Oudejans

Oudejans collage WFH

Collage van stills uit het filmpje van Har Oudejans – W.F. Hermans verdiept zich in het werk van Willem van Genk

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

W.F. Hermans opende op 18 januari 1964 de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid bij Steendrukkerij De Jong en Co. in Hilversum. In september 2014 vertelde Nico van der Endt mij dat hij een filmpje op het spoor was met beelden van de opening. Hij had contact gehad met een oudere dame uit Schoorl, wier echtgenoot in de jaren zestig als amateurfilmer de openingen van een aantal tentoonstellingen bij Steendrukkerij De Jong & Co. had vastgelegd, waaronder die van Willem van Genk.

Een paar weken later had ik het filmpje in handen. Het was blijkens de eerste beelden gemaakt door ‘H.Th. (Har) Oudejans, architect te Amsterdam’ en duurde iets minder dan drie minuten. Na enkele shots van het tentoonstellingsaffiche zien we Hermans samen met de andere aanwezigen de geëxposeerde werken bekijken. Het filmpje heeft geen geluid, de kijker kan dus niet horen wat er wordt gezegd. Na ongeveer een minuut verschuift de aandacht naar wat een receptie lijkt en nu verschijnt ook Willem van Genk in beeld. Hermans onderhoudt zich met hem, Van Genk is een aantal malen pratend te zien. Ook eet hij een blokje kaas.

In juni 2019 stuurde ik een kort tekstje over Hermans en Van Genk, waarin ik het filmpje van Har Oudejans noemde, naar het tijdschrift De God van Nederland van Bob Polak. [1] Polak was enthousiast, gaf aan mijn tekst graag te plaatsen en meldde dat hij op de stills die ik had meegestuurd publicist H.J.A. Hofland meende te ontwaren. Hij had gelijk – ook Hofland was dus bij de opening. Naspeuringen leerden dat hij ten tijde van de tentoonstelling werkzaam was voor het Algemeen Handelsblad, waar Hans Redeker verantwoordelijk was voor de kunstredactie. Redeker werd korte tijd later een verklaard bewonderaar van Van Genk en publiceerde een uitgebreid stuk over de Hilversumse tentoonstelling in het Algemeen Handelsblad[2] Of het Hofland was die Redeker had getipt of vice versa, is niet bekend.

Oudejans collage 04-15

Collage van stills uit het filmpje van Har Oudejans – W.F. Hermans spreekt met Willem van Genk

Filmer Har Oudejans (1928-1992) bleek daarnaast iets minder onbekend te zijn dan ik aanvankelijk had gedacht: samen met Constant Nieuwenhuys, Armando en Ton Alberts had hij eind jaren vijftig de eerste proclamatie van de Nederlandse afdeling der Internationale Situationisten ondertekend. Oudejans was getrouwd geweest met dichteres Mischa de Vreede. Bob Polak herinnerde zich na wat heen en weer gemail dat hij het filmpje al ooit had gezien: ‘Ik zie dat we (redacteur Dirk Baartse en ik van Hermans-magazine) in 2004 op bezoek zijn geweest bij Mischa de Vreede in Camperduin en toen al dat filmpje met Willem van Genk hebben mogen bekijken. Zij bezit dus dat filmpje.’ En inderdaad, in het bewuste nummer van het Hermans-magazine staat een kort verslag van de filmvoorstelling bij Mischa de Vreede:

Maar wij zijn vooral ook uitgenodigd om een bijzonder 8 mm-filmpje te komen bekijken. Het gaat om opnamen die haar toenmalige echtgenoot Har Oudejans op 18 januari 1964 maakte van de opening van de tentoonstelling van beeldend kunstenaar Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co in Hilversum. Van Genk was autistisch en had een fascinatie voor drukke steden. Zijn werken zijn tot de rand toe gevuld met gebouwen, neonreclames, auto’s, trams, treinen en af en toe een mens. Hermans opende de tentoonstelling met een toespraak getiteld ‘De werkelijkheid van Willem van Genk’.

We zien op het filmpje (zwart-wit, geen geluid) een opvallend ontspannen Hermans, die lacht en zich tamelijk soepel beweegt. Als hij met de kunstenaar staat te praten, zwaait hij met zijn rechterarm, waarin een leeg wijnglas, breed door het beeld. De kunstenaar zelf lijkt verloren tussen zoveel mensen. Zijn gelaatsuitdrukking is steeds star, argwanend, we zien hem nooit iets zeggen. Onder de vele aanwezigen herkennen wij een jonge, nieuwsgierige Henk Hofland. Mischa de Vreede weet nog de meeste namen van de bekende Nederlanders op de opening op te noemen. Maar vaak moet ze eraan toevoegen: Die is inmiddels dood, die ook en die leeft geloof ik ook niet meer. Al met al een uniek tijdsbeeld dat het verdient om in bredere kring te worden uitgezonden. [3]

Na dit te hebben gelezen stuurde ik onmiddellijk een mailtje naar Mischa de Vreede, ik was onder meer erg benieuwd naar die ‘bekende Nederlander op de opening’. Een reactie bleef echter uit.

