Zwakzinnigen nazorg (3)

Dit is het derde en laatste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier.

ZZN - detail 004

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg lijken de afbeeldingen in de twee onderste stroken van het werk het meest persoonlijk te zijn. De afbeelding in vlak 10, links naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een gevelrij met enkele huizen en een fabrieksgebouw. Tegen de huizen staat een handkar geleund, voor de fabriek komt een kar met twee paarden voorbij. Bovenop de fabriek staan de letters ZHB, aan de voorkant is graffiti aangebracht: CPN LIJST 6. Vlak boven de letters ZHB staat Heineke, in de rechter benedenhoek den Haag Sirtemastraat. Rechtsboven staan omlijnd de woorden Thans gesloopt, daarnaast “Schroeder [onleesbaar],  daaronder PSYCHIATRIE IN DE USSR.

ZZN - detail 005

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

De woorden Thans gesloopt hebben betrekking op het fabriekscomplex eronder, van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB). Het complex werd in 1881 in gebruik genomen, werd in 1974 gesloten en gesloopt, en grensde inderdaad voor een deel aan de Haagse Sirtemastraat, zoals expliciet aangegeven door de kunstenaar. Belangrijker binnen de autobiografie van Van Genk is echter het enigszins uitspringende pand náást het complex. Op deze plaats, Sirtemastraat 179, was de sociale werkplaats van de Vereniging Schroeder van der Kolk gevestigd, waar Van Genk vanaf het einde van de jaren veertig tot 1964 “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. De tekst VOORMALIGE GEESTESZORG in het aangrenzende vlak 11, met een pijl naar vlak 10, bevestigt dit. Met die kennis ontstaat er een sterke relatie met de ZWAKZINNIGENNAZORG in het centrale vlak 1. Ook wordt een verband gelegd met nog een ander motief uit met name vlak 1, de verhouding tussen Nederland en de Sovjet-Unie, via de tekst PSYCHIATRIE IN DE USSR en zelfs de graffiti CPN LIJST 6.

De afbeelding in vlak 12, rechts naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een vrouw naast een auto. Ze draagt een geel-rood-bruin geruite jas en heeft lang bruin haar. Vanaf haar oog loopt een stippellijn naar rechts, als om aan te geven dat ze ergens naar kijkt – haar rechterarm is geheven, mogelijk richt ze een pistool op iets of iemand. De rode auto heeft aan de bovenkant van de achterruit een Datsun-logo, op de kofferruimte staat DATSUN. Op de muur achter de auto staat in krullende letters Salon Amércain en TARIEF; links is een klein stukje van een kapperspaal te zien. Over de auto staat in blauwe letters BOUWEN  IN HET DERDE RIJK G. TROOST. [1] Enerzijds is er daarmee een verband met het motief van gebouwen en sloop, ook via het automerk Datsun – vgl. DATSUN CENTER op de nieuwbouw in de grote afbeelding rechts van het portret. Anderzijds kent de afbeelding een duidelijk autobiografische component in het lange haar van de vrouw en haar voorgenomen of juist afgelegde bezoek aan de kapsalon Salon Amér[i]cain, een expliciet verwijzing naar het haarfetisjisme van Van Genk.

Dat laatste element keert terug in de afbeelding in de onderste strook van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waar een kapsalon te zien is met twee klanten wier haren worden gewassen door twee kapsters. In de ruimte ernaast zijn twee andere kapsters twee mannen aan het scheren. Op de ramen/muren staat HOOGKATHARIJNE, STATIONSKAPPER en 4711. Van Genk toont hier een voor hem uiterst opwindende (en dus zeer persoonlijke) scène, die ook in narratieve zin een voortzetting zou kunnen zijn van de afbeelding van de vrouw bij de Datsun: ze stapt uit de auto bij een kapper en laat daar haar haar wassen.

Rond het tafereel in de kapperszaak zijn drie tondo’s aangebracht die er inhoudelijk weinig verband mee lijken te hebben: de afbeeldingen links (kleiner) en rechts zijn vrijwel identiek en tonen een koetsier op de bok van een koets, met op de achtergrond een gebouw met een toren. [2] De koetsier draagt een zwarte jas, een hoge hoed en een bril. Het middelste tondo toont twee kussende vrouwen, waarschijnlijk op een vliegveld: boven hen staat de tekst KLM SCHIPHOL, ernaast LUFTHANSA, SOVIET AIR, EL AL air, POLSKI AIR en IBERIA. Zowel de koetsier als de kussende vrouwen (met lang haar) lijken een kledingstuk te dragen dat voor Van Genk eveneens een seksuele lading had, een lange plastic regenjas of raincoat.

Is de seksuele lading van sommige afbeeldingen in het onderste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg impliciet, de teksten zijn dat minder. MENSCH UND SEXUALIÄT DR. FRIEDRICH DAMASKOW staat links van het kleinste koetsier-tondo, met daaronder GAY-INT. [3] Ook andere teksten in dit deel van het werk verwijzen specifiek naar (homo)seksualiteit, vrijwel steeds in een Duitse context. Links naast het tondo met de kussende vrouwen staat RWV BERLINER SCHWULEN ’81 der ROSA WINKEL VERLAG, rechts onder andere PRINZ EISENHERZ en HIRSCHFELD. Respectievelijk gaat het daarbij om een Duitse uitgeverij en een boekhandel in Berlijn die voortkwamen uit de Duitse homobeweging, en een Duitse seksuoloog wiens werk onder meer gericht was op de emancipatie van homoseksuelen (Magnus Hirschfeld).

