Nieuwe Realisten

Moskou (Rijksmuseum) (800x629)

Moskou | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 119,5 x 151,5 cm | Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed/Rijksmuseum, Amsterdam | foto: Clemens Boon, Amsterdam

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Van 24 juni tot 30 augustus 1964 was in het Haags Gemeentemuseum de tentoonstelling Nieuwe Realisten te zien. De organisatoren hadden naar eigen zeggen geprobeerd om een tegenwicht te bieden aan de abstracte schilderkunst die ‘haar glorierijk hoogtepunt had bereikt’. [1] De lijst met deelnemende kunstenaars was duizelingwekkend en bevatte klinkende namen als Francis Bacon, Jean Dubuffet, Jasper Johns, Yves Klein, Roy Lichtenstein, Robert Rauschenberg, Jean Tinguely en Andy Warhol. Ook Van Genk mocht, dankzij bemiddeling van Joop Beljon, acte de présence geven. Dat hij met de tentoonstelling in Hilversum was doorgebroken was te veel gezegd, maar geheel onbekend was hij zeker niet meer.

Van Genk werd ondergebracht in de categorie ‘Traditioneel realisme’, samen met onder meer Krsto Hegedušić en Co Westerik. Binnen die categorie vertegenwoordigde hij ‘de naïeven en Zondagschilders’. [2] Het enige werk dat van hem werd getoond was één van de drie grote Moskou-tekeningen die in Hilversum te zien waren geweest. Een afbeelding ervan stond in de tentoonstellingscatalogus, samen met informatie over de kunstenaar plus een foto door Eddy de Jongh. De foto was eerder verschenen bij het interview met Bibeb en was een uitsnede van een grotere foto, genomen op de tentoonstelling in Hilversum. [3] De minimale informatie over Van Genk was overgenomen uit de Hilversumse catalogus.

Knipsel

Formulier van het Haags Gemeentemuseum t.b.v. Nieuwe Realisten (detail)

Het Haags Gemeentearchief bevat een aantal bevat een aantal stukken die betrekking hebben op Nieuwe Realisten. Op een ervan is te zien dat Van Genk ten tijde van de tentoonstelling werd vertegenwoordigd door Pieter Brattinga, dat de door Brattinga opgegeven maten van het werk niet overeenkomen met de maten in latere catalogi, [4] dat het werk voor fl. 10.000 was verzekerd en dat het voor diezelfde prijs te koop was. De Rijksdienst voor Beeldende Kunst kocht het werk in 1989 via galerie Hamer voor fl. 12.000. [5] Het Rijksmuseum in Amsterdam kreeg in 2017 het beheer over het werk en toont het (vanwege de gevoeligheid voor licht slechts enkele maanden per jaar) in de vaste opstelling Twintigste Eeuw.

Knipsel

V.l.n.r. logo Nieuwe Realisten – foto Willem van Genk (catalogus Nieuwe Realisten) – detail Arthur Hailey Airport 2 (ca. 1968)

Enkele jaren na Nieuwe Realisten schilderde Van Genk Arthur Hailey Airport 2[6] Op dit werk is een tondo aangebracht dat het logo van de Haagse tentoonstelling en de foto van Eddy de Jongh uit de catalogus combineert.


NOTEN

[1]“Het plan voor de tentoonstelling”, in: Wim Beeren (red.), Nieuwe Realisten, tent. cat. Den Haag (Haags Gemeentemuseum), Den Haag 1964, p. 7.

[2] “Traditioneel realisme”, in: idem, p. 7.

[3] De foto is hier te zien.

[4] De catalogus bij de tentoonstelling Een getekende wereld (1998) geeft als maten 119,5 x 151,5 cm maar beeldt het werk – Moskou (Kievstation) – in spiegelbeeld af (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 95). De catalogus bij de tentoonstelling Woest toont het werk onder de naam Kiev Station Moskou maar geeft als maten 69 x 184 cm. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hierbij om een redactiefout, aangezien als techniek ook wordt vermeld ‘balpen op papier’. Cf. Hans Looijen e.a., Woest. Willem van Genk 1927-2005, tent. cat. Amsterdam (Outsider Art Museum), Tielt/Amsterdam 2019, pp. 116-117.