Knipsel

Boekenbal  24 februari 1961. De jonge vrouw linksonder is Mischa de Vreede.  Rechtsboven met sigaret Har Oudejans.

Een jaar geleden gaf ik een kopie van het filmpje van Oudejans aan curator Ans van Berkum van de tentoonstelling Woest, na eerst bij Nico van der Endt te hebben geïnformeerd of het mocht worden gebruikt. Dat mocht. Het is nu inderdaad te zien aan het begin van de tentoonstelling, zij het zonder enige informatie over de inhoud of herkomst. Korrelige beelden van Van Genk zijn kennelijk voldoende.


NOTEN

[1] Jack van der Weide, “In een web gevangen zoals iedereen (2)”, in: De God van Nederland 19 (2019), pp. 50-51.

[2] Hans Redeker, “In de fijn dichtgekrabbelde volte”, in: Algemeen Handelsblad, 22 februari 1964.

[3] “Van onze verslaggever Tom van ’t Hoff”, in: Hermans-magazine 13 (2004), nr. 52, p. 127.

Hilversum (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die eerder in iets andere vorm verscheen onder de titel “De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.” Het eerste deel is hier te vinden.

Brandpunt 04e

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Joop Beljon in gesprek met een reporter van Brandpunt

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Een van de motieven van Joop Beljon om de tentoonstelling bij Steendrukkerij de Jong & Co. te organiseren, was om Van Genk meer financiële armslag te geven. De academiedirecteur was verbolgen over het feit dat de kunstenaar de tijd noch de ruimte had om zijn talent te ontwikkelen: overdag moest hij geestdodend werk verrichten in de AVO-werkplaats en ’s avonds liep hij vier kilometer naar zijn zuster Willy om in haar warme huiskamer te kunnen tekenen. Zelf woonde hij in een armoedig pension, op een minuscule kamer die hij met een zwakzinnige grondwerker moest delen. Hij verdiende veertig gulden per week, waarvan hij vijf gulden in handen kreeg als zakgeld. Enige financiële steun in de vorm van een prijs of een subsidie zou volgens Beljon al veel helpen. Van Genks zwager Peter Persoon, echtgenoot van zus Addy van Genk, had zich opgeworpen als zaakwaarnemer.

Het kostte de organisatoren nog enige moeite om de werken van Van Genk gereed te maken voor expositie. Veel stukken waren gemaakt op aan elkaar geplakte stukken papier die eerst op linnen bevestigd, daarna geprepareerd en uiteindelijk ingelijst moesten worden. Er werden zevenentwintig ingekleurde pentekeningen tentoongesteld, vrijwel allemaal stadsgezichten. Negen werken, waaronder ook een afbeelding van een tank en een close-up van een trein die een station binnenrijdt, waren getiteld “Mockba” (Moskou). Tot aan de dag voor de opening werd Van Genk zelf in het ongewisse gelaten over de expositie – Beljon vreesde dat hij het niet goed zou vinden of bang zou worden. Het was dan ook onzeker of de kunstenaar bij de opening van zijn tentoonstelling op zaterdagmiddag aanwezig zou zijn.

Die vrees bleek ongegrond: Van Genk verscheen en leek het niet onprettig te vinden om in het middelpunt van de belangstelling te staan. De opkomst was groot, wellicht ook omdat de tentoonstelling werd geopend door de schrijver Willem Frederik Hermans. Hermans was bepaald kritisch over veel moderne kunst – de term “experimenteel” achtte hij onjuist – maar zag in Van Genk een maker die iets uitzonderlijks vermocht: ‘Elke lijn die Van Genk zet, stelt iets voor uit het dagelijks leven op straat. Maar toch staan alle heterogene dingen die op straten en pleinen kunnen worden aangetroffen in relatie tot elkaar. Gevels, bestrating, voertuigen en de dingen waaruit deze grote eenheden zijn samengesteld: stenen, vensters, ornamenten, reclameborden, allerlei opschriften, plaveisel, zebrapaden, rotondes, vluchtheuvels, rails, wissels, stroomdraden. Al deze details vormen met elkaar een eenheid. Een eenheid die misschien op zichzelf een soort abstract patroon vormt, maar misschien is ook dit patroon goed beschouwd niet helemaal abstract en vormt het een reële eenheid. De eenheid van het spinnenweb.’ Hermans besloot: ‘Zijn tekeningen zijn huiveringwekkend mooi, maar zullen velen herinneren aan iets dat zij liever vergeten.’ [1]

