Aanbevelend

Jozef van Genk met zijn twee oudste dochters voor zijn winkel in Voorburg, 1927. Links Leny, rechts Tiny (archief Marijke Bijmans)

Over de moeder van Willem van Genk, Maria Hoogstraten (1882-1932), duiken weinig nieuwe gegevens op. Hooguit is over haar familie nog het een en ander aan onbekende feiten te vinden, maar met haar zelf gaat het als met zo veel vrouwen uit voorbije tijden over wie men informatie boven water probeert te krijgen: het blijft bij het vaststellen van ouders, van geboorte-, huwelijks- en sterfdata, en van op de wereld gezette kinderen. In haar geval stond in ieder geval op haar huwelijksakte nog een beroep vermeld – modiste – waar andere bruiden het vaak met ‘beroep: zonder’ moesten doen.

Anders is het gesteld met vader Jozef van Genk, over wie na mijn initiële opsomming van biografische informatie nieuwe gegevens blijven opduiken. Eerder schreef ik onder meer al over zijn huwelijk met Maria Heesen en zijn stiefzoon; over zijn relatie tot zijn dochters; over zijn periode in Voorburg; over zijn oorlogsverleden; en over zijn vriendschap met de schilder Pierre Stordiau. Recentelijk vond ik informatie over de eerst drie decennia van zijn leven. Het beeld van Jozef van Genk wordt steeds completer, en daarmee ook het beeld van de jonge jaren van Willem van Genk en het milieu waarin hij opgroeide.

De eerste vermelding van Josephus Johannes Maria van Genk na zijn geboorte op 10 november 1887 is te vinden in het bevolkingsregister van Bergen op Zoom rond 1900, waar staat dat hij ‘naar kostschool Maastricht’ is gegaan; een datum ontbreekt. [1] Bij een volgende vermelding is hij op 7 november 1901 weer teruggekeerd in Bergen op Zoom uit Cadier en Keer – waarschijnlijk gaat het daarbij om dezelfde kostschool. [2] In december 1906 wordt hij afgekeurd voor militaire dienst. Een specifiek beroep heeft hij op dat moment niet. [3] Een maand later overlijdt zijn moeder, Cornelia Veraart, terwijl vader Wilhelmus van Genk al in 1901 is gestorven. De negentienjarige Jozef is dan voor de wet nog minderjarig en hij krijgt een voogd: Jan Peeters (1876), ‘boomkweeker te Steenbergen’, sinds 1904 de echtgenoot van zuster Adriana van Genk (1880). [4] Jozef gaat bij zijn voogd wonen en verhuist officieel op 8 februari 1908 naar Steenbergen.

In Steenbergen staat hij als boomkweker ingeschreven, het beroep van zijn voogd. [5] Hij vertrekt op 31 mei 1911 vanuit Steenbergen naar Naaldwijk, de woonplaats van zijn toekomstige echtgenote. Op 11 juni 1912 blijkt hij zich te hebben gevestigd in Berlicum, als tuinman en met als vorige woonplaats Naaldwijk. [6] Hij vertrekt op 25 juli 1912 vanuit Berlicum naar Loosduinen en verschijnt op 27 februari 1913 weer in Oudenbosch, dit keer als koopman. [7] Als bekend trouwt hij op 15 april 1913 in Naaldwijk met Maria Martina Hoogstraten; volgens de huwelijksakte is hij van beroep fruithandelaar en woont hij in Oudenbosch. Op 6 juli 1913 vertrekt hij officieel naar Roosendaal, waar hij al sinds 30 mei woont en waar hij staat ingeschreven als winkelier op Brugstraat 62. Hier worden zijn oudste dochters Tiny en Leny geboren. Het jonge gezin vertrekt op 8 oktober 1915 naar ’s-Gravenhage, waar ze bijna tien jaar zullen blijven en waar nog zeven dochters worden geboren.

Advertentie in De Grondwet, 26 april 1913

Over de winkel in Roosendaal is vrij veel bekend, via advertenties die Jozef van Genk zeer regelmatig plaatste in De Grondwet, ‘Roosendaal’s Nieuws- en advertentieblad’, dat één tot drie maal per week verscheen en dat later fuseerde met De Zoom uit Bergen op Zoom. Zijn winkel droeg de naam “Nieuwe Westlandsche Fruitwinkel” en verkocht naast groente en fruit ook andere, vaak ietwat luxe etenswaren. In de periode mei 1913 – februari 1914 adverteert Jozef van Genk daarom onder meer voor kaas, peperkoek, chocolade, bonbons, ‘Assorted Chocolade Biscuits’, ‘Roosendaalsche moppen’ en ‘de echte Engelsche sherry cake’. Peren zijn bij hem niet zo maar peren maar William Duchesse, Beurré Clairgeaux en Soldat Laboureur. Vrijwel alle advertenties eindigen met de woorden ‘Aanbevelend, Jos. van Genk’. [8]

Misschien mikt hij iets te hoog, want op 3 februari 1914 wordt hij failliet verklaard en een week later wordt de inboedel van zijn winkel in het openbaar verkocht. Belangstellenden kunnen bieden op onder meer ‘div. blikken Zalm, Sardines, Vruchten, Asperges, Doperwten, Tomaten Puree, Soepgroenten, div. fl. Olie, Piccalilli en Piccalillisaus, Bessenwijn en Bessensap, flac. met Vruchten, Elartine, Majonnaisesaus, benevens Bonbons, Chocolade, Vanillesuiker, Caramels, Maizena, Maggitabletten, Haagsche Hopjes, enz. enz. Voorts een Papiersnijmachine, Bascule met Gewichten, Kaastafeltje, 3 Gaslampen en alhetgeen verder ten verkoop zal worden aangeboden’. [9]

Advertentie in De Grondwet, 3 december 1914 (links) en 16 maart 1915 (rechts)

Pas in november 1914 verschijnen er weer advertenties voor de winkel, die kennelijk een doorstart heeft gemaakt onder de naam “Westlandsche Fruithandel”. Jozef van Genk verkoop nu ook incidenteel vis (paling, haring, ansjovis en bokking) en richt zich in zijn advertenties regelmatig op specifieke feest- en hoogtijdagen: ‘Roosendalers koop voor de Communie in je Fruitzaak diverse Appelen, Sinaasappelen, Noten, Trosrozijnen enz. enz. Aanbevelend, Jos. van Genk.’ [10] Begin 1915 is er een probleem geweest met een bezorger aan huis, waarvoor hij zich uitgebreid excuseert tegenover zijn clientèle. Hij heeft een nieuwe bezorger in dienst genomen, ‘een nette Belgische bediende […], die dagelijks mijne klanten zal bezoeken en aan wien alle boodschappen kunnen worden opgedragen.’ [11]

In september kondigt Jozef van Genk aan dat hij naar ’s-Gravenhage vertrekt maar dat de Westlandsche Fruithandel ‘door mijn Compagnon volgens gewoonten wordt voortgezet.’ [12] Die compagnon blijkt oudere broer Cornelis/Kees (1884-1945) te zijn die de winkel inderdaad overneemt, trouwt, een gezin sticht en de rest van zijn leven in Roosendaal blijft wonen. Het aantal advertenties in De Grondwet neemt onder zijn eigenaarschap drastisch af; ook worden ze aanmerkelijk soberder. Jozef zal in Den Haag ongetwijfeld verder zijn gegaan met adverteren, maar onbekend is in welke krant of blad.

Advertentie in De Grondwet, 3 december 1914 (links) en 16 maart 1915 (rechts)

De bewering van Tiny van Genk als zou haar vader een chocolaterie hebben gehad, is onjuist. Wel verkocht hij in zijn fruithandel onder andere chocolade, koek en bonbons, en leek hij zich voor een deel op het iets luxere marktsegment te richten. Zijn loopbaan van boomkweker naar fruithandelaar vertoont een zekere logica en verklaart ook waarom hij zich in de jaren dertig aanbiedt voor het snoeien van fruitbomen. De winkel behoort dan al tot het verleden, zoon Willem zal weinig herinneringen hebben gehad aan zijn vader als winkelier. Opvallend is natuurlijk wel de grote nadruk in zijn werk op reclames, voor de meest uiteenlopende producten, culminerend in de Arnhemse bus-assemblages die hij in de jaren tachtig en negentig maakte. Die levenslange gerichtheid op Arnhem (‘daar was hij vaak met vader geweest’, volgens zijn zuster Jacqueline) zou iets te maken kunnen hebben gehad met zijn oom Kees, die in 1915 de winkel in Roosendaal overnam. Kees was op 31 oktober 1908 vanuit Bergen op Zoom verhuisd naar Arnhem, waar hij op 28 februari 1910 nog steeds woonde. [13] Over de reden van zijn vertrek naar Arnhem of zijn verblijf heb ik helaas geen gegevens kunnen vinden.


NOTEN

[1] Bevolkingsregister Bergen op Zoom 1900-1920, deel 8 G (West-Brabants Archief)

[2] Bevolkingsregister Bergen op Zoom 1900-1920, deel 11 G (West-Brabants Archief)

[3] Lotingsregister voor de nationale militie, lichting 1907, klasse 1887 (West-Brabants Archief)

[4] Notariële archieven Bergen op Zoom, notaris W.J. van Gruting, Minuutakten, 1907 (West-Brabants Archief)

[5] Bevolkingsregister Steenbergen 1900-1920 (West-Brabants Archief)

[6] Bevolkingsregister Berlicum 1898-1921 (Brabants Historisch Informatie Centrum)

[7] Bevolkingsregister Oudenbosch 1890-1926 (West-Brabants Archief)

[8] Advertenties in De Grondwet op 26 april, 24 mei, 14 juni, 21 juni, 28 juni, 10 juli, 17 juli, 19 juli, 24 juli, 2 augustus, 5 augustus, 23 augustus en 4 oktober 1913

[9] De Grondwet, 7 februari 1914

[10] Idem, 16 maart 1915

[11] Idem, 23 januari 1915.

[12] Idem, 18 september 1915

[13] Respectievelijk: Bevolkingsregister Bergen op Zoom 1900-1920, deel 11 G; en Notariële archieven Bergen op Zoom, notaris J.C.L. Schermer, Minuutakten, 1910 (West-Brabants Archief)

Broeders en zusters

Detail Colonnade St. Pieter (1966)

In een van de eerste posts van deze blog schreef ik naar aanleiding van alle (en naar mijn mening: te grote) aandacht voor het leven van Willem van Genk: ‘in het geval van Willem van Genk bestaat er geen twijfel over het belang van zijn ervaringen, obsessies en mentale problemen voor zijn werk. Door echter alleen op zijn leven te focussen doet men dat werk ernstig te kort.’ Waaraan ik toevoegde dat het tegelijkertijd wel goed is om een meer gedegen biografische basis te leggen en om tegelijkertijd aan te geven welke zaken verder onderzoek verdienen, omdat we nog over veel te weinig gegevens beschikken, met name waar het gaat om Van Genks jeugd en vroege volwassenheid. 

Inmiddels begint er steeds meer informatie te komen over het leven van Willem van Genk: er dook een stiefbroer op, er bleek een setje gezinskaart uit de jaren dertig te zijn, de contouren van Jozef van Genk gingen zich duidelijker aftekenen, jeugdliefde ‘Madeleintje Storio’ kon worden geïdentificeerd en zo verder. Mijns ondanks ben ik steeds verder verstrikt aan het raken in de levensfeiten van Willem van Genk en het einde is nog bepaald niet in zicht. Want waar is de geboorteakte? Welke opleidingen volgde hij, en waar? Wat waren zijn eerste baantjes? Hoe kwam hij onder de aandacht van Nico Speijer? Wie was Troekie Spigt? En zo verder, ongetwijfeld.