[5] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63.

[6] In de catalogus bij de tentoonstelling Woest wordt het werk ‘ca. 1965’ gedateerd. De roman Airport van Arthur Hailey, waarvan zowel de oorspronkelijke als de vertaalde titel prominent op het werk voorkomen, verscheen echter pas in 1968, zoals Ans van Berkum op de volgende pagina’s ook schrijft. Cf. Looijen e.a., Woest, pp. 44-46.

Leningrad

Leningrad II

Leningrad | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 72 x 91 cm | coll. Galerie Hamer, Amsterdam | foto: Clemens Boon, Amsterdam

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid in 1964 waren 27 werken van Willem van Genk te zien. De kleine tentoonstellingscatalogus werd voor het grootste deel gevuld met een tekst van Joop Beljon – ‘het wilde geschrijf van Beljon’, om met Bibeb te spreken. [1] Pas op de laatste pagina staat een lijst met de geëxposeerde werken. Steeds gaat het om de naam van een stad, met daarbij de afmetingen van het werk in kwestie in zowel centimeters als inches. Negen van de 27 werken dragen de naam Mockba, vijf heten Amsterdam. Elk twee keer komen voor Tokyo, Köln en Leipzig, elk één keer Paris, Frankfurt am Main, Antwerpen, Berlin, Arnhem, Den Haag en Wien.

Ondanks deze schaarse informatie is het mogelijk om de meeste van de Hilversumse werken thuis te brengen. Daarbij dient de informatie uit de catalogus te worden gecombineerd met enkele foto’s die van de expositie zijn gemaakt, de beelden uit Brandpunt en het filmpje van Har Oudejans, teksten over de tentoonstelling, latere afbeeldingen en zo nog het een en ander. Dan blijkt onder meer dat de samensteller van de catalogus – Pieter Brattinga – niet altijd even zorgvuldig is geweest. De gegevens over het eerste werk tonen meteen al enkele zwakke plekken:

1    Mockba  . . . . . .  80 x 64 cm | 31½” x 25¼”

De spelling ‘Mockba’ was een poging om het Cyrillische МОСКВА = Moskou weer te geven. Een foto van Eddy de Jongh, kennelijk gemaakt tijdens het bezoek dat Van Genk met Bibeb bracht aan de tentoonstelling, laat de eerste vier werken uit de catalogus zien. [2] Nummer 1 is duidelijk het hierboven afgebeelde werk, dat echter niet Moskou maar Leningrad voorstelt. Ook de maten kloppen niet: de tekening meet in werkelijkheid 72 x 91 cm.

Een fraaie reproductie van het werk is te zien in het boek Nederlandse naïeve kunst uit 1979. [3] Het boek was gekoppeld aan een tentoonstelling in Slot Zeist bij Utrecht met werk van veertien kunstenaars wier werk als (enigszins) naïef kon worden beschouwd. Een jaar eerder had Nico van der Endt de tekening al verkocht aan een Amsterdamse kunstverzamelaar voor fl. 4.0000 tijdens de tentoonstelling Winterexpositie van naïeven uit binnen- en buitenland[4] Van der Endt zou het werk later weer terugkopen.

Leningrad I (800x603)

Leningrad | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 60 x 80 cm | coll. De Ruuk, Amsterdam | foto: Galerie Hamer, Amsterdam

En er was in Hilversum nog een tweede stadsgezicht van Leningrad te zien. Catalogusnummer 25, opnieuw aangeduid als Mockba, stelt eveneens Leningrad voor. De laatste tien werken in de catalogus zijn moeilijker te identificeren, omdat er geen foto’s of filmbeelden van zijn. De tentoonstellingsruimte omvatte waarschijnlijk drie muren met werk, van de derde muur zijn geen opnames bekend. Juist bij nummer 25 komt de catalogus echter te hulp, door bij wijze van uitzondering een afbeelding af te drukken. Nico van der Endt verkocht de tekening in 1985 aan een Amsterdamse verzamelaar voor fl. 4.500. [5]

Knipsel

Still uit Ver van huis (1997) – de heer De Ruuk toont zijn Leningrad

Beide stadsgezichten van Leningrad zijn te zien tijdens de lopende tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum, zij het niet naast elkaar. Wel naast elkaar staan ze in de catalogus, maar daar is nummer 1 uit Hilversum helaas in spiegelbeeld afgedrukt. Na Amsterdam reist de tentoonstelling door naar Lausanne en … Sint-Petersburg, het voormalige Leningrad. De twee stadsgezichten zullen daar vermoedelijk extra aandacht krijgen, dus misschien kan de indeling van de tentoonstelling daarop worden aangepast.


NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 115.

[2] ‘Twee dagen later. Wim van Genk en ik in de restauratiewagen van de trein, naar Utrecht. We zijn op weg naar Van Genks tentoonstelling in Hilversum.’ (Ibidem, p. 121) De foto is hier te zien (geraadpleegd op 9 november 2019); de vrouw rechts is Bibeb. Het kostte overigens enige moeite om de foto’s van Eddy de Jongh, waarvan bekend was dat ze bestonden, op te diepen uit de collectie van het Nederlands Fotomuseum: de naam van de kunstenaar ontbreekt, de foto’s zijn gelabeld ‘schilder den haag’. (Met dank aan Jos ten Berge.)

[3] Joop Bromet en Nico van der Endt, Nederlandse naïeve kunst, Venlo 1979. Leningrad is afgebeeld op p. 33. Een beschouwing over Van Genk is te lezen op pp. 34-38.

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41.

[5] Ibidem, p. 51. De tekening was daarna te zien tijdens verschillende tentoonstellingen, onder andere Vijf x vijf in Rhoon (december 1989 / januari 1990).

Hilversum (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die eerder in iets andere vorm verscheen onder de titel “De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.” Het eerste deel is hier te vinden.

Brandpunt 04e

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Joop Beljon in gesprek met een reporter van Brandpunt

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Een van de motieven van Joop Beljon om de tentoonstelling bij Steendrukkerij de Jong & Co. te organiseren, was om Van Genk meer financiële armslag te geven. De academiedirecteur was verbolgen over het feit dat de kunstenaar de tijd noch de ruimte had om zijn talent te ontwikkelen: overdag moest hij geestdodend werk verrichten in de AVO-werkplaats en ’s avonds liep hij vier kilometer naar zijn zuster Willy om in haar warme huiskamer te kunnen tekenen. Zelf woonde hij in een armoedig pension, op een minuscule kamer die hij met een zwakzinnige grondwerker moest delen. Hij verdiende veertig gulden per week, waarvan hij vijf gulden in handen kreeg als zakgeld. Enige financiële steun in de vorm van een prijs of een subsidie zou volgens Beljon al veel helpen. Van Genks zwager Peter Persoon, echtgenoot van zus Addy van Genk, had zich opgeworpen als zaakwaarnemer.

Het kostte de organisatoren nog enige moeite om de werken van Van Genk gereed te maken voor expositie. Veel stukken waren gemaakt op aan elkaar geplakte stukken papier die eerst op linnen bevestigd, daarna geprepareerd en uiteindelijk ingelijst moesten worden. Er werden zevenentwintig ingekleurde pentekeningen tentoongesteld, vrijwel allemaal stadsgezichten. Negen werken, waaronder ook een afbeelding van een tank en een close-up van een trein die een station binnenrijdt, waren getiteld “Mockba” (Moskou). Tot aan de dag voor de opening werd Van Genk zelf in het ongewisse gelaten over de expositie – Beljon vreesde dat hij het niet goed zou vinden of bang zou worden. Het was dan ook onzeker of de kunstenaar bij de opening van zijn tentoonstelling op zaterdagmiddag aanwezig zou zijn.

