Japan

New Japan-SM

New Japan | ca. 1965 | gemengde techniek op papier | 102 x 203,5 cm | Stedelijk Museum, Amsterdam

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

In 1964 waren tijdens de tentoonstelling Van Genk’s fantastische werkelijkheid twee werken te zien met de titel Tokyo. Catalogusnummer 2, de kleinste van de twee, werd gebruikt voor het affiche van de expositie. Catalogusnummer 7 werd gefotografeerd door Eddy de Jongh en diende als illustratie bij het interview door Bibeb met Willem van Genk voor Vrij Nederland. Beide werken waren in het najaar opnieuw te zien tijdens de Duitse herhaling van de Hilversumse tentoonstelling bij de galerie van Alfred Schmela in Düsseldorf, Van Genk’s Phantastische Wirklichkeit. Schmela wist beide tekeningen te verkopen, voor respectievelijk DM 1.500 en DM 2.500, waarna ze uit zicht verdwenen. Dat er afbeeldingen van de twee werken bekend zijn, is te danken aan respectievelijk het tentoonstellingsaffiche en de foto van Eddy de Jongh. Het affiche is in kleur maar enigszins vaag, de foto is in zwart-wit maar wel meer gedetailleerd. [1]

Affiche Hilversum 001

Affiche voor de tentoonstelling bij Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum, 1964 (ontwerp: Pieter Brattinga)

In het interview met Bibeb laat Van Genks zwager Peter Persoon de interviewster een reproductie van een van de Tokio-tekeningen zien: ‘De zwager spoedt zich de kamer uit, komt terug met de van de affiche geknipte en ingelijste reproduktie van Van Genks ‘1 Mei in Tokio’. Hij houdt het omhoog: ‘Hoeveel denkt u dat dit waard is. Toch zeker f 200,-?’’ [2] Inderdaad is rechtsonder op de afbeelding een 1 mei-optocht met de bekende rode vlaggen te onderscheiden. Het gaat verder om een tekening van de stad in vogelvluchtperspectief, met nadruk op gebouwen en vervoersmiddelen, en met op de voorgrond enkele half afgesneden personen – een bekend procedé bij Van Genk. De andere Tokyo, eveneens een straatscène, kent een perspectief op ooghoogte en is grotendeels symmetrisch. Op de achtergrond staan twee gebouwen, op de voorgrond ligt een zebrapad over een weg waarop een tram rijdt en waarover personen lopen. Opnieuw is er een optocht met vlaggen afgebeeld, opnieuw ook zijn op de voorgrond enkele afgesneden personen te zien. [3]

Van Genk was in 1964 nog nooit in Japan geweest en zou er ook daarna nooit naartoe gaan. Zijn fascinatie met het land was echter groot. En hoewel iemand die de taal machtig is zou moeten vaststellen of de Japanse karakters op de werken correct zijn, lag het in ieder geval in Van Genks bedoeling om betekenisvolle opschriften aan te brengen op zijn werken. Als hij met Bibeb de tentoonstelling in Hilversum bezoekt: ‘Hij vertaalt spandoeken uit Tokio op de eerste mei. ‘De kinderen van Hiroshima’, praat geërgerd over de zwarte draden en kabels die Tokio ontsieren, omdat ze de bloesems verdringen.’ Ondanks die ergernis leken het toch juist die tegenstellingen te zijn die hem in het land fascineerden: ‘Ook weer terecht is zijn grote Japanboek. Japanse kersebloesem, vogels, enz. worden gesteld tegenover mannen met zwaarden die hoofden afhakken, tanks, martelingen en de atoombom.’ [4]

Via de tentoonstelling in Hilversum kwam Van Genk in contact met Pieter Brattinga, die het op zich had genomen om de kunstenaar internationaal te laten doorbreken. Brattinga stelde onder meer een tentoonstelling in Japan in het vooruitzicht, iets wat Van Genk uiteraard wel zag zitten. ‘Het doet mij plezier U te kunnen mededelen dat ik in onderhandeling ben inzake een tentoonstelling van Uw werken in Duitsland, Japan en de Verenigde Staten’, schrijft Brattinga aan zijn protegé op 9 juni 1964. Vier maanden later lijkt zuster Addy de moed in dat opzicht al bijna te hebben opgegeven: ‘Was het nog de bedoeling om ook in Recklinghausen, New York en Japan voor hem te exposeren?’ [5] Van Genk zelf bleef desalniettemin hoopvol en benadrukte bij voortduring in zijn werken de verbondenheid van Brattinga met Japan, met teksten als PIETER ∙ BRATTINGA & CO ∙ NEW ∙ YORK ∙ TOKYÔ ∙ DJAKARTA.

Genoemde tekst is rechtsonder te vinden op de collage New Japan. Zou dit nog een latere toevoeging kunnen zijn, aan de linkerkant van het werk staat in grote letters BRATTING en (twee keer) BRAGAH – de gangbare datering 1960 is daarmee niet vol te houden. Als zo vaak bij Van Genks collages lijkt een datering rond het midden van de jaren zestig meer op zijn plaats, waarbij oudere tekeningen in die periode tot een nieuw geheel zijn gemaakt. [6] Een aantal afbeeldingen op New Japan vertoont duidelijke gelijkenissen met de twee Hilversumse Tokio-werken, inclusief 1 mei-optochten. De grootste tekening in de collage laat het centrale treinstation van Tokio zien, een bakstenen gebouw uit 1914 dat geïnspireerd zou zijn door station Amsterdam Centraal.

Japanse kunst 1958

Affiche voor de tentoonstelling met Japanse kunst in het Haags Gemeentemuseum, 1958 (ontwerp: W. Stek)

Rechtsboven op New Japan bevindt zich een afbeelding van een boek, wat op zich te beschouwen is als een voorloper van de vele boekomslagen die Van Genk begin jaren zeventig in zijn geschilderde collages opneemt. In dit geval gaat het uiteraard om een boek over Japan, Japan in der Welt. Die japanische Expansion seit 1854 (1936) van de Oostenrijkse journalist Anton Zischka – zijn naam wordt iets naar links eveneens vermeld. Naast boeken geeft Van Genk op New Japan, rechts van de tekening met het treinstation in Tokio, nog een andere bron over Japan: JAPANSCHE KUNST IN HAAGS GEMEENTEMUSEUM. Van 23 september tot 8 november 1958 was in het Gemeentemuseum in Den Haag een grote tentoonstelling met schilder- en beeldhouwkunst uit Japan te zien, die Van Genk ongetwijfeld zal hebben bezocht. Het ging om een uiterst prestigieuze, reizende tentoonstelling: eerdere locaties waren het Musée Nationale d’Art Moderne in Parijs en het Victoria and Albert Museum in Londen, na Den Haag zou de expositie alleen nog doorreizen naar Rome.

De geëxposeerde, veelal tamelijk verstilde werken in het Gemeentemuseum leken in niets op de tekeningen van het drukke stadsleven die Van Genk in New Japan zou gebruiken. [7] Desalniettemin was de tentoonstelling op zich een teken dat er, dertien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, weer veel belangstelling bleek te bestaan voor Japan in het algemeen. Onduidelijk is waar en wanneer deze belangstelling specifiek bij Van Genk haar oorsprong vond, want er zijn eigenlijk geen vroege tekeningen van het Aziatische land bekend. Rond het midden van de jaren zestig had hij echter genoeg materiaal om New Japan te maken.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] De tekening van Van Genk die voor het affiche werd gebruikt, is ook te zien op een andere foto van Eddy de Jongh (geraadpleegd op 15 juli 2020).

[2] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 114.

[3] De foto van Eddy de Jongh is hier te zien (geraadpleegd op 15 juli 2020).

[4] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, pp. 122-123.

[5] Brief van Addy Persoon-van Genk aan Pieter Brattinga, 5 oktober 1964 (archief Pieter Brattinga, Wim Crouwel Instituut).

[6] De datering 1960 wordt onder meer aangehouden in Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 136; Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 58; Looijen e.a., Woest, p. 118. Ook het Stedelijk Museum gaat in haar documentatie uit van deze datering.

[7] Een indruk van de werken die te zien waren in het Haags Gemeentemuseum biedt de catalogus Japanse kunst (‘s-Gravenhage 1958).

Blauwe Tram

057 Victoria Station

Bahnhöfe van weleer | ca. 1965 | gemengde techniek op papier | 72 x 222 cm | LaM, Villeneuve d’Ascq | foto: Ans van Berkum

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Er zijn binnen het oeuvre van Willem van Genk verschillende werken die door een auteur of tentoonstellingsmaker de woorden “blauwe tram” in hun titel krijgen. Volgens Wikipedia gaat het daarbij om ‘de verzamelnaam voor de trams die tussen 1881 en 1961 in het gebied tussen Scheveningen, Den Haag, Leiden, Katwijk, Noordwijk, Haarlem, Zandvoort, Amsterdam, Purmerend, Edam en Volendam reden. De trams hadden vanaf 1924 een donkerblauwe kleur.’ [1] De nadruk ligt bij Van Genk meestal op het opheffen van een tramlijn en de bijbehorende laatste rit, waarin de fascinatie voor vervoersmiddelen wordt gecombineerd met het thema van afscheid en verval. Iets vergelijkbaars zien we bij de zeppelin, die bij Van Genk echter ook is verbonden met de angst voor overweldiging. Daarentegen kent het afscheid van de Blauwe Tram tevens een positief aspect, dat soms zelfs tot uitdrukking komt in het afbeelden van lachende personen – uitzonderlijk binnen het werk van Van Genk.

Als zo vaak heeft ook de Blauwe Tram een duidelijke biografische achtergrond. Jozef van Genk en zijn gezin verhuisden volgens het Haags gemeentearchief op 19 juni 1925 vanuit Den Haag naar Voorburg, met als adres Van Heurnstraat 87. Jan Vellekoop vond in het Bedrijvenregister Zuid-Holland dat ‘Van Genk’s Fruithandel’ van 1 september 1925 tot januari 1933 was gevestigd aan de Van de Wateringelaan 25 in Voorburg. Volgens ditzelfde register was dit ook het woonadres van de eigenaar, maar de woning (die nog bestaat) lijkt tamelijk klein te zijn voor een gezin met tien kinderen. Hoe dit ook zij, vlakbij diezelfde Van de Wateringelaan lag een halte van de tramlijn tussen Leiden en Scheveningen die deel uitmaakte van het net van de Blauwe Tram.

057 Laatste blauwe tram

Laatste blauwe tram | 1958 | gemengde techniek op karton | ca. 40 x 55 cm | particuliere collectie, Den Haag

De duidelijkste verwijzing naar de Blauwe Tram in het algemeen en het lijndeel Den Haag – Voorburg in het bijzonder, is het werk Laatste blauwe tram (1958). Te zien is een met slingers versierde tram met als bestemming VOORBURG, vol veelal lachende en zwaaiende mensen en omgeven door toeschouwers en enkele fotografen. Het kleurenpalet en de verlichting op de tram maken duidelijk dat het avond of nacht is. Van Genk voegt in grote letters teksten toe die benadrukken wat hier is afgebeeld: N.Z.H. (10 MEI 1958) LAATSTE BLAUWE TRAM en ZATERDAGNACHT den HAAG VOORBURG. [2]

Inderdaad reed op zaterdag 10 mei 1958 de Blauwe Tram onder grote publieke belangstelling voor de laatste keer tussen Den Haag en Voorburg. Veel kranten deden verslag van die nachtelijke rit. Het Algemeen Dagblad toonde een foto van de mensenmassa rond de tram, met een korte tekst: ‘De trouwe passagiers van de Blauwe tram tussen Den Daag en Voorburg moesten en zouden zaterdagavond de laatste rit van hun geliefd vervoermiddel meemaken. Geen plaats meer binnen? Niet erg; op de treeplanken en op het dak kon ook. Hier zien we hoe Hagenaars de rijtuigen met bloemen versieren, voordat de historische tocht begon.’ [3] Andere kranten hadden vergelijkbare foto’s en berichten. De foto bij een uitgebreid verslag in Het vaderland laat zien dat de afbeelding van Van Genk tamelijk waarheidsgetrouw was.