Hoewel gering van omvang kreeg Van Genk’s fantastische werkelijkheid veel aandacht in de media. Hoogtepunten waren de genoemde televisiereportage voor Brandpunt en een uitgebreid interview met Bibeb in Vrij Nederland. In de televisiereportage kwam ook de kunstenaar zelf even aan het woord, maar hij had duidelijk moeite om coherente antwoorden te formuleren op de vragen die hem werden gesteld. [2] Het interview met Bibeb gaf een gedetailleerd, schrijnend beeld van de omstandigheden waaronder Van Genk moest werken. Naast de kunstenaar zelf kwamen zijn betweterige zwager Peter Persoon en zijn zusters Addy en Willy aan het woord. Bibeb bezocht de woningen van de familieleden, de AVO-werkplaats en het kosthuis van Van Genk. Uiteindelijk reisde zij met hem naar de tentoonstelling in Hilversum. [3]

19640403 Vrije Volk

Advertentie uit Het Vrije Volk, 3 april 1964


NOTEN

[1] W.F. Hermans, ‘De werkelijkheid van Willem van Genk’, in: Kunst van nu 1 (1963-1964), nr. 5, pp. 8-9. Voor de kunstopvattingen van Hermans, zie met name zijn essay “De lange broek als mijlpaal in de cultuur” uit 1951, herdrukt in: Carel Willink, De schilderkunst in een kritiek stadium, Amsterdam 1981, pp. 59-85. Willem Otterspeer geeft in het tweede deel van zijn Hermansbiografie een verslag van de opening (De zanger van de wrok, Amsterdam 2015, pp. 362-364).

[2] Dick Walda tekent dertig jaar later uit de mond van Van Genk op: ‘Er was een uitzending van Brandpunt. Ik schrok van m’n kop. Vreselijk vond ik dat. Ik heb helemaal niet geluisterd naar wat er gezegd werd.’ (Koning der stations. Episoden uit het leven van Willem van Genk, Amsterdam 1997, p. 26)

[3] Bibeb, ‘Wim van Genk: Ik ben een stuk grijs pakpapier’, in: Bibeb & VIP’s, Amsterdam 1965, pp. 111-123. Oorspronkelijk verschenen in Vrij Nederland, 4 april 1964.

Hilversum

Brandpunt 03a

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – bezoekers aan de tentoonstelling

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Van 18 januari tot 18 maart 1964 was in de kantine van Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid te zien. Het was de eerste keer dat Willem van Genk zijn werk aan een breed publiek toonde. Het actualiteitenprogramma Brandpunt besteedde door middel van een korte televisiereportage aandacht aan de tentoonstelling. Het publiek kon er kennismaken met ‘de bizarre tekeningen van deze zondagsschilder’, ‘grote vellen papier, meestal volgekrabbeld met stadspanorama’s, treinen, autobussen, tanks’. De reden dat de expositie nogal wat publiciteit trok, lag volgens het programma aan de psychische constitutie van de kunstenaar: ‘Willem van Genk is namelijk geestelijk gestoord.’ De bezoekers waren in twee groepen te verdelen – zij die de tekeningen ‘als uitingen van een zieke, manische geest’ zagen en zij die de kunstenaar ‘als een grote artistieke ontdekking zien. Die zeggen dat hij met zijn intelligentie de kortsluiting met de werkelijkheid wil opheffen. Zij verwachten dat Van Genk over een paar jaar een beroemd man zal zijn.’ [1]

De expositie in Hilversum was op instigatie van J.J. (Joop) Beljon, directeur van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, georganiseerd door grafisch ontwerpers Pieter Brattinga (1931-2004) en Simon den Hartog (1933). Brattinga’s vader was directeur van de Steendrukkerij, en Van Genk’s fantastische werkelijkheid maakte deel uit van een reeks tentoonstellingen die Brattinga daar als director of design tussen 1954 en 1972 verzorgde. De tentoonstellingen hadden aanvankelijk als doel het eigen personeel vertrouwd te maken met de laatste ontwikkelingen op het gebied van grafische vormgeving en beeldende kunst. Brattinga had echter een goede neus voor kwaliteit en was vaak vooruitstrevend in zijn onderwerpkeuzes, waardoor de tentoonstellingen ook vrij snel buiten het eigen bedrijf bekendheid kregen. Er waren vroege exposities rond het werk van kunstenaars als Carel Visser en Shinkichi Tajiri, maar aan bod kwamen onder meer ook de typografische experimenten van Willem Sandberg, de architectuur van Ludwig Mies van der Rohe, putdeksels in New York en een geurenprogramma van Wim T. Schippers. [2]