Volgens de monografie over Willem van Genk van De Stadshof uit 1998 ‘is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld.’ [1] Waarom dit ‘bekend’ is, is niet duidelijk; desalniettemin is het de enige verwijzing naar Huijbergen en Harreveld waar we over beschikken. Uit korte mededelingen in kranten bleek dat Willem/Wim van Genk in mei 1939 uit Voorburg was vertrokken naar Harreveld en dat hij in juli 1940 weer terugkeerde, naar Den Haag waar Jozef van Genk inmiddels met zijn dochters woonde. Het archief van het internaat in Harreveld was bij een brand verloren gegaan, zodat we het met die gegevens moesten doen.

Huijbergen dan. Volgens zijn oudste zuster Tiny Van Genk werd haar broer na de dood van zijn moeder ‘door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [2] Huijbergen noemt zij niet en Van Genk zelf laat zich evenmin over dit verblijf over uit. In Huijbergen, een paar kilometer ten zuiden van Bergen op Zoom, was inderdaad een “pensionaat voor jongeheeren” genaamd Sainte/Sint Marie, een jongenskostsschool die was ondergebracht in het Wilhelmietenklooster van de Broeders van Huijbergen. In het archief van het pensionaat was echter niets over Van Genk te vinden. Gelukkig bezat mijn contactpersoon, nadat ik had vermeld dat de moeder was overleden, de tegenwoordigheid van geest om ook te kijken in het archief van het eveneens door de Broeders van Huijbergen bestierde weeshuis, en dit keer was het raak:

Informatie uit het archief van de Broeders van Huijbergen betreffende:

Wim F. van Genk, geboren 2 april 1927

Naam en geboortedatum komen voor op een lijst persoonsgegevens van de leerlingen die in 1941 in het weeshuis verbleven, toegezonden aan de Nederlandsche bond tot kinderbescherming. Hierbij moest worden aangegeven of zij “geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede” waren. (De ondertekenaar laat overigens weten dat hij niet op de hoogte is van de komst van deze kinderen.)

Hij verbleef in het weeshuis te Huijbergen van september 1940 tot 26 juli 1941 en volgde de 5e klas.

Dit blijkt uit: een register waarin de maandelijkse (gedrags)punten vermeld staan; en een aantekening in het register van aankomst, waarvan hier alleen vermeld is dat hij een volledige uitzet bij zich had, en de datum van zijn vertrek. [3]

Bijgevoegd waren foto’s van de genoemde documenten.

Details van documenten uit het archief van de Broeders van Huijbergen

Van Genk was dus pas naar Hijbergen gegaan ná zijn verblijf in Harreveld en al tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit verklaart ook waarom er op de gezinskaarten uit de Voorburgse periode niets te zien is over een eventueel vertrek naar Huijbergen: hij woont dan nog thuis. Dat hij op dertienjarige leeftijd in de vijfde klas wordt geplaatst, zegt iets over zijn leerproblemen. Zijn gedrag was daarentegen redelijk voorbeeldig. Wat de rol was van de kinderbescherming, helemaal tijdens de bezetting, zou verder moeten worden onderzocht. Opmerkelijk vind ik ook dat Van Genk bijna acht jaar na het overlijden van zijn moeder pas naar een weeshuis wordt gestuurd – en dat hij na een jaar weer terugkeert. [4]

Hoe ver moet je gaan bij het zoeken naar biografische gegevens? Willem van Genk had negen zusters, van wie in ieder geval Riet (1919-1995), Agnes (1920-1988) en Isabella (1922-1965) weinig invloed op zijn leven hebben gehad. Dit lijkt ook het geval te zijn met Leny, de tweede dochter van het gezin. Helena Eleonora Maria van Genk werd geboren op 14 januari 1915, net als haar één jaar oudere zuster Tiny in Roosendaal; hierna verhuisde het gezin naar Den Haag, waar de andere zeven dochters werden geboren. Tiny, Leny en hun zusje Nora (1916-1984) verbleven van oktober 1920 tot januari 1922 in het pensionaat Sacré Coeur in Moerdijk. Van februari 1927 tot juli 1929 verbleef Leny met een aantal van haar zusjes in internaat Duinzigt in Oegstgeest, in het najaar van 1929 gingen alle dochters naar een kostschool in Leuven. In een brief die vader Van Genk aan zijn kinderen in Leuven schreef, vraagt hij hen de groeten te doen aan ‘de Zeer Eerwd. Overste en allen Z. Eerwd. Zusters’.

Leny van Genk

Hierna keren de meisjes één voor één terug naar Voorburg, Leny in augustus 1938 als laatste; ze is dan al drieëntwintig. Op een foto die waarschijnlijk uit die tijd stamt, heeft ze een habijt aan: Leny had de ambitie om in te treden en verder als kloosterzuster door het leven te gaan. Volgens haar neef Albert Roozenburg, zoon van Riet van Genk, zou dat er uiteindelijk nooit van komen. [5] Op enig moment vertrok ze naar Noordwijkerhout waar ze ging werken in Sancta Maria, een verpleeginrichting voor vrouwelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize die in 1928 was opgericht door de congregatie van Zusters van liefde voor Jezus en Maria. [6] In 1957 werd zij hier patiënt: ‘Bij vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ’s Gravenhage dd. 30 augustus 1957 is op eigen verzoek onder curatele gesteld; Helena Eleonora Maria van Genk, momenteel verblijvend Huize Sancta Maria te Noordwijkerhout.’ [7] Albert Roozenburg:

Ik ben vaak in Sancta Maria geweest bij haar en heb daar nog wel herinneringen aan. Ze kwam ook bij ons thuis in Den Haag op visite. Ik heb ooit een mooie puzzel van Nederland van haar voor mijn verjaardag gehad. In Sancta Maria viel het mij wel op dat zij eigenlijk een van de betere patiënten was: volgens mij hielp ze het verplegend personeel ook met de zorg voor andere patiënten.

Leny van Genk overleed in Noordwijkerhout op 10 december 1967. Ze was tweeënvijftig jaar.

Grafsteen van Leny van Genk (foto: Jan Vellekoop)

Willem van Genk had weinig op met het katholicisme van zijn familie. Desalniettemin was hij gedwongen om zijn eerste buitenlandse reizen te maken met katholieke reisverenigingen. Er staan opvallend vaak nonnen afgebeeld op zijn werken uit de jaren zestig, al hoeft dit niet meteen te worden gezien als een verwijzing naar Leny: het gaat met name om afbeeldingen die in Italië zijn gesitueerd, al zijn er ook nonnen te vinden op onder meer Praag en Madrid. Op de achterkant van Colonnade St. Pieter is de Amerikaanse televisieserie De vliegende non het onderwerp van een knipsel. Geen vreemde associatie waar het Vaticaanstad betreft.

Detail Waarheidsfestival (1972)

Of de geestesgesteldheid van Leny licht zou kunnen werpen op die van haar broer is maar zeer de vraag, aangezien we niets weten over haar diagnose. Overigens had het weinig gescheeld of Willem van Genk zelf was eveneens opgenomen in Noordwijkerhout, waar ook een instelling was voor mánnelijke psychiatrische patiënten van katholieke huize (Sint Bavo). Bibeb in 1964:

Het jaar dat dit interview werd geschreven werd hem het werk en z’n salarisje waarvan hij kon sparen voor z’n reizen afgenomen. Hij kreeg voor wat hij van 8 tot 5.30 uur deed 5 gulden in handen. Na zijn paniek hierom wilden bepaalde instanties hem naar de inrichting te Noordwijkerhout sturen. Dit is voorkomen. [8]

Het had dus ook heel anders kunnen lopen met Willem van Genk.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[2] Walda, Koning der stations, p. 31.

[3] E-mail van broeder Bram aan Jack van der Weide, 5 januari 2021.

[4] Van Genks jongste zuster Willy in 1964 tegen Bibeb: ‘[Vader] deed Wim, toen hij klein was, in een weeshuis, omdat ie geen zin had in leren.’ Dit blijkt dus te kloppen

[5] E-mail Albert Roozenburg aan Jack van der Weide, 1 augustus 2020.

[6] ‘Tot ver na de oorlog ademde Sancta Maria tot in alle hoeken en gaten een volstrekt katholieke geest uit. Dagelijks werd er een Heilige Mis opgevoerd, nonnen en patiënten baden tot heil van iedereen en de kapel bleef het middelpunt van de inrichting. De directie-secretaris: “Het is nauwelijks te geloven hoe sterk het katholicisme hier heerste. Zelfs een nieuwe motorspuit voor de brandweer of een nieuwe kapsalon werd nog met wijwater ingewijd”. Pas in 1971 verlieten de nonnen Sancta Maria’. Monica Wesseling, “Gedenkboek over 60 jaar Sancta-Maria”, in: Leidsch Dagblad, 27 januari 1988.

[7] Volgens deze website. Bron was Marijke Bijmans, dochter van Agnes van Genk. Tiny van den Heuvel-van Genk werd curator.

[8] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 111.

Madeleintje

Engelenburcht | ca. 1965 | olieverf op board | 60 x 61,5 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem | foto: Museum van de geest

“Wim had twee liefdes, maar het is helaas nooit wat geworden.” Aldus Tiny van den Heuvel-van Genk in 1997 tegen Dick Walda, als ze het heeft over de jonge jaren van haar broer. “De een was Madeleintje Storio, een beeldschoon meisje, heel talentvol. Speelde prachtig viool. Jarenlang heeft Wim naar haar gekeken, want de foto hing boven zijn bed. Hij kon Madeleintje zien vanaf zijn kussen. Ze vertrok naar Parijs en wat bleef was het verlangen van Wim naar dat meisje. En dan was er nog dat buurmeisje, een Indische. Die woonde beneden Wim en daar was hij in het geheim ook verliefd op. Zij is naar Den Briel verhuisd, hij hoopt haar nog eens te zien. Vandaar dat hij af en toe van zichzelf naar Den Briel moet.” [1] Het Indische buurmeisje wordt een jaar later niet genoemd in Een getekende wereld, Madeleintje wel:

[…] zegt Tiny van den Heuvel. “De vader van het meisje op wie hij verliefd was, Madeleintje Storio, heeft eens tegen mij gezegd, ‘hij is goochemer dan jullie met z’n allen bij elkaar!’ In dat gezin was aandacht voor muziek en architectuur. Daar trok Willem zich aan op. Daar voelde hij aansluiting. Op een gegeven moment zijn ze naar Parijs verhuisd en is Willem hen uit het oog verloren. Een foto van Madeleintje , een begaafd violiste, heeft hij op de dag van vandaag  in zijn slaapkamer staan. Hij verloor zijn droom, maar niet zijn adoratie. De wereld van die mensen had iets met de zijne te maken.” [2]

In een voetnoot bij dit citaat wordt toegevoegd: “Volgens Tiny van den Heuvel-van Genk was deze familie in de verte verwant aan de Van Genks en aan de familie Andriessen, waaruit enkele componisten zijn voorgekomen.”

Wie was Madeleintje Storio? Via internet leek ze niet te vinden – mogelijk was ze getrouwd en had ze een andere achternaam gekregen. De achternaam ‘Storio’ leverde in het gemeentearchief van Den Haag geen treffers op. Violistes met de voornaam ‘Madeleine’ kwamen wel voor op internet: er was een Madeleine Massart, geboren in 1929, en een Madeleine Vautier uit Marseille die in de jaren vijftig een aantal recitals in Nederland gaf. Geen van beiden leek echter een band met Den Haag te hebben, laat staan met de familie Van Genk of – een vermelding in een krantenartikel had voor de hand gelegen – met de familie Andriessen. Op Brooklyn Bridge (ca. 1970) is wel de Hongaarse violiste Johanna Marzy afgebeeld, haar naam wordt expliciet vermeld.

In Een getekende wereld beschrijft Ans van Berkum bij een bezoek aan de woning van Willem van Genk het werk Engelenburcht (“Van Genk heeft dit werk altijd bewaard op de plank boven zijn opklapbed”), waarbij ze onder meer het meisje met het ijsje rechtsonder op de afbeelding noemt: “We zullen haar nog vaker aantreffen. Ze zal zelfs uitgroeien tot een soort herkenningsmelodie. Zullen we ooit weten waar ze werkelijk vandaan komt?” [3] Van Berkum beseft niet hoe warm ze is: inderdaad is op Engelenburcht een aanwijzing te vinden over de identiteit van een meisje dat veel voor Van Genk heeft betekent, alleen bevindt die aanwijzing zich in een andere hoek van het werk.