Die vrees bleek ongegrond: Van Genk verscheen en leek het niet onprettig te vinden om in het middelpunt van de belangstelling te staan. De opkomst was groot, wellicht ook omdat de tentoonstelling werd geopend door de schrijver Willem Frederik Hermans. Hermans was bepaald kritisch over veel moderne kunst – de term “experimenteel” achtte hij onjuist – maar zag in Van Genk een maker die iets uitzonderlijks vermocht: ‘Elke lijn die Van Genk zet, stelt iets voor uit het dagelijks leven op straat. Maar toch staan alle heterogene dingen die op straten en pleinen kunnen worden aangetroffen in relatie tot elkaar. Gevels, bestrating, voertuigen en de dingen waaruit deze grote eenheden zijn samengesteld: stenen, vensters, ornamenten, reclameborden, allerlei opschriften, plaveisel, zebrapaden, rotondes, vluchtheuvels, rails, wissels, stroomdraden. Al deze details vormen met elkaar een eenheid. Een eenheid die misschien op zichzelf een soort abstract patroon vormt, maar misschien is ook dit patroon goed beschouwd niet helemaal abstract en vormt het een reële eenheid. De eenheid van het spinnenweb.’ Hermans besloot: ‘Zijn tekeningen zijn huiveringwekkend mooi, maar zullen velen herinneren aan iets dat zij liever vergeten.’ [1]

Hoewel gering van omvang kreeg Van Genk’s fantastische werkelijkheid veel aandacht in de media. Hoogtepunten waren de genoemde televisiereportage voor Brandpunt en een uitgebreid interview met Bibeb in Vrij Nederland. In de televisiereportage kwam ook de kunstenaar zelf even aan het woord, maar hij had duidelijk moeite om coherente antwoorden te formuleren op de vragen die hem werden gesteld. [2] Het interview met Bibeb gaf een gedetailleerd, schrijnend beeld van de omstandigheden waaronder Van Genk moest werken. Naast de kunstenaar zelf kwamen zijn betweterige zwager Peter Persoon en zijn zusters Addy en Willy aan het woord. Bibeb bezocht de woningen van de familieleden, de AVO-werkplaats en het kosthuis van Van Genk. Uiteindelijk reisde zij met hem naar de tentoonstelling in Hilversum. [3]

19640403 Vrije Volk

Advertentie uit Het Vrije Volk, 3 april 1964


NOTEN

[1] W.F. Hermans, ‘De werkelijkheid van Willem van Genk’, in: Kunst van nu 1 (1963-1964), nr. 5, pp. 8-9. Voor de kunstopvattingen van Hermans, zie met name zijn essay “De lange broek als mijlpaal in de cultuur” uit 1951, herdrukt in: Carel Willink, De schilderkunst in een kritiek stadium, Amsterdam 1981, pp. 59-85. Willem Otterspeer geeft in het tweede deel van zijn Hermansbiografie een verslag van de opening (De zanger van de wrok, Amsterdam 2015, pp. 362-364).

[2] Dick Walda tekent dertig jaar later uit de mond van Van Genk op: ‘Er was een uitzending van Brandpunt. Ik schrok van m’n kop. Vreselijk vond ik dat. Ik heb helemaal niet geluisterd naar wat er gezegd werd.’ (Koning der stations. Episoden uit het leven van Willem van Genk, Amsterdam 1997, p. 26)

[3] Bibeb, ‘Wim van Genk: Ik ben een stuk grijs pakpapier’, in: Bibeb & VIP’s, Amsterdam 1965, pp. 111-123. Oorspronkelijk verschenen in Vrij Nederland, 4 april 1964.

Hilversum

Brandpunt 03a

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – bezoekers aan de tentoonstelling

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Van 18 januari tot 18 maart 1964 was in de kantine van Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid te zien. Het was de eerste keer dat Willem van Genk zijn werk aan een breed publiek toonde. Het actualiteitenprogramma Brandpunt besteedde door middel van een korte televisiereportage aandacht aan de tentoonstelling. Het publiek kon er kennismaken met ‘de bizarre tekeningen van deze zondagsschilder’, ‘grote vellen papier, meestal volgekrabbeld met stadspanorama’s, treinen, autobussen, tanks’. De reden dat de expositie nogal wat publiciteit trok, lag volgens het programma aan de psychische constitutie van de kunstenaar: ‘Willem van Genk is namelijk geestelijk gestoord.’ De bezoekers waren in twee groepen te verdelen – zij die de tekeningen ‘als uitingen van een zieke, manische geest’ zagen en zij die de kunstenaar ‘als een grote artistieke ontdekking zien. Die zeggen dat hij met zijn intelligentie de kortsluiting met de werkelijkheid wil opheffen. Zij verwachten dat Van Genk over een paar jaar een beroemd man zal zijn.’ [1]