De discussie over kunstuitingen van psychiatrische patiënten was in Nederland in het begin van de jaren zestig opgeflakkerd met de publicatie van het boek Geschonden beeld. Beeldende expressie bij schizofrenen van de psychiater J.H. Plokker. Plokker betoogde dat men het werk van schizofrenen kon herkennen aan wat hij de “structuur” noemde. Dit werk zou niet individueel bepaald, sterk naar binnen gericht en primitief van vorm zijn. Kunst was het op geen enkele manier: ‘In het kunstwerk is de vormgeving op individuele wijze belangrijker dan het affect, dat eraan ten grondslag ligt’. [3] Dit was volgens Plokker bij het werk van schizofrenen overduidelijk níet het geval. Hij analyseerde 91 tekeningen en schilderijen van schizofrenen en constateerde slechts in twee gevallen artistieke waarde, die bovendien op toeval berustte. Zijn ideeën waren zeer invloedrijk en zijn boek werd vertaald in het Frans, Duits en Engels.

Niet verwonderlijk waren het kort na de Tweede Wereldoorlog vooral experimentele schrijvers en kunstenaars geweest die gegrepen waren door de kunstuitingen van “waanzinnigen”, zoals Lucebert, Karel Appel en Corneille. [4] Dit paste bij de groeiende interesse in, en bewondering voor de veronderstelde authentieke kunst van onder andere geesteszieken in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw, uitmondend in de introductie in 1949 van de term art brut door Jean Dubuffet. Dubuffet gebruikte deze term voor ‘werken die zijn gemaakt door mensen die immuun zijn voor de artistieke cultuur […]. Wij zijn hier getuige van het artistieke proces in zijn meest zuivere, meest ruwe vorm, van begin tot eind geheel volvoerd door een kunstenaar die slechts put uit zijn innerlijke impulsen.’ [5] Heden ten dage is het niet moeilijk de ideeën van Dubuffet te herkennen als uitingen van wat Jos ten Berge noemt ‘een romantisch-modernistische hang naar onbesmette originaliteit’. [6]

 In het essay dat Beljon schreef voor de kleine catalogus bij Van Genk’s fantastische werkelijkheid, zien we deze opvatting gedeeltelijk terug. Beljon haalt onder meer ‘een psychiater’ (namelijk Van Genks psychiater Nico Speijer) aan die tegenover hem volhield ‘dat de geestelijke inhoud van Willem van Genk gelijk staat met nul komma nul. […] De bewustzijnsvernauwing, die bij tal van psychiaters optreedt bij hun jacht naar het aangepast-zijn, maakt hen o.a. blind voor enkele kenmerken van de geniale schilder.’ Tegelijkertijd betoogt hij dat de geestesgesteldheid van Van Genk er niet toe doet: ‘Het is niet de bedoeling van dit tabletje om medelijden op te wekken met Van Genk. […] Niemand vraagt om kunst, om jouw kunst. Je móet. En dús doe je het. Desnoods tegen de draad in. De Apie Prinsen, de Karel Appels en de Willem van Genken gaan hun “eigen baan”.’ [7] Uiteraard is het geen toeval dat Beljon hier Van Genk op één lijn stelt met Appel, de aanvankelijk verguisde maar inmiddels gevierde experimenteel.

Brandpunt 05b

Still uit de Brandpunt-reportage over Van Genk’s fantastische werkelijkheid – Willem van Genk verlaat de AVO-werkplaats

Willem van Genk werd kort na de Tweede Wereldoorlog afgekeurd voor militaire dienst wegens schizofrenie. Na een aantal reguliere baantjes, die steeds in ontslag eindigden, werd hij vanaf 1947 tewerkgesteld in een AVO-werkplaats in zijn woonplaats Den Haag – “AVO” stond voor “Arbeid Voor Onvolwaardigen”. Hier moest hij van ’s morgens acht tot ’s middags vijf uur werkzaamheden verrichten zoals het monteren van afwasborstels en het sorteren van stukjes kabel. Directeur van de werkplaatsen was eerdergenoemde psychiater Nico Speijer, bij wie Van Genk ook onder behandeling stond. Eind 1958 meldde hij zich met enkele van zijn tekeningen aan bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. Onderdirecteur Cees Bolding en directeur Joop Beljon onderkenden zijn talent en lieten hem toe tot de avondacademie. Beljon probeerde van Speijer gedaan te krijgen dat Van Genk meer tijd op de academie mocht doorbrengen, maar Speijer weigerde. Beljon bleef zich echter voor zijn pupil inspannen, wat uiteindelijk resulteerde in de tentoonstelling in Hilversum. [8]

Dit is het eerste deel van een tekst die eerder verscheen onder de titel “De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.” in Desipientia 24 (2017), nr. 2, pp. 30-33.


