jaar.
Grafsteen van Leny van Genk (foto: Jan Vellekoop)
Willem van Genk had weinig op met het katholicisme van zijn familie. Desalniettemin was hij gedwongen om zijn eerste buitenlandse reizen te maken met katholieke reisverenigingen. Er staan opvallend vaak nonnen afgebeeld op zijn werken uit de jaren zestig, al hoeft dit niet meteen te worden gezien als een verwijzing naar Leny: het gaat met name om afbeeldingen die in Italië zijn gesitueerd, al zijn er ook nonnen te vinden op onder meer Praag en Madrid. Op de achterkant van Colonnade St. Pieter is de Amerikaanse televisieserie De vliegende non het onderwerp van een knipsel. Geen vreemde associatie waar het Vaticaanstad betreft.
Detail Waarheidsfestival (1972)
Of de geestesgesteldheid van Leny licht zou kunnen werpen op die van haar broer is maar zeer de vraag, aangezien we niets weten over haar diagnose. Overigens had het weinig gescheeld of Willem van Genk zelf was eveneens opgenomen in Noordwijkerhout, waar ook een instelling was voor mánnelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize (Sint Bavo). Bibeb in 1964:
Het jaar dat dit interview werd geschreven werd hem het werk en z’n salarisje waarvan hij kon sparen voor z’n reizen afgenomen. Hij kreeg voor wat hij van 8 tot 5.30 uur deed 5 gulden in handen. Na zijn paniek hierom wilden bepaalde instanties hem naar de inrichting te Noordwijkerhout sturen. Dit is voorkomen.[8]
Het had dus ook heel anders kunnen lopen met Willem van Genk.
[3] E-mail van broeder Bram aan Jack van der Weide, 5 januari 2021.
[4] Van Genks jongste zuster Willy in 1964 tegen Bibeb: ‘[Vader] deed Wim, toen hij klein was, in een weeshuis, omdat ie geen zin had in leren.’ Dit blijkt dus te kloppen
[5] E-mail Albert Roozenburg aan Jack van der Weide, 1 augustus 2020.
[6] ‘Tot ver na de oorlog ademde Sancta Maria tot in alle hoeken en gaten een volstrekt katholieke geest uit. Dagelijks werd er een Heilige Mis opgevoerd, nonnen en patiënten baden tot heil van iedereen en de kapel bleef het middelpunt van de inrichting. De directie-secretaris: “Het is nauwelijks te geloven hoe sterk het katholicisme hier heerste. Zelfs een nieuwe motorspuit voor de brandweer of een nieuwe kapsalon werd nog met wijwater ingewijd”. Pas in 1971 verlieten de nonnen Sancta Maria’. Monica Wesseling, “Gedenkboek over 60 jaar Sancta-Maria”, in: Leidsch Dagblad, 27 januari 1988.
[7] Volgens deze website. Bron was Marijke Bijmans, dochter van Agnes van Genk. Tiny van den Heuvel-van Genk werd curator.
[8] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 111.
Hoek Van de Wateringlaan/Van Wassenaerstraat in Voorburg. Op de benedenverdieping no. 25, het woon/winkelpand van het gezin Van Genk. Foto: Google Street View, april 2019
Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.
Het gezin van Jozef van Genk woonde tussen 1925 en 1939 in Voorburg, waar in 1927 zoon Willem werd geboren. Tot nog geen jaar geleden moesten we het voor wat betreft deze periode in het leven van de kunstenaar voornamelijk doen met de verhalen van zus Tiny, via de filters van Dick Walda en Ans van Berkum. De afgelopen maanden wist ik mondjesmaat gegevens boven water te krijgen die iets meer duidelijkheid schiepen over onder andere het tweede huwelijk van Jozef van Genk en de uiteindelijke verhuizing terug naar Den Haag. Recentelijk spoorde Jan Vellekoop in het Gemeentearchief in Den Haag een setje gezinskaarten op dat het bestaande beeld van de Voorburgse jaren aanzienlijk verscherpt.