19580512 Het vaderland 002

‘Het is een spontaan maar uitbundig feest zonder wanklanken geworden, dat afscheid van de blauwe tram der N.Z.H.V.M., die sinds gisteren niet meer rijdt op het traject Voorburg – Den Haag’ (Het vaderland, 12 mei 1958)

Een jaar eerder, op 31 augustus 1957, was op het traject Amsterdam – Zandvoort al afscheid genomen van de Blauwe Tram. Op die rit had Van Genk maar liefst vier werken gebaseerd. Deze waren in 1964 te zien geweest op de tentoonstelling in Hilversum, onder de titels Amsterdam en (waarschijnlijk) Den Haag. [4] In de catalogus van galerie De Ark uit 1976 staan de werken afgebeeld op twee achtereenvolgende pagina’s, steeds met de titel Amsterdam. In de catalogus van De Stadshof uit 1998 kregen ze de titels Amsterdam laatste blauwe tram, Amsterdam laatste blauwe tram NZTM (2x) en Raadhuisstraat. [5] Een van de tekeningen raakte spoorloos, twee werden er door Nico van der Endt verkocht aan particuliere verzamelaars, de vierde bleef in het bezit van galerie Hamer.  Tijdens de tentoonstelling Woest was een van de werken te zien onder de titel Laatste tram in Raadhuisstraat Amsterdam .

057 Amsterdammertjes

Viermaal: Amsterdam | ca. 1958 | gemengde techniek op papier | elk ca. 30 x 40 cm | particuliere collectie (linksboven) /  onbekend (linksonder) / particuliere collectie (rechtsboven) / coll. Galerie Hamer, Amsterdam (rechtsonder).

Hoezeer de Noord-Hollandse Blauwe Tram van invloed is geweest op van Van Genk blijkt niet alleen uit de hier genoemde werken, maar ook uit de vormgeving van een historisch tegeltableau van de Electrische Spoorweg-Maatschappij waarvan Nico van der Endt mij enkele jaren geleden een foto liet zien. [6] Afgebeeld is het traject van de tram waarin vijf tondo’s zijn getekend van de verschillende halteplaatsen. Links van de gestileerde route staat een tram van de ESM, rechts en erboven afbeeldingen van Amsterdam, Zandvoort en Haarlem. In grote letters worden de exploitant en de belangrijkste plaatsnamen vermeld, daarnaast zijn er andere aanduidingen in kleinere lettertypes. De overeenkomsten tussen het collageachtige tableau en sommige vroege werken van Van Genk, met name Geldersche Tramwegen (ca. 1955), zijn opmerkelijk.

057 ESM

Tegeltableau, ca. 1910. Foto: Stefan de Groot

In zijn boek Kroniek van een samenwerking vermeldt Nico van der Endt bij het jaar 1987 dat hij aan Madeleine Lommel van het museum L’Aracine in Neully-sur-Marne voor fl. 6.000,- een werk verkoopt getiteld Blauwe tram. Het werk bevindt zich inmiddels in de collectie van museum LaM in Villeneuve d’Asq, waar het de titel Victoria Station heeft. In de catalogus van De Stadshof uit 1998 had het werk de titel Blauwe trein/Victoriastation. Het kwam ook al voor in de catalogus van Galerie De Ark uit 1976, onder de titel Treinen en met de vermelding ‘Collage Tekeningen’. De website van het LaM geeft ‘Encre, crayon de couleur, stylo-feutre et gouache sur papier brun marouflé sur toile’, hetgeen tegelijkertijd meer precies en minder duidelijk is.

Het gaat bij het werk om een collage van zo’n veertig tekeningen, vermoedelijk uit de jaren vijftig. Een aantal afbeeldingen is licht of zelfs uitgesproken zonnig, maar de algemene indruk die de collage maakt is tamelijk donker. Dit komt ook doordat verschillende tekeningen een avond- of nachtscène tot onderwerp hebben: het afscheid van de Blauwe Tram. Van Genk lijkt zelf in de linker marge zijn werk een tweetalige titel te hebben gegeven: Bahnhöfe van weleer. Als onderdelen van de collage zijn ook Duitse, Engelse, Spaanse en Italiaanse elementen te onderscheiden, maar Nederlandse afbeeldingen overheersen. Onder meer zijn mannen te zien die bordjes bij haltes verwijderen, wordt een tram omringd door een mensenmenigte en passeert een trambestuurder een spandoek met de tekst VAARWEL. [7]

IMG_9728

Detail Bahnhöfe van weleer (ca. 1965)

Bahnhöfe van weleer was het werk waarmee Van Genk in 1967 de landelijke schilder- en tekenwedstrijd van Co-op Nederland won. De collage droeg toen de neutralere titel Tram- en spoorwegen. Een jaar eerder had Van Genk bij een prijsvraag voor zondagsschilders van de VARA een eervolle vermelding gekregen voor een inzending getiteld Spoorwegen – mogelijk was dit eveneens Bahnhöfe van weleer. Wie foto’s bekijkt van het werk (dat niet te zien was op de expositie Woest) kan niet anders dan zich verbazen over enerzijds de enorme hoeveelheid intrigerende beelden en details, en anderzijds de verbijsterend slechte staat waarin verkeert. Meer tekeningen en collages vragen om restauratie, maar Bahnhöfe van weleer lijkt voorrang te moeten krijgen. Al zou het ook wel passend zijn als juist dit werk te gronde gaat.


NOTEN

[1] Wikipedia, ‘Blauwe tram’.

[2] Over de afkorting NZH: ‘Diverse interlokale stoom- en elektrische tramlijnen in het randstedelijk gebied, die oorspronkelijk eigendom waren van verschillende maatschappijen, werden vanaf 1911 overgenomen en geëxploiteerd door de Noord-Zuid-Hollandsche Tramweg Maatschappij (NZHTM), kortweg NZH te Haarlem. In 1946 werden alle betrokken maatschappijen ondergebracht bij de Electrische Spoorweg-Maatschappij (ESM) die, vanwege de bekendheid van de letters NZH, de nieuwe naam Noord-Zuid-Hollandse Vervoer Maatschappij (officieel NZHVM) kreeg.’ (ibid.)

[3] Algemeen Dagblad, 12 mei 1958. In het interview dat Bibeb in 1964 met Van Genk hield, lijkt zijn tekening te worden beschreven: ‘‘Dat is de blauwe tram die ik u beloofde, de laatste rit, ’s nachts om 12 uur.’ […] De bestuurder van de blauwe tram draagt een zwarte bril, aan de tram hangen trossen mensen. Ze hebben dikke, lachende gezichten. Ze komen uit de ramen, ze staan met vlaggetjes naast de rails, ze roepen.’ (Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 113)

[4] Het gaat om de catalogusnummers 2 (Amsterdam), 7 (Amsterdam), 20 (Den Haag) en 21 (Amsterdam).

[5] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 107.

[6] De foto van het tegeltableau was een illustratie bij een artikel in Het Parool op 13 november 2018, “Het retourtje Amsterdam-Zandvoort is weer even terug” (geraadpleegd op 11 juli 2020).

[7] In het interview uit 1964 met Bibeb is sprake van ‘werk dat niet op de tentoonstelling [in Hilversum; JvdW] is gekomen’, waarbij mogelijk ook tekeningen zitten die Van Genk heeft gebruikt voor Bahnhöfe van weleer. Onder meer worden beschreven ‘de laatste stoomtram naar Geldermalsen’ en ‘de laatste blauwe tram’. Van Genk over een van de tekeningen: ‘Dat zijn de arbeiders, ze zetten al die paaltjes voor de autobus. Je hebt nou niks meer, ’t zijn allemaal autobussen, de tram is opgeheven. Zo is het met alle dingen in het leven.’ (Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 112)

Harmelenstraat (4)

Dit is het vierde deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden, het tweede deel hier, het derde deel hier

Walda 002

Willem van Genk in zijn appartement, ca. 1997. Foto: Mattheus Engel

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Bij het bestuderen van foto’s van het interieur van Willem van Genk kom je ogen tekort. Net als bij het bekijken van zijn tekeningen, schilderijen en assemblages ontdek je steeds weer andere details, duiken er verbanden op, zie je zaken die je eerder niet zag en ontstaan er nieuwe structuren. Ook in die zin kan Harmelenstraat 28 als een kunstwerk worden beschouwd, tegelijkertijd tweedimensionaal (de foto’s van het interieur), driedimensionaal (het interieur an sich) en zelfs vierdimensionaal (het interieur doorheen de tijd). Dat laatste heb ik eerder aangestipt: het interieur was tussen 1964 en 1998 uiteraard niet statisch, met een andere situatie in 1970, 1980, 1990 of wanneer dan ook. Van Genk kocht boeken en jassen, maakte trams en trolleybussen, veranderde de centrale muur in zijn voorkamer, bouwde Busstation Arnhem en ga zo maar door. En zelfs dat dynamische aspect is in verband te brengen met zijn andere werk, waaraan hij vaak eveneens elementen bleef toevoegen – als hij daartoe de mogelijkheid had.

Als gezegd bestond de woonkamer van Willem van Genk in zijn appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag uit een voor- en een achterkamer, beide met een raam aan de straatkant. In de achterkamer was nauwelijks eigen werk te vinden, in tegenstelling tot met name de slaapkamer en de voorkamer. Midden in de kamer stond een eettafel met (meestal) drie stoelen, die niet de indruk maakte vaak voor eten te worden gebruikt. Het is deze tafel waarop Ans van Berkum doelt als ze schrijft: ‘Op een ronde tafel zijn twee plastic zakken uitgespreid, een van Amsterdam Airport Shopping Center en een van de Haagsche Courant. Daarop staat zijn verzameling modelvliegtuigjes, voor een groot deel met de neuzen naar elkaar toe.’ [1]

Deze beschrijving van Van Berkum correspondeert met de situatie die te zien is op een gedetailleerde kleurenfoto van de achterkamer, die vermoedelijk uit dezelfde tijd (ca. 1997) is. Op de tafel liggen inderdaad de twee genoemde plastic zakken en staan de modelvliegtuigjes, zij het niet ‘voor een groot deel met de neuzen naar elkaar toe’. Verder liggen er onder meer het boek Bergen op Zoom verleden tijd (1983), met historische foto’s van de stad uit de titel, en een catalogus van de tentoonstelling Insita ’97 in Bratislava. [2]  Links naast de tafel ligt een kleurenkopie van een deel van Van Genks schilderij Praag, waarmee een opvallend aspect van de achterkamer in beeld komt: de ruimte bevatte geen primair werk van Van Genk, maar wel een aantal reproducties.

2010 005b

De achterkamer van Harmelenstraat 28, ca. 1997. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

Tegen de achtermuur (grenzend aan het trapportaal) is op de foto het tweede grote meubelstuk van de achterkamer te zien, een dressoir. Een nauwkeurige beschrijving van alles wat op, naast, voor en boven het dressoir staat, ligt en hangt zou duizenden woorden beslaan, zo druk is deze plek die echter tevens relatief geordend is. Op het dressoir staat naast een telefoon een groot aantal modelautootjes, -bussen, -treinen en -trams, alle schuin opgesteld en met de voorkant naar rechts. [3] Aan de rechterkant begint ‘de collectie mini-Eiffeltorens en zendmasten’, [4] die doorgaat op een lager kastje of tafeltje naast het dressoir. Achter de torentjes op het dressoir hangen twee posters voor homo-evenementen in Leiden en Den Bosch. Daaraan vastgemaakt is een afbeelding van het hoofd van Ivan Jirous, een Tsjechische dichter en dissident, [5] met daar weer overheen een pasfoto.

056 deur

De zijdeur in de achterkamer. In de groene cirkel de poster van de tentoonstelling van Peter Mattheij; in de rode cirkel de ets Collonade. Foto: Nico van der Endt (contactafdruk)

Boven en rondom het dressoir hangen andersoortige posters en schilderijen, die echter geen van allen als werk van Van Genk zelf te identificeren zijn. Wel staat op het dressoir, achter de gele treinstellen, een reproductie van Madrid, mogelijk afkomstig uit het boek nederlandse naïeve kunst (1979) van Joop Bromet en Nico van der Endt. Links naast het dressoir grenst de muur van de achterkamer aan een muurkast in de hal. Van Genk zette de deur hiervan soms tegen de voordeur open, omdat hij bang was bespied of afgeluisterd te worden door zijn buren, wat hij op deze manier dacht te voorkomen. [6] Door de uitsparing van de muurkast ontstond een soort nis waarin de deur tussen de achterkamer en de hal zich bevond, een deur die waarschijnlijk niet meer werd gebruikt. Op de deur had Van Genk onder meer een affiche bevestigd van een tentoonstelling van collega-kunstenaar Peter Mattheij (1932-2001), Het Arnhem van Peter J.H. Mattheij. Ook hing er een reproductie van de ets Collonade, samen met de afbeelding die mogelijk de inspiratie voor de ets had gevormd en die ook op de achterkant van het schilderij Colonnade St. Pieter is geplakt.