NOTEN

[1] De reportage is vrijwel integraal opgenomen in de documentaire die Dick Walda en Jan Keja eind jaren negentig over Van Genk maakten, Ver van huis. De documentaire werd als aflevering in de serie Werelden van de IKON uitgezonden op 31 oktober 2001 en is hier te vinden (geraadpleegd op 5 november 2019).

[2] Informatie over de tentoonstellingen bij Steendrukkerij De Jong en Co. ontleend aan: Geneviève Waldmann, The activities of Pieter Brattinga: a portrait of an era, Den Haag 1988; en William Graatsma, “Herinneringen aan Pieter Brattinga”  (geraadpleegd op 5 november 2019).

[3] J.H. Plokker, Geschonden beeld. Beeldende expressie bij schizofrenen, ’s Gravenhage en Parijs 1962, p. 16.

[4] Voor een overzicht van de receptie van naïeve kunst en outsider art in Nederland, zie: Jos ten Berge, “Naive and Outsider Art in The Netherlands – A Chronicle of Facts and Views”, in: Frans Smolders e.a., Solitary Creations. 51 Artists out of De Stadshof Collection, Eindhoven 2014, pp. 293-316.

[5] Geciteerd in: Jos ten Berge, “Willem van Genk en het geboefte, of de stagnatie van het outsider-debat”, in: Jong Holland 14 (1998), nr. 4, pp. 14-19 (aldaar p. 14).

[6] Ibidem, p. 18.

[7] J.J. Beljon, “Tien hoofdstukken schaal 1:100. Over de wereld van Willem van Genk, kunstschilder”, in: Van Genk’s fantastische werkelijkheid, tent. cat. Hilversum (Steendrukkerij De Jong & Co.), Hilversum 1964. In het laatste citaat verwijst Beljon naar het boek boek Ik ga m’n eige baan (1958) van schrijver Apie Prins.

[8] Voor verdere biografische informatie over Willem van Genk, zie: Jack van der Weide, “Nieuwe avonturen van Willem van Genk. Biografische notities”, in: Tijdschrift voor Biografie 5 (2016), nr. 1, pp. 67-75. Teksten over de tentoonstelling verschenen begin 1964 onder andere in De Telegraaf (18 januari, 5 februari), Gooi- en Eemlander (20 januari, 29 januari), Graficus (21 januari), Haagsche Post (25 januari), De Volkskrant (1 februari), De Tijd (8 februari), Trouw (17 februari) en Algemeen Handelsblad (22 februari).

Penning

Moskou (Sheffield) (800x655)

Moskou | ca. 1955 | gemengde techniek op papier | 115 x 140,5 cm | Museums of Sheffield | foto: Clemens Boon, Amsterdam

Let op: onderstaande tekst is in 2019 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Willem van Genk maakte zijn publieke debuut als kunstenaar op zaterdag 6 december 1958, op pagina 2 van het Wekelijks Bijvoegsel van de Haagsche Courant. In zijn rubriek ‘Beeldende kunst’ laat R.E. Penning de lezer kennismaken met ‘een jongeman [die] met een groot pak tekeningen onder de arm, zich een beetje zenuwachtig bij de Academie voor Beeldende Kunsten aanmeldde […] Het bijzondere zat in de tekeningen zelf, die de jonge man — Willem van Genk is zijn naam — uitpakte voor de onder-directeur van de academie, de schilder Cees Bolding. Deze heeft in zijn lange loopbaan van leraar en schilder toch al heel wat onder ogen gehad, maar nog nooit zoiets als dit.’ [1] Van Genk is 31 jaar oud als hij zich, waarschijnlijk in november 1958, meldt bij de genoemde Haagse kunstacademie.