Jozef en Maria van Genk verhuisden in juni 1925 van Den Haag naar Voorburg. Jozef was op dat moment 37 jaar oud, zijn vrouw 42 en er waren negen dochters, in de leeftijd van elf tot een. Het gezin kwam te wonen op het adres Van de Wateringelaan 25, een woon/winkelpand op de hoek met de Van Wassenaerstraat, waar op 1 september Van Genk’s Fruithandel officieel werd geopend. [1] Anderhalf jaar later, toen Maria van Genk op het punt stond opnieuw te bevallen, gingen dochters Leny (12), Nora (10), Jacqueline (8), Riet (7) en Agnes (6) naar het (uiteraard Rooms-katholieke) internaat Duinzigt in Oegstgeest, dat naast een kleuterschool en een lagere school ook een zevende en een achtste leerjaar kende. Oudste dochter Tiny (13) volgde begin juni, waarschijnlijk had zij tijdelijk de huishoudelijke taken van haar moeder opgevangen na de geboorte van Willem op 27 april. Ook Isabella (5) vertrok in september naar Oegstgeest, aan het begin van een nieuw schooljaar. Willy (4) en Addy (10) bleven daarmee als enige meisjes in Voorburg – Willy waarschijnlijk omdat zij nog te jong was, Addy mogelijk vanwege haar zwakke gezondheid. [2]
Eind juli 1929 keerden Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella uit Oegstgeest terug naar Voorburg; Nora volgde op 7 augustus. Half september vertrok Nora met Addy en Willy, die nog nooit van huis waren geweest, naar een kostschool in Leuven. Een maand later volgden de andere zes zusjes. Alle negen dochters waren daarmee het huis uit, alleen Willem woonde nog bij zijn ouders. In januari 1931 schreef Jozef van Genk de eerder geciteerde brief aan zijn dochters in België, waar alleen Nora niet goed haar best leek te doen: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld.’
Op 25 november 1932 overleed Maria van Genk-Hoogstraten op 49-jarige leeftijd. Twee maanden later werd Van Genk’s Fruithandel opgeheven. [3] In februari 1933 keerden Tiny (19), Nora (16) en Jacqueline (14) na meer dan drie jaar vanuit Leuven terug naar Voorburg: de oudste dochters minus Leny en Addy, die in België bij de vier jongsten bleven. Kort daarvoor was Jozef van Genk verhuisd naar Van Aremberglaan 157 – het woon/winkelpand aan de Van de Wateringelaan, een paar honderd meter verderop, moest immers worden verlaten. Ook Addy (16) keerde begin augustus terug uit België, zij had kennelijk eerst het lopende schooljaar afgemaakt.
In 1934 leek Jozef van Genk een nieuw begin te (willen) maken. Op 9 mei trouwde hij in Den Haag op 46-jarige leeftijd met de 39-jarige weduwe Maria Heesen, wier zoon Herman (11) met haar meekwam naar Voorburg. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin van Genk naar Van Aremberglaan 86, tegenover de vorige woning aan Van Aremberglaan 157 waar ze slechts anderhalf jaar hadden gewoond. Dochter Riet (14) keerde eind september uit België terug naar huis; op het nieuwe adres woonden daarmee op dat moment negen personen. In april 1934 werden dat er tien, toen ook Maria Heesens dochter Christina (16) vanuit Enschede naar Voorburg kwam, waar ze een week later haar zeventiende verjaardag vierde. Haar verblijf was kennelijk geen succes, want nog geen zes weken later ging ze al weer terug naar Enschede.
Op 5 juni 1935 verscheen er een advertentie in de Haagsche Courant: ‘TUINMAN biedt zich aan voor het snoeien van fruitboomen, zomersnoei. Adres: J. van Genk, v. Aremberglaan no 86, Voorburg.’ Tiny zou later spreken over haar vader als eigenaar van een chocolaterie die daarna ging werken bij de Arbeidsinspectie in Den Haag. [4] De datum van die overstap is onduidelijk, maar op de kaarten van Voorburg wordt Jozef van Genk uitsluitend aangeduid als ‘fruithandelaar’. In ieder geval was de winkel al vanaf 1933 niet meer zijn eigendom en kluste hij kennelijk bij als tuinman – dat een fruithandelaar verstand had van fruitbomen, lag voor de hand. Drie jaar later bood hij zijn diensten nog steeds aan: ‘TUIN IN ORDE? Uw tuin één stukje natuurschoon. Advies gratis. Aanleg en onderhoud door vakman. Aanbev., JOS M VAN GENK’. [5]
V.l.n.r. Tiny, Leny en Nora van Genk, jaren dertig
In september 1935 vertrok de inmiddels jongvolwassen Nora (19) naar Naaldwijk. Haar nieuwe adres daar, Heerenstraat 1, was dat van haar ooms Arie en Jan Hoogstaten, twee ietwat zonderlinge maar zeer welgestelde broers van haar moeder die in Naaldwijk meerdere panden bezaten. Diezelfde maand ging Herman van Vlaardingen naar het internaat van de Kruisvaarders van St. Jan in Rijswijk, enkele dagen na zijn dertiende verjaardag. Hij zou niet meer naar Voorburg terugkeren. Het nu iets kleinere gezin Van Genk verhuisde opnieuw, dit keer naar Van Alphenstraat 93. Begin oktober vertrok Addy (18) naar haar oom en tante Van der Ouderaa in Bergen op Zoom. [6]
In maart 1936 keerden nog drie dochter terug uit België: Agnes (15), Isabella (14) en Willy (12) hadden zesenhalf jaar in Leuven gewoond. Leny hield het tot 1938 vol en was drieëntwintig toen ze terug naar Voorburg kwam. Dit suggereert dat zij al bezig was met haar voorgenomen intrede als kloosterlinge. In juni 1936 verhuisde Maria Heesen naar De Bilt; haar huwelijk met Jozef van Genk was kennelijk al na twee jaar officieus voorbij. In het najaar ging ook Tiny bij haar familie in Naaldwijk wonen, terwijl Addy in het voorjaar van 1937 juist weer terugkeerde naar Voorburg.