Linksonder op Engelenburcht is een schilder afgebeeld die op de lage kade langs de Tiber een Japanse dame portretteert. Naast de schilder staat een man met een blauw jasje die naar de kunstenaar gebaart en gekke bekken lijkt te trekken. GEORGES LAMPE staat op de pijpen van zijn broek geschreven. Georg Lampe (1921-1982) was een schilder en graficus uit Den Haag die was opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Lampe was van 1964 tot 1982 directeur van de Vrije Academie, een meer progressieve kunstopleiding in dezelfde stad – Jan Cremer, die begin 1958 was begonnen aan de Koninklijke Academie, zou al na enkele maanden verhuizen naar de Vrije Academie, waar hij zich beter thuis voelde. Lampe was getrouwd met interviewster Bibeb, die Van Genk in 1964 interviewde voor Vrij Nederland. In 1967 kreeg Van Genk uit handen van Lampe de prijs uitgereikt voor beste amateurschilder van Zuid-Holland in de teken- en schilderwedstrijd van Co-op Nederland.

Detail Engelenburcht (foto: Jan Vellekoop)

Ook de schilder op Engelenburcht heeft een aantal teksten om zich heen. Blijkens opschriften op zijn schoudertas en ezel werkt hij met v. GOGH VERF en REMBRANDT PRODUKT, terwijl op de poten van de ezel ook de aanduiding BRAGAH STUDIO te lezen is – een indicatie dat dit werk dus ná de kennismaking met Pieter Brattinga is geschilderd, aangezien het niet om een latere toevoeging lijkt te gaan. Het belangrijkste opschrift is echter te vinden op de schilderkist aan de voet van de ezel: ATELIER STORDIAU 105 2 RIEMERSTR den HAAG HOLLANDE  ANVERS. De schilder is daarmee te identificeren als (afkomstig uit het atelier van) de Haagse portrettist Pierre Stordiau, die in de verte geparenteerd was aan Willem van Genk en een dochter had genaamd Madeleine.

Petrus Josephus Maria Stordiau werd op 12 november 1887 geboren in Antwerpen en kwam in de jaren tien van de vorige eeuw naar Den Haag, waar hij bleef wonen en op 20 december 1969 overleed. Stordiau woonde in Den Haag aan de 2e De Riemerstraat 105. Op een website over dit “oudste woonerf van Den Haag”:

Tot 1923 bestond er slechts één De Riemerstraat, vernoemd naar de Haagse geschiedschrijver mr. Jacob de Riemer (1676-1762). Door de aanleg van de Vondelstraat, die de bereikbaarheid van het centrum moest vergroten, werd de straat verdeeld in een 1e en 2e De Riemerstraat. […] In de 2e De Riemerstraat ligt een hofje verscholen. In 1913 vestigde de kunstschilder Pierre Stordiau zich in het hofje. Deze baarde opzien in de buurt door altijd gekleed te gaan in een zwarte overjas, zwarte flambard met pellerini (een korte cape) waaronder donker haar tot op de schouders. Erbij een zwarte lavalière (gestrikte das met breed uitlopende einden) en een ebbenhouten wandelstok met zilveren knop. Ook zijn vrouw ging steeds in het zwart gekleed. Zij droeg een zogenoemd polkakapsel met zwarte baret. [4]

De ouders van Pierre Stordiau waren Hieronymus Eduardus Maria (Jérôme) Stordiau (1858-1911), een diamantair uit Antwerpen, en Cornelia Elisabeth van der Ouderaa (1857-1926) uit Bergen op Zoom. Ze hadden tien kinderen. Cornelia van der Ouderaa was een halfzuster van Alphonsus Franciscus Johannes van der Ouderaa, wiens zoon Kees getrouwd was met een zuster van de moeder van Willem van Genk: de tante uit Bergen op Zoom bij wie Van Genk na het overlijden van zijn moeder korte tijd woonde. Pierre Stordiau volgde een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar hij een leerling was van Pierre Jean (eigenlijk: Petrus Johannes) van der Ouderaa, een neef van zijn moeder.

Pierre Stordiau, ca. 1940 (foto: Haags gemeentearchief)

Pierre Stordiau trouwde in 1919 met Anna Helena Wilhelmina Gorter (1895-1964) uit Sneek. Ze kregen vier kinderen, die allen met hun tweede en derde voornaam naar hun ouders werden vernoemd: Jérôme Pierre Anne (1924), Madeleine Pierre Anne (1928), Grégoire Pierre Anne (1929) en Guido Pierre Anne (1935). Guido Stordiau werd slagwerker bij het Haagse residentieorkest en trouwde met de sopraan Germaine de Gruyl, die daarna door het leven ging (en bekend werd) als Germaine Stordiau.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 38.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p 12.

[3] Ibid., p. 26.

[4] “Het oudst woonerf van Den Haag”. Volgens een gezinskaart in het Haags gemeentearchief vestigde Stordiau zich pas in 1919 op dit adres.

Voorburg

Hoek Van de Wateringlaan/Van Wassenaerstraat in Voorburg. Op de benedenverdieping no. 25, het woon/winkelpand van het gezin Van Genk. Foto: Google Street View, april 2019

Het gezin van Jozef van Genk woonde tussen 1925 en 1939 in Voorburg, waar in 1927 zoon Willem werd geboren. Tot nog geen jaar geleden moesten we het voor wat betreft deze periode in het leven van de kunstenaar voornamelijk doen met de verhalen van zus Tiny, via de filters van Dick Walda en Ans van Berkum. De afgelopen maanden wist ik mondjesmaat gegevens boven water te krijgen die iets meer duidelijkheid schiepen over onder andere het tweede huwelijk van Jozef van Genk en de uiteindelijke verhuizing terug naar Den Haag. Recentelijk spoorde Jan Vellekoop in het Gemeentearchief in Den Haag een setje gezinskaarten op dat het bestaande beeld van de Voorburgse jaren aanzienlijk verscherpt.

Jozef en Maria van Genk verhuisden in juni 1925 van Den Haag naar Voorburg. Jozef was op dat moment 37 jaar oud, zijn vrouw 42 en er waren negen dochters, in de leeftijd van elf tot een. Het gezin kwam te wonen op het adres Van de Wateringelaan 25, een woon/winkelpand op de hoek met de Van Wassenaerstraat, waar op 1 september Van Genk’s Fruithandel officieel werd geopend. [1] Anderhalf jaar later, toen Maria van Genk op het punt stond opnieuw te bevallen, gingen dochter Leny (12), Nora (10), Jacqueline (8), Riet (7) en Agnes (6) naar het (uiteraard Rooms-katholieke) internaat Duinzigt in Oegstgeest, dat naast een kleuterschool en een lagere school ook een zevende en een achtste leerjaar kende. Oudste dochter Tiny (13) volgde begin juni, waarschijnlijk had zij tijdelijk de huishoudelijke taken van haar moeder opgevangen na de geboorte van Willem op 27 april. Ook Isabella (5) vertrok in september naar Oegstgeest, aan het begin van een nieuw schooljaar. Willy (4) en Addy (10) bleven daarmee als enige meisjes in Voorburg – Willy waarschijnlijk omdat zij nog te jong was, Addy mogelijk vanwege haar zwakke gezondheid. [2]

Eind juli 1929 keerden Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella uit Oegstgeest terug naar Voorburg; Nora volgde op 7 augustus. Half september vertrok Nora met Addy en Willy, die nog nooit van huis waren geweest, naar een kostschool in Leuven. Een maand later volgden de andere zes zusjes. Alle negen dochters waren daarmee het huis uit, alleen Willem woonde nog bij zijn ouders. In januari 1931 schreef Jozef van Genk de eerder geciteerde brief aan zijn dochters in België, waar alleen Nora niet goed haar best leek te doen: ‘Kinderen wij jullie ouders zijn zeer tevreden hoor. Werkt allen even hard dit jaar, houdt Nora in de lijn, geef haar een goed voorbeeld.

Op 25 november 1932 overleed Maria van Genk-Hoogstraten op 49-jarige leeftijd. Twee maanden later werd Van Genk’s Fruithandel opgeheven. [3] In februari 1933 keerden Tiny (19), Nora (16) en Jacqueline (14) na meer dan drie jaar vanuit Leuven terug naar Voorburg: de oudste dochters minus Leny en Addy, die in België bij de vier jongsten bleven. Kort daarvoor was Jozef van Genk verhuisd naar Van Aremberglaan 157 – het woon/winkelpand aan de Van de Wateringelaan, een paar honderd meter verderop, moest immers worden verlaten. Ook Addy (16) keerde begin augustus terug uit België, zij had kennelijk eerst het lopende schooljaar afgemaakt.

In 1934 leek Jozef van Genk een nieuw begin te (willen) maken. Op 9 mei trouwde hij in Den Haag op 46-jarige leeftijd met de 39-jarige weduwe Maria Heesen, wier zoon Herman (11) met haar meekwam naar Voorburg. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin van Genk naar Van Aremberglaan 86, tegenover de vorige woning aan Van Aremberglaan 157 waar ze slechts anderhalf jaar hadden gewoond. Dochter Riet (14) keerde eind september uit België terug naar huis; op het nieuwe adres woonden daarmee op dat moment negen personen. In april 1934 werden dat er tien, toen ook Maria Heesens dochter Christina (16) vanuit Enschede naar Voorburg kwam, waar ze een week later haar zeventiende verjaardag vierde. Haar verblijf was kennelijk geen succes, want nog geen zes weken later ging ze al weer terug naar Enschede.

Op 5 juni 1935 verscheen er een advertentie in de Haagsche Courant: ‘TUINMAN biedt zich aan voor het snoeien van fruitboomen, zomersnoei. Adres: J. van Genk, v. Aremberglaan no 86, Voorburg.’ Tiny zou later spreken over haar vader als eigenaar van een chocolaterie die daarna ging werken bij de Arbeidsinspectie in Den Haag. [4] De datum van die overstap is onduidelijk, maar op de kaarten van Voorburg wordt Jozef van Genk uitsluitend aangeduid als ‘fruithandelaar’. In ieder geval was de winkel al vanaf 1933 niet meer zijn eigendom en kluste hij kennelijk bij als tuinman – dat een fruithandelaar verstand had van fruitbomen, lag voor de hand. Drie jaar later bood hij zijn diensten nog steeds aan: ‘TUIN IN ORDE? Uw tuin één stukje natuurschoon. Advies gratis. Aanleg en onderhoud door vakman. Aanbev., JOS M VAN GENK’. [5]

V.l.n.r. Tiny, Leny en Nora van Genk, jaren dertig

In september 1935 vertrok de inmiddels jongvolwassen Nora (19) naar Naaldwijk. Haar nieuwe adres daar, Heerenstraat 1, was dat van haar ooms Arie en Jan Hoogstaten, twee ietwat zonderlinge maar zeer welgestelde broers van haar moeder die in Naaldwijk meerdere panden bezaten. Diezelfde maand ging Herman van Vlaardingen naar het internaat van de Kruisvaarders van St. Jan in Rijswijk, enkele dagen na zijn dertiende verjaardag. Hij zou niet meer naar Voorburg terugkeren. Het nu iets kleinere gezin Van Genk verhuisde opnieuw, dit keer naar Van Alphenstraat 93. Begin oktober vertrok Addy (18) naar haar oom en tante Van der Ouderaa in Bergen op Zoom. [6]

In maart 1936 keerden nog drie dochter terug uit België: Agnes (15), Isabella (14) en Willy (12) hadden zesenhalf jaar in Leuven gewoond. Leny hield het tot 1938 vol en was drieëntwintig toen ze terug naar Voorburg kwam. Dit suggereert dat zij al bezig was met haar voorgenomen intrede als kloosterlinge. In juni 1936 verhuisde Maria Heesen naar De Bilt; haar huwelijk met Jozef van Genk was kennelijk al na twee jaar officieus voorbij. In het najaar ging ook Tiny bij haar familie in Naaldwijk wonen, terwijl Addy in het voorjaar van 1937 juist weer terugkeerde naar Voorburg.