De tekst van Penning is om een aantal redenen belangrijk. Allereerst is er de historische component: Penning beschrijft vrij exact hoe Van Genk zich meldt, wie hem ontvangt, wat diens reactie is en wat de achtergrond en wensen van de kunstenaar zijn: ‘Hij zelf zou niets liever willen dan in zijn tekenen een middel vinden om uit zijn tegenwoordig milieu weg te komen (hij werkt overdag als ongeschoold arbeider).’ Daarnaast beschrijft hij het werk van Van Genk dat hij heeft gezien zowel technisch als inhoudelijk:

Het pak bleek een stapel slordig opgevouwen vellen goedkoop papier te bevatten, waar met pen en inkt en soms een beetje waterverf enorme stadsgezichten op waren getekend. […] Om de tekeningen, die ruim anderhalve meter breed en een meter lang zijn, is bij wijze van afsluiting een knalrood of zilverkleurig randje geverfd. Hier en daar, waar door het vouwen gaten zijn gekomen in het versleten papier, is op de achterkant een reepje plakband bevestigd.

Als in vogelvlucht glijdt de blik over een reusachtige mierenhoop van huizen, straten, pleinen, krioelend van mensen, auto’s en trams. Kolossale gebouwen rijzen op, meestal zijn het op de voorgrond stations, waarachter men weer een warnet van rails en wissels ontwaart. Torens, koepels en wolkenkrabbers steken hier en daar boven de huizenzee uit, die zich in de verte in nevels oplost. Op de gebouwen van enkele tekeningen staan vreemde lettertekens, Russische of Japanse. […] Als nietige, zwarte mieren krioelen de mensen tussen de auto’s en de trams, die voortglijden over de slangachtige, kronkelende rails. Als droompaleizen rijzen in dit koortsachtige gewriemel machtige stationsgebouwen op.

Verder noteert Penning ook uit eerste hand de methode die Van Genk voor zijn stadpanorama’s hanteert:

Het bleek dat Van Genk in oude reisgidsen zocht naar stadsplattegronden en afbeeldingen van gebouwen. Met zo’n plattegrond voor ogen posteerde hij zich dan in zijn verbeelding van een of ander punt van Moskou, Tokyo of New York en met behulp van zijn gegevens reconstrueerde hij voor zijn geestesoog het stadsbeeld. Uiteraard waren de plaatjes van enkele gebouwen die hij had, onvoldoende om een heel stadspanorama op te bouwen. Zijn verbeelding vulde echter de lacunes aan en zo ontstonden, na maanden lange arbeid, deze steden die er tegelijkertijd realistisch en fantastisch uitzien.

Opmerkelijk is dat Penning meteen al komt met het beeld van het spinnenweb, een constante in beschouwingen over Van Genk tot aan de titel van deze blog: ‘Met een verbetenheid, die nauwelijks meer geduld of toewijding genoemd kan worden, is dit alles getekend als een gewirwar, een spinneweb van zwarte inktlijntjes.’

Penning beschrijft niet alleen, hij interpreteert ook – vooral in psychologische zin:

Het zijn dagdromen, die deze steden uit de grond hebben getoverd. Verlangens en psychische conflicten en spanningen hebben er een uitweg gezocht. Het verlangen naar bevrijdende verten, maar vooral de pogingen te ontsnappen aan de benauwenis van een ziedende en borrelende heksenketel. […] Dit mengsel van geobsedeerde verbetenheid die op geestelijke spanningen wijst en aan de andere kant een zeker kinderlijke naïviteit en primitiviteit, maar toch ook weer een aangeboren grafisch talent, geeft aan deze tekeningen een wonderlijk karakter.

Uiteindelijk komt hij uit, zonder het te noemen, in de buurt van art brut en wat tegenwoordig outsider art heet:

Met dat al is Willem van Genk voor een academie een moeilijk geval. Wat moet men hem daar leren? Want het bijzondere van deze tekeningen is niet zozeer het talent wat er zich in manifesteert, doch de eigenaardige geestesgesteldheid. Men zou de tekeningen kunnen vergelijken met het kasteel dat een Franse postbode in zijn vrije tijd steen voor steen bouwde, veertig jaar lang. Dit vreemde droomkasteel is een bezienswaardigheid voor toeristen geworden, maar als de postbode voor architect had gestudeerd zou hij het nooit gebouwd hebben. Zo is het ook met Van Genk. Als hij op de gebruikelijke manier leert tekenen (en het is nog zeer de vraag óf hij daar aanleg voor heeft), dan zou hij zijn stadsgezichten niet meer maken.