De expositie in Hilversum was op instigatie van J.J. (Joop) Beljon, directeur van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, georganiseerd door grafisch ontwerpers Pieter Brattinga (1931-2004) en Simon den Hartog (1933). Brattinga’s vader was directeur van de Steendrukkerij, en Van Genk’s fantastische werkelijkheid maakte deel uit van een reeks tentoonstellingen die Brattinga daar als director of design tussen 1954 en 1972 verzorgde. De tentoonstellingen hadden aanvankelijk als doel het eigen personeel vertrouwd te maken met de laatste ontwikkelingen op het gebied van grafische vormgeving en beeldende kunst. Brattinga had echter een goede neus voor kwaliteit en was vaak vooruitstrevend in zijn onderwerpkeuzes, waardoor de tentoonstellingen ook vrij snel buiten het eigen bedrijf bekendheid kregen. Er waren vroege exposities rond het werk van kunstenaars als Carel Visser en Shinkichi Tajiri, maar aan bod kwamen onder meer ook de typografische experimenten van Willem Sandberg, de architectuur van Ludwig Mies van der Rohe, putdeksels in New York en een geurenprogramma van Wim T. Schippers. [2]

De discussie over kunstuitingen van psychiatrische patiënten was in Nederland in het begin van de jaren zestig opgeflakkerd met de publicatie van het boek Geschonden beeld. Beeldende expressie bij schizofrenen van de psychiater J.H. Plokker. Plokker betoogde dat men het werk van schizofrenen kon herkennen aan wat hij de “structuur” noemde. Dit werk zou niet individueel bepaald, sterk naar binnen gericht en primitief van vorm zijn. Kunst was het op geen enkele manier: ‘In het kunstwerk is de vormgeving op individuele wijze belangrijker dan het affect, dat eraan ten grondslag ligt’. [3] Dit was volgens Plokker bij het werk van schizofrenen overduidelijk níet het geval. Hij analyseerde 91 tekeningen en schilderijen van schizofrenen en constateerde slechts in twee gevallen artistieke waarde, die bovendien op toeval berustte. Zijn ideeën waren zeer invloedrijk en zijn boek werd vertaald in het Frans, Duits en Engels.

Niet verwonderlijk waren het kort na de Tweede Wereldoorlog vooral experimentele schrijvers en kunstenaars geweest die gegrepen waren door de kunstuitingen van “waanzinnigen”, zoals Lucebert, Karel Appel en Corneille. [4] Dit paste bij de groeiende interesse in, en bewondering voor de veronderstelde authentieke kunst van onder andere geesteszieken in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw, uitmondend in de introductie in 1949 van de term art brut door Jean Dubuffet. Dubuffet gebruikte deze term voor ‘werken die zijn gemaakt door mensen die immuun zijn voor de artistieke cultuur […]. Wij zijn hier getuige van het artistieke proces in zijn meest zuivere, meest ruwe vorm, van begin tot eind geheel volvoerd door een kunstenaar die slechts put uit zijn innerlijke impulsen.’ [5] Heden ten dage is het niet moeilijk de ideeën van Dubuffet te herkennen als uitingen van wat Jos ten Berge noemt ‘een romantisch-modernistische hang naar onbesmette originaliteit’. [6]

 In het essay dat Beljon schreef voor de kleine catalogus bij Van Genk’s fantastische werkelijkheid, zien we deze opvatting gedeeltelijk terug. Beljon haalt onder meer ‘een psychiater’ (namelijk Van Genks psychiater Nico Speijer) aan die tegenover hem volhield ‘dat de geestelijke inhoud van Willem van Genk gelijk staat met nul komma nul. […] De bewustzijnsvernauwing, die bij tal van psychiaters optreedt bij hun jacht naar het aangepast-zijn, maakt hen o.a. blind voor enkele kenmerken van de geniale schilder.’ Tegelijkertijd betoogt hij dat de geestesgesteldheid van Van Genk er niet toe doet: ‘Het is niet de bedoeling van dit tabletje om medelijden op te wekken met Van Genk. […] Niemand vraagt om kunst, om jouw kunst. Je móet. En dús doe je het. Desnoods tegen de draad in. De Apie Prinsen, de Karel Appels en de Willem van Genken gaan hun “eigen baan”.’ [7] Uiteraard is het geen toeval dat Beljon hier Van Genk op één lijn stelt met Appel, de aanvankelijk verguisde maar inmiddels gevierde experimenteel.