Begin 1939 gingen Addy en Jacqueline samen op kamers wonen op een adres in het centrum van Den Haag. [7] Een maand later vertrok Willem naar het internaat in Harreveld, waarna Jozef van Genk met zijn dochters Leny (23), Riet (19), Agnes (18), Isabella (17) en Willy (15) verhuisde naar Magnoliastraat 10 in Den Haag. Hier stoppen de gegevens op de gezinskaarten en zijn (vanuit die bron) de bewegingen van de Van Genks niet meer te volgen. Mogelijk voegden Addy en Jacqueline zich korte tijd later bij het gezin – in de Haagsche Courant stond op 1 juli 1939 een advertentie voor onder andere een ‘zo goed als nieuw, 2-persoons opklapbed’, met als adres Westeinde 195. De verhuizing van Voorburg naar Den Haag had mogelijk te maken met Jozefs nieuwe baan bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Een jaar later kwam ook Willem vanuit Harreveld weer naar huis. [8]


NOTEN

[1] Volgens de oude gezinskaart van Den Haag vertrokken de Van Genks naar het adres Van Heurnstraat 87 in Voorburg, volgens de gezinskaarten van Voorburg was het eerste adres in die gemeente Van de Wateringelaan 25. Het Handelsregister Zuid-Holland geeft 1 september als de officiële vestigingsdatum van ‘Van Genk’s Fruithandel – winkel in groenten en fruit, Van Wateringelaan 25 in Voorburg’.

[2] Volgens Tineke Dietvorst, dochter van een neef van de kinderen Van Genk, was Addy ‘heel fragiel’ (interview met Pierre en Tineke Dietvorst, 17 oktober 2018).

[3] In het Handelsregister Zuid-Holland staat op het document met oprichtingsgegevens de opmerking: ‘Handelszaak Januari 1933 opgeheven’. Een separaat document geeft aan dat Van Genk’s Fruithandel op 29 september 1933 formeel van eigenaar wisselde.

[4] Walda, Koning der stations, p. 31.

[5] Haagsche Courant, 22 november 1938.

[6] Willem was bij deze tante en oom opgevangen na het overlijden van zijn moeder, maar zijn woonplaats werd voor dit verblijf niet aangepast op de gezinskaarten.

[7] Het adres is Westeinde 195. In de Haagsche Courant staan rond deze tijd voortdurend advertenties voor woonruimte op dit adres, onder andere op 2 februari: ‘TE HUUR nette gemeubil. zit-sl.-kamer voor 2 personen, ƒ 4 per week.’

[8] De precieze data:

  • 19 juni 1925 – verhuizing vanuit Den Haag naar Van de Wateringelaan 25 in Voorburg
  • 28 februari 1927 – Leny, Nora, Jacqueline, Riet en Agnes vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 3 juni 1927 – Tiny vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 16 september 1927 – Isabella vanuit Voorburg naar Oegstgeest
  • 27 juli 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 7 augustus 1929 – Nora vanuit Oegstgeest naar Voorburg
  • 14 september 1929 – Nora, Addy en Willy vanuit Voorburg naar Leuven
  • 12 oktober 1929 – Tiny, Leny, Jacqueline, Riet, Agnes en Isabella vanuit Voorburg naar Leuven
  • 2 februari 1933 – verhuizing (Van Aremberglaan 157)
  • 16 februari 1933 – Tiny , Nora en Jacqueline vanuit Leuven naar Voorburg
  • 4 augustus 1933 – Addy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 8 mei 1934 – Herman van Vlaardingen vanuit Renkum naar Voorburg
  • 5 juni 1934 – verhuizing (Van Aremberglaan 86)
  • 28 juni 1934 – Maria Heesen vanuit Den Haag naar Voorburg
  • 28 september 1934 – Riet vanuit Leuven naar Voorburg
  • 13 april 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Enschede naar Voorburg
  • 25 mei 1935 – Christina van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Enschede
  • 5 september 1935 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 10 september 1935 – Herman van Vlaardingen vanuit Voorburg naar Rijswijk
  • 11 september 1935 – verhuizing (Van Alphenstraat 93)
  • 1 oktober 1935 – Addy vanuit Voorburg naar Bergen op Zoom
  • 5 maart 1936 – Agnes, Isabella en Willy vanuit Leuven naar Voorburg
  • 25 juni 1936 – Maria Heesen vanuit Voorburg naar De Bilt
  • 22 augustus 1936 – Tiny vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 14 april 1937 – Addy vanuit Bergen op Zoom naar Voorburg
  • 26 augustus 1938 – Leny vanuit Leuven naar Voorburg
  • 6 oktober 1938 – Nora vanuit Naaldwijk naar Voorburg
  • 17 januari 1939 – Nora vanuit Voorburg naar Naaldwijk
  • 15 maart 1939 – Addy en Jacqueline vanuit Voorburg naar Den Haag
  • 27 april 1939 – Willem vanuit Voorburg naar Harreveld
  • 28 juli 1939 – Jozef van Genk, Leny, Riet, Agnes, Isabella en Willy van Voorburg naar Den Haag

Vader en kinderen

Jozef van Genk (vermoedelijk 1958) (1024x649)

Jozef van Genk met twee van zijn kleinkinderen, voorjaar 1958

Het is moeilijk om verifieerbare informatie te vinden over de eerste decennia van het leven van Willem van Genk. Zelf was hij als bron verre van ideaal, zijn notities en opmerkingen hadden eigenlijk altijd een vorm van interpretatie nodig. Dick Walda was vanaf de jaren tachtig degene die een begin maakte met het in kaart brengen van Van Genks verleden, maar hij had daarbij vrijwel geen basisgegevens tot zijn beschikking. Wanneer Van Genk het tegenover Walda bijvoorbeeld had over ‘de weduwe van Von Ribbentrop en Arthur Schmelage’ die werk van hem zouden hebben, dan kunnen deze namen pas later worden thuisgebracht. [1] Met ‘Arthur Schmelage’ doelde hij waarschijnlijk op Alfred Schmela, de Duitse galeriehouder die in de jaren zestig enkele werken van hem had verkocht maar er, voor zover bekend, zelf geen bezat. Een van de klanten van Schmela was inderdaad Anneliese von Ribbentrop (1896-1973), de weduwe van de Duitse minister van buitenlandse zaken in nazi-Duitsland. [2]

Een belangrijke informant voor Walda, en later ook voor de makers van Een getekende wereld (1998), was Tiny van den Heuvel-van Genk, de oudste zuster van de kunstenaar. Ze kreeg van Walda in diens boek Koning der stations een eigen hoofdstuk, waarin ze ook vertelt over de jeugd van de kinderen Van Genk in het algemeen en haar broer in het bijzonder. Fragmenten uit de gesprekken die Ans van Berkum daarna met Tiny hield, kwamen recentelijk beschikbaar op de website van Theo Faber. [3] Daaruit viel onder meer op te maken dat ook in het geval van Tiny vaak enige interpretatie nodig was, zij het minder dan bij haar broer. Vreemd is dat uiteraard niet, als je bedenkt dat het herinneringen aan zaken van vijftig tot zestig jaar geleden betreft. Tiny’s woorden waren misschien niet altijd naar de letter nauwkeurig, maar meestal wezen ze wel in de goede richting.

Tiny vertelde tegen Walda terzijde over de kostschool waar zij en haar acht zusjes door haar ouders onder waren gebracht:

Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. Het katholieke internaat in Leuven heette ‘Ecole du Commerce’. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden. […] Ik was de oudste en had ook nog eens de zorg voor de kleintjes. Twee van mijn zusjes, die het meeste heimwee hadden, kwamen na verloop van tijd weer terug in Voorburg’. [4]

Waar het internaat in Leuven niet door mij kon worden getraceerd, kreeg ik wel van een van de kleindochters van Jozef van Genk een brief ter inzage die hij in januari 1931 aan zijn dochters in Leuven schreef.

In de brief is vader Van Genk niet al te lang van stof, maar hij getroost zich duidelijk wel moeite om al zijn dochters ook even individueel aan te spreken: ‘Zeg Wilhelmientje hebt ge braaf gebeden, jongens wat een groote meid al en mooie punten, maar Isabella ook hoor, en Agnes hewel meske, kunde gij al Vlaamsch klappen’, en zo verder. Ze doen goed hun best en hebben bijna allen een mooi kerstrapport, op Nora na. Addy en Jacqueline blijken de twee zusjes te zijn die met heimwee weer naar huis mochten, ze woonden ten tijde van de brief echter niet in Voorburg maar in Bergen op Zoom. Hun broertje was de enige van de tien kinderen die bij zijn ouders in Voorburg was. Wat Jozef van Genk over hem aan zijn dochters vertelde, biedt een zeldzame blik op de dan driejarige Willem van Genk:

Oh ja, jullie dachten aan Willem, nu dat is een echte kwajongen geworden, een deugniet in hooge mate. Wanneer hij een koekje van mama krijgt zegt hij dank u wel papa, het is immers volgens hem van papa’s centen! Geen kind in den winkel, mag ergens aanraken, hij slaat erop. Vorige week was hij op straat met twee grootere  jongens aan het rollen, ze hadden wat afgepakt. Hij weet al hoe oud hij is, waar hij woont, en is mama’s kleine jongen, niet van papa! [5]

De verleiding is groot om op grond van dit korte portret te gaan psychologiseren en eigenschappen van de oudere Willem terug te lezen in de woorden van zijn vader. In ieder geval dient in aanmerking te worden genomen dat het gaat om een beschrijving van een vader aan zijn dochters in de leeftijden van acht tot zestien jaar, waarbij hij ook nog eens – mogelijk: ondanks alle problemen – trots was op zijn enige zoon.

17b - Jenny

Maria Heesen, jaren veertig

Maria van Genk-Hoogstraten overleed in november 1932 en Jozef van Genk hertrouwde in mei 1934 met Maria Heesen, wier roepnaam ‘Jenny’ was. [6] Over deze verbintenis is weinig bekend, door latere generaties werd het huwelijk doodgezwegen. Hoe het daarna met de kinderen van Jozef van Genk verliep, is eveneens onduidelijk. In het Dagblad van Noord-Brabant werd op 19 oktober 1935 melding gemaakt van de verhuizing vanuit Voorburg van A. van Genk naar Zuivelstraat 11 in Bergen op Zoom – dit was Addy van Genk die (opnieuw) bij haar tante en oom Van der Ouderaa in Bergen op Zoom ging wonen. Dezelfde krant meldde op 17 april 1937 haar terugkeer naar Voorburg.

Interessanter nog is een lijstje in De Graafschap-bode van 5 mei 1939 met ingekomen personen in de gemeente Lichtenvoorde: onder hen ‘W.F.A.M van Genk, F24 van Voorburg’. Het ging hier om de verhuizing van Willem van Genk naar het internaat in Harreveld, waarbij F24 mogelijk een geografische precisering betrof. Op 12 juli 1940 vertrok hij weer: ‘W.F.A.M van Genk, van F24 naar Venlo’. Dat laatste was waarschijnlijk een tikfout, aangezien ook de volgende persoon naar Venlo vertrok. Willem van Genk was dus net twaalf jaar oud toen hij naar het internaat in Harreveld werd gestuurd, waar hij één schooljaar verbleef. Toen hij weer naar huis kwam, was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken.


NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 28.

[2] Nico van der Endt had bij zijn zoektocht naar de verdwenen werken van Van Genk in 2000 haar naam gekregen van Charlotte Zander.

[3] De fragmenten zijn hier te vinden. Zowel Willem van Genk zelf (in gesprek met Dick Walda en Nico van der Endt) als Tiny (in gesprek met Ans van Berkum) zijn te horen (geraadpleegd op 27 juli 2020).

[4] Walda, Koning der Stations, p. 31.