Begin 1939 gingen Addy en Jacqueline samen op kamers wonen op een adres in het centrum van Den Haag. [7] Een maand later vertrok Willem naar het internaat in Harreveld, waarna Jozef van Genk met zijn dochters Leny (23), Riet (19), Agnes (18), Isabella (17) en Willy (15) verhuisde naar Magnoliastraat 10 in Den Haag. Hier stoppen de gegevens op de gezinskaarten en zijn (vanuit die bron) de bewegingen van de Van Genks niet meer te volgen. Mogelijk voegden Addy en Jacqueline zich korte tijd later bij het gezin – in de Haagsche Courant stond op 1 juli 1939 een advertentie voor onder andere een ‘zo goed als nieuw, 2-persoons opklapbed’, met als adres Westeinde 195. De verhuizing van Voorburg naar Den Haag had mogelijk te maken met Jozefs nieuwe baan bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Een jaar later kwam ook Willem vanuit Harreveld weer naar huis. [8]
NOTEN
[1] Volgens de oude gezinskaart van Den Haag vertrokken de Van Genks naar het adres Van Heurnstraat 87 in Voorburg, volgens de gezinskaarten van Voorburg was het eerste adres in die gemeente Van de Wateringelaan 25. Het Handelsregister Zuid-Holland geeft 1 september als de officiële vestigingsdatum van ‘Van Genk’s Fruithandel – winkel in groenten en fruit, Van Wateringelaan 25 in Voorburg’.
[2] Volgens Tineke Dietvorst, dochter van een neef van de kinderen Van Genk, was Addy ‘heel fragiel’ (interview met Pierre en Tineke Dietvorst, 17 oktober 2018).
[3] In het Handelsregister Zuid-Holland staat op het document met oprichtingsgegevens de opmerking: ‘Handelszaak Januari 1933 opgeheven’. Een separaat document geeft aan dat Van Genk’s Fruithandel op 29 september 1933 formeel van eigenaar wisselde.
[6] Willem was bij deze tante en oom opgevangen na het overlijden van zijn moeder, maar zijn woonplaats werd voor dit verblijf niet aangepast op de gezinskaarten.
[7] Het adres is Westeinde 195. In de Haagsche Courant staan rond deze tijd voortdurend advertenties voor woonruimte op dit adres, onder andere op 2 februari: ‘TE HUUR nette gemeubil. zit-sl.-kamer voor 2 personen, ƒ 4 per week.’
Jozef van Genk met twee van zijn kleinkinderen, voorjaar 1958
Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.
Het is moeilijk om verifieerbare informatie te vinden over de eerste decennia van het leven van Willem van Genk. Zelf was hij als bron verre van ideaal, zijn notities en opmerkingen hadden eigenlijk altijd een vorm van interpretatie nodig. Dick Walda was vanaf de jaren tachtig degene die een begin maakte met het in kaart brengen van Van Genks verleden, maar hij had daarbij vrijwel geen basisgegevens tot zijn beschikking. Wanneer Van Genk het tegenover Walda bijvoorbeeld had over ‘de weduwe van Von Ribbentrop en Arthur Schmelage’ die werk van hem zouden hebben, dan kunnen deze namen pas later worden thuisgebracht. [1] Met ‘Arthur Schmelage’ doelde hij waarschijnlijk op Alfred Schmela, de Duitse galeriehouder die in de jaren zestig enkele werken van hem had verkocht maar er, voor zover bekend, zelf geen bezat. Een van de klanten van Schmela was inderdaad Anneliese von Ribbentrop (1896-1973), de weduwe van de Duitse minister van buitenlandse zaken in nazi-Duitsland. [2]
Een belangrijke informant voor Walda, en later ook voor de makers van Een getekende wereld (1998), was Tiny van den Heuvel-van Genk, de oudste zuster van de kunstenaar. Ze kreeg van Walda in diens boek Koning der stations een eigen hoofdstuk, waarin ze ook vertelt over de jeugd van de kinderen Van Genk in het algemeen en haar broer in het bijzonder. Fragmenten uit de gesprekken die Ans van Berkum daarna met Tiny hield, kwamen recentelijk beschikbaar op de website van Theo Faber. [3] Daaruit viel onder meer op te maken dat ook in het geval van Tiny vaak enige interpretatie nodig was, zij het minder dan bij haar broer. Vreemd is dat uiteraard niet, als je bedenkt dat het herinneringen aan zaken van vijftig tot zestig jaar geleden betreft. Tiny’s woorden waren misschien niet altijd naar de letter nauwkeurig, maar meestal wezen ze wel in de goede richting.