Opvallend en nadrukkelijk aanwezig op vrijwel alle foto’s van de achterkamer zijn de grote hoeveelheden boeken. Waar deze in vrijwel elke kamer van Harmelenstraat 28 te vinden waren, leek dit deel van de woonkamer de belangrijkste opslagplaats te zijn. De boeken stonden niet alleen op het dressoir maar lagen ook in rijen op de grond onder het raam. Op een foto uit 1991 is te zien dat ze daarnaast in grote hoeveelheden onder, voor en op de eettafel lagen. Daarop stond in het midden vrijwel altijd een grote vaas met lelies, en in 1991 lag er naast de boeken en modelvliegtuigjes ook een stapeltje ansichtkaarten met Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. [7]

056 Del Curto

De achterkamer van Harmelenstraat 28, 1991. In de rode cirkel de ansichtkaarten met Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Foto: Mario del Curto

Op andere momenten diende de tafel als uitstalling voor kranten en tijdschriften, zoals te zien op een foto van Nico van der Endt uit het midden van de jaren tachtig. Te herkennen zijn diverse exemplaren van het periodiek NU van de vereniging Nederlands-USSR, onder andere (op de voorgrond) het nummer waarin een tekening van Van Genk was afgedrukt. Op alle foto’s en filmbeelden uit de jaren negentig is de uitstalling op de tafel verdwenen, maar Dick Walda laat de kunstenaar er nog wel aan refereren in een interview uit dat decennium. [8]

056 waaier

Kranten en tijdschriften op de eettafel, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

De achterkamer van Harmelenstraat 28 leek niet de plek te zijn waar Willem van Genk zichzelf en zijn werk aan de buitenwereld wilde tonen, al wijzen het dressoir en de eettafel wel op een zekere presentatiefunctie. Bezoekers aan het appartement werden ontvangen in de voorkamer. Van daaruit was er vrij zicht op de achterkamer, maar rechtstreeks uit de hal werd deze niet meer betreden. Voor de boeken in de kamer zal wellicht een ordenend principe hebben gegolden, maar uit de foto’s is dit vooralsnog niet op te maken – op het dressoir staan enkele rijen naslagwerken, maar verder zijn alleen losse titels te herkennen die niet direct op een samenhang wijzen.

056 boeken

Boeken op de vloer in de achterkamer. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

Was Harmelenstraat 28 te beschouwen als een Gesamtkunstwerk van Willem van Genk? Een bevestigend antwoord sluit in feite het losmaken uit het interieur van Busstation Arnhem of de raincoats uit – die zijn in dat geval integrale onderdelen van het werk in zijn geheel. Maar de vraag hoeft niet te worden beantwoord om de historische, biografische en ook artistieke waarde van het interieur te erkennen. Hoe het ook zij, het interieur bestaat niet meer. Wat rest zijn foto’s en enkele filmbeelden, die een overvloed aan informatie leveren en die samen met de bewaard gebleven elementen een gedeeltelijke reconstructie mogelijk maken. Dat kan in woorden, zoals ik hier uitgebreid (maar nog steeds relatief summier) heb gedaan. Beeldmateriaal is daarbij onontbeerlijk, en te denken valt aan een verzameling van zoveel mogelijk foto’s van het interieur als basis van een separate monografie die dit deel van het oeuvre van Van Genk kan tonen. Nog een stap verder is een daadwerkelijke, driedimensionale reconstructie van het hele interieur, idealiter op de oorspronkelijke locatie. Maar dat lijkt erg veel gevraagd, ook van de Stichting Willem van Genk – al zou een reconstructie van de woonkamer een begin kunnen zijn.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31.

[2] De Insita is een driejaarlijkse tentoonstelling voor naïeve kunst, art brut en outsider art in Bratislava, die in 1997 voor de vijfde keer werd gehouden: ‘In juni wordt de Triënnale Insita te Bratislava geopend. In de zogenaamde ‘competitieve sectie’ van hedendaagse kunstenaars wordt traditioneel een Grand Prix verleend. De jury, waar ik nog altijd deel van uitmaak, kiest ex aequo voor de Rus Pavel Leonov en de Nederlander Willem van Genk. De prijs bestaat uit een solo presentatie tijdens de volgende Triënnale. Willem zal de oorkonde zonder commentaar bekijken, zuster Tine is trots en zal hem laten inlijsten.’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 109).

[3] Zuster Tiny: ‘Het moet precies staan, zoals Wim het wil. Zelfs in de kasten, kijk maar in de keuken, daar staan de doosjes schuin op een rijtje. Heeft hij van z’n vader. […] Alles in huis moet schuin en scheef op een rij staan.’ (Walda, Koning der stations, pp. 142-143)

[4] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31. Ook: ‘In het huis van Van Genk getuigen veel voorwerpen van lang vervlogen gebeurtenissen, zoals zijn vroegere passie voor een bouwwerk als de Eiffeltoren. Hij kon er maar niet mee ophouden modellen van de toen aan te schaffen.’ (Walda, Koning der stations, p. 10)

[5] Jirous was de manager van de Tsjechische band The Plastic People of the Universe, waarvan de naam gedeeltelijk terugkeert op Van Genks werk Orkest van Coburg.

[6] E-mail van Nico van der Endt aan Jack van der Weide, 24 mei 2020. In zijn boek Kroniek van een samenwerking maakt Van der Endt hiervan melding bij het jaar 1982: ‘Soms zet hij de deur van een kast naast de voordeur wijd open voor meer bescherming tegen spiedende buren en andere belagers.’ (p. 49)

[7] De kaarten waren uitgebracht ter gelegenheid van de duo-tentoonstelling van Van Genk en Gorki Bollar bij het Informatiecentrum Naïeve Kunst in Rotterdam, van 20 december 1990 tot 25 februari 1991.

[8] ‘Kijk, hier heb ik de kranten en tijdschriften op de ronde tafel als een soort waaier. Dat zag ik in een winkel in Boedapest, en later ook nog in de Gorkistraat in Moskou. Dat doe ik na.’ (Walda, Koning der stations, p. 27)

Harmelenstraat (3)

Dit is het derde deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden, het tweede deel hier.

053 - London

London | ca. 1965 | gemengde techniek op hardboard | 36 x 116 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Marcel Köppen

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

De woonkamer van Willem van Genk in zijn appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag bestond uit twee delen, beide met een raam aan de straatkant, waartussen zich een getoogde doorgang bevond. Zowel de voor- als de achterkamer had een deur naar de hal, in de woonkamer bevond zich bovendien een schuifdeur naar de opslagkamer. Bij binnenkomst in de voorkamer stond meteen rechts, gedeeltelijk voor die schuifdeur, een kast met aan de boven- en onderkant deurtjes en daartussen vier planken met zowel boeken als kleine voorwerpen. Een foto in de serie die Nico van der Endt in het midden van de jaren tachtig maakte, laat drie planken in de kast zien.

NvdE 1986 008a (1024x659)

Kast in de woonkamer van Harmelenstraat 28, ca. 1986. In de rode cirkel Lenie van Genk, in de groen cirkel Peter en Addy Persoon, in de gele cirkel Jozef van Genk. Foto: Nico van der Endt

Tussen de boeken op de onderste plank zijn onder meer te herkennen De antichrist van Friedrich Nietzsche, The Russians van Hedrick Smith, een boek over art brut en enkele deeltje uit de reeks Privé-domein van uitgeverij De Arbeiderspers. Op de bovenste plank waren voornamelijk beeldjes en poppetjes neergezet, met prominente bustes van Lenin en Beethoven maar bijvoorbeeld ook een Mariabeeldje. [1] De middelste plank bevatte snuisterijen, een rij miniatuurautootjes en enkele ingelijste foto’s: rechts het portret van Jozef van Genk dat in 1958 ook gebruikt was voor diens gedachtenisprentje, daarnaast onder meer Van Genks zuster Leny en een gezamenlijke foto van Peter en Addy Persoon.

Ver van huis 004

Still uit Ver van huis – de schoorsteenmantel in de woonkamer van Willem van Genk

Tegenover de deur vanuit de hal naar de voorkamer lag een gemetselde haard met een kachel, met op de schoorsteenmantel een verzameling voorwerpen en (in ieder geval in de jaren negentig) het werk Metrostation Moskou (ca. 1965); ook aan de muur erboven hing een schilderij, van een onbekende kunstenaar. Naast de haard stond een bank, daar weer naast een laag kastje met schuifdeuren waarin ook een radiotoestel; op het kastje stonden vooral vazen en potten met bloemen. Aan en tegen de muur achter het kastje en de bank hing en stond een aantal schilderijen, collages en ander beeldmateriaal – de indruk is dat dit voor Van Genk de centrale tentoonstellingsmuur was. Er bestaan foto’s van de muur uit het midden van de jaren tachtig, uit 1991 [2] en uit 1997/1998.

Op de oudste foto’s is de muur nog vrij sober ingericht. Boven het kastje hangt het schilderij Rome, dat kan worden thuisgebracht via latere foto’s. Het betreft een afbeelding van het monument voor Victor Emanuel II aan het Piazza Venezia, het zogeheten Vittoriano. [3] Op de rugleuning van de bank staan, van links naar rechts, een ronde foto van een schilderij van een meisje met een hond; [4] twee foto’s van de hond Coco met een muilkorf; het schilderij London; en een foto van een kasteelachtig bouwwerk, met daarvoor een prentbriefkaart van een kustlandschap. Boven de bank hangt het schilderij Assisi, een van de weinige werken van Van Genk die op doek zijn geschilderd. Rechtsboven hangt een stilleven door Peter Persoon, dat door Van Genk is nageschilderd op Zelfportret – zwakzinnigennazorg. Eronder hangt een afbeelding, mogelijk een reliëf, van twee personen met een paraplu.

NvdE 1986 007a (1024x674)

Detail woonkamer van Harmelenstraat 28, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

Vijf jaar later blijkt de muur drukker te zijn geworden. Het opvallendste verschil is een aantal collages, grotendeels rond van vorm, rondom de schilderijen aan de muur. Ook ten tijde van de beschrijving van Van Berkum waren ze nog te zien:

Boven de bank hangt een serie collages in de uit zijn schilderijen zo bekende tondo-vorm, waarvan de onderdelen vooral uit modetijdschriften lijken te komen. Het verschijnsel ‘dame’ speelt in deze serie duidelijk de hoofdrol. Vanuit het hart van deze muurcollage staart het verweerde gezicht van een mysterieuze vrouw de kamer in. Van Genk heeft haar op een plastic sinaasappelnetje vastgemaakt. [5]

Van Berkums ‘mysterieuze vrouw’ is de grootste van een aantal uitgeknipte foto’s van hoofden en bovenlichamen van vrouwen, inderdaad bevestigd op een stuk van een sinaasappelnetje zoals hij dat ook gebruikte voor zijn werk Zagreb. Het netje met de foto’s is aan één kant bevestig boven het schilderij Rome, zodanig dat het over het midden van het werk valt. Vier collage-tondo’s, eveneens met vooral uitgeknipte foto’s van hoofden en bovenlichamen van vrouwen, zijn bevestigd achter de hoeken van het schilderij. Vanaf Rome loopt een spoor van dergelijke tondo’s om Assisi heen, met boven dat laatste schilderij een raster met voorwerpen. Links van Assisi hangt een uitgeknipte pin-up girl.

MdC 1991 003a (1024x676)

Willem van Genk in zijn woonkamer, 1991. Foto: Mario del Curto.