[5] Jozef van Genk aan zijn dochters, 5 januari 1931 (archief Marijke Bijmans).

[6] Mededeling Herman van Vlaardingen aan Jack van der Weide, 3 juli 2020.

Harmelenstraat

Walda 003

Willem van Genk in zijn appartement, ca. 1997. Foto: Mattheus Engel

Willem van Genk werd op 5 april 1927 geboren in Voorburg, maar het precieze adres is vooralsnog onbekend. Op een persoonskaart in het Haags gemeentearchief is te lezen dat het gezin van Jozef en Maria van Genk op 19 juni 1925 vanuit Den Haag naar Voorburg verhuisde. Als adres wordt de Van Heurnstraat gegeven, waarbij het getal 89 is doorgestreept en vervangen door 87. Of dit ook het geboorteadres van Willem van Genk is, kan hieruit niet met zekerheid worden afgeleid. Na de dood van zijn moeder woonde Willem enige tijd bij zijn tante en oom aan de Zuivelstraat 11 in Bergen op Zoom, waarna hij in de jaren dertig ook nog verbleef op internaten in Huijbergen en Harreveld. Een volgend adres is Magnoliastraat 10 in Den Haag, dat in ieder geval vanaf juni 1941 zijn thuisadres was. Het staat bovendien op stempels in boeken en op documenten die waarschijnlijk uit de periode 1945-1950 dateren.

In het interview met Bibeb uit april 1964 bleek Van Genk op dat moment in een goedkoop pension te wonen dat verbonden was aan de AVO-werkplaats:

Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’ Ze gehoorzamen, bijna zonder geluid. Van Genk zit met de rug naar me toe, het hoofd naar voren, net als de anderen, doodstil. [1]

Dick Walda hierover:

Bibeb interviewde Willem voor Vrij Nederland in de periode dat hij woonde in het armoedige pension van Troekie Spigt. Troekie was ‘n reusachtige vrouw waar Willem doodsbenauwd voor was. Vrouwen werden niet toegelaten in het pension. Willem werd ziek en Tiny wilde haar broer graag bezoeken. Troekie was evenwel onverbiddelijk: Tiny kwam niet binnen. [2]

Volgens Van Genks zuster Tiny, die het kosthuis ‘een café van laag allooi’ noemde, woonde haar broer hier vijf jaar. [3]

Na het kosthuis van Troekie Spigt trok Van Genk later in 1964 in bij zijn jongste zuster Willy in een appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag. Hier bleef hij tot 1998 wonen, aanvankelijk samen met Willy en na haar dood in 1972 alleen. Het overgrote deel van zijn werk ontstond hier, ook omdat hij er al in zijn kosthuistijd elke avond heen liep om te kunnen tekenen. Tiny had het appartement indertijd voor Willy gekocht en schonk het in 1972 aan Willem. Zuster Jacqueline woonde om de hoek en deed na de dood van Willy voor haar broer jarenlang de boodschappen en het huishouden.

De Harmelenstraat is een 250 meter lange straat in de wijk Leyenburg, zo’n twintig minuten rijden van station Den Haag Centraal. Aan de oostzijde van de straat werd aan het begin van de jaren vijftig een rij lage flatwoningen gebouwd, met zeven ingangen van steeds zes appartementen. Harmelenstraat 28 ligt aan de linkerzijde op de derde en bovenste verdieping van de tweede ingang. Willy van Genk was vermoedelijk de eerste bewoner van het appartement. In de tijd dat Willem van Genk er woonde, omvatte de woning een woonkamer (bestaande uit twee delen), twee slaapkamers, een keuken, een douchecel en een toilet. Aan de achterkant was een balkon over de gehele breedte van het appartement. [4] Bij de woning hoorde ook nog een kelderbox:

Tijdens een bezoek aan Willem in Den Haag neemt hij mij mee naar zijn kelderbox in het souterrain. Bij het opendoen van de deur slaat een ijskoude tocht ons in het gezicht. Door een gat in de ruit van het kleine raam hoog boven de grond komen wind en regen naar binnen. Op de grond bloed en duivenveren. Willem grijnst en mompelt iets over een kat. Rechts tegen de wand staat een tiental grote pentekeningen op de grond, gebrekkig ingelijst en deels ook met gebroken glas. Na enige overreding mag ik de werken weghalen, ontdoe ze van de lijsten en leg ze veilig boven bij hem neer. [5]

De pentekeningen die Van der Endt hier beschrijft – het betreft het jaar 1977 – waren mogelijk de werken die Van Genk in 1973 terug had gekregen van Pieter Brattinga.

051 Harmelenstraat GSV

De Harmelenstraat in Den Haag, gezien via Google Street View. Achter de twee ramen in de rode cirkel lag de woonkamer van Willem van Genk. De ingang voor huisnummers 24 tot 34 lag bij het bord met de blauwe pijl.

In de monografie Een getekende wereld beschouwt Ans van Berkum het interieur van Van Genks appartement in de Harmelenstraat als een onderdeel van zijn oeuvre, als een Gesamtkunwerk dat te vergelijken is met omvangrijke kunstomgevingen van kunstenaars als Helen Martins, Tressa ‘Grandma’ Prisbrey en Bertus Jonkers: ‘Van Genks interieur is op dezelfde associatieve wijze geconstrueerd als zijn tweedimensionale stukken.’ [6] Ten tijde van het schrijven van de monografie was het interieur nog intact, waarbij Van Berkum het vermoedelijk had bekeken op een moment dat Van Genk was opgenomen – zelfs voor mensen die hij kende deed hij in deze periode nauwelijks de deur meer open en voor Van Berkum voelde hij weinig sympathie. [7]

De beschrijving van Van Genks appartement in Een getekende wereld, ongeveer 1400 woorden, dateert derhalve hoogstwaarschijnlijk uit 1996 of 1997. Dit leidt tot een eerste punt van aandacht bij een (vooralsnog theoretische) reconstructie van het interieur: het gaat om een dynamisch proces dat werd afgebroken op het moment dat het appartement in 1998 werd ontruimd, de situatie in bijvoorbeeld 1976 of 1986 zal een heel andere zijn geweest. Daar komt bij dat de tekst van Van Berkum uiteraard in dienst staat van haar interpretatie van het werk van Van Genk. Ze beschrijft elementen die passen binnen die interpretatie of die daar in ieder geval niet mee in tegenspraak zijn, maar van een systematische inventarisatie is geen sprake. Desalniettemin is de tekst in Een getekende wereld de enige meer uitgebreide beschrijving van het interieur die er is.

051 Plattegrond

Plattegrond van Harmelenstraat 28 tot 1998 (bij benadering)

Een tegelijkertijd meer gefragmenteerd én vollediger beeld van het appartement rijst op uit Koning der stations van Dick Walda. De uitgangspunten van Walda en Van Berkum zijn uiteraard verschillend: waar laatstgenoemde een kunsthistorische positie inneemt, is het Walda er vooral om te doen om een beeld van de persoon Van Genk te geven, onder andere door elementen uit diens leefomgeving te beschrijven. Alleen in het begin van zijn boek geeft hij een iets meer algemene karakterisering van de woning: ‘Willem van Genk woont in Den Haag, in een kleine woning, die ook vol staat met snuisterijen, veel op straat gevonden. En ook – deels verstopt achter kasten en onder zijn bed – collages, of fragmenten daarvan. […] Het werk van Van Genk is – net als het interieur van zijn huis, als zijn denken, als zijn praten – van een verontrustende en overweldigende chaos.’ [8]

051 Hondenmand

Hondenmand in de hal van Harmelenstraat 28. Rechts een blik in de slaapkamer van Van Genk. Foto: Mattheus Engel

In de hal van het appartement stond in de laatste jaren een hondenmand met daarin een op karton geplakte foto van een treurig kijkende hond, een element dat zowel Walda als Van Berkum vermeldt. Het betrof niet Van Genks hond Coco, die begin 1996 naar een asiel was gebracht, maar een andere ‘Polderweghond’: ‘Ik praat tegen hem en het voordeel is natuurlijk dat je hem niet uit hoeft te laten’. [9] Van de andere kleine ruimtes is ook de douchecel interessant, omdat dit de plaats was waar Van Genk aanvankelijk zijn bus-assemblages opsloeg en waar ze door Nico van der Endt werden gevonden. Wanneer het gaat om de woning als Gesamtkunstwerk zijn met name de twee slaapkamers en de woonkamer van belang.

(wordt vervolgd)


 

NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 118.

[2] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 19 mei 2020.

[3] Walda, Koning der stations, p. 34.

[4] Latere bewoners hebben de indeling van het appartement veranderd. Ook is een deel van de woningen op de derde verdieping uitgebreid met een dak-etage. In mei 2020 stond Harmelenstraat 88 te koop, een woning die ooit vrijwel identiek was aan die van Van Genk. Nummer 88 had nog relatief weinig veranderingen ondergaan, waardoor de makelaarsgegevens een goed beeld gaven van de oorspronkelijke indeling van nummer 28. In juni 2020 werd ook nummer 24 te koop aangeboden, dat weliswaar op de begane grond ligt maar wel op dezelfde hoogte als nummer 28. Te zien was onder meer dat dit stukje van het huizenblok net in de knik van de Harmelenstraat ligt en dat de woningen hier dus niet helemaal recht zijn.

[5] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41. Ook Dick Walda maakt melding van de kelderbox: ‘Er was ook nog een box. Ik ben een keer gaan kijken. Daar stond werk van Willem, net terug van de een of andere expositie. Keurig ingelijst maar bij het transport was al het glas gebroken in honderd partjes.’ (E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 27 mei 2020)

[6] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 25, p. 31.

[7]‘Zo sympathiek als hij Françoise Henrion onmiddellijk vond, zo weinig schijnt hij voor Ans van Berkum te voelen en met afstandelijkheid blijft hij haar ‘madam’ noemen.’ Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 103-105.

[8] Walda, Koning der stations, pp. 10-11.

[9] Ibid., p. 90.

Jeugd

Dorpstraat Harreveld 001

Zonder titel (Dorpsstraat Harreveld) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | 12 x 28,5 cm| particuliere collectie

Tiny van den Heuvel-van Genk tegen Dick Walda: ‘Mijn moeder […] overleed – toen onze Wim vier jaar was – aan kanker. Wim is toen door zijn zusje Noor en later ook door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht; hij heeft ook nog op een kostschool gezeten.’ [1] Dit is in feite alles wat zij aan Walda vertelt over de jeugd van haar broer. De monografie van De Stadshof uit 1998 vermeldt (zonder bron) over de jaren daarna:

Wel is bekend dat hij via een internaat in Huybergen in Brabant, omstreeks 1937 terechtkomt op een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens in het ver weg gelegen Harreveld. Intussen strandt het nieuwe huwelijk [van Jozef van Genk; JvdW] en de tweede moeder verdwijnt met haar kinderen naar onbekende verten. In Harreveld leert Willem schoenen poetsen, maar verder is er geen waarneembaar resultaat van zijn verblijf in de opvoedingsinrichting. [2]

Als vaker in deze monografie lijkt hier een versie van de gebeurtenissen te worden gegeven die in grote lijnen juist is maar waarvan de details niet helemaal kloppen. Zo kan het zijn dat het huwelijk van Jozef van Genk met Maria Heesen rond 1937 niet meer goed was, maar op de overlijdensakte van die laatste staat ze nog steeds als zijn echtgenote vermeld – het huwelijk is dus nooit ontbonden, al woonde ze al tijdens de Tweede Wereldoorlog in Enschede, waar ze ook overleed, en staat op haar grafsteen alleen haar eerste echtgenoot vermeld. [3] Daarnaast had ze maar één dochter, die geboren was in 1918 en dus eind jaren dertig mogelijk al zelfstandig was.