ZZN - homoseksualiteit

Middelste foto: in het appartement van Willem van Genk

Elders in Zelfportret – Zwakzinnigennazorg treffen we eveneens tekstuele verwijzingen naar homoseksualiteit aan. Het meest opvallend zijn uiteraard de prominente roze en paarse driehoeken in de zes rood-gele vlakken met voornamelijk tekst. Homoseksuelen als groep lijken door Van Genk te worden geschaard in het kamp van de onderdrukten, net als ‘onvolwaardige’ zwakzinnigen. Zijn verhouding tot homoseksualiteit was complex en komt onder meer naar voren in De grote naïeven (ca. 1975) en Pink Pronkjewail (ca. 1985). Na de deceptie van het communisme zocht Van Genk een andere groepering waar hij bij kon horen, en in combinatie met twijfels over zijn seksuele identiteit dacht hij die in de jaren zeventig en tachtig gevonden te hebben in de homobeweging. Op Zelfportret in De Ark staat te lezen “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Nico van der Endt, naar aanleiding van de tekst: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee nee, dat was een vergissing”.’ [4]

ZZN - signatuur

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is gesigneerd in het vlak met paarse driehoeken onder de centrale afbeelding.  Naast het logo met zijn naam, woonplaats en het jaartal 1975, is een plakbanddoosje met een stuk plakband afgebeeld: NITTO Plastic Tape Highest Quality. Willem van Genk toont zich in dit zelfportret een kunstenaar die gebukt gaat onder kwalificaties van onvolwaardigheid of zwakzinnigheid, die worstelt met zijn seksuele driften en twijfels, en die het Amerikaans/Japanse kapitalisme beschouwt als de boze macht achter de sloop van monumentale gebouwen. Tegen de macht van dat kapitalisme is hij echter niet opgewassen, hij is er zelfs van afhankelijk. De Nitto-tape is Made in Japan, de kunstenaar kan niet anders dan werken met het materiaal (tape, verf, lak, spijkertjes, boardplaten) dat hem wordt verstrekt door het grootkapitaal dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zijn stad. [5]


NOTEN

[1] Bouwen in het Derde Rijk is de Nederlandse vertaling van Das Bauen im Neuen Reich uit 1943 van kunsthistorica Gerdy Troost, echtgenote van nazi-architect Paul Troost.

[2] In het rechter, iets meer gedetailleerde tondo staan boven de koets de letters C.R.M.

[3] In de reeks Mensch und Sexualität van uitgeverij Wilhelm Heyne verscheen in 1972 als nummer 25 Fetischismus. Abart oder Stimulans van de Duitse seksuoloog Friedrich Damaskow. Mogelijk was dit één van de boeken die Van Genk leende van zijn psychiater Hans Grelinger. In de woorden van zuster Tiny in de documentaire Ver van huis: ‘En dat Wim … die heeft zijn probleem, hij heb een probleem … en dat heeft-ie in de boeken … die dokter, die psychiater die die eerst had, die is ook al een tijdje dood, en die begreep ‘m, en die gaf ‘m zíjn boeken, want Wim was ‘r zuinig op, en dan mocht-ie lezen of zijn probleem misschien in die boeken … dat-ie dat … dat het daarin stond, maar die dokter zei tegen mij: het bestaat, dat probleem, maar niet in de … hij heb ’t heel erg, hè? Zijn mensen die het hebben …  hairfetiïsme, hè? … die dat hebben, maar hij heb ’t heel erg.’

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[5] Het LaM in Lille bezit een aantal documenten van Van Genk met aantekeningen van of voor zijn buitenlandse reizen. Een van deze documenten heeft betrekking op een bezoek aan Berlijn in de zomer van 1981 en vermeldt onder meer ‘Buchladen Prinz Eisenherz’ en ‘”Fetischismus” Abart oder Stimulans / Dr. Friedrich Damaskow’.

Onverbiddelijk

WvG in DWDD

Hugo Borst over Willem van Genk in De wereld draait door, 11 september 2019

De tentoonstelling WOEST – Willem van Genk in het Amsterdamse Outsider Art Museum zou aanvankelijk duren van 19 september 2019 tot 15 maart 2020. In februari werd bekend dat de einddatum was verschoven naar 3 mei, maar een maand later moest het museum vanwege de coronacrisis zijn deuren sluiten. Ter compensatie werden op YouTube enkele “kunstverhalen” geplaatst, korte video’s waarin Ans van Berkum en Hugo Borst een werk van Van Genk bespraken: ‘Nu je (tijdelijk) het museum niet kunt bezoeken brengen we de kunstwerken naar buiten!’ [1] Borst en Van Berkum hadden ook de audiotour bij de tentoonstelling ingesproken, hun commentaren bij de werken waren daaraan ontleend.

Er is een duidelijke rolverdeling tussen beide beschouwers. Van Berkum mag een licht kunsthistorisch licht over de werken laten schijnen, Borst toont zich iets meer de amateurkijker. Dat laatste neigt soms naar nietszeggendheid, bijvoorbeeld wanneer het gaat over het werk New Japan: in de hem toegemeten anderhalve minuut uit hij enkele discutabele algemeenheden (‘de jonge Van Genk, met potlood, balpen of kwast, verschilt niet veel met de oude Van Genk’) maar maakt hij geen enkele opmerking over het werk waarover het zou moeten gaan. [2] Natuurlijk is het vooral de bekendheid van Borst die door het museum wordt ingezet, en natuurlijk is het mooi dat hij Van Genk ‘een van Nederlands grootste kunstenaar van de 20e eeuw’ zegt te vinden. [3] Maar het helpt een serieuze benadering van het werk bepaald niet.

In het kunstverhaal bij Kollage van de haat zegt Borst: ‘Duiden hoeft niet persé hoor, niks moet!’ Hij vraagt zich desalniettemin af waarom Van Genk het beeld De verwoest stad van Ossip Zadkine heeft afgebeeld, legt uiteraard een verband met de Tweede Wereldoorlog maar komt vervolgens niet verder dan: ‘We weten dat de Tweede Wereldoorlog hem fascineert. Hij heeft er ontzettend veel over gelezen.’ Vervolgens verschuift zijn aandacht naar de eveneens op het werk afgebeelde boeken Ik, Jan Cremer van Jan Cremer en Toekomstige psychiatrie van E.A.D.E Carp. ‘Kijk, daar links, Van Genk heeft het boek Ik, Jan Cremer getekend. Haat Van Genk de zeer succesvolle Jan Cremer soms?’ [4]

Kollage van de Haat

Kollage van de Haat | 1971 | olieverf op hardboard | 64 x 163 cm | Stichting Willem van Genk, Haarlem