Op de foto’s van Del Curto staat op de leuning van de bank voor Londen het werk Tank II, dat op andere opnames in de slaapkamer te zien was. Bij het raam liggen enkele hardboardplaten met een paar kleine voorwerpen erop, maar van de installatie Busstation Arnhem is verder niets te zien. [6] Op foto’s van een aantal jaren later is de situatie onder het voorkamerraam radicaal anders, onder het raam ligt een compleet emplacement van ongeveer twee bij twee meter:

Op het eerste gezicht een warwinkel van materialen, van draden, masten, torens, stangen en teksten. Roosters die aan plastic buizen hangen, torsen cijfers en woorden: Coburg, McDonald’s, C&A, en telkens weer politie, politie, politie. Lampen en blikjes bekronen de hoogste punten. Tegen het raam op eindigt het werk in een bos van torens uit omwikkelde kit-kokers, flessen, dozen en buizen. [7]

‘Op het eerste niveau staan trolleybussen, strak in het gelid’, vervolgt Van Berkum haar beschrijving, maar foto’s van de installatie tonen aan dat dat bepaald niet het geval is. Wel zijn de bussen (en trams, en andere onderdelen van de installatie) dicht tegen elkaar aan geplaatst. Te zien is dat het duidelijk om kleinere, minder gedetailleerde voertuigen gaat dan de losse bus- en tramassemblages en dat de koekjesverpakkingen in de vorm van trolleybussen vaak maar weinig bewerking hebben ondergaan. Op een aantal foto’s is een pluchen hond zichtbaar, die een datering mogelijk maakt: de hond werd in mei 1997 gekocht door Nico van der Endt voor Van Genk tijdens diens verblijf in ziekenhuis Leyenburg na het eerste herseninfarct. [8]

2010 008b

Busstation Arnhem in de woonkamer van Willem van Genk, ca. 1997. Foto: Stichting Collectie De Stadshof

De voorkamer van Willem van Genk in Harmelenstraat 28 was kunsthistorisch gezien de interessantste ruimte van het huis. Hier hing en stond een aantal van zijn schilderijen, hier had hij een muur artistiek bewerkt, hier bouwde hij de installatie Busstation Arnhem op. Tegelijkertijd fungeerde de ruimte ook wel degelijk als woonkamer, met een kachel, een bank, een salontafel, stoelen en met kasten die ook plaats boden aan bloemen, bric-à-brac en familieportretten. We zullen zien dat de aangrenzende achterkamer, hoewel eveneens interessant, een ander karakter had.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] ‘Er is een kastje met een verzameling popjes en bustes, met Lenin en Beethoven centraal.’ (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 31)

[2] ‘Met de Zwitserse kunstfotograaf Mario del Curto ga ik op bezoek bij Willem om foto’s van zijn interieur te maken, we hopen op meer. Hij schrikt telkens bij het klikken van de camera. Pas als wij gezamenlijk de hond gaan uitlaten en Willem in zijn stoere jas is gehuld, mogen er ook enkele foto’s van hem gemaakt worden. De fraaie foto’s worden opgenomen in zijn boek Les Clandestins – sous le vent de l’Art Brut, dat in 2008 verschijnt.’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 69)

[3] Van Berkum, die de afbeelding wel maar het werk niet kan thuisbrengen, spreekt van ‘een Romeins stadsgezicht met het monument voor Victor Emmanuel’ (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 30).

[4] ‘In de huiskamer hangt boven het dressoirtje een zoet portret van een meisje met een hond.’ (ibid.)

[5] Ibid.

[6] Van der Endt vermeldt Van Genks ‘gestaag groeiend autobusstation onder het raam in de woonkamer’ in zijn boek pas in 1994 (Kroniek van een samenwerking, p. 93).

[7] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 30.

[8] ‘Vriend Van der Endt bezoekt hem en samen kopen ze een zwart-witte stoffen Dalmatiër in het ziekenhuiswinkeltje. Ook deze hond wordt Coco genoemd.’ (Walda, Koning der stations, p. 163) ‘Twee weken later kunnen we samen al weer naar de kantine om koffie te drinken. In de aangrenzende winkel koop ik een grote speelgoedhond waar hij naar keek. Tegen Dick Walda zegt hij: “Kijk, die speelgoedhond, die Dalmatiër is wel aardig om naar te kijken, maar die zegt geen stom woord terug.”’ (Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 107)

Harmelenstraat (2)

Dit is het tweede deel van een tekst over de woning van Willem van Genk aan de Harmelenstraat in Den Haag. Het eerste deel is hier te vinden.

052 Valle-de-los-Caidos

Valle de los Caidos | ca. 1985 | gemengde techniek op hardboard | 64 x 119 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

In de tijd dat Willem van Genk er woonde, telde Harmelenstraat 28 in Den Haag twee slaapkamers. Waarschijnlijk hadden de kunstenaar en zijn zuster Willy van 1964 tot 1972 ieder een eigen slaapkamer, waarbij de grootste voor Willy was. Na haar overlijden bleef Van Genk in zijn eigen kamer slapen en werd Willy’s kamer zijn opslagkamer, met name voor zijn collectie raincoats. Beide kamers waren vanuit de hal van het appartement te bereiken, tussen de opslagkamer en de woonkamer was daarnaast nog een schuifdeur.

052 NvdE 1986 002

De slaapkamer van Willem van Genk, ca. 1986. Foto: Nico van der Endt

In de slaapkamer van Van Genk stond tegen de rechtermuur (grenzend aan de keuken) een opklapbed, met op de ombouw enkele werken en kleinere voorwerpen. Op een foto die Nico van der Endt rond 1986 maakte is aan de rechterkant Valle de los Caidos te zien, tegenwoordig in bezit van Stichting Collectie De Stadshof. Links zijn twee werken te onderscheiden met afbeeldingen van Italiaanse locaties, Dom van Ravenna en daarachter Engelenburcht. Naast Engelenburcht is met enige moeite ook nog Smolny Kathedraal te zien, dat Van der Endt net als Dom van Ravenna in 1999 verkocht aan een Amsterdamse verzamelaar. [1] In de rechterbovenhoek van Engelenburcht is een plaatje bevestigd van een meisje met een ijsje. Het zou gemaakt kunnen zijn met een sjabloon dat links te zien is. Naast het sjabloon hangt een label van reisorganisatie Holland International.

Zo’n tien jaar later maakten Ans van Berkum, Bart van Hattum en Pim Leutholff een aantal foto’s van de slaapkamer waarop onder andere eveneens de ombouw van het opklapbed te zien is. [2] Nu stonden er gedeeltelijk andere werken uitgestald: naast nog steeds Dom van Ravenna en Smolny Kathedraal waren te zien Tank II, Pink Pronkjewail, Wissenschaft und Menschheid en Keleti Station. Te zien was verder dat het sjabloon van het meisje met het ijsje met een wasknijper vast zat aan Smolny Kathedraal. Van Berkum als zij het over Engelenburcht (niet te zien op de foto’s) heeft:

Van Genk heeft dit werk altijd bewaard op de plank boven zijn opklapbed. Met een wasknijper was er rechtsbovenaan een sjabloon op bevestigd. Onder de tekst *bezoek de druivenfeesten in Naaldwijk* en enkele schertsende mannentronies, is de contour van het bekende meisje met de blonde krul uitgesneden. Ook onderaan Engelenburcht is zij weer aanwezig, met haar krul in reliëf. Ze blijkt tevens naast de fotograaf in de bruiloftsstoet [op Dom van Ravenna; JvdW] te staan en is in de zogenaamde lijst van de barokke kathedraal [Smolny Kathedraal; JvdW] gestoken. We zullen haar nog vaker treffen. [3]

052 Meisje Pilsen

Kathedraal Pilsen, ca. 1965 (detail)

Inderdaad komt het meisje met het ijsje vaker voor, onder andere ook op Victoria Station, Vervoer USSR, 1 mei parade en Kathedraal Pilsen. Het meisje op dit laatste werk lijkt wel heel erg op het plaatje in de rechterbovenhoek van Engelenburcht op de foto van de slaapkamer door Van der Endt.

Op die foto zijn verder op de rand van de ombouw enkele voorwerpen te onderscheiden, waaronder een brillendoos, een bril, een verstuiver, buttons en een schemerlampje. De bril en het lampje zijn ook te zien op de foto’s uit Een getekende wereld, nieuw zijn daar onder meer een wekkertje en een globe. Linksboven aan de muur zijn enkele affiches en knipsels opgehangen, waaronder een kindertekening met een gele kip en afbeeldingen van trams. Ook zijn op het bed enkele bus-assemblages te zien, al gaat het daarbij mogelijk om een enscenering. De wand tegenover de deur bestaat vrijwel geheel uit een raam en een deur naar het balkon, met onder het raam een verwarmingsradiator.

052 slaapkamer AvB

De slaapkamer van Willem van Genk, ca. 1997. Foto’s: Ans van Berkum, Bart van Hattum en Pim Leutholff

De linkerkant van de kamer is volgestouwd met spullen, vooral kastjes en opgestapelde bananendozen met boeken. Naar het raam toe staan een tafeltje en een stoel, met op het tafeltje opnieuw enkele bus-assemblages. Naast het tafeltje staat het schilderij Vesuvius, tussen de boeken staat een oud radiotoestel, dat al te zien is in de reportage van Brandpunt uit 1964 en dat dus waarschijnlijk van Willy is geweest. Ook is af te leiden uit de reportage dat dit de kamer is waarin Van Genk werd gefilmd terwijl hij aan het werk was bij Willy. Zelf het vaasje op het radiotoestel is blijven staan.

Het tafeltje was vermoedelijk ooit de plek waar Van Genk werkte aan de bus-assemblages: aan de linkerkant zijn op de foto’s uit Een getekende wereld materialen te zien als plakband, lijm en terpentine. Op de dozen met boeken ernaast staan frisdrankbekers en frietdoosjes van McDonald’s. In het vaasje op het radiotoestel staat ook een vlaggetje van McDonalds’s, een fastfoodketen waar Van Genk regelmatig at; gedeeltes van McDonald’s-verpakkingen keren terug in de bus-assemblages. Dick Walda:

Na de Looserweg naar Donald.
Ik vraag: – Wie is Donald?
Hij bedoelt Mc Donald, als ik verder vraag.
Van Genk eet daar achter elkaar drie bakjes patat op en stopt vervolgens de lege bakjes […] in zijn zak. [4]

Op de foto’s van Van Berkum e.a. is te zien dat de linkermuur van de slaapkamer beplakt en behangen is met een grote hoeveelheid knipsels en affiches. Naast het werktafeltje hangt een afdruk van de ets Colonnade, samen met de al eerder genoemde tekening met een afbeelding die vrijwel identiek is aan die op de ets. Opvallende affiches zijn onder meer die met een foto van een gebroederlijk naast elkaar zittende kat en hond – Deze poster wordt u aangeboden door kitekat en CHAPPI – en een poster met een prominente roze driehoek en de tekst internationale homodag ’80. Rechts hangt een grote poster in zwart-wit met een afbeelding van het Sowjetisches Ehrenmal in het Treptower Park in Berlijn: een man met een zwaard en een kind op zijn arm. Het bijschrift in het Spaans vermeldt dat het om een herinnering aan de overwinning van de Sovjetunie in de Tweede Wereldoorlog gaat.

Van de opslagkamer zijn minder foto’s bekend dan van de slaapkamer. Naast de deur in de hal bevatte de kamer nog twee schuifdeuren, naar het balkon en naar de woonkamer. De belangrijkste meubelstukken waren enkele grote kledingkasten waarin het merendeel van de raincoats hing, met soms op de planken erboven boeken. Ook in de kamer stond een kaptafel met daarop materialen om de jassen te bewerken. Dick Walda: ‘De belangrijkste kamer in de woning was de ‘opslagkamer’, met een kast boordevol raincoats en een enorme stapel tekeningen, rechts als je het kamertje binnen kwam. Ik heb eerlijk gezegd die stapel nooit bekeken maar er kwam alsmaar nieuw werk bij’. [5] De stapel die Walda wellicht bedoelt is te zien op enkele foto’s in Een getekende wereld, al springen daar met name de bus-assemblages in het oog die vóór 1996 in de douchecel waren opgeslagen.

052 NvdE 1986 004
052 NvdE 1986 003

052 NvdE 1986 001

De opslagkamer van Willem van Genk, ca. 1986. Foto’s: Nico van der Endt

Nico van der Endt, sprekend over een bezoek aan het appartement van Van Genk in 1977: ‘In de logeerkamer zie ik een grote berg plastic regenjassen opgestapeld. Even later opent hij een kledingkast en toont hij mij met een brede glimlach zijn kostbare schat van tientallen plastic regenjassen.’ [6] Ook Ans van Berkum refereert een kleine twintig jaar later aan de opslagkamer als ‘de logeerkamer’ als ze de jassen bespreekt: ‘Hij vult er de kasten mee in zijn logeerkamer, tot er echt geen plekje meer leeg is. Op knaapjes en in stapels gevouwen […]. Op het logeerbed, onder de deken, ligt een gigantische bult. Hij drapeert ze in bergen over een kruk.’ [7] De muren van de opslagkamer waren niet geheel leeg, maar in vergelijking met de slaap- en woonkamer was de aankleding uiterst sober.