De beide kostscholen kwamen ook ter sprake tijdens het gesprek met Pierre en Tineke Dietvorst in oktober 2018. [4] De precieze chronologie blijft onduidelijk: Willem van Genk zou mede zijn opgevoed door zijn zus Nora, zat een of twee jaar bij zijn neef Kees op de lagere school (waar hij achterin de klas moest zitten omdat hij onhandelbaar was) en ging op enig moment naar het jongensinternaat Sainte Marie in Huijbergen, niet ver van Bergen op Zoom. [5] Er bestaat een vrij precies te dateren foto uit mei 1940 met een dertienjarige Willem van Genk en het gezin van zijn tante, genomen ter gelegenheid van (volgens een tekst op de achterzijde) “de Plechtige Communie [i.e. Vormsel; JvdW] van Kees en Wim”.

WvG communie

“De Plechtige Communie van Kees en Wim” (mei 1940).  Zittend tweede van rechts Willem van Genk, geheel rechts zijn zuster Addy. Vierde van rechts neef Kees van der Ouderaa, tussen Kees en Wim Helena van der Ouderaa-Hoogstraten, staande haar echtgenoot Kees van der Ouderaa sr. Geheel links hun oudste dochter Tiny.

Hoe Harreveld in dit alles past, is de vraag. Dát hij daar heeft gezeten, staat vast. Er bestaat een tekening door Van Genk van het plaatsje met naast de dorpskern het internaatscomplex. Op de achterkant van die tekening staat de tekst Gemeente Lichtenvoorde; dorpstraat te Harreveld (Gld) met daaronder in potlood (Roomsche nederzetting) †. [6] Harreveld maakte tot 2005 inderdaad deel uit van de gemeente Lichtenvoorde. De naam Willem Franciscus Antonius Maria van Genk komt voor in het bevolkingsregister van Lichtenvoorde, ‘Buurtschap Harreveld, 1925-1940’. [7]

Van Genk doelt waarschijnlijk op het internaat in Harreveld als hij in de jaren tachtig aan Dick Walda schrijft: ‘ik ben ook op een Roomsche Jongens Kostschool geweest (Nur für die Weisknaben) stond op de WC’s of ‘Zum hausverein’. […] Beste Lezer wat die buitenlandse zinnen betreft n.l. die kostschool was n.l. door Duitse soldaten bezet tijdens de oorlog.’ [8] Later is hij explicieter: ‘Je weet dat ik ook nog op een Roomse kostschool ben geweest, Huize Alexander in Harvelt. ‘Nur für Weiseknaben’ stond op de WC. Moest pissen, mocht het niet. ‘Zum Hausverein’. Ook nooit vergeten.’ [9] Het internaat in Harreveld ging terug op een landhuis uit 1805 dat in 1875 dienst ging doen als klooster voor uitgeweken Duitse Franciscanen. In 1911 werd het complex aangekocht door de St. Vincentiusvereniging die er een opvoedingsgesticht in vestigde. De door Van Genk geciteerde Duitse frasen zouden kunnen stammen uit de tijd van de Duitse Franciscanen. Daarbij lag het internaat zo’n tien kilometer van de Duitse grens.

Het verblijf in Harreveld, hoe lang of kort ook, lijkt ten grondslag te liggen aan Van Genks fascinatie met Gelderland in het algemeen en Arnhem in het bijzonder. Er zijn tientallen vroege tekeningen met verwijzingen naar plaatsen als Dieren, Nijmegen, Doetinchem en dus vooral Arnhem. De opmerking van Jacqueline van Genk dat haar broer vaak met zijn vader in Arnhem was geweest, [10] moet misschien ook in de context van het verblijf in Harreveld worden gezien. Vanuit Harreveld is Doetinchem weliswaar de dichtstbijzijnde stad (ca. 20 km), maar Arnhem (ca. 50 km) is een stuk groter. In 1940 telde Doetinchem ongeveer 17.500 inwoners tegen Arnhem zo’n 90.000.

Geldersche tramwegen 001b

Geldersche Tramwegen | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 60 x 70 cm | Het Dolhuys, Haarlem

In een – eveneens: vroege – collage over Gelderland komen twee van Van Genks interesses, steden en openbaar vervoer, samen. De centrale afbeelding van Geldersche Tramwegen toont twee wagons die door een landschap rijden, met op de achtergrond een stad. Daaroverheen zijn andere teksten geschreven en tekeningen geplakt, waaronder veertien kleine tondo’s van kerktorenspitsen uit Gelderse steden, verbonden door een spoor- of tramlijn. Van rechts naar links lopen de tondo’s vanaf Lochem via onder meer Lichtenvoorde, Aalten en Nijmegen naar Zutphen. Tussen Arnhem en Nijmegen staat (electrische trams in Arnhem en Nijmegen), hetgeen een aanwijzing geeft over de datering van het werk – in Nijmegen reed de trolleybus vanaf 1952. Linksonder is een groot inzetstuk aangebracht met nogmaals de toren van de Arnhemse Eusebiuskerk en enkele huizen. Het betreft een blik op de toren vanuit de vooroorlogse Trompetsteeg, een perspectief dat vele kunstenaars inspireerde en dat ook bij Van Genk meerdere malen terugkeert. [11]

Geldersche tramwegen (detail)

Detail GTW Geldersche Tramwegen (ca. 1950)

Er is nog een tweede werk met in grote letters de woorden GELDERSCHE TRAMWEGEN, een tekening uit de bibliotheek van Van Genk bij Museum Dr. Guislain. Het betreft een gedetailleerde plattegrond van het openbaar vervoer-netwerk in het oostelijk deel van Gelderland (inclusief legenda), waaruit een tondo is geknipt van de streek rond Arnhem. Ook de omgeving in en rond Lichtenvoorde is nauwkeurig beschreven, met onder meer de Markt, het spoor voor een goederen-tram, de Lichtenvoordsche Beek en natuurlijk Harreveld. Die plaatsaanduiding is met enig zoeken eveneens te vinden op Geldersche Tramwegen, maar verdere toevoegingen ontbreken in beide gevallen. Dus voor wie daar al naar zocht: geen enkele indicatie van een jeugdtrauma.


 

NOTEN

[1] Walda, Koning der stations, p. 31.

[2] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[3] ‘Hier rust Maria Anna van Vlaardingen-Heesen’. Met dank aan Jan Vellekoop, die mij een foto van de grafsteen stuurde.

[4] Na het overlijden van moeder Maria van Genk in 1932 zou niet alleen Wim maar ook zijn zuster Addy naar het gezin van hun tante in Bergen op Zoom zijn gegaan. Pierre Dietvorst over het huis boven de banketbakkerij van opa Van der Ouderaa: ‘Zijn oudere zus Addy heeft er veel langer gewoond. Die is opgegroeid samen met haar [i.e. van Tineke Dietvorst; JvdW] tante Tiny, Tiny van de Biggelaar-van der Ouderaa.’ Tineke Dietvorst: ‘Die zei altijd: ze was als een zusje voor mij […]. De rest van die kinderen is toen die moeder overleed naar een internaat gegaan, maar tante Addy die was heel fragiel en daarom is die bij mijn oma terechtgekomen.’

[5] ‘In deze aan het zicht onttrokken, gesloten wereld wachtte […] een opvoeding tot godvrezend, geestelijk ontwikkeld en welgemanierd mens. Je nam afscheid van je ouders en trok in bij de mannen in zwarte toga’s, die het de komende jaren over jou en je groepsgenootjes te zeggen kregen. Je werd een van de ‘internen’ en kwam in een groep terecht van jongens uit alle windstreken.’ “Internaten Sainte Marie en Sint Frans in Huijbergen” (geraadpleegd 7 april 2020).

[6] ‘Vanaf de Dorpsstraat kon je van het gesticht alleen de hoofdpoort, de daken en stukken gevels zien. De rest lag verscholen achter sparren, rododendronstruiken en enorm hoge coniferen. Een houten brug die met een ijzeren hek kon worden afgesloten, vormde de enige toegang tot het complex.’ (Jos Coopmans, Satanskinderen. Het verhaal van een gestichtsjeugd [Nijmegen 2014], p. 100)

[7] Archieven.nl, geraadpleegd 7 april 2020.

[8] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 223. “Huize Alexander” kan ik niet thuisbrengen.

[9] Ibid., p. 190.

[10] Ibid., p. 34.

[11] ‘Het Gelders Archief in Arnhem zit vol met afbeeldingen van de gekromde Trompetsteeg met aan het einde de toren van de Eusebiuskerk. De laatste foto dateert van 1945. […] Oorlogsgeweld had weinig heel gelaten van de toren, van de Trompetsteeg nog minder. Het gebied ging plat, de steeg verdween.’ (“Arnhem krijgt iconisch straatbeeld terug”, in: De Gelderlander, 8 september 2016; geraadpleegd 9 april 2020). Een grote tekening van de Trompetsteeg door Van Genk is aanwezig bij Museum Dr. Guislain.

Krabbegat

2018-09-18 15.58.20

Zonder titel  | ca. 1997 | gemengde techniek op papier | ca. 50 x 100 cm | Museum Dr. Guislain (objectnummer 21030292) | foto’s: Jack van der Weide

In het najaar van 2018 was ik bij Museum Dr. Guislain in Gent waar ik samen met Ans van Berkum een deel van het daar aanwezige werk van Willem van Genk kon bekijken. Waar de zeer summier geformuleerde inventarislijst soms niet meer vermeldde dan aanduidingen als “titel niet gekend / tekening”, “schilderij / onaf” of “samengestelde kleurencopies / collage”, bleek het in de praktijk in een aantal gevallen om uitermate interessant werk te gaan. Een late tekening die ik al eerder beschreef, laat een trein- of tramwagon zien met een reclame voor Turmac, een prominente pantograaf en het woord MÄRKLIN. Er waren kopieën van de tekening gemaakt die vervolgens door knippen en plakken weer zodanig waren bewerkt dat er een langere trein of tram kon worden gemaakt. [1]

Links naast het woord MÄRKLIN staat F/a Wentinck Arnhem, rechts Pierre Dietworst (BoZ). Wentink Hobby is een winkel voor modelbouw in de Steenstraat in Arnhem, een zaak die Van Genk ongetwijfeld goed kende en waarschijnlijk regelmatig bezocht. De naam “Pierre Dietworst” zei ons in eerste instantie weinig, maar een korte zoekactie op internet leerde dat het ging om een handelaar in producten van het merk Märklin genaamd Pierre Dietvorst. Dietvorst was voormalig eigenaar van een speelgoedwinkel en  werd ook wel Kees Marklin genoemd vanwege zijn bedrijfsnaam keesmarklin. Dit leken voldoende associaties voor het vermelden van de licht verbasterde naam op de tekening. [2]

Toen ik enkele dagen later de foto’s van de tekening nog eens bekeek, viel mij de toevoeging (BoZ) – Bergen op Zoom? Inderdaad bleek Pierre Dietvorst in Bergen op Zoom te wonen, een plaats die in de context van Van Genk niet zonder betekenis is. Op een vraag via e-mail of hij ooit contact had gehad met Van Genk, kreeg ik onmiddellijk antwoord:

Ja zeker, met regelmaat, tijdens carnaval bezocht hij steevast zijn neef Kees van der Ouderaa in Bergen op Zoom, en verbleef daar. Willem is in zijn kinderjaren opgevoed door de moeder van Kees. Omdat ze dezelfde leeftijd hadden, trokken ze veel met elkaar op. Kees was mijn schoonvader. Ben altijd onder de indruk geweest van deze bijzondere man. 

In de monografie van De Stadshof uit 1998 staat een passage die nu beter te duiden was:

Na moeders dood ging Tiny, destijds achttien jaar, ook weer naar huis. De kleine Willem mag dan bij een oom en een tante in Bergen op Zoom intrekken, die twee zoons en een dochter hebben. Met zijn neef Jantje kan hij goed opschieten, maar toch gaat het om niet helemaal duidelijke redenen in deze familie niet geweldig met hem. Zijn vader hertrouwt intussen […] en haalt vol goede moed zijn zoon terug naar Voorburg. [3]

Omdat vader Van Genk uit Bergen op Zoom kwam en zijn vrouw uit Naaldwijk, leek het aanvankelijk voor de hand te liggen om te veronderstellen dat het bij de ‘oom en tante uit Bergen op Zoom’ om familie van vaderskant ging. Het bleek echter te gaan om een jongere zus van Maria van Genk-Hoogstraten, Helena Hendrika Hoogstraten (1888-1964) die in 1919 was getrouwd met Cornelis Wilhelmus Alphonsus (Kees) van der Ouderaa (1883-1940). De twee kenden elkaar waarschijnlijk omdat een oudere broer van Jozef van Genk, Christiaan (1877-1961), al in 1905 was getrouwd met Irma van der Ouderaa (1880-1970), een oudere zuster van Kees van der Ouderaa.