De in Den Haag geboren Eugène Antoine Désiré Etienne Carp (1895-1983) was in zijn tijd een vooraanstaand psychiaters en een van de wegbereiders van de psychotherapie in Nederland. Van 1930 tot 1963 was hij hoogleraar in de psychiatrie te Leiden, waar zijn latere collega Nico Speijer (1905-1981) in de jaren dertig een van zijn assistenten was. Een opmerkelijk verhaal, dat Van Genk wellicht kende, was dat Carp en Speijer in de Leidse universiteitskliniek castraties hadden uitgevoerd op homoseksuele mannen en exhibitionisten, naar eigen zeggen omdat psychotherapie gefaald had. Zij achtten de ingreep heilzaam. [6]

Speijer was directeur van de AVO-werkplaats waar Van Genk rond 1947 kwam te werken en was ook lange tijd diens psychiater. Begin jaren zestig kwam hij in conflict met directeur Joop Beljon van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten, die Van Genk iets meer ruimte wilde geven voor zijn werk als kunstenaar en daarover de AVO-directeur opbelde:

 – Beljon: Bij u op de sociale werkplaats verblijft voor volle weken ene Willem van Genk. Van Genk volgt onze zaterdagmiddag cursus maar wil meer; namelijk één middagje op wat hij de echte Academie noemt. Ik denk dat wij hem daarmee gelukkig maken. Zoudt u hem een middagje vrij willen geven?
 – Speijer: Ik wist niet dat gelukkig maken tot de taak van een academie-directeur behoorde. Begrijpt u niet dat u zich beweegt op een gebied waarop u niet competent bent. Een middagje vrij? Geen sprake van.
 – Beljon: Maar er mag toch wel aangenomen worden dat wij op de academie enig recht van spreken hebben als het gaat om begaafdheden en talenten.
 – Speijer: Laat mij niet lachen! Begaafdheden!! Ha! Ha! U bemoeit zich met zaken waar u niets mee te maken heeft. Zal ik u eens zeggen wat de geestelijke inhoud is van die van Genk? Nul, nul.
 – Beljon: Als dat waar is dan ware het voor mij te wensen dat ook die inhoud van mij nul komma nul is.
   Speijer gooit hoorn op haak. [7]

Net als Beljon was ook Van Genks zuster Tiny niet te spreken over Speijer:

Een van de dokters die hem lang heeft begeleid, is professor Speijer geweest.
Toen Wim nog niet bekend was door zijn schilderwerk, sloeg die man geen acht op Wim, hij keek hem nauwelijks aan.
Dat stak Wim, daar sprak hij over.
Mijn broer was voor die man een nietsnut. Maar toen hij eenmaal in de krant kwam, werd de dokter belangstellend en keek hem eens een keertje goed aan en zei: je moet niet denken dat nu de wereld aan je voeten ligt.
Maar dat wilde mijn broer helemaal niet. Hij wilde gewoon iemand zijn. [8]

Wat voor de keurige Tiny ook een rol speelt is dat Speijer Van Genk had aangeraden om gebruik te maken van diensten van prostituees. Enig antisemitisme was haar daarbij niet vreemd: ‘Speijer […] had de snollen bedacht. Hij was toen de beroemdste psychiater van Den Haag en ook nog eens directeur van de Sociale Werkplaats. Hij was een joden man en die mensen zitten toch anders in elkaar. Hij zei tegen mij: ‘Uw broer wordt rustig van de dames. Ik ga het voorschrijven.’’ [9]

Speijers opvolger als psychiater van Van Genk was Hans Grelinger, die het damesbezoek geen therapeutische waarde vond hebben. Grelinger (1908-1990) was volgens Dick Walda ‘een christelijke psychiater van zeer goede huize. Maar de man leed een dubbelleven. Hij was een ‘goudvinkje’ voor de rode beweging en ondersteunde de CPN. Geldschieters waren deze dames en heren.’ [10] Grelingers naam is in de jaren vijftig en zestig inderdaad terug te vinden in de kolommen van CPN-krant De waarheid, onder andere met een uitgebreid stuk tegen de vestiging van een Amerikaanse atoombasis op Soesterberg – in 1957, toen het communisme uitermate impopulair was in Nederland. [11] Zijn dubbelleven was dus niet bepaald geheim.

Over Grelinger als psychiater van haar broer was Tiny zeer te spreken:

Ja, dat was een inkeurige christelijke psychiater die moest helemaal niets hebben van hoeren als therapie. 
Dokter Grelinger had communistische neigingen. Maar ja, aan elk mens zit wel een steekje los.
Hij behandelde Wimmie heel anders dan Speijer.
Willem mocht boeken over haar-fetisjisme van dokter Grelinger lenen. Hij deed er een kaft van pakpapier om heen en bracht de boeken na lezing weer terug. [12]

Bij het ontruimen van de woning van Van Genk in 1998 werden afspraakbriefjes gevonden waaruit bleek dat Grelinger in ieder geval zijn psychiater was in de periode 1978-1983, en waarschijnlijk nog wel langer. Ten tijde van de ontruiming was zijn rol al overgenomen door P.P. van Gent, die ook aan het woord komt in de documentaire Ver van huis. Van Gent erkent volmondig het artistieke talent van Van Genk – een huizenhoog verschil met Speijer.

P.P. van Gent

Still uit Ver van huis (1997) – psychiater P.P. van Gent

In het dubbelinterview met Dick Walda en Nico van der Endt uit 1998, “De vrienden van Willem van Genk”, kwamen ook de psychiaters van Van Genk aan de orde, met name Speijer. Walda vertelde de anekdote van het telefoongesprek tussen Beljon en Speijer en besloot: ‘Dus Willem moest doorgaan op die treurige werkplaats. Speyer heeft dus een heel negatieve rol gespeeld.’ Van der Endt: ‘Ja, die Speyer heeft hem helemaal verkeerd ingeschat. Je mag natuurlijk van een professor wat meer verwachten.’ Walda: ‘Maar hoe komt het Nico dat wij, zonder medische kennis, Willem begrijpen en een psychiater niet?’ Van der Endt: ‘Juist omdat we geen psychiater zijn. Wij oordelen niet.’ [13]


NOTEN

[1] Facebook-pagina Outsider Art Museum, 7 april 2020.