In die laatste formulering klinkt de later veel geciteerde mening door van academiedirecteur Joop Beljon, die zich als voorvechter van het werk zou gaan opwerpen: men moet niet proberen Van Genk iets bij te brengen, dat zou zijn aangeboren talent alleen maar verstoren. [2]

Wie was deze Penning? Informatie over hem op internet is schaars, maar door hier en daar wat bij elkaar te schrapen is toch een beeld te geven. [3] Rudolf Ernst Penning werd geboren op 14 maart 1910 te Buitenzorg in Bogor, Nederlands-Indië, als zoon van Christiaan Apollos Penning en Hendrina Cornelia Wentink. Hij kwam in 1916 met zijn ouders naar Nederland en woonde tot 1932 in Den Haag. In dat jaar trouwde hij met Helena Alida Maria Bruin (1908-1996). Hierna vertrok hij naar Parijs, om in 1939 terug te keren naar Den Haag. In 1946 scheidde hij van zijn eerste echtgenote, waarna hij hertrouwde met Elisabeth Thérèse Hulshoff (1923-2005). Penning werkte als kunstcriticus voor de Haagsche Courant en als docent aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Dat laatste gegeven ontleen ik aan de website van het RKD, maar onduidelijk is welke jaren zijn docentschap omspant.

De tekst van Penning was tot voor kort in beschouwingen over Van Genk bekend onder de titel ‘Beeldende kunst’, de generieke naam van zijn rubriek. [4] Oorzaak was een doorgekopieerd krantenknipsel in de map over Van Genk bij het RKD in Den Haag, dat wel de tekst van Pennings artikel bevatte maar niet de eigenlijke titel, ondertitel en illustratie. Pas enkele maanden geleden ontdekte ik de volledige krantenpagina met alle gegevens en zag ik dat de illustratie in kwestie een van de grote Moskou-tekeningen betrof die in 1964 zouden worden getoond tijdens Van Genks eerste solotentoonstelling.


NOTEN

[1] R.E. Penning, “Reiziger in verbeelding. Een eigenaardig geval” in: Haagsche Courant [wekelijks bijvoegsel], 6 december 1958.

[2] Zie bijvoorbeeld: ““Zo’n natuurtalent mag je niets leren” zegt academiedirecteur J.J. Beljon”, in: De Telegraaf, 18 januari 1964.

[3] Informatie over Penning vond ik op een genealogische website, op een website met documentatie over beeldende kunst in Zuid-Holland en op de website van het RKD (alle geraadpleegd op 4 november 2019).

[4] Zie bijvoorbeeld Ans van Berkum e.a., Willem van Genk. Een getekende wereld, Zwolle 1998, p.135; en Jack van der Weide, “Nieuwe avonturen van Willem van Genk. Biografische notities”, in: Tijdschrift voor Biografie 5 (2016), nr. 1, pp. 67-75 (aldaar p. 74).

Woest

Merchandise 009 (800x512)

Deze blog gaat over Willem van Genk. Over de persoon, maar vooral over het werk. Directe aanleiding was de grote Van Genk-tentoonstelling Woest in het Outsider Art Museum in Amsterdam – kijk, daar heb je het al, je kunt geen drie zinnen over Van Genk schrijven of het woord ‘outsider’ duikt op. En dat is meteen ook het probleem: eens een outsider, altijd een outsider. Zelfs de grootsten onder de kunstenaars wier werk onder de outsider art wordt geschaard (naast Van Genk bijvoorbeeld ook Adolf Wölfli of Henry Darger) krijgen het etiket eigenlijk nooit meer afgeschud. Is dat een probleem? Ik denk van wel. Het plaatst de kunstenaar, en daarmee diens kunst, in een bepaalde hoek. Een hoek die een serieuze beschouwing van het werk in de weg staat en die ervoor zorgt dat er altijd een niet meer te slechten muur komt te staan tussen dat werk en de reguliere kunst.

In het geval van Willem van Genk (of van Wölfli, of van Darger) ligt de nadruk op diens vermeende verstandelijke beperkingen. Gevolg is dat men het gerechtvaardigd vindt om een tentoonstelling te maken die ‘een reis door zijn hoofd’ heet te zijn, waarbij het hele oeuvre chronologisch ongedifferentieerd door elkaar komt te hangen. Alsof Van Genk tientallen jaren lang tegelijkertijd bezig was met het schilderen van overvolle drieluiken, het in elkaar knutselen van trolleybussen, het tekenen van gedetailleerde stadsgezichten, het maken van collages en zo nog het een en ander, gehuld in een zwarte regenjas terwijl hij aan één stuk door kapsalons bezocht. Daar valt veel over te zeggen en dat gaat in deze blog ook gebeuren, als de omstandigheden dat toelaten.