De raincoats kunnen naar mijn mening het beste worden beschouwd als een onderdeel van het interieur van Van Genk. Daarmee is hun waarde in zichzelf niet meteen artistiek maar zijn ze een aspect van, zo men wil, het Gesamtkunstwerk dat de woning vormde. Vrijwel elke ruimte in Harmelenstraat 28 droeg – uiteraard – het stempel van de bewoner, wat op zichzelf nog geen reden is om van een kunstwerk te spreken. Het appartement was de plaats waar de persoonlijke en artistieke sferen elkaar raakten en in feite niet meer te scheiden waren. Het duidelijkst was dit het geval in de woonkamer, die in deze beschrijving tot het laatst is bewaard en waarvan met afstand de meeste afbeeldingen beschikbaar zijn.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 117. De verzamelaar woonde boven Galerie Hamer; hij overleed enige jaren later. Wat er met de werken van Van Genk is gebeurd, is niet bekend.

[2] Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 72-73.

[3] Ibid., p. 26.

[4] Walda, Koning der stations, p. 71.

[5] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 25 mei 2020. In een mail van 27 mei 2020 zegt hij verder: ‘Het hele huis stond boordevol, vooral de opslagkamer was een puinhoop waarin Willem feilloos de weg kon vinden.’

[6] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41.

[7] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 28.

Harmelenstraat

Walda 003

Willem van Genk in zijn appartement, ca. 1997. Foto: Mattheus Engel

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Willem van Genk werd op 5 april 1927 geboren in Voorburg, maar het precieze adres is vooralsnog onbekend. Op een persoonskaart in het Haags gemeentearchief is te lezen dat het gezin van Jozef en Maria van Genk op 19 juni 1925 vanuit Den Haag naar Voorburg verhuisde. Als adres wordt de Van Heurnstraat gegeven, waarbij het getal 89 is doorgestreept en vervangen door 87. Of dit ook het geboorteadres van Willem van Genk is, kan hieruit niet met zekerheid worden afgeleid. Na de dood van zijn moeder woonde Willem enige tijd bij zijn tante en oom aan de Zuivelstraat 11 in Bergen op Zoom, waarna hij in de jaren dertig ook nog verbleef op internaten in Huijbergen en Harreveld. Een volgend adres is Magnoliastraat 10 in Den Haag, dat in ieder geval vanaf juni 1941 zijn thuisadres was. Het staat bovendien op stempels in boeken en op documenten die waarschijnlijk uit de periode 1945-1950 dateren.

In het interview met Bibeb uit april 1964 bleek Van Genk op dat moment in een goedkoop pension te wonen dat verbonden was aan de AVO-werkplaats:

Het kosthuis van Wim van Genk is een arm café, met verlof A. Een kale, smalle ruimte, waarin op ’t moment dat we binnenkomen, een aantal mannen wezenloos zit te staren. Totdat een dikke vrouw, ze draagt een pan, schreeuwt: ‘Jongens aan tafel.’ Ze gehoorzamen, bijna zonder geluid. Van Genk zit met de rug naar me toe, het hoofd naar voren, net als de anderen, doodstil. [1]

Dick Walda hierover:

Bibeb interviewde Willem voor Vrij Nederland in de periode dat hij woonde in het armoedige pension van Troekie Spigt. Troekie was ‘n reusachtige vrouw waar Willem doodsbenauwd voor was. Vrouwen werden niet toegelaten in het pension. Willem werd ziek en Tiny wilde haar broer graag bezoeken. Troekie was evenwel onverbiddelijk: Tiny kwam niet binnen. [2]

Volgens Van Genks zuster Tiny, die het kosthuis ‘een café van laag allooi’ noemde, woonde haar broer hier vijf jaar. [3]

Na het kosthuis van Troekie Spigt trok Van Genk later in 1964 in bij zijn jongste zuster Willy in een appartement aan de Harmelenstraat 28 in Den Haag. Hier bleef hij tot 1998 wonen, aanvankelijk samen met Willy en na haar dood in 1972 alleen. Het overgrote deel van zijn werk ontstond hier, ook omdat hij er al in zijn kosthuistijd elke avond heen liep om te kunnen tekenen. Tiny had het appartement indertijd voor Willy gekocht en schonk het in 1972 aan Willem. Zuster Jacqueline woonde om de hoek en deed na de dood van Willy voor haar broer jarenlang de boodschappen en het huishouden.

De Harmelenstraat is een 250 meter lange straat in de wijk Leyenburg, zo’n twintig minuten rijden van station Den Haag Centraal. Aan de oostzijde van de straat werd aan het begin van de jaren vijftig een rij lage flatwoningen gebouwd, met zeven ingangen van steeds zes appartementen. Harmelenstraat 28 ligt aan de linkerzijde op de derde en bovenste verdieping van de tweede ingang. Willy van Genk was vermoedelijk de eerste bewoner van het appartement. In de tijd dat Willem van Genk er woonde, omvatte de woning een woonkamer (bestaande uit twee delen), twee slaapkamers, een keuken, een douchecel en een toilet. Aan de achterkant was een balkon over de gehele breedte van het appartement. [4] Bij de woning hoorde ook nog een kelderbox:

Tijdens een bezoek aan Willem in Den Haag neemt hij mij mee naar zijn kelderbox in het souterrain. Bij het opendoen van de deur slaat een ijskoude tocht ons in het gezicht. Door een gat in de ruit van het kleine raam hoog boven de grond komen wind en regen naar binnen. Op de grond bloed en duivenveren. Willem grijnst en mompelt iets over een kat. Rechts tegen de wand staat een tiental grote pentekeningen op de grond, gebrekkig ingelijst en deels ook met gebroken glas. Na enige overreding mag ik de werken weghalen, ontdoe ze van de lijsten en leg ze veilig boven bij hem neer. [5]

De pentekeningen die Van der Endt hier beschrijft – het betreft het jaar 1977 – waren mogelijk de werken die Van Genk in 1973 terug had gekregen van Pieter Brattinga.

051 Harmelenstraat GSV

De Harmelenstraat in Den Haag, gezien via Google Street View. Achter de twee ramen in de rode cirkel lag de woonkamer van Willem van Genk. De ingang voor huisnummers 24 tot 34 lag bij het bord met de blauwe pijl.

In de monografie Een getekende wereld beschouwt Ans van Berkum het interieur van Van Genks appartement in de Harmelenstraat als een onderdeel van zijn oeuvre, als een Gesamtkunwerk dat te vergelijken is met omvangrijke kunstomgevingen van kunstenaars als Helen Martins, Tressa ‘Grandma’ Prisbrey en Bertus Jonkers: ‘Van Genks interieur is op dezelfde associatieve wijze geconstrueerd als zijn tweedimensionale stukken.’ [6] Ten tijde van het schrijven van de monografie was het interieur nog intact, waarbij Van Berkum het vermoedelijk had bekeken op een moment dat Van Genk was opgenomen – zelfs voor mensen die hij kende deed hij in deze periode nauwelijks de deur meer open en voor Van Berkum voelde hij weinig sympathie. [7]

De beschrijving van Van Genks appartement in Een getekende wereld, ongeveer 1400 woorden, dateert derhalve hoogstwaarschijnlijk uit 1996 of 1997. Dit leidt tot een eerste punt van aandacht bij een (vooralsnog theoretische) reconstructie van het interieur: het gaat om een dynamisch proces dat werd afgebroken op het moment dat het appartement in 1998 werd ontruimd, de situatie in bijvoorbeeld 1976 of 1986 zal een heel andere zijn geweest. Daar komt bij dat de tekst van Van Berkum uiteraard in dienst staat van haar interpretatie van het werk van Van Genk. Ze beschrijft elementen die passen binnen die interpretatie of die daar in ieder geval niet mee in tegenspraak zijn, maar van een systematische inventarisatie is geen sprake. Desalniettemin is de tekst in Een getekende wereld de enige meer uitgebreide beschrijving van het interieur die er is.

051 Plattegrond

Plattegrond van Harmelenstraat 28 tot 1998 (bij benadering)

Een tegelijkertijd meer gefragmenteerd én vollediger beeld van het appartement rijst op uit Koning der stations van Dick Walda. De uitgangspunten van Walda en Van Berkum zijn uiteraard verschillend: waar laatstgenoemde een kunsthistorische positie inneemt, is het Walda er vooral om te doen om een beeld van de persoon Van Genk te geven, onder andere door elementen uit diens leefomgeving te beschrijven. Alleen in het begin van zijn boek geeft hij een iets meer algemene karakterisering van de woning: ‘Willem van Genk woont in Den Haag, in een kleine woning, die ook vol staat met snuisterijen, veel op straat gevonden. En ook – deels verstopt achter kasten en onder zijn bed – collages, of fragmenten daarvan. […] Het werk van Van Genk is – net als het interieur van zijn huis, als zijn denken, als zijn praten – van een verontrustende en overweldigende chaos.’ [8]

051 Hondenmand

Hondenmand in de hal van Harmelenstraat 28. Rechts een blik in de slaapkamer van Van Genk. Foto: Mattheus Engel

In de hal van het appartement stond in de laatste jaren een hondenmand met daarin een op karton geplakte foto van een treurig kijkende hond, een element dat zowel Walda als Van Berkum vermeldt. Het betrof niet Van Genks hond Coco, die begin 1996 naar een asiel was gebracht, maar een andere ‘Polderweghond’: ‘Ik praat tegen hem en het voordeel is natuurlijk dat je hem niet uit hoeft te laten’. [9] Van de andere kleine ruimtes is ook de douchecel interessant, omdat dit de plaats was waar Van Genk aanvankelijk zijn bus-assemblages opsloeg en waar ze door Nico van der Endt werden gevonden. Wanneer het gaat om de woning als Gesamtkunstwerk zijn met name de twee slaapkamers en de woonkamer van belang.

(wordt vervolgd)


NOTEN

[1] Bibeb, “Ik ben een stuk grijs pakpapier”, p. 118.

[2] E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 19 mei 2020.

[3] Walda, Koning der stations, p. 34.

[4] Latere bewoners hebben de indeling van het appartement veranderd. Ook is een deel van de woningen op de derde verdieping uitgebreid met een dak-etage. In mei 2020 stond Harmelenstraat 88 te koop, een woning die ooit vrijwel identiek was aan die van Van Genk. Nummer 88 had nog relatief weinig veranderingen ondergaan, waardoor de makelaarsgegevens een goed beeld gaven van de oorspronkelijke indeling van nummer 28. In juni 2020 werd ook nummer 24 te koop aangeboden, dat weliswaar op de begane grond ligt maar wel op dezelfde hoogte als nummer 28. Te zien was onder meer dat dit stukje van het huizenblok net in de knik van de Harmelenstraat ligt en dat de woningen hier dus niet helemaal recht zijn.

[5] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 41. Ook Dick Walda maakt melding van de kelderbox: ‘Er was ook nog een box. Ik ben een keer gaan kijken. Daar stond werk van Willem, net terug van de een of andere expositie. Keurig ingelijst maar bij het transport was al het glas gebroken in honderd partjes.’ (E-mail van Dick Walda aan Jack van der Weide, 27 mei 2020)

[6] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 25, p. 31.

[7]‘Zo sympathiek als hij Françoise Henrion onmiddellijk vond, zo weinig schijnt hij voor Ans van Berkum te voelen en met afstandelijkheid blijft hij haar ‘madam’ noemen.’ Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, pp. 103-105.

[8] Walda, Koning der stations, pp. 10-11.

[9] Ibid., p. 90.