[2] “Kunstverhaal: De ‘New Japan’ van Willem van Genk door Hugo Borst” (geraadpleegd 11 april 2020).

[3] Uitnodiging voor de opening van WOEST. Borst mocht WOEST ook promoten in het televisieprogramma De wereld draait door op 11 september 2019, waar hij onder meer wist te melden dat ‘Willem van Genk helemaal wous was van Rusland’.

[4] “Kunstverhaal: De ‘Kollage van de Haat’ van Willem van Genk door Hugo Borst” (geraadpleegd 12 april 2020).

[6] Harrie Oosterhuis en Marijke Gijswijt-Hofstra, Verward van geest en ander ongerief. Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2005) (Houten 2008), p. 352.

[7] Geciteerd in: Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 81.

[8] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 49.

[9] Ibid., p. 50. Van Genk’s eigen versie van zijn wederwaardigheden met de “vriendschapsgirls” – ‘Psychiater Speijer zei: Probeer het maar eens’ – is te vinden op pp. 78-83.

[10] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 8 januari 2019.

[11] ‘H. Grelinger (psychiater): “Atoombasis is provocatie”’, in: De Waarheid, 18 mei 1957. Journalist Igor Cornelissen wilde recentelijk een boek schrijven over Grelinger maar kreeg van de AIVD geen inzage in de archieven van de BVD (e-mail van Igor Cornelissen aan Jack van der Weide, 16 oktober 2019).

[12] Walda, Koning der stations (2e druk), p. 50.

[13] Van den Enden, “De vrienden van Willem van Genk”, p. 5.

Jassen

WvG met jas

Willem van Genk (foto: Mattheus Engel)

Nico van der Endt: ‘In 1976 organiseerde Galerie De Ark een afsluitende tentoonstelling met werk van Van Genk. Ik zou de openingstoespraak houden en Van Genk zou daarbij aanwezig zijn. Toen hij binnenstapte, keek hij mij aan en grijnsde naar me. Ik dacht “Wat wil die man van me? Heb ik iets van hem aan?” En inderdaad; dat was het geval. Ik droeg een lange plastic regenjas. Nu weet ik dat zulke jassen voor hem een speciale betekenis hadden.’ [1] De jassen, door hemzelf raincoats genoemd, namen inderdaad een bijzondere plaats in in het leven van Van Genk. Hij bezat er honderden, veelal zwart maar soms ook in andere kleuren; vaak van plastic, soms van canvas, een enkel keer van een ander materiaal. Hij zette er extra drukknopen aan, voegde knoopsgaten toe en/of bewerkte ze anderszins.

Wat te schrijven over de raincoats van Van Genk? Op allerlei manieren kan worden gezegd dat deze een fetisjistische betekenis voor hem hadden, dat hij er zich veilig in voelde, dat ze te maken hadden met zijn seksuele fantasieën en zo verder. De meeste van deze aspecten kwamen aan bod in het artikel ‘De mantelzorg van Willem van Genk’ (2014) door Eva von Stockhausen, die in 2014 een overzicht gaf van de materie rond de jassen. [2] Datzelfde jaar was er in het American Folk Art Museum in New York een grote tentoonstelling met Van Genks werk. Roberta Smith was in de The New York Times uitermate enthousiast over deze voor haar onbekende kunstenaar en besteedde aan het einde van haar recensie ook kort aandacht aan de jassen:

There were even aspects of performance art to van Genk’s creativity. The most eccentric works in the show are examples of the hundreds of heavy rubber raincoats that he scavenged, personalized with additional buttons, patches and studs and occasionally wore to feel protected and in control. They are thought to recall the leather overcoats worn by Nazis who brutally interrogated him during World War II in an effort to locate his father, a member of the Dutch Resistance. [3]

Het verhaal van de nazi’s die Van Genk ondervroegen gaat voor een belangrijk deel terug op een getuigenis van zuster Tiny. In het midden van de jaren negentig vertelt zij aan Dick Walda hoe haar vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was bij de Haagse Arbeidsinspectie, over mogelijkheden beschikte om mensen te laten onderduiken en ze aan valse papieren en bonkaarten te helpen. Op een gegeven moment werd de verzetsploeg waar Jozef van Genk deel van uitmaakte, opgepakt door de Duitsers, waarbij hij als enige wist te ontsnappen. ‘Daarna zijn de Duitsers bij ons thuis geweest. Huiszoeking. We woonden toen in de Magnoliastraat en ze hebben Wim toen ook nog helemaal uitgevraagd en toegesnauwd. Wim wist natuurlijk niet waar mijn vader was.’ [4] Vervolgens vertelt Tiny over andere gebeurtenissen in het leven van haar broer en komt ze uiteindelijk ook te spreken over diens obsessie met de raincoats. Ze legt daarbij echter geen verband met de huiszoeking door de nazi’s.

Wie dat wel doet is Ans van Berkum, die in 1998 de jassen benoemt als ‘een wezenlijk onderdeel’ van het oeuvre van Van Genk: ‘Met zijn collectie jassen grijpt Van Genk terug op de cruciale ervaring uit zijn jeugd.’ Vervolgens citeert ze een bandopname van een interview dat Dick Walda in 1997 met Van Genk had. Daarin koppelt die zijn angst voor ‘jongens die je niet kent in Oost-Europa’ aan de episode van de huiszoeking: ‘dat heb ik overgehouden van de Tweede Wereldoorlog, want twee mannen van de Gestapo, die zijn bij ons geweest. […] Ik moest zeggen tegen die gasten waar die joodse jongens waren. Ze zaten me aan de pols te voelen. Ze zeiden, als je het niet zegt, dan loopt het slecht met je af.  […] Dat heb ik daarvan overgehouden. Dat ik altijd bang ben.’ [5]