Tiny vertelde tegen Walda terzijde over de kostschool waar zij en haar acht zusjes door haar ouders onder waren gebracht:
Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. Het katholieke internaat in Leuven heette ‘Ecole du Commerce’. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden. […] Ik was de oudste en had ook nog eens de zorg voor de kleintjes. Twee van mijn zusjes, die het meeste heimwee hadden, kwamen na verloop van tijd weer terug in Voorburg’. [4]
Waar het internaat in Leuven niet door mij kon worden getraceerd, kreeg ik wel van een van de kleindochters van Jozef van Genk een brief ter inzage die hij in januari 1931 aan zijn dochters in Leuven schreef.
In de brief is vader Van Genk niet al te lang van stof, maar hij getroost zich duidelijk wel moeite om al zijn dochters ook even individueel aan te spreken: ‘Zeg Wilhelmientje hebt ge braaf gebeden, jongens wat een groote meid al en mooie punten, maar Isabella ook hoor, en Agnes hewel meske, kunde gij al Vlaamsch klappen’, en zo verder. Ze doen goed hun best en hebben bijna allen een mooi kerstrapport, op Nora na. Addy en Jacqueline blijken de twee zusjes te zijn die met heimwee weer naar huis mochten, ze woonden ten tijde van de brief echter niet in Voorburg maar in Bergen op Zoom. Hun broertje was de enige van de tien kinderen die bij zijn ouders in Voorburg was. Wat Jozef van Genk over hem aan zijn dochters vertelde, biedt een zeldzame blik op de dan driejarige Willem van Genk:
Oh ja, jullie dachten aan Willem, nu dat is een echte kwajongen geworden, een deugniet in hooge mate. Wanneer hij een koekje van mama krijgt zegt hij dank u wel papa, het is immers volgens hem van papa’s centen! Geen kind in den winkel, mag ergens aanraken, hij slaat erop. Vorige week was hij op straat met twee grootere jongens aan het rollen, ze hadden wat afgepakt. Hij weet al hoe oud hij is, waar hij woont, en is mama’s kleine jongen, niet van papa![5]
De verleiding is groot om op grond van dit korte portret te gaan psychologiseren en eigenschappen van de oudere Willem terug te lezen in de woorden van zijn vader. In ieder geval dient in aanmerking te worden genomen dat het gaat om een beschrijving van een vader aan zijn dochters in de leeftijden van acht tot zestien jaar, waarbij hij ook nog eens – mogelijk: ondanks alle problemen – trots was op zijn enige zoon.
Maria Heesen, jaren veertig
Maria van Genk-Hoogstraten overleed in november 1932 en Jozef van Genk hertrouwde in mei 1934 met Maria Heesen, wier roepnaam ‘Jenny’ was. [6] Over deze verbintenis is weinig bekend, door latere generaties werd het huwelijk doodgezwegen. Hoe het daarna met de kinderen van Jozef van Genk verliep, is eveneens onduidelijk. In het Dagblad van Noord-Brabant werd op 19 oktober 1935 melding gemaakt van de verhuizing vanuit Voorburg van A. van Genk naar Zuivelstraat 11 in Bergen op Zoom – dit was Addy van Genk die (opnieuw) bij haar tante en oom Van der Ouderaa in Bergen op Zoom ging wonen. Dezelfde krant meldde op 17 april 1937 haar terugkeer naar Voorburg.
Interessanter nog is een lijstje in De Graafschap-bode van 5 mei 1939 met ingekomen personen in de gemeente Lichtenvoorde: onder hen ‘W.F.A.M van Genk, F24 van Voorburg’. Het ging hier om de verhuizing van Willem van Genk naar het internaat in Harreveld, waarbij F24 mogelijk een geografische precisering betrof. Op 12 juli 1940 vertrok hij weer: ‘W.F.A.M van Genk, van F24 naar Venlo’. Dat laatste was waarschijnlijk een tikfout, aangezien ook de volgende persoon naar Venlo vertrok. Willem van Genk was dus net twaalf jaar oud toen hij naar het internaat in Harreveld werd gestuurd, waar hij één schooljaar verbleef. Toen hij weer naar huis kwam, was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken.
[2] Nico van der Endt had bij zijn zoektocht naar de verdwenen werken van Van Genk in 2000 haar naam gekregen van Charlotte Zander.
[3] De fragmenten zijn hier te vinden. Zowel Willem van Genk zelf (in gesprek met Dick Walda en Nico van der Endt) als Tiny (in gesprek met Ans van Berkum) zijn te horen (geraadpleegd op 27 juli 2020).