Knipsels

2018-09-19 09.30.26 (1024x721)

Zonder titel (Keulen, 1 mei) | ca. 1950 | gemengde techniek op papier | afmetingen onbekend | Museum Dr. Guislain, Gent

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

In de monografie bij de overzichtstentoonstelling in Museum De Stadshof in 1998 onderscheidt Ans van Berkum binnen het werk van Willem van Genk vier hoofdonderdelen:

Eerst is er het tweedimensionale werk, waarin hij schilderingen en tekeningen aaneenrijgt en af en toe ook reliëf aanbrengt. Daarnaast vormt zijn collectie regenjassen een wezenlijk onderdeel. De derde categorie bestaat enkele tientallen trolleybussen, die hij maakte van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal. Tenslotte is er het interieur van zijn flat aan de Harmelenstraat, een ‘Gesamtkunstwerk’. [1]

Twaalf jaar later zijn er van deze indeling nog drie onderdelen overgebleven en noemt Van Berkum achtereenvolgens ‘circa honderd tweedimensionale werken’ (waartoe zij ook Van Genks brieven rekent); ‘zijn collectie regenjassen’ (die volgens haar bewerkt zijn met insignes); en ‘enkele tientallen trolleybussen, die hij met behulp van bouwplaten en speciaal geselecteerd afvalmateriaal vervaardigde, en die naar mijn mening een onderdeel vormen van de grote installatie Trolleybusstation Arnhem, die in zijn flat aan de Harmelenstraat in Den Haag in de woonkamer was opgesteld.’ [2]

Over deze indelingen van het oeuvre van Van Genk valt veel te zeggen. In het algemeen is het denk ik zinvol om in ieder geval het tweedimensionale en driedimensionale werk te onderscheiden. Binnen de eerste categorie vallen alle tekeningen, schilderijen, collages, etsen en litho’s die Van Genk maakte. Met name het onderdeel “tekeningen” is uitermate breed en omvat naast de stadspanorama’s en late balpen-tekeningen ook nog nauwelijks geïnventariseerd werk uit de jaren veertig en vijftig. Of ook de brieven tot het tweedimensionale werk moeten worden gerekend, is zeer de vraag. Weliswaar zijn het meestal opmerkelijke objecten die soms ook nog grotere of kleinere tekeningen bevatten, maar de documentatieve waarde lijkt groter dan de artistieke. Daarbij zou inclusief de brieven het aantal tweedimensionale werken vele malen groter zijn dan ‘circa honderd’. Het driedimensionale werk bestaat uit enerzijds de bus-assemblages en anderzijds het busstation. De regenjassen zijn in deze blog al uitgebreid aan de orde geweest, met als conclusie dat ze voor mij (en voor de meeste beschouwers) geen deel uitmaken van Van Genks oeuvre. Het interieur van de woning in de Harmelenstraat vormt een aparte categorie die ik op een andere plaats zal bespreken.

De tweede indeling van Van Berkum was in 2010 te lezen in het boek Willem van Genk bouwt zijn universum, een gezamenlijke publicatie van Museum Dr. Guislain en Stichting Willem van Genk. Aanleiding was volgens het voorwoord vooral de toegenomen kennis van zijn werk; daarbij zouden ‘het belang van de medische achtergrond van Willem van Genk voor zijn oeuvre, evenals zijn liefde voor muziek, zijn encyclopedische fascinaties en zijn kijk op architectuur verder [zijn] onderzocht.’ [3] Waar men vraagtekens kan zetten bij de diepgang van dit onderzoek, zijn in ieder geval de illustraties in het boek de moeite waard. Naast werken die al bekend waren uit de monografie uit 1998 plus enkele nieuwe tekeningen en schilderijen, bevat de uitgave zo’n dertig ‘knipsels, uit de bibliotheek van Willem van Genk’.

Knipsels - KOLN 002

Detail titelloos document (ca. 1950)

De eerste tekst in Willem van Genk bouwt zijn universum, van de hand van Patrick Allegaert en Bart Marius, is getiteld “KUNST REIZEN BOEKEN De reisbibliotheek van Willem van Genk in Museum Dr. Guislain Gent”. Delen van de inboedel van Van Genk, met name diens boekenverzameling, waren na de onttakeling van het appartement in de Harmelenstraat terechtgekomen bij Museum Dr. Guislain. De auteurs betogen dat ook deze bibliotheek kan worden gezien als een onderdeel van het kunstenaarschap van Van Genk. Zoals Robert Geilfuss echter aangeeft, ligt hier een probleem:

Although Allegaert and Marius argue for the exceptional import of van Genk’s library, claiming that “it is part of his artistic production,” they only show how van Genk used his library as source material, an image bank to draw on and transform in his drawings, paintings, and collages: “And herein lies the importance of his library,” they write. “The realism and accurateness of his work were made possible thanks to the visual memory bank to which van Genk had access in his books.” It is not uncommon, however, for artists to use books as source material. What is uncommon is to consider the source material part of the artistic production. [4]

Evenmin als de regenjassen is voor Geilfuss daarmee de bibliotheek onderdeel van het oeuvre van Van Genk – waarmee nadrukkelijk niet is gezegd dat beide zaken, jassen en boeken, niet belangrijk kunnen zijn bij het begrijpen en interpreteren van dat oeuvre.

De zogenoemde “knipsels” zijn in de praktijk een aantal tekeningen en documenten van verschillende omvang, vaak met een uitgeknipt gedeelte; een enkele keer vormt juist dat uitgeknipte deel zelf het knipsel. Door het ontbreken van formaten in de bijschriften is het onmogelijk een goed beeld te krijgen van de afmetingen. Ook de titels variëren, naast de generieke naam ‘knipsel’ komt eveneens ‘zonder titel’ voor of zelfs een daadwerkelijke naam (‘Geldersche tramwegen’), waarna de materiaaltypering ‘knipsel’ is. De toevoeging ‘uit de bibliotheek van Willem van Genk’ doet vermoeden dat de tekeningen zijn aangetroffen in of tussen de boeken van Van Genk, maar ook dit is onduidelijk.

De in- of uitgeknipte tekeningen zijn uiteraard van groot belang bij onderzoek naar het werk van Van Genk, waarbij een eerste stap zou kunnen zijn om vast te stellen of, waar en hoe een uitgeknipt gedeelte is gebruikt in een groter werk. Ten tijde van de samenstelling van Willem van Genk bouwt zijn universum leek hier nog weinig aandacht voor te zijn: het tondo dat hoorde bij de ronde lacune in een tekening die was afgedrukt op bladzijde 8, was enkele pagina’s eerder op zijn kop afgedrukt onder de inhoudsopgave. Vier jaar later werd in een vitrine in het Gemeentemuseum in Den Haag het verband tussen beide delen van dezelfde tekening wél gelegd.

Knipsels - GTW 002

GTW Geldersche Tramwegen | ca. 1950  | gemengde techniek op papier | 47 x 62 cm | Museum Dr. Guislain, Gent

De tekening GTW Geldersche tramwegen is in het boek twee keer afgebeeld, op de achterkant van het omslag en op bladzijde 34. Uit de tekening is een tondo geknipt dat eveneens in het boek te vinden is, zij het met moeite: op bladzijde 49 is het werk Urbanisme et Architecture (ca. 1965) te zien, waar Van Genk in het middendeel het uitgeknipte tondo heeft gebruikt. De associatie is duidelijk: het tondo bevat een schematische weergave van het openbaar-vervoernet in en rond Arnhem, de stad die ook het onderwerp vormt van het middendeel van Urbanisme et Architecture. [5]

Knipsels - GTW 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

Blijven we bij Urbanisme et Architecture, dan zien we in het linkerdeel van dat werk in uitgeknipte letters het woord KOLN staan. Waar dit linkerdeel vooral gewijd lijkt te zijn aan Stockholm, is ook Duitsland in het algemeen en Keulen in het bijzonder meerdere malen vertegenwoordigd. Naast de letters zien we onder meer afbeeldingen van de spitsen van de Keulse Dom tijdens onweer en een tondo met daarin de bovenleidingen van een Duitse spoorweg. [6] Een deel van het document waaruit de letters K O L N zijn geknipt, is afgedrukt op bladzijde 8 van Willem van Genk bouwt zijn universum. Het betreft een lijst met boeken over vooral Duitsland met de titel Plaatwerken land en volkerenkunde. De letters K O L N zijn geknipt uit het gedeelte over Duitsland, waardoor vorm en inhoud met elkaar in relatie staan.

Knipsels - KOLN 001

Detail Urbanisme et Architecture (ca. 1965) (foto: Marcel Köppen)

We stuiten hier op een principe dat Van Genk vaker toepaste: letters werden geknipt uit een door hemzelf opgesteld document dat informatie bevatte over het land of de stad waarop het door de letters gevormde woord betrekking had. Ook in Brooklyn Bridge (ca. 1970) is dit aanwijsbaar: de woorden USA (links aan de onderkant) en AMERICANO (midden onder) zijn opgebouwd uit letters die zijn geknipt uit documenten over de Verenigde Staten. In USA is aan de bovenkant leesbaar “Werken (Lektuur) der U.S.A.” en betreft het duidelijk een literatuurlijst. In het geval van AMERICANO gaat het om een document met topografische informatie, met aanduidingen als 42e straat, Riverside Park, Yosemitedal en Los Angeles. In het middendeel van Urbanisme et Architecture is het woord ARNHEM opgebouwd uit letters die geknipt zijn uit een document over de tram- of trolleylijnen in die stad: lijn 1 – Velp – Arnhem – Oosterbeek.

Knipsels - BB 001

Detail Brooklyn Bridge (ca. 1970) (foto: Frans Smolders)

Een laatste opmerking over Urbanisme et Architecture betreft een detail in het rechterdeel, waar Moskou centraal staat, met uiteraard ook verwijzingen naar 1 mei. Aan de bovenkant is een tondo aangebracht met een afbeelding van een 1 mei-optocht, waarbij de deelnemers zich echter niet in Moskou bevinden maar in Keulen: de teksten op de meegedragen borden zijn in het Duits, op de achtergrond is HOTEL KÖLNERHOF te zien. De tekening waaruit het tondo afkomstig is bevindt zich eveneens in Museum Dr. Guislain, kon ik in het najaar van 2018 vaststellen. Er valt daar nog veel te ontdekken.


NOTEN

[1] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 25.

[2] Van Berkum, “Een vogel boven de stad”, pp. 57-58. Als onderbouwing van de opvatting dat alle trolleybussen onderdeel vormen van de busstation-installatie, haalt Van Berkum in noot 44 een uitspraak aan die ze toeschrijft aan Nico van der Endt (ibid., p. 101). De geciteerde uitspraak is echter afkomstig van Caroline Satink, Van der Endt is deze mening juist níet toegedaan.

[3] Patrick Allegaert & Annemiek Cailliau / Ans van Berkum, “Woord vooraf”, in: Willem van Genk bouwt zijn universum, p. 4.

[4] Wikipedia, “Willem van Genk” (geraadpleegd op 4 mei 2020). Geilfuss schreef het lemma in 2014 aan de hand van Engelse teksten over Van Genk, tijdens een stage bij het American Folk Art Museum (e-mail van Robert Geilfuss aan Jack van der Weide, 10 oktober 2014).

[5] Een grotere afbeelding van Urbanisme et Architecture is te vinden in Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 62-63. Van Berkum in haar bespreking van dit werk: ‘Opvallend in dit werk is de plaats die Van Genk inruimt voor de stedelijke vervoerskanalen.’ (ibid., p. 63)

[6] Dat het om een Duitse spoorweg gaat wordt aangegeven door het logo DB en de tekst DIE DEUTSCHE BUNDESBAHN WÜNSCHT IHNEN EINE AANGENEHME REISE! De tekening waaruit dit tondo is geknipt, was eveneens in 2014 in het Gemeentemuseum in Den Haag te zien.

Zwakzinnigen nazorg (3)

Dit is het derde en laatste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier.

ZZN - detail 004

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg lijken de afbeeldingen in de twee onderste stroken van het werk het meest persoonlijk te zijn. De afbeelding in vlak 10, links naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een gevelrij met enkele huizen en een fabrieksgebouw. Tegen de huizen staat een handkar geleund, voor de fabriek komt een kar met twee paarden voorbij. Bovenop de fabriek staan de letters ZHB, aan de voorkant is graffiti aangebracht: CPN LIJST 6. Vlak boven de letters ZHB staat Heineke, in de rechter benedenhoek den Haag Sirtemastraat. Rechtsboven staan omlijnd de woorden Thans gesloopt, daarnaast “Schroeder [onleesbaar],  daaronder PSYCHIATRIE IN DE USSR.