Wat opvalt in zowel het verhaal van Tiny als dat van Van Genk zelf is dat er geen sprake is van fysiek geweld. In de versie van Tiny werd haar broer ‘helemaal uitgevraagd en toegesnauwd’, in diens eigen versie zaten de mannen van de Gestapo hem ‘aan de pols te voelen’, een samentrekking van “polsen” en “aan de tand voelen”. De oorlog moet een verpletterende indruk op Van Genk hebben gemaakt, de inval in zijn ouderlijk huis zal hij als extreem beangstigend hebben ervaren. Daarbij zal de Gestapo bepaald niet zachtzinnig zijn opgetreden, maar daar houdt onze kennis op en begint de interpretatie: ‘In verwarring, maar ook in diepe bewondering voor het indrukwekkende leer en de glanzende knopen, gouden tressen en speldjes, blijft hij achter. De fakkel is ontstoken’, aldus Ans van Berkum die op een suggestieve manier aspecten van de Gestapo-episode met het jassenfetisjisme probeert te verbinden. ‘Levenslang blijft Van Genk gefascineerd door de tekenen van macht die hij met die bewuste Gestapomannen kan associëren.’ [6]

Waarom nu zouden de raincoats, die al dan niet verbonden zijn met de ondervraging door de Gestapo tijdens de Tweede Wereldoorlog, een wezenlijk onderdeel vormen van het oeuvre van Van Genk? Dat ‘kunsthistorici het niet eens zijn’ over de artistieke waarde van de jassen, zoals Kees Keijer aan de vooravond van de opening van de tentoonstelling Woest schreef, is feitelijk niet waar. [7] Ans van Berkum lijkt de enige te zijn die de raincoats als een kunstzinnige uiting ziet. Haar argumenten haalt ze uit uitspraken van Van Genk zelf. In 1998 draait haar interpretatie om diens woorden ‘… ook artistiek leef je je erin uit’, samen met enkele cryptische opmerkingen van Van Genk tegenover Nico van der Endt als zou hij met de jassen “verder” zijn dan met zijn schilderijen. Als Van der Endt doorvraagt blijkt het Van Genk vooral om de rol van de jassen in zijn persoonlijke leven te gaan: hij voelt zich er veiliger door en in tegenstelling tot zijn schilderijen worden ze hem niet afgenomen. [8]

WvG + jassen

Willem van Genk en zijn jassen, ca. 1990

In haar tekst “Een vogel boven de stad” en in de documentaire Een getekende ziel (beide uit 2010) maakt Van Berkum de rol van de jassen nog belangrijker – opnieuw met het argument dat de kunstenaar dit immers zelf had gezegd. ‘“Wat nou tekeningen, collages? Die raincoats, daar ben ik veel verder in”, probeert hij telkens weer te zeggen. Er wordt zelden geluisterd.’ [9] En aan het slot van de documentaire, na een uitgebreide en deels gefictionaliseerde versie van het Gestapo-verhaal: ‘In die jassen, die hele grote verzameling ‘werkzaam’ gemaakte jassen, ligt voor Willem van Genk het belangrijkste deel van zijn oeuvre. “In die jassen ben ik veel verder in gekomen dan in mijn collages, en in mijn tekeningen, en dan in mijn installatie van trolleybussen die je voor het raam ziet staan in mijn flat … in die jassen ben ik het verst gekomen”, zei hij altijd. Maar het heeft heel lang geduurd voor het begrepen werd dat het een deel was van zijn artistieke oeuvre, van zijn zelfcreatie.’ [10]

De eerder geciteerde opmerking van Roberta Smith in de The New York Times over de jassen als een vorm van “performance art” lijkt een uiterste poging te zijn om dit vermeende onderdeel van het oeuvre een plaats te geven – al was de context waarin Van Genk de jassen droeg bepaald geen artistieke. Nico van der Endt is kort over de jassen, als hij schrijft over de verhuizing van Van Genk in 1998: ‘De talloze regenjassen worden door AvB als waardevol aangemerkt en […] in het museum opgeslagen. Zelf heb ik er moeite mee dat de jassen, die immers niet artistiek bewerkt zijn, geëxposeerd zullen worden.’ [11] Hij wordt in zijn standpunt bijgevallen door Dick Walda: ‘Kunnen de jassen in een artistiek kader geplaatst worden, zoals de trolleybussen en zijn tweedimensionaal werk? Nico van der Endt en Dick Walda vinden van niet.’ [12] Kunsthistoricus Jos ten Berge was het daarmee eens en vond het jammer dat ze tijdens Woest deel uitmaakten van de tentoonstelling: ‘De meeste regenjassen zijn verloren gegaan, maar enkele tientallen exemplaren zijn bewaard gebleven Ze hangen er, tot spijt van Jos ten Berge: “Ik vind dat dat niet tot zijn artistieke erfenis hoort. Dit is deel van zijn privéleven en hoort niet in een museum.”’ [13]

De raincoats duiken incidenteel op in het late tweedimensionale werk van Van Genk (Collage ’78, Zelfportret zwakzinnigennazorg, Kapsalon). Ook in het vroege werk zijn enigszins verhulde verwijzingen te vinden, maar daarbij moet een beschouwer oppassen om niet in elke jas of geüniformeerde persoon (politieagent, tramconducteur) een teken te zien. Meer in het algemeen past de onevenredige aandacht voor dit deel van het privéleven van Van Genk bij de onevenredige aandacht die de outsider-kunstenaar als persoon vaak krijgt in verhouding tot zijn werk. Het lijkt daarbij meer de wéns te zijn dat de jassen kunstwerken zijn dan dat daar daadwerkelijk argumenten voor worden gegeven. ‘Hij heeft het zelf gezegd’, blijft de enige troef van de voorstanders in het debat. Geen steekhoudend argument, dunkt mij.

In een korte tekst over de jassen van Van Genk stelde Valérie Rousseau, conservator van het American Folk Art Museum in New York: ‘they became a recurrent theme in his work.’ [14] Als gezegd gaat dit niet op voor het werk in de zin van het tweedimensionale werk, waar de jassen niet echt een terugkerend onderwerp vormen. Desgevraagd antwoordde Rousseau mij: ‘When I refer to his “work”, I mean his artistic practice at large, in gathering, transforming and wearing real raincoats, and not necessary in the form of a motif in his paintings.’ [15] Dit zou betekenen dat de jassen deel zouden uitmaken van Van Genks’s ‘artistic practice at large’, waarvoor echter nog steeds moeilijk argumenten te geven zijn.