Brandpunt 05b

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk verlaat de AVO-werkplaats

Willem van Genk werd kort na de Tweede Wereldoorlog afgekeurd voor militaire dienst wegens schizofrenie. Na een aantal reguliere baantjes, die steeds in ontslag eindigden, werd hij vanaf 1947 tewerkgesteld in een AVO-werkplaats in zijn woonplaats Den Haag – “AVO” stond voor “Arbeid Voor Onvolwaardigen”. Hier moest hij van ’s morgens acht tot ’s middags vijf uur werkzaamheden verrichten zoals het monteren van afwasborstels en het sorteren van stukjes kabel. Directeur van de werkplaatsen was eerdergenoemde psychiater Nico Speijer, bij wie Van Genk ook onder behandeling stond. Eind 1958 meldde hij zich met enkele van zijn tekeningen aan bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. Onderdirecteur Cees Bolding en directeur Joop Beljon onderkenden zijn talent en lieten hem toe tot de avondacademie. Beljon probeerde van Speijer gedaan te krijgen dat Van Genk meer tijd op de academie mocht doorbrengen, maar Speijer weigerde. Beljon bleef zich echter voor zijn pupil inspannen, wat uiteindelijk resulteerde in de tentoonstelling in Hilversum. [8]

Dit is het eerste deel van een tekst die eerder verscheen onder de titel “De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.” in Desipientia 24 (2017), nr. 2, pp. 30-33.


NOTEN

[1] De reportage is vrijwel integraal opgenomen in de documentaire die Dick Walda en Jan Keja eind jaren negentig over Van Genk maakten, Ver van huis. De documentaire werd als aflevering in de serie Werelden van de IKON uitgezonden op 31 oktober 2001 en is hier te vinden (geraadpleegd op 5 november 2019).

[2] Informatie over de tentoonstellingen bij Steendrukkerij De Jong en Co. ontleend aan: Geneviève Waldmann, The activities of Pieter Brattinga: a portrait of an era, Den Haag 1988; en William Graatsma, “Herinneringen aan Pieter Brattinga”  (geraadpleegd op 5 november 2019).

[3] J.H. Plokker, Geschonden beeld. Beeldende expressie bij schizofrenen, ’s Gravenhage en Parijs 1962, p. 16.

[4] Voor een overzicht van de receptie van naïeve kunst en outsider art in Nederland, zie: Jos ten Berge, “Naive and Outsider Art in The Netherlands – A Chronicle of Facts and Views”, in: Frans Smolders e.a., Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection, Eindhoven 2014, pp. 293-316.

[5] Geciteerd in: Jos ten Berge, “Willem van Genk en het geboefte, of de stagnatie van het outsider-debat”, in: Jong Holland 14 (1998), nr. 4, pp. 14-19 (aldaar p. 14).

[6] Ibidem, p. 18.

[7] J.J. Beljon, “Tien hoofdstukken schaal 1:100. Over de wereld van Willem van Genk, kunstschilder”, in: Van Genk’s fantastische werkelijkheid, tent. cat. Hilversum (Steendrukkerij De Jong & Co.), Hilversum 1964. In het laatste citaat verwijst Beljon naar het boek boek Ik ga m’n eige baan (1958) van schrijver Apie Prins.

[8] Voor verdere biografische informatie over Willem van Genk, zie: Jack van der Weide, “Nieuwe avonturen van Willem van Genk. Biografische notities”, in: Tijdschrift voor Biografie 5 (2016), nr. 1, pp. 67-75. Teksten over de tentoonstelling verschenen begin 1964 onder andere in De Telegraaf (18 januari, 5 februari), Gooi- en Eemlander (20 januari, 29 januari), Graficus (21 januari), Haagsche Post (25 januari), De Volkskrant (1 februari), De Tijd (8 februari), Trouw (17 februari) en Algemeen Handelsblad (22 februari).