ZZN - detail 005

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

De woorden Thans gesloopt hebben betrekking op het fabriekscomplex eronder, van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB). Het complex werd in 1881 in gebruik genomen, werd in 1974 gesloten en gesloopt, en grensde inderdaad voor een deel aan de Haagse Sirtemastraat, zoals expliciet aangegeven door de kunstenaar. Belangrijker binnen de autobiografie van Van Genk is echter het enigszins uitspringende pand náást het complex. Op deze plaats, Sirtemastraat 179, was de sociale werkplaats van de Vereniging Schroeder van der Kolk gevestigd, waar Van Genk vanaf het einde van de jaren veertig tot 1964 “arbeid voor onvolwaardigen” verrichtte. De tekst VOORMALIGE GEESTESZORG in het aangrenzende vlak 11, met een pijl naar vlak 10, bevestigt dit. Met die kennis ontstaat er een sterke relatie met de ZWAKZINNIGENNAZORG in het centrale vlak 1. Ook wordt een verband gelegd met nog een ander motief uit met name vlak 1, de verhouding tussen Nederland en de Sovjet-Unie, via de tekst PSYCHIATRIE IN DE USSR en zelfs de graffiti CPN LIJST 6.

De afbeelding in vlak 12, rechts naast de strook met paarse driehoeken onder het zelfportret, toont een vrouw naast een auto. Ze draagt een geel-rood-bruin geruite jas en heeft lang bruin haar. Vanaf haar oog loopt een stippellijn naar rechts, als om aan te geven dat ze ergens naar kijkt – haar rechterarm is geheven, mogelijk richt ze een pistool op iets of iemand. De rode auto heeft aan de bovenkant van de achterruit een Datsun-logo, op de kofferruimte staat DATSUN. Op de muur achter de auto staat in krullende letters Salon Amércain en TARIEF; links is een klein stukje van een kapperspaal te zien. Over de auto staat in blauwe letters BOUWEN  IN HET DERDE RIJK G. TROOST. [1] Enerzijds is er daarmee een verband met het motief van gebouwen en sloop, ook via het automerk Datsun – vgl. DATSUN CENTER op de nieuwbouw in de grote afbeelding rechts van het portret. Anderzijds kent de afbeelding een duidelijk autobiografische component in het lange haar van de vrouw en haar voorgenomen of juist afgelegde bezoek aan de kapsalon Salon Amér[i]cain, een expliciet verwijzing naar het haarfetisjisme van Van Genk.

Dat laatste element keert terug in de afbeelding in de onderste strook van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, waar een kapsalon te zien is met twee klanten wier haren worden gewassen door twee kapsters. In de ruimte ernaast zijn twee andere kapsters twee mannen aan het scheren. Op de ramen/muren staat HOOGKATHARIJNE, STATIONSKAPPER en 4711. Van Genk toont hier een voor hem uiterst opwindende (en dus zeer persoonlijke) scène, die ook in narratieve zin een voortzetting zou kunnen zijn van de afbeelding van de vrouw bij de Datsun: ze stapt uit de auto bij een kapper en laat daar haar haar wassen.

Rond het tafereel in de kapperszaak zijn drie tondo’s aangebracht die er inhoudelijk weinig verband mee lijken te hebben: de afbeeldingen links (kleiner) en rechts zijn vrijwel identiek en tonen een koetsier op de bok van een koets, met op de achtergrond een gebouw met een toren. [2] De koetsier draagt een zwarte jas, een hoge hoed en een bril. Het middelste tondo toont twee kussende vrouwen, waarschijnlijk op een vliegveld: boven hen staat de tekst KLM SCHIPHOL, ernaast LUFTHANSA, SOVIET AIR, EL AL air, POLSKI AIR en IBERIA. Zowel de koetsier als de kussende vrouwen (met lang haar) lijken een kledingstuk te dragen dat voor Van Genk eveneens een seksuele lading had, een lange plastic regenjas of raincoat.

Is de seksuele lading van sommige afbeeldingen in het onderste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg impliciet, de teksten zijn dat minder. MENSCH UND SEXUALIÄT DR. FRIEDRICH DAMASKOW staat links van het kleinste koetsier-tondo, met daaronder GAY-INT. [3] Ook andere teksten in dit deel van het werk verwijzen specifiek naar (homo)seksualiteit, vrijwel steeds in een Duitse context. Links naast het tondo met de kussende vrouwen staat RWV BERLINER SCHWULEN ’81 der ROSA WINKEL VERLAG, rechts onder andere PRINZ EISENHERZ en HIRSCHFELD. Respectievelijk gaat het daarbij om een Duitse uitgeverij en een boekhandel in Berlijn die voortkwamen uit de Duitse homobeweging, en een Duitse seksuoloog wiens werk onder meer gericht was op de emancipatie van homoseksuelen (Magnus Hirschfeld).

ZZN - homoseksualiteit

Middelste foto: in het appartement van Willem van Genk

Elders in Zelfportret – Zwakzinnigennazorg treffen we eveneens tekstuele verwijzingen naar homoseksualiteit aan. Het meest opvallend zijn uiteraard de prominente roze en paarse driehoeken in de zes rood-gele vlakken met voornamelijk tekst. Homoseksuelen als groep lijken door Van Genk te worden geschaard in het kamp van de onderdrukten, net als ‘onvolwaardige’ zwakzinnigen. Zijn verhouding tot homoseksualiteit was complex en komt onder meer naar voren in De grote naïeven (ca. 1975) en Pink Pronkjewail (ca. 1985). Na de deceptie van het communisme zocht Van Genk een andere groepering waar hij bij kon horen, en in combinatie met twijfels over zijn seksuele identiteit dacht hij die in de jaren zeventig en tachtig gevonden te hebben in de homobeweging. Op Zelfportret in De Ark staat te lezen “ARTISTIEKE” HOMOPHIEL IN DE ARK. Nico van der Endt, naar aanleiding van de tekst: ‘“Dus je bent homofiel”, vroeg ik Willem eens. “Nee nee, dat was een vergissing”.’ [4]

ZZN - signatuur

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is gesigneerd in het vlak met paarse driehoeken onder de centrale afbeelding.  Naast het logo met zijn naam, woonplaats en het jaartal 1975, is een plakbanddoosje met een stuk plakband afgebeeld: NITTO Plastic Tape Highest Quality. Willem van Genk toont zich in dit zelfportret een kunstenaar die gebukt gaat onder kwalificaties van onvolwaardigheid of zwakzinnigheid, die worstelt met zijn seksuele driften en twijfels, en die het Amerikaans/Japanse kapitalisme beschouwt als de boze macht achter de sloop van monumentale gebouwen. Tegen de macht van dat kapitalisme is hij echter niet opgewassen, hij is er zelfs van afhankelijk. De Nitto-tape is Made in Japan, de kunstenaar kan niet anders dan werken met het materiaal (tape, verf, lak, spijkertjes, boardplaten) dat hem wordt verstrekt door het grootkapitaal dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zijn stad. [5]


NOTEN

[1] Bouwen in het Derde Rijk is de Nederlandse vertaling van Das Bauen im Neuen Reich uit 1943 van kunsthistorica Gerdy Troost, echtgenote van nazi-architect Paul Troost.

[2] In het rechter, iets meer gedetailleerde tondo staan boven de koets de letters C.R.M.

[3] In de reeks Mensch und Sexualität van uitgeverij Wilhelm Heyne verscheen in 1972 als nummer 25 Fetischismus. Abart oder Stimulans van de Duitse seksuoloog Friedrich Damaskow. Mogelijk was dit één van de boeken die Van Genk leende van zijn psychiater Hans Grelinger. In de woorden van zuster Tiny in de documentaire Ver van huis: ‘En dat Wim … die heeft zijn probleem, hij heb een probleem … en dat heeft-ie in de boeken … die dokter, die psychiater die die eerst had, die is ook al een tijdje dood, en die begreep ‘m, en die gaf ‘m zíjn boeken, want Wim was ‘r zuinig op, en dan mocht-ie lezen of zijn probleem misschien in die boeken … dat-ie dat … dat het daarin stond, maar die dokter zei tegen mij: het bestaat, dat probleem, maar niet in de … hij heb ’t heel erg, hè? Zijn mensen die het hebben …  hairfetiïsme, hè? … die dat hebben, maar hij heb ’t heel erg.’

[4] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 105.

[5] Het LaM in Lille bezit een aantal documenten van Van Genk met aantekeningen van of voor zijn buitenlandse reizen. Een van deze documenten heeft betrekking op een bezoek aan Berlijn in de zomer van 1981 en vermeldt onder meer ‘Buchladen Prinz Eisenherz’ en ‘”Fetischismus” Abart oder Stimulans / Dr. Friedrich Damaskow’.

Zwakzinnigen nazorg (2)

Dit is het tweede deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2015 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg. Het eerste deel is hier te lezen.

ZZN - detail 001b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

In Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wordt het centrale portret van Willem van Genk geflankeerd door twee vlakken waarop de sloop van gebouwen is afgebeeld. Links (vlak 2) zien we een kerk die wordt afgebroken. [1] Uit de muren die nog overeind staan steken metalen spijlen, enkele glas-in-lood ramen lijken nog intact. Aan de linkerkant is de arm van een kraan met een sloopkogel te zien, op een muur bevinden zich vijf bouwvakkers in overall met hamers en houwelen. Op een schutting staat in witte letters AANN. BEDRIJF de WILDE B.V. met daaronder SLOOP, waarbij de twee O’s in een gezichtje met bril zijn verwerkt. Rechts staat op een schutting, eveneens in witte letters, HIER KO BEJAARD HUIS RK, daaronder in blauwe letters WANTED en daar weer onder in geel, groen en bruin van 8t. Naast de afbeelding staat in ballpoint: Monumentensloperij in Nederland; Wat stelt de zg Heemschut-serie in de praxis voor? Kunst voor wie? Afbeelding: de sloping der Haagse St Jozefkerk, armen wijk … [2]

De rechter afbeelding (vlak 3) toont eveneens een gebouw dat wordt afgebroken, met op de achtergrond het skelet van een nieuw gebouw. Naast het gebouw in afbraak staat een kraan op rupsbanden met een sloopkogel, met op de cabine de tekst MADE in USA. De kogel heeft een bres geslagen in het slooppand, één muurdeel lijkt om te vallen. In de graffiti op het gebouw is SLOOP ZIONISM en twee keer SLOOP te lezen. Het blauw skelet van het nieuwe gebouw draagt links de tekst Hier komt Louwman N.V., rechts DATSUN CENTER en daartussen enkele Oosters aandoende karakters met daaronder NISSAN. Boven DATSUN CENTER staat, moeilijk leesbaar, Parqui b.v. en E.V.N. Louwman & Brouine. De tekst in ballpoint naast de afbeelding: Haage huizen en gebouwen / 7 eeuwen bouwkunst in de hofstad … 7 eeuwen sloop en afbraak / het sanneeringsmonster Binnenhof …

In haar interpretatie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg wijst Ans van Berkum op het belangrijke motief van ‘de sloop en opbouw van zijn stad Den Haag; een activiteit die [Van Genk] meestal met scepsis beschouwt’. [3] Inderdaad had de kunstenaar grote moeite met de veranderingen in Den Haag, de stad waar hij vrijwel zijn gehele leven woonde. De ingevoegde tondo’s in de beschreven vlakken kunnen nader licht werpen op de context van die veranderingen in zijn werk. Aan de linkerkant beginnen we nog een stap eerder met de afbeelding in vlak 7. Ook hier is een kerk afgebeeld die wordt afgebroken, het uiteinde van een kraan met een sloopkogel komt boven het gebouw uit. Op de achtergrond zijn de contouren te zien van een bouwskelet, rechtsboven is een tekst toegevoegd: den Haag afbraak Regentessekerk 74, met eronder op last v. CRM.

De Regentessekerk was een hervormde kerk die aan het Regentesseplein in stond. De kerk werd tussen 1899 en 1901 gebouwd, sloot in het begin van de jaren zeventig haar deuren wegens teruglopend kerkbezoek en werd in 1974 gesloopt. De Sint-Josephkerk in het vlak eronder was een rooms-katholieke kerk in de Schilderswijk in Den Haag die tussen 1886 en 1888 werd gebouwd. Ook hier was teruglopend kerkbezoek er de oorzaak van dat de kerk in 1971 werd gesloten en in 1974-1975 gesloopt. Of het gebouw in vlak 3 eveneens de Sint-Josephkerk voorstelt, is onduidelijk, al wordt dit wel gesuggereerd door de symmetrie van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.