Naar mijn mening bestaat er een interessante parallel tussen de manier waarop Van Genk zich verhield tot zijn jassen en de manier waarop hij zich verhield tot zijn kunst. Dit maakt de jassen zelf echter niet tot kunstwerken. Aan het einde van haar tekst schrijft Rousseau: ‘Symbols of fear, the coats are also signs of fascination with empowerment, and highlight a duality that permeates the artist’s entire oeuvre.’ Hiermee ben ik het eens: de jassen kunnen een licht werpen op de tegenstelling tussen macht en onmacht in het oeuvre van Van Genk. Ik denk echter niet dat de jassen zelf deel uitmaken van dat oeuvre.


 

NOTEN

[1] Frits Gronert, “Fascinerende ontmoetingen”, p. 22.

[2] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, in: Out of Art 9 (2014), nr. 2, pp. 15-23.

[3] Roberta Smith, “Visionaries Inhabiting the Margins. ‘Willem van Genk: Mind Traffic’ and ‘Ralph Fasanella: Lest We Forget’”, in: The New York Times, 4 september 2014.

[4] Dick Walda, Koning der stations, p. 35.

[5] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 29. Opmerkelijk is dat Van Genk zelf over Joodse onderduikers spreekt, terwijl Tiny daar in haar verhaal aan Dick Walda niet van rept.

[6] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 80.

[7] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”, in: Het Parool, 19 september 2019.

[8] Ans van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28; pp. 88-89.

[9] Ans van Berkum, “Een vogel boven de stad”, p. 81.

[10] Van Berkum beweert in de documentaire ook een aantal keren dat Van Genk zijn jassen opsierde met ‘allerlei insignes’, wat niet het geval was.

[11] Nico van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 115. ‘AvB’ is Ans van Berkum, in 1998 directeur van museum De Stadshof in Zwolle.

[12] Eva von Stockhausen, “De mantelzorg van Willem van Genk”, p. 21.

[13] Kees Keijer, “‘Elke jury had het zwaar’”.

[14] Valérie Rousseau, “Van Genk’s raincoat collection”, in: Willem van Genk – Mind Traffic, tent. cat. New York (American Folk Art Museum), New York 2014.

[15] E-mail van Valérie Rousseau aan Jack van der Weide, 15 januari 2020.

Wimmie (volgens Tiny)

Zusters Willem 002

De negen zusters van Willem van Genk. V.l.n.r. voorste rij: Jacqueline, Addy, Leny, Riet, Nora. Achterste rij: Tiny, Isabella, Agnes, Willy.

Voor zijn boek Koning der stations interviewde Dick Walda Tiny van den Heuvel-van Genk over haar broer. Uit bepaalde uitspraken is op te maken dat het gesprek plaatsvond kort na de tweede beroerte van Van Genk in het najaar van 1997, Tiny was toen 83 jaar. [1]  De paar honderd woorden die Walda van haar opschreef, vormen de kern van het beeld dat is ontstaan van de jeugd van Willem van Genk. Allereerst diens geboorte:

Toen Wim werd geboren was ik een meisje van 13. Het was feest: mijn moeder kreeg na negen dochters een zoon! Mijn vader was als een kind zo blij met zijn eerste jongen. De hele buurt wist het: er is een zoon geboren bij Chocolaterie Van Genk.

Kort na de geboorte ontstaat een ernstige situatie die alleen is overgeleverd in de versie van Tiny:

Maar ja, die zoon kreeg – als baby – een bloedziekte, moest direct naar het ziekenhuis. Er kwam bloed uit zijn ogen, zijn oren, zijn mond. Mijn vader heeft anderhalve liter bloed moeten geven om zijn zoon te redden. Dat was een moeilijke, spannende tijd. Het was erop of eronder met onze Wimmie. Maar hij redde het, dankzij mijn vader.

Deze episode wordt wel aangehaald als de oorzaak voor de mentale problemen van Van Genk. [2] Ook is dit mogelijk te verbinden met Jacqueline van Genks opmerking in Ver van huis, ‘En die jongen is normaal geboren hoor, heel normaal.’

Tiny vervolgt met een opmerking die niet direct met haar broer van doen heeft maar die wel een beeld geeft van de context waarbinnen de kinderen Van Genk opgroeiden:

Mijn vader wilde dat wij het ver zouden schoppen; hij wilde het beste voor zijn tien kinderen. Hij meende dat Frans de wereldtaal zou worden en daarom werden alle meisjes op kostschool gedaan in België. Het katholieke internaat in Leuven heette ‘Ecole du Commerce’. We moesten zakendametjes en zonnetjes van vader worden.

Over het internaat/de kostschool in Leuven is niets te vinden onder de naam die Walda noteert. Wel blijkt uit een gezinskaart uit 1925 van het Haagse Bevolkingsregister dat Tiny, Leny en Nora in oktober 1920 naar pensionaat en industrieschool Sacré Coeur in Moerdijk waren verhuisd, waarna ze in januari 1922 weer waren teruggekeerd naar Den Haag.

VvH - Tiny

Still uit Ver van huis – Tiny van den Heuvel-van Genk

Het verblijf in Leuven moet in ieder geval hebben geduurd tot 1933:

Op een dag voelde ik dat ik terug naar huis moest. Ik wist – noem het intuïtie – dat er iets met mijn moeder aan de hand was. […] Mijn moeder bleek ernstig ziek en overleed – toen onze Wim vier jaar was – aan kanker. Wim is toen door zijn zusje Noor en later ook door een tante in Bergen op Zoom grootgebracht […].