Helena Hoogstraten en Kees van der Ouderaa kregen inderdaad twee zoons en een dochter: Tiny (1920-2014), Jan (1923-1992) en Kees (1926-2006). Die laatste werd geboren op 12 december 1926 en scheelde derhalve nog geen vier maanden met zijn neefje Wim; ze kwamen op de lagere school in dezelfde klas terecht. Nichtje Tiny was er wellicht de oorzaak van dat Willem zijn oudste zuster ter onderscheid altijd “Tine” bleef noemen. Neef Jan van der Ouderaa werd missionaris in Afrika. In een ‘levensbeschrijving’ die Willem van Genk in de jaren tachtig maakte voor Dick Walda, schreef hij: ‘Verder heb ik ook een neef in Kenia (Africa) die is missionaris een heel ander kultuurpatroon.’ [4] Kees van der Ouderaa jr. trouwde met Leny Bastiaanse (1925-2017), hun dochter Tineke (1958) trouwde met Pierre Dietvorst (1958).

kaarten

Briefkaart uit 1996 van Willem van Genk aan Dick Walda, verstuurd vanuit psychiatrische kliniek Bloemendaal: ‘Waarschijnlijk ga ik dinsdag naar de Karneval in Bergen op Zoom

Op 17 oktober 2018 had ik samen met Ans van Berkum een gesprek van anderhalf uur met Pierre en Tineke Dietvorst, in hun woning in Bergen op Zoom die een paar honderd meter verwijderd is van “het torentje van Van Genk”, het woonhuis van architect Kees van Genk uit 1884. Willem van Genk had inderdaad na het overlijden van zijn moeder in 1932 een periode – waarschijnlijk ongeveer een jaar – in Bergen op Zoom gewoond, bij zijn oom en tante in de Zuivelstraat. Daar was ook de bakkerij van zijn oom, die van 1810 tot 1955 heeft bestaan. Volgens Pierre Dietvorst zou de familie Hoogstraten in Naaldwijk eveneens een banketbakkerij en/of chocolaterie hebben gehad.

Op latere leeftijd zocht Van Genk zijn neef Kees weer op bij zijn bezoekjes aan het carnaval in Bergen op Zoom, met name omdat de dinsdagse optocht langs diens huis kwam. Dit moet ná 1967 zijn geweest, het jaar dat Kees en Leny van der Ouderaa verhuisden naar een woning aan de Wassenaarstraat nummer 46, die op de route van de optocht lag. In 1977 kwam Pierre Dietvorst voor het eerst over de vloer bij zijn toekomstige schoonouders, vanaf toen ontmoette ook hij elk jaar op carnavalsdinsdag de kunstenaar. Tineke Dietvorst:

Mijn moeder moest altijd een tweede Vastenavendkrant voor ‘m bewaren, want daar was-ie helemaal lyrisch over, over de Vastenavendkrant, en dan gingen wij na de optocht, want die kwam hier in de straat voorbij, met z’n allen nasi halen, en dan at-ie bij ons, en dan zat-ie pure sambal te eten. En dat weet ik nog wel, ik als kind toen zeg maar, dan zat ik te kijken, van ik denk, hoe … da’s zóó pittig! En dat zat-ie gewoon zo lekker op te eten.

De Vastenavenkrant is een carnavalskrant die sinds 1949 jaarlijks verschijnt. Tot 2020 was de krant volledig geschreven in het Bergs, het dialect van Bergen op Zoom (dat in carnavalstijd “Krabbegat” heet). [5]

De grote naieven

Detail De grote naïeven (ca. 1975)

De carnavalsoptocht in Bergen op Zoom is uitgebreid afgebeeld op het schilderij De grote naïeven (ca. 1975). In vijf tafereeltjes onder elkaar geeft Van Genk een aantal momenten eruit weer, inclusief rijen toeschouwers langs de kant van de weg. De bovenste afbeelding toont, achter een praalwagen met bloemen en een zon, een groene dubbeldekker. Deze was en is volgens Pierre Dietvorst een vast onderdeel van de optocht: ‘Die rijdt met de carnaval mee. […] Die bus, deze bus reed mee, was ooit een rode bus, hij staat hier in het groen, is nu in het paars.’ In de tweede afbeelding is op een praalwagen het woord KRABBEGAT te lezen, onder de letters KWF: het Koningin Wilhelmina Fonds voor kankerbestrijding – de associatie kanker/krab kan voor Van Genk interessant zijn geweest.

De derde scène, gesitueerd voor de plaatselijke V&D in de Stationsstraat, toont opnieuw een vast onderdeel van de Bergse carnavalsoptocht: Spuit 11, een oude T-Ford met een kanon dat confetti spuit. Tineke Dietvorst wist zich te herinneren dat tijdens een van de bezoeken van Van Genk er door Spuit 11 een lading confetti naar binnen werd gespoten terwijl iedereen vanuit een openstaand raam naar de optocht aan het kijken was. Centraal in de vierde afbeelding staat een praalwagen met de tekst steunt de actie ’73 NEDERLANDSCHE ZWAKZINNIGENZORG RAYON VREDENRUST. Vrederust was een buurtschap bij Bergen op Zoom waar zich sinds 1909 het Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis Vrederust bevond.

De vijfde afbeelding laat een andere fascinatie van Van Genk zien, via een praalwagen met een model van de veertiende-eeuwse Gevangenpoort, de enig overgebleven stadspoort van Bergen op Zoom. Op de rand van de wagen schildert Van Genk, als altijd treurend over al dan niet vermeende sloopwoede, de leus STOPT HET SANERINGSMONSTER. De toeschouwer met de bril in de rechterbenedenhoek van de afbeelding zou een zelfportret kunnen zijn. Onder de vijf taferelen maakt Van Genk reclame voor ‘zijn’ galerie van dat moment: van carnaval in Bergen op Zoom naar gallerie “De Ark” in Boxtel. Wellicht was hij dat specifieke jaar bij zijn neef Kees slechts op doorreis.


 

NOTEN

[1] De kopieën zaten in een map die geïnventariseerd was als “kleurencopieen versneden 24 stuks / collage” (objectnummer 21030292).

[2] ‘De naam “Kees” was een van de eerste namen die hij gebruikte om op eBay een account aan te maken. Een tijdje later bleek dat hij zijn handel hoofdzakelijk richtte op de Märklin producten en kwam er marklin achter de naam kees te staan. De bedrijfsnaam werd dus keesmarklin. Misschien valt het u op dat er op de letter a geen trema staat en het lettertype anders is. Door het weglaten van de 2 puntjes en het gebruik van een ander lettertype [kan] er ook geen “ruzie” ontstaan met de grote fabrikant Märklin.’ (“Keesmarklin”, geraadpleegd 1 april 2020)

[3] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 12.

[4] Dick Walda, Koning der stations (2e druk 2019), p. 223. Vgl. ‘Priester Mill Hill. Gewijd 11 juli 1948 Londen. […] Missionaris Kisumu Kenya.’ (Genealogie Online, geraadpleegd 2 april 2020)

[5] Informatie over het carnaval in Bergen op Zoom is te vinden in het Wikipedia- lemma “Krabbegat” (geraadpleegd 3 april 2020). Ans van Berkum zegt in de catalogus bij de tentoonstelling Woest abusievelijk, als het over de bezoeken aan Bergen op Zoom in carnavalstijd gaat: ‘Tante legt dan steeds de kleurige Carnavalskrant voor hem klaar.’ (p. 11) Het was dus niet “tante” (die al in 1964 was overleden) maar de echtgenote van zijn neef die een exemplaar van de krant voor hem bewaarde.

Jozef van Genk

De moeder van Willem van Genk, Maria van Genk-Hoogstraten, overleed op 25 november 1932, toen haar zoon vijf jaar oud was. Hij zal daarom geen concrete herinneringen aan haar hebben gehad, hooguit vage associaties. Maria Hoogstraten was volgens haar huwelijksakte van beroep ‘modiste’, net als enkele van de oudtantes van Willem van Genk uit Bergen op Zoom. Ze was dertig toen ze trouwde, haar vader was op dat moment al meer dan vijftien jaar dood dus ze had ruimschoots de tijd gehad voor het opbouwen van een eigen leven en daarmee ook voor een opleiding en uitoefening van een beroep.

Ouders Willem

De ouders van Willem van Genk, Maria van Genk-Hoogstraten en Jozef van Genk

Over vader Jozef van Genk zijn meer gegevens te vinden. Geboren in 1887 werd hij in 1906 ‘afgekeurd voor militaire dienst wegen[s] een gebrek aan de ogen. Zijn lengte was toen 1,71 cm.’ [1] Na zijn huwelijk met Maria Hoogstraten in 1913 verhuisde hij van Oudenbosch naar Roosendaal, waar in 1914 en 1915 zijn twee oudste dochters werden geboren. In oktober van dat laatste jaar vertrok het gezin Van Genk naar Den Haag, met als adressen onder meer Westeinde 257, Malakkastraat 6 en Renbaanstraat 7. In 1925 vond opnieuw een verhuizing plaats, dit keer naar Voorburg waar zoon Willem werd geboren.

In het adresboek van Roosendaal van 1914 staat Jozef van Genk vermeld als ‘winkelier’. Zowel in zijn eigen familie als in die van zijn vrouw kwamen diverse middenstanders voor, waarbij de negotie vaak in het verlengde van een ambacht (meubelmaker, schilder) lag. Dit was bij hem niet het geval: in zijn huwelijksakte wordt hij aangeduid als ‘fruithandelaar’ en dit blijft ook in andere officiële documenten terugkomen. Toch zal zijn oudste dochter Tiny later tegen Dick Walda zeggen dat haar vader een chocolaterie bezat. [2] Waar hij echter ook in handelde, het succes ervan lijkt wisselend te zijn geweest: zowel in 1914 als 1918 was in de Nederlandsche Staatscourant de mededeling te lezen dat hij ‘in staat van faillissement’ was verklaard, waarbij dit in het tweede geval binnen enkele weken weer werd opgeheven.