Woest, heet de tentoonstelling in Amsterdam. ‘Kunstenaar Willem van Genk was een leven lang woest’, kopte Trouw naar aanleiding van de tentoonstelling. [1] Nadere beschouwing leert dat dit een citaat is van de Belgische modeontwerper Walter Van Beirendonck, die de tentoonstelling vormgaf (en niet, zoals Trouw schrijft, maakte). In zijn woorden: ‘Van Genk wordt nauwelijks getoond in gewone musea, al heeft hij in zijn leven best wel erkenning gekregen. Maar niet altijd de goede. Ik wil hem uit de probleemhoek halen.’ Van Beirendonck spreekt consequent over ‘Willem’, noemt de kunstenaar te pas en te onpas een soulmate en duwt hem, zijn eigen woorden ten spijt, nog even een flink stuk vaster in de door hem genoemde probleemhoek. De modeontwerper zegt uitgebreide research te hebben gedaan. Hij denkt het een en ander te weten over de trauma’s, obsessies en fetisjen van Van Genk, maar voor wat het werk betreft lijkt hij niet te worden gehinderd door enige kennis van zaken.

Want hoe woest was Willem van Genk? Begin jaren zeventig ontstond een aantal werken in olieverf die de kunstenaar, zo zou hij later tegenover zijn galeriehouder Nico van der Endt verklaren, ‘woedend’ had geschilderd. [2] Dit corpus beslaat ongeveer vijf werken. Voor de overgrote rest van zijn oeuvre – vroege tekeningen, stadsgezichten, collages op papier en board, driedimensionale trolleybussen, late tekeningen – is het epitheton ‘woedend’ bepaald niet van toepassing, laat staan ‘woest’. Het werk is indrukwekkend, intrigerend, apart, vaak druk, soms overweldigend, maar woest? Woest is wellicht het werk van Karel Appel, van Jackson Pollock, heel misschien van Vincent van Gogh. Niet dat van Willem van Genk.

xxx

Catalogus Woest, rechts het oorspronkelijke ontwerp

Kijken we naar de persoon Van Genk dan waren ook aan hemzelf weinig woeste trekken te bespeuren. Hij was een ietwat schlemielige man met een hondje, een eenzame zonderling om wie veel mensen met een boogje heen liepen – zie de foto op pagina 1 van de catalogus. [3] Soms betrad hij een kapsalon waar hij zich voor de aanwezigen ontblootte, later was hij af en toe een scharrelaar in vuilnisbakken. Hij was tegelijkertijd bang voor én gefascineerd door heel veel zaken, gebeurtenissen, personen en verschijnselen. Maar woest? Dick Walda en Nico van der Endt hebben hem goed gekend, waren (voor zover dat mogelijk was) met hem bevriend. Geen van beiden typeert hem in de verste verte als woest.

Belangrijker nog dan wat wie dan ook vindt, is dat Willem van Genk met de tentoonstellingstitel weer een etiket krijgt opgeplakt. In de jaren vijftig werd hij als onvolwaardig beschouwd. Toen hij in 1964 eindelijk een eigen tentoonstelling kreeg en even in de belangstelling stond, werd hij in de media als geestelijk gestoord weggezet. Vanaf het midden van de jaren zeventig bleek hij steeds beter te passen in het hokje van art brut en outsider art. Het legde hem geen windeieren, maar de kans om naam te maken als regulier kunstenaar was verkeken. Zoals ik hierboven al stelde: eens een outsider, altijd een outsider.

Het is tekenend dat de vorige grote Van Genk-tentoonstelling, in 1998 in Zwolle, te zien was in De Stadshof, toentertijd een museum voor naïeve en outsiderkunst. Anno 2019 is het Outsider Art Museum de gastheer. Het museum laat volgens de eigen website ‘verrassende, niet-gepolijste kunst zien van mensen met een bijzondere achtergrond’ – een mooie reeks eufemismen, waarmee men echter niet kan (en waarschijnlijk ook niet wil) verhullen dat de persoon van de kunstenaar het doorslaggevende criterium vormt. Maar die kunstenaars zijn niet gek, ze zijn bijzonder! En heel soms zijn ze woest. Of juist niet.

 


NOTEN

[1] Joke de Wolf, ‘‘Kunstenaar Willem van Genk was een leven lang woest’’, in: Trouw, 24 september 2019.

[2] Nico van der Endt, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking, Eindhoven 2014, p. 25.

[3] Deze afbeelding was aanvankelijk bedoeld om op het omslag van de catalogus te komen, blijkens de eerste advertenties van uitgeverij Lannoo. Later werd gekozen voor een portret van Van Genk die ietwat verward voor zich uitkijkt terwijl uit zijn hoofd details uit zijn werk lijken te barsten: een zeppelin, een kerk, een treinstation, de staart van een vliegtuig en zo verder. Aan de basis van die afbeelding ligt een foto van Nico van der Endt en een tekening die enkele jaren geleden op internet te zien was. De tekening is inmiddels verdwenen.