Na een opmerking over het eetgedrag van haar broer als kind (‘Wim was een cake-kind, hij lustte geen brood’) gaat Tiny in op de verhouding tussen haar vader en zijn zoon:

Mijn vader was in onze kindertijd altijd drukdoende met de Chocolaterie. Er ontstond een moeizame relatie tussen hem en Wim. Mijn vader kreeg absoluut geen vat op hem; hij wilde graag een keurig nette zoon, mooi matrozenpakje aan, nette kleren. Wim deed maar wat. Wij komen uit een welgestelde katholieke familie en dan hoor je er zo uit te zien. Colbertje, stropdasje, dat kenmerkt allemaal het keurig zijn. Wim leefde in een compleet eigen wereld, als kind zijnde al. Urenlang lag hij op de grond te tekenen. Hij was onbereikbaar voor iedereen en een matige leerling. Wim wist wel alles van verre landen, heel Europa had hij als kind al in zijn hoofd, compleet met de belangrijkste steden.

Dit komt overeen met opmerkingen van Willy en Jacqueline: het keurige gezin, de vader die teleurgesteld is in zijn zoon, de zoon die tekent, niet goed kan meekomen op school maar wel veel van verre landen en steden weet.

Een laatste opmerking van Tiny over de vroege jeugd van haar broer is een bron van speculaties en interpretaties geworden:

Wim was een tenger ventje, heel broos en breekbaar, vroeger net een meisje. Hij had van die mooie, goudblonde knallen. Totdat hij op een gegeven moment zei: Ik wil geen meid meer zijn, ik ga naar de kapper en weg met die krullen.

Tiny en Willem Willem

Willen van Genk op 5-jarige leeftijd met zijn zuster Tiny

Het haarfetisjisme van Van Genk op latere leeftijd wordt hiermee regelmatig in verband gebracht. Nog afgezien van biografische elementen is zijn fascinatie met haar onmiskenbaar in zijn werk, van meisjes met vlechten en vrouwen met specifieke kapsels tot een laat werk als Kapsalon (1988). In de documentaire Een getekende ziel (2011) van Theo Faber wordt een rechtstreeks verband gelegd met deze jeugdgebeurtenis, verder aangedikt en gekoppeld aan het overlijden van zijn moeder:

Z’n moeder streek ‘m vaak door z’n lange blonde haar en vader vond dat maar niets, zeker niet voor een jongen. Willem was vijf jaar toen z’n moeder overleed. In een impuls liet-ie z’n lange haar afknippen om bij z’n vader in de gunst te komen. Een vader die Willem regelmatig sloeg. De afgeknipte haren lieten bij Willem diepe sporen achter en zullen hem een leven lang achtervolgen. De getekende geest zou nooit meer zonder seksuele gevoelens naar dames met lange haren kunnen kijken. [3]

Kunsthistoricus Ans van Berkum formuleert dit even later in de documentaire als volgt:

Willem had, zeg maar, toen z’n moeder nog leefde, zolang z’n moeder nog leefde, ook een mooie kop met blonde krulharen. En toen z’n moeder overleed toen heeft-ie onmiddellijk zelf z’n krullen d’r af geknipt. Dus hij heeft iets met haar, later nog … zolang je haar hebt ben je een geliefd object, word je bemind door je moeder, en als hij later weer mensen ziet met lang haar dan wekt dat zijn gevoelens op van liefde en van de neiging aan te raken en de neiging daar dichter bij te komen.

Afgezien van een vergaande narrativisering (‘Z’n moeder streek ‘m vaak door z’n lange blonde haar’, ‘De afgeknipte haren lieten bij Willem diepe sporen achter en zullen hem een leven lang achtervolgen’) bevat deze versie van de gebeurtenissen rond het afgeknipte haar elementen die niet uit het interview van Tiny met Dick Walda komen: dat hij zijn haar ‘in een impuls’ liet afknippen, dat hij zijn haar liet afknippen ‘om bij z’n vader in de gunst te komen’, het verband dat wordt gelegd tussen het hebben van haar en het hebben van moederliefde. [4] Tiny heeft eind jaren negentig ook gesproken met de samenstellers van Een getekende wereld (1998), maar deze gesprekken zijn niet vastgelegd of verloren gegaan. [5] Het kan dus zijn dat Van Berkum zich baseert op die gesprekken, al geeft ze geen bron.


NOTEN

[1] “Tine van den Heuvel-van Genk spreekt” in: Walda, Koning der stations, pp. 30-38. Uiteraard zou de tekst ook gemaakt kunnen zijn op basis van meerdere interviews.

[2] Bij het RKD in Den Haag bevindt zich in de map Willem van Genk een getypt document van twee pagina’s met als titel “Biografie van Willem van Genk”. Hierin staat onder meer de zin ‘Door zuurstof gebrek vlak na zijn geboorte kon hij minder goed leren.’ Auteur en bron zijn onbekend.

[3] De dvd met de documentaire is commercieel nooit uitgekomen vanwege de hoge kosten van de muziekrechten en is ook nooit op televisie vertoond. Op YouTube is een ingekorte versie te zien (geraadpleegd 1 december 2019), maker Theo Faber was zo vriendelijk mij de lange versie toe te sturen waaruit ik hier citeer.

[4] Tiny legt in het interview met Walda geen verband tussen het overlijden van haar moeder en het afgeknipte haar van haar broer. Wel: ‘Wim’s andere obsessie is dat haar, vooral láng haar. We hadden een oude tante met een knotje. Dat mens moest d’r knotje losmaken, dan kon onze Wim kijken. Dan raakte hij over z’n toeren.’ (Koning der stations, p. 36)

[5] Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 11 (noot 7, noot 11), p. 12 (noot 15, noot 16), p. 14 (noot 20).

Woest

Merchandise 009 (800x512)

Deze blog gaat over Willem van Genk. Over de persoon, maar vooral over het werk. Directe aanleiding was de grote Van Genk-tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum in Amsterdam – kijk, daar heb je het al, je kunt geen drie zinnen over Van Genk schrijven of het woord ‘outsider’ duikt op. En dat is meteen ook het probleem: eens een outsider, altijd een outsider. Zelfs de grootsten onder de kunstenaars wier werk onder de outsider art wordt geschaard (naast Van Genk bijvoorbeeld ook Adolf Wölfli of Henry Darger) krijgen het etiket eigenlijk nooit meer afgeschud. Is dat een probleem? Ik denk van wel. Het plaatst de kunstenaar, en daarmee diens kunst, in een bepaalde hoek. Een hoek die een serieuze beschouwing van het werk in de weg staat en die ervoor zorgt dat er altijd een niet meer te slechten muur komt te staan tussen dat werk en de reguliere kunst.