1914-1918 Nederlandsche Staatscourant

Mededelingen over faillissementen van Jozef van Genk in de Nederlandse Staatscourant, resp. 6 februari 2014 (boven), 2 september 1918 (midden) en 28 september 1928 (onder)

Jozef van Genk hertrouwde op 9 mei 1934 in Den Haag met Maria Anna Heesen, weduwe van Herman Johan Christiaan van Vlaardingen. De bruidegom was zesenveertig jaar oud, de bruid veertig; twee boden van de gemeente waren getuigen. In de huwelijksakte wordt Jozef van Genk nog steeds als ‘fruithandelaar […] wonende te Voorburg’ omschreven. Tiny van Genk over de tweede echtgenote van haar vader: ‘Hij vond een nieuwe vrouw, een Amerikaanse. Zij nam kinderen mee uit een vorig huwelijk.’ [3] Maria Heesen kwam uit Huisseling en Neerloon, en was dus geen Amerikaanse. Wel blijkt haar eerste man, afkomstig uit Zwolle, in 1931 overleden te zijn in Rochester in de staat New York. Het enige kind uit hun verbintenis was een dochter, Christina Johanna, geboren in 1918. [4]

Kort na zijn tweede huwelijk verhuisde Jozef van Genk weer naar Den Haag en ging hij volgens zijn oudste dochter werken voor de Haagse Arbeidsinspectie. In mei 1940 was hij 52 jaar oud. Tiny:

Onze vader was in de oorlog werkzaam bij de Arbeidsinspectie en beschikte zodoende over veel mogelijkheden om mensen te laten onderduiken en ze vooral aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment is de verzetsploeg van mijn vader opgepakt door de Duitsers. Hij is als enige de dans ontsprongen, alle anderen zijn doodgeschoten. Mijn vader wist via het ziekenhuis, waarin hij na de verhoren terecht was gekomen, te ontsnappen. […] Hij is via Schijndel naar Frankrijk gereisd, naar het plaatsje Nerac in Bourgondië, waar hij in een groot kasteel terecht kwam. [5]

Wanneer deze gebeurtenissen plaatsvinden, is onduidelijk. Tiny zegt ergens in haar verhaal ‘We woonden toen in de Magnoliastraat’, en Magnoliastraat 10 was in ieder geval al in juni 1941 het adres van de familie Van Genk. [6] Desalniettemin verschijnt begin 1942 een opmerkelijk bericht in een dagblad in het oosten van Nederland:

Uit een exploit, den 10den Februari 1942 door den ondergeteekenden deurwaarder beteekend op de wijze, voorgeschreven bij art. 4. lid 7 van het Wetboek van Burg. Rechtsv. blijkt, dat ten verzoeke van JOHANNES HENDRIKUS HERMANUS VAN DER GRAVEN, koopman, wonende te Enschede, te dezer zake domicilie gekozen hebbende te Enschede aan de Haaksbergerstraat no. 21 ten kantore van den procureur Mr. L. M N. Schweitzer is gedagvaard: JOSEPHUS JOHANNES MARIA VAN GENK, zonder bekende woon- of verblijfplaats, echtgenoot van Maria Anna Heesen, pensionhoudster, wonende te Enschede om bij procureur te verschijnen ter Civiele Terechtzitting der Arrondissements-Rechtbank te Almelo van Woensdag 15 April 1942 des voormiddags te tien ure, ten einde zich te hooren veroordeelen tot vanwaardeverklaring van een door den ondergeteekenden deurwaarder op 4 Febr. 1942 gelegd revindicatoir beslag met verdere vorderingen. [7]

De tekst roept een aantal vragen op: waarom werd van Jozef van Genk vermeld dat hij ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats’ is? Waarom woonde en werkte Maria Heesen in Enschede? En vooral: waar ging dit om?

Maria Heesen overleed in juni 1951 – in Enschede. Jozef van Genk trouwde acht maanden later voor een derde keer, met Leonarda Pennekamp uit Den Haag. Zij was dochter van een smid, weduwe van fabrieksarbeider Hendrik van der Wal en moeder van een zoon die in 1911 twee maanden na de huwelijksvoltrekking werd geboren. Het gaat hier om ‘Henk […], de zoon van Leni, zijn vaders derde vrouw […]. Henk had in de oorlog met zijn fascistische sympathieën niet helemaal aan de goede kant gestaan’. [8] Leonarda Pennekamp overleed in juni 1954. Jozef van Genk hertrouwde dit keer niet en overleed zelf op 3 oktober 1958 in Den Haag.


 

NOTEN

[1] Website Bijmans, geraadpleegd op 14 november 2019. Marijke Bijmans is een kleindochter van Jozef van Genk.

[2] Walda, Koning der stations, pp. 30-31. De chocolaterie figureert eveneens in de eerste grote monografie over Willem van Genk uit 1998, waarbij men zich andermaal baseert op een interview met zus Tiny. Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 11.

[3] Walda, Koning der stations, pp. 31-32.

[4] Informatie afkomstig van deze website (geraadpleegd op 15 november 2019).

[5] Walda, Koning der stations, p. 35.

[6] Onderdeel van de tentoonstelling Woest is een kaft van een schoolboek van Willem van Genk met genoemde datum en adres. Volgens de website Oozo gaat het om een (boven-) ‘woning uit 1924 […]. Het pand heeft een oppervlakte van 110 m² en heeft 4 kamers waarvan 3 slaapkamers.’ (Geraadpleegd op 16 november 2019.)

[7] Tubantia, 13 februari 1942

[8] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 38. Een bron ontbreekt, maar vermoedelijk is Tiny weer de informant.

Grootouders

Knipsel

Maria van Genk-Hoogstraten (1882-1932) en haar moeder, Lambertina Verbeek (1846-1922)

Toen Willem van Genk in 1927 geboren werd, waren alle vier zijn grootouders overleden. [1] De ouders van zijn vader konden het huwelijk van hun zoon in 1913 al niet meer meemaken, de vader van zijn moeder evenmin. Zijn grootmoeder van moederskant stierf in 1922. De familie van Maria van Genk-Hoogstraten was voor een groot deel geconcentreerd in en om Naaldwijk. Alleen haar grootvader Petrus Ferdinandus Hoogstraten, geboren in 1803 in Bloemendaal en ‘heel- en vroedmeester’ van beroep, kwam niet uit de buurt. Hij trouwde in 1831 met Johanna Hekkers, geboren in 1801 in Naaldwijk. Johanna beviel op 16 januari 1833 van een zoon, Jacobus Engelbertus Adolphus, maar overleed (het beroep van haar man ten spijt) enkele weken later. Petrus Hoogstraten hertrouwde nog tweemaal en kreeg in totaal acht kinderen, alvorens in 1844 zelf te sterven.

18300116 Opregte Haarlemsche Courant

Advertentie in de Opregte Haalemsche Courant, 16 januari 1830

Oudste zoon Jacobus Engelbertus Adolphus groeide op bij zussen van zijn moeder; hij werd geen medicus, maar eerst winkelier en later schilder. Hij trouwde in 1868 met de dertien jaar jongere Lambertina Verbeek, dochter uit een tuiniersgezin. Ze kregen twaalf kinderen, van wie de jongste in 1889 werd geboren. Grootvader Hoogstraten overleed op 6 december 1897. Een half jaar later maakte de Nederlandsche Staatscourant bekend dat twee van zijn ongetrouwde kinderen, Petrus Adrianus (1869) en Johanna Maria (1875), ‘ter zake van krankzinnigheid’ onder curatele waren gesteld. Petrus Adrianus overleed in 1898, Johanna Maria is niet meer terug te vinden in de archieven. [2]

18980811 Nederlansche Staatscourant

Nederlandsche Staatcourant, 11 augustus 1898

De familie van Willem van Genks vader was vrijwel in haar geheel afkomstig uit Bergen op Zoom. Grootvader Wilhelmus Leonardus van Genk (1848) was meubelmaker van beroep, net als diens vader Cornelis Adrianus van Genk. Het gezin van deze Van Genk was uitzonderlijk kunstzinnig, zelfs in de mate dat er in 1977 een tentoonstelling aan de familie werd gewijd in museum De Markiezenhof in Bergen op Zoom onder de titel Van Genk. Een kunstclan uit de tweede helft van de 19e eeuw. Uit de inleiding:

In 1833 vestigde zich te Bergen op Zoom de uit Princenhage afkomstige meubelmaker Cornelis Adrianus van Genk, die hier nog hetzelfde jaar huwde met Adriana Hopmans. Van de dertien uit dit huwelijk geboren kinderen stierven er vier jong. Vier van de vijf zoons volgden een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. Twee dochters trouwden met studiegenoten van hun broers. De twee andere dochters bleven ongehuwd en werkten in Bergen op Zoom als modiste. Kennelijk was het klimaat in het gezin van Genk bijzonder gunstig voor de ontwikkeling van de creativiteit van de kinderen. [3]

Twee van de kinderen uit het gezin, Cornelis Adrianus (Kees) en Petrus Johannes (Piet) zouden bekende architecten worden, van zowel kerkelijke als wereldse gebouwen. Beiden waren uitermate productief, waarbij Kees de kroon spande. Toen de VVV in Bergen op Zoom in 2007 een wandelroute langs zijn panden organiseerde, merkte een journalist op: ‘daar moet de liefhebber wel even de tijd voor nemen want het zijn er nogal wat’. [4] Zijn bekendste bouwwerk is het zogeheten “torentje van Van Genk”, het neorenaissancistische woonhuis van de architect uit 1884, op de hoek van de Stationsstraat en de Wassenaarstraat. Tegenwoordig is het een rijksmonument, net als nog tientallen andere door hem ontworpen woningen, kerken, scholen en wat al niet.

Architectuurroute

Omslag van de wandelroute uit 2007 langs panden van Kees van Genk in Bergen op Zoom. Afgebeeld is het woonhuis van de architect, “het torentje van Van Genk”.

Meubelmaker Wilhelmus Leonardus, naar wie Willem van Genk werd vernoemd, was de enige zoon uit het gezin van Cornelis Adrianus van Genk die geen opleiding had gevolgd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Wel zijn van hem diverse gegevens bekend:

[V]an de meubelmaker Wilhelmus Leonardus [konden] geen produkten worden achterhaald. Hierbij moet worden opgemerkt dat de meubelmakerij in tegenstelling tot de schilder- en beeldhouwkunst en in mindere mate de architectuur, als een ambacht werd gezien. Willem van Genk zal zich dan waarschijnlijk ook wel geen kunstenaar hebben gevoeld. Een gevolg hiervan was, dat hij zijn werk niet signeerde, waardoor er (indien meubels van zijn hand bewaard zijn gebleven) niets met zekerheid aan hem kan worden toegeschreven. In enkele gevallen bleek ook Willem door zijn broers de architecten ingeschakeld te zijn in de “clan”, o.a. leverde hij voor de kerk in De Heen kerkstoelen en voor het Smits-kerkje te Bergen op Zoom vergulde hij o.m. de preekstoel. Men mag veronderstellen dat Willem van Genk de meubelmakerij van zijn in 1870 overleden vader heeft voortgezet. Ook in het openbare leven blijkt hij een rol te hebben gespeeld. Op 6 februari 1898 werd hij beëdigd als gemeenteraadslid van Bergen op Zoom. In zijn necrologie in een plaatselijke krant wordt hij geprezen om zijn werkzaamheid en vriendelijke omgang. [5]

Grootvader Van Genk overleed in 1901, zijn echtgenote in 1907.

wl_van_genk_veraart

itc_1901_05_18_004_w_l_van_genk

Boven: het huis van Wilhelmus Leonardus van Genk aan de Grote Markt, wijk A 24 in Bergen op Zoom. Boven de ramen op de tweede verdieping is het woord “meubelmagazijn” te lezen.
Onder: advertentie voor de meubelfabriek van grootvader Van Genk


NOTEN

[1] Gegevens ontleend aan genealogische websites, met name deze. In het Historisch Archief Westland zijn verschillende aktes te vinden die betrekking hebben op de familie van de moeder van Willem van Genk. (Beide geraadpleegd op 15 november 2019.)

[2] Twee andere broers van Maria Hoogstraten, Johannes Adrianus (Jan) en Adrianus Leonardus Jacobus (Arie), waren bekende, ietwat zonderlinge figuren in Naaldwijk. Ze stonden bekend onder de namen “Strik en Stropdas” en droegen armoedige kleding, hoewel ze diverse woonpanden plus een sigarenmagazijn bezaten. Ook hun zus Sjaantje (Adriana Johanna Maria) woonde bij hen. Jan overleed in 1952, Arie in 1957 – Willem van Genk kan deze excentrieke ooms dus nog hebben gekend. Zie: “Strik en Stropdas: veel verhalen doen over hen de ronde” (geraadpleegd op 15 november 2019). Informatie over de families Hoogstraten en Hekkers is verder te vinden in: G. Beijer en G.J.M. Vreede, Gemeente Naaldwijk 120 jaar in beeld, Naaldwijk 1994.

[3] W. Blok en L.J. Weys, “Inleiding”, in: Van Genk. Een kunstclan uit de tweede helft van de 19e eeuw, Bergen op Zoom 1977, pp. 3-5 (aldaar 3). Princenhage was tot 1942 een zelfstandige gemeente bij Breda.

[4] Leon Krijnen, “Overal loop je tegen Van Genk aan”, in: BN De Stem, 10 september 2007.

[5] Blok en Weys, “Inleiding”, p. 5.