In het geval van Willem van Genk (of van Wölfli, of van Darger) ligt de nadruk op diens vermeende verstandelijke beperkingen. Gevolg is dat men het gerechtvaardigd vindt om een tentoonstelling te maken die ‘een reis door zijn hoofd’ heet te zijn, waarbij het hele oeuvre chronologisch ongedifferentieerd door elkaar komt te hangen. Alsof Van Genk tientallen jaren lang tegelijkertijd bezig was met het schilderen van overvolle drieluiken, het in elkaar knutselen van trolleybussen, het tekenen van gedetailleerde stadsgezichten, het maken van collages en zo nog het een en ander, gehuld in een zwarte regenjas terwijl hij aan één stuk door kapsalons bezocht. Daar valt veel over te zeggen en dat gaat in deze blog ook gebeuren, als de omstandigheden dat toelaten.

Woest, heet de tentoonstelling in Amsterdam. ‘Kunstenaar Willem van Genk was een leven lang woest’, kopte Trouw naar aanleiding van de tentoonstelling. [1] Nadere beschouwing leert dat dit een citaat is van de Belgische modeontwerper Walter Van Beirendonck, die de tentoonstelling vormgaf (en niet, zoals Trouw schrijft, maakte). In zijn woorden: ‘Van Genk wordt nauwelijks getoond in gewone musea, al heeft hij in zijn leven best wel erkenning gekregen. Maar niet altijd de goede. Ik wil hem uit de probleemhoek halen.’ Van Beirendonck spreekt consequent over ‘Willem’, noemt de kunstenaar te pas en te onpas een soulmate en duwt hem, zijn eigen woorden ten spijt, nog even een flink stuk vaster in de door hem genoemde probleemhoek. De modeontwerper zegt uitgebreide research te hebben gedaan. Hij denkt het een en ander te weten over de trauma’s, obsessies en fetisjen van Van Genk, maar voor wat het werk betreft lijkt hij niet te worden gehinderd door enige kennis van zaken.

Want hoe woest was Willem van Genk? Begin jaren zeventig ontstond een aantal werken in olieverf die de kunstenaar, zo zou hij later tegenover zijn galeriehouder Nico van der Endt verklaren, ‘woedend’ had geschilderd. [2] Dit corpus beslaat ongeveer vijf werken. Voor de overgrote rest van zijn oeuvre – vroege tekeningen, stadsgezichten, collages op papier en board, driedimensionale trolleybussen, late tekeningen – is het epitheton ‘woedend’ bepaald niet van toepassing, laat staan ‘woest’. Het werk is indrukwekkend, intrigerend, apart, vaak druk, soms overweldigend, maar woest? Woest is wellicht het werk van Karel Appel, van Jackson Pollock, heel misschien van Vincent van Gogh. Niet dat van Willem van Genk.

xxx

Catalogus Woest, rechts het oorspronkelijke ontwerp

Kijken we naar de persoon Van Genk dan waren ook aan hemzelf weinig woeste trekken te bespeuren. Hij was een ietwat schlemielige man met een hondje, een eenzame zonderling om wie veel mensen met een boogje heen liepen – zie de foto op pagina 1 van de catalogus. [3] Soms betrad hij een kapsalon waar hij zich voor de aanwezigen ontblootte, later was hij af en toe een scharrelaar in vuilnisbakken. Hij was tegelijkertijd bang voor én gefascineerd door heel veel zaken, gebeurtenissen, personen en verschijnselen. Maar woest? Dick Walda en Nico van der Endt hebben hem goed gekend, waren (voor zover dat mogelijk was) met hem bevriend. Geen van beiden typeert hem in de verste verte als woest.

Belangrijker nog dan wat wie dan ook vindt, is dat Willem van Genk met de tentoonstellingstitel weer een etiket krijgt opgeplakt. In de jaren vijftig werd hij als onvolwaardig beschouwd. Toen hij in 1964 eindelijk een eigen tentoonstelling kreeg en even in de belangstelling stond, werd hij in de media als geestelijk gestoord weggezet. Vanaf het midden van de jaren zeventig bleek hij steeds beter te passen in het hokje van art brut en outsider art. Het legde hem geen windeieren, maar de kans om naam te maken als regulier kunstenaar was verkeken. Zoals ik hierboven al stelde: eens een outsider, altijd een outsider.

Het is tekenend dat de vorige grote Van Genk-tentoonstelling, in 1998 in Zwolle, te zien was in De Stadshof, toentertijd een museum voor naïeve en outsiderkunst. Anno 2019 is het Outsider Art Museum de gastheer. Het museum laat volgens de eigen website ‘verrassende, niet-gepolijste kunst zien van mensen met een bijzondere achtergrond’ – een mooie reeks eufemismen, waarmee men echter niet kan (en waarschijnlijk ook niet wil) verhullen dat de persoon van de kunstenaar het doorslaggevende criterium vormt. Maar die kunstenaars zijn niet gek, ze zijn bijzonder! En heel soms zijn ze woest. Of juist niet.

 


NOTEN

[1] Joke de Wolf, ‘‘Kunstenaar Willem van Genk was een leven lang woest’’, in: Trouw, 24 september 2019.

[2] Nico van der Endt, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking, Eindhoven 2014, p. 25.

[3] Deze afbeelding was aanvankelijk bedoeld om op het omslag van de catalogus te komen, blijkens de eerste advertenties van uitgeverij Lannoo. Later werd gekozen voor een portret van Van Genk die ietwat verward voor zich uitkijkt terwijl uit zijn hoofd details uit zijn werk lijken te barsten: een zeppelin, een kerk, een treinstation, de staart van een vliegtuig en zo verder. Aan de basis van die afbeelding ligt een foto van Nico van der Endt en een tekening die enkele jaren geleden op internet te zien was. De tekening is inmiddels verdwenen.