ZZN - Afbraak Jozefkerk

Ca. 1975, afbraak Sint-Josephkerk (foto: J.H. van As )

Het tondo linksboven in vlak toont de Sint-Josephkerk vóór de sloop – thans gesloopt staat in vage letters boven het dak van het middenschip. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in groene letters tegen een oranje achtergrond: OPENBAAR KUNSTBEZIT N.T.S. B.R.T. RADIO T.V. HAAGSCHE HUIZEN EN GEBOUWEN V.V.V. [onleesbaar] ABBONNEEER U OP [onleesbaar]. Rondom de buitenrand staat in gele letters eveneens een tekst: den HAAG en WIJ BOUWEND ’s GRAVENHAGE … IN BEELD RE [onleesbaar] V.V.V. [onleesbaar]. Vanuit dit tondo wijst een groene pijl naar de afbeelding eronder, opnieuw een tondo met de Sint-Josephkerk maar nu inclusief de arm van een kraan met een sloopkogel (opschrift: MADE IN USA) die een bres heeft geslagen in het dak van het middenschip. Rond het tondo staat in rode letters de tekst van STADVERNIEUWERIJ TOT STADVERNIELERIJ STICHTING: BEJAARDENHUIS REVALIDATIE … Een uitgaande groene pijl wijst naar de hoofdafbeelding in vlak 2, waar de sloop van de kerk in volle gang is.

ZZN - detail 002b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk verwijt landelijke en vooral lokale bestuurders dat zij monumenten slopen, zo lijkt het, met als voorbeeld de Sint-Josephkerk. Vanuit de hoofdafbeelding in vlak 2 loopt een pijl naar een derde tondo, waarin een tekenaar of architect aan het werk is. Op het vel papier voor hem staat een lijnenstructuur met daarboven de teksten AFD. SLOOPKERKEN ’74, BLUE PRINT ’75 en GEM. WERKEN. Boven hem hangt aan de muur een afbeelding van een halfnaakte vrouw met de teksten BROADWAY en show biz ness. Binnen de rand van het tondo staat een niet geheel leesbare tekst in blauwe letters tegen een witte achtergrond: van HOUTEN HAM tot BALLAST NEDAM RECONSTRUCTIEPLAN ’s GRAVENHAGE B.V. OPENBAAR KULTUURBEZIT ’74-75 STICHTING BEJAARDENHUIS A [onleesbaar]. Rondom de buitenrand, in gele letters: IN HET GOUDEN ATOOMTIJDPERK PANIEKRAPORT 034 CALCAR PRESTIGE OBJECTEN [onleesbaar].

Dat de kranen die de sloopwerkzaamheden uitvoeren het opschrift MADE IN USA krijgen, is de meest directe uiting van de opvatting (van Van Genk) dat het kapitalisme ten grondslag ligt aan de vermeende afbraakwoede van de gemeente. In dat opzicht is ook de ‘decadente’ afbeelding aan de muur van de tekenaar veelzeggend. Handlanger van de Verenigde Staten is in dit wereldbeeld Japan, meer in het bijzonder de Japanse auto-industrie. De afbeelding aan de rechterzijde van het centrale portret wordt nu duidelijker: een modern gebouw van Datsun/Nissan is in aanbouw vlak naast de plaats waar een monument wordt gesloopt. De namen Louwman en Parqui, Haagse importeurs van Japanse auto’s, zorgen voor de connectie met de gemeentepolitiek.

ZZN - detail 003b

Detail Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978)

Van Genk laat weinig misverstanden bestaan over relaties die er zouden zijn tussen verschillende, in zijn ogen abjecte praktijken. Hij schildert een groene pijl tussen de nieuwbouw van Datsun/Nissan en een tondo met zes Arabische mannen, die lachend een rund de keel doorsnijden. Aan de pijl voegt hij bovendien een stralende zak met een dollarteken toe – Amerikaans geld, het kapitalisme, is de oorzaak van alle kwaad. Aan de binnenrand van het tondo staat met rode letters tegen een gele achtergrond LEVE DE DIERENBESCHERMING MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR ’74. Rondom de buitenrand, in rode letter: WORLDRELIGIËNS DIE BIROBIDSJANER STERN DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME S.O.S. Dus: de auto-industrie is een symptoom van dat kapitalisme, het kapitalisme is een vorm van fascisme (MEIN KAMPF EEN LITERAIRE BESTSELLER), het kapitalisme heeft een verbond gesloten met de Arabische wereld (FLY TO MECCAH WITH MARTIN-AIR), de zwaksten van de samenleving – hier: dieren – zijn vooral het slachtoffer (LEVE DE DIERENBESCHERMING), het conflict in het Midden-Oosten is een strijd tussen kwaad en goed (DE RITUELE SCHOFTEN VAN HET MIDDEN OOSTEN CONTRA HET ZIONISME) en ook in de Sovjet-Unie woedt deze strijd, rond de Joods-autonome enclave Birobidzjan (DIE BIROBIDSJANER).

Met de twee andere tondo’s in vlak 3 wordt aangegeven dat er ook een relatie is tussen de auto-industrie en de Sovjet-Unie. Van Genk verwijst in het meest rechtse tondo naar Toljatti, een stad aan de Wolga die ook wel de ‘autohoofdstad van Rusland’ werd genoemd. De in Toljatti gevestigde fabriek AvtoVAZ, waar onder andere Lada’s werden geproduceerd, werkte sinds het begin van de jaren zeventig samen met Fiat. Kapitalisme en communisme zijn daarmee één pot nat (MULTINATIONALS AN DER WOLGA). Het andere tondo brengt vervolgens ook het communisme weer in verband met de afbraak van monumenten (ZERSTÖRT BERLINER STADTSCHLOSS DDR), evenals het fascisme (BEELD UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG DE VERNIETIGING VAN […] CENTRUM VAN WARSCHAU).

De houding ten opzichte van landen als Duitsland en de Sovjet-Unie is bij Van Genk een dubbele: ze schrikken af en trekken aan. Vijf van de zes vlakken in het bovenste deel van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bevatten steeds in tekst of beeld verwijzingen naar vliegtuigen of vliegreizen in combinatie met de reeds genoemde landen. Met name de Sovjet-Unie (of in bredere zin Oost-Europa) lijkt aantrekkingskracht uit te oefenen. Vanaf het midden van de jaren zestig, als hij zelf waarschijnlijk zijn eerste vliegreizen heeft gemaakt, is luchtvaart sterk vertegenwoordigd in het werk van Van Genk. Er is een nadrukkelijk verband met het autobiografische motief: de in vlak 1 prominent genoemde VERENIGING NEDERLAND USSR (VERNU) organiseerde reizen waarmee belangstellenden per vliegtuig de Sovjet-Unie konden bezoeken. Van Genk maakte hier veelvuldig gebruik van, ook nog nadat de communistische heilsstaat voor hem van haar voetstuk was gevallen.


NOTEN

[1] De nummers van de vlakken corresponderen met die in het schema uit het eerste deel van deze analyse.

[2] De Heemschutserie was een serie boekjes die tussen 1940 en 1954 verscheen. De verschillende delen gingen over specifieke steden of dorpen, dan wel aspecten van architectuur, volkskunst of landschap. In 1943 verscheen als deel 27 De historische schoonheid van ’s-Gravenhage, door Hendrik Enno van Gelder.

[3] Van Berkum e.a., Een getekende wereld, pp. 48-49.

Zwakzinnigen nazorg

SH190.tif

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg | ca. 1980 | gemengde techniek op hardboard | 94,5 x 105 cm | Stichting Collectie De Stadshof, Utrecht | foto: Han Boersma

Let op: onderstaande tekst is in 2020 geschreven. Informatie kan deels verouderd zijn.

Willem van Genk beeldde zichzelf meerdere malen af in zijn schilderijen, maar hij maakte in ieder geval twee werken die als zelfportretten te boek staan: Zelfportret in De Ark (ca. 1974) en Zelfportret – Zwakzinnigennazorg (ca. 1978). In de catalogus van de overzichtstentoonstelling bij Galerie De Ark in 1976 stond Zelfportret in De Ark prominent afgebeeld op pagina 2 – Van Genk maakte het werk naar aanleiding van onder meer een expositie die hij in 1974 in die galerie had. Zelfportret – Zwakzinnigennazorg kwam in de catalogus uit 1976 nog niet voor. Eind 1976 verhuisde Van Genk naar Galerie Hamer van Nico van der Endt. Van der Endt was ook degene die later de titel Zelfportret – Zwakzinnigennazorg bedacht: Van Genk zelf gaf zijn werken zelden titels, het was meestal aan galeriehouders of organisatoren van tentoonstellingen om die te verzinnen. Omdat het duidelijk om een zelfportret ging, met als meest in het oog springende woorden ZWAKZINNIGEN NAZORG, hoefde Van der Endt niet lang na te denken. [1]

Het werk was pas eind 1989 voor het eerst te zien zijn, als onderdeel van een tentoonstelling ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van galerie Hamer. In een uitgebreide recensie in NRC Handelsblad noemt Renée Steenbergen Van Genks zelfportret het ‘klapstuk van de expositie’:

Het grote paneel is een collage van talrijke kleinere voorstellingen […]. Zo ontstaat een overweldigende opeenhoping van taferelen die tezamen het ‘moderne leven’ aanduiden. In het midden is Van Genks zelfportret afgebeeld, met eronder de tekst ‘Zwakzinnigennazorg’ en erboven ‘Vereniging Nederland USSR’. Als ‘inzetje’ is er een mini-stilleven van pannen en vazen. Ook zijn er omkaderde, schijnbaar op zichzelf staande tafereeltjes als vier oliesjeiks rond een tafel, een opstijgend vliegtuig, een gotische kathedraal, een rij koetsen, gebouwen in aanbouw of juist rijp voor de sloop, en veel tekst. De woorden benadrukken de maatschappelijke gerichtheid van de geschilderde voorstellingen: ‘dierenbescherming’, ‘openbaar kunstbezit’, ‘Mein Kampf, een literaire bestseller’. [2]

Het zelfportret werd door een particulier aangekocht voor fl. 15.000, om in 1990 aan de Stichting Museum voor Naïeve Kunst te worden geschonken. [3]

Zelfportret – Zwakzinnigennazorg is symmetrisch opgebouwd en bestaat uit vijftien vlakken, elk met een afzonderlijke voorstelling. Binnen de vlakken zijn soms kleinere vlakken ingevoegd, wat het totale aantal voorstellingen op zevenentwintig brengt. Het centrale vlak 1, het daadwerkelijke zelfportret, bevat een ander schilderij (1a) en een tondo (1b). Links en rechts van het centrale vlak zijn twee verticale vlakken (2 en 3), elk met drie tondo’s (resp. 2a t/m 2c en 3a t/m 3c). Aan de bovenzijde van het werk bevinden zich twee horizontale stroken, elk verdeeld in een langwerpig middenstuk (5 en 8) met links en rechts een kleiner vlak (4 en 6 naast 5, 7 en 9 naast 8). Aan de onderzijde van het werk is de situatie vrijwel identiek: twee horizontale stroken, elk verdeeld in een langwerpig middenstuk (11 en 14) met links en rechts een kleiner vlak (10 en 12 naast 11, 13 en 15 naast 14). Het enige verschil met de bovenzijde is een viertal tondo’s (14a t/m 14d) in vlak 14.

Schema ZZN

Net als bij veel andere werken vanaf ca. 1965 bestaat Zelfportret – Zwakzinnigennazorg uit een aantal met olieverf beschilderde boardplaatjes die door middel van spijkertjes zijn samengevoegd. Het lattenframe waarop Van Genk zelf het geheel van boardplaatjes bevestigde, is eind jaren tachtig verwijderd door een lijstenmaker. In de plaats van het frame werd toen een zwarte plaat van multiplex achter de boardplaatjes aangebracht. [4] De voorste boardplaat bevat vlak 1. Vlakken 2 en 3 bevinden zich daarachter, elk op een eigen plaat. Weer een niveau verder terug zijn de platen met de vlakken 8 en 11, die op hun beurt weer hoger liggen dan de plaatjes met 7 en 9, en met 10 en 12. Op het diepste niveau bevinden zich aan de bovenkant een plaat met de vlakken 4, 5 en 6; en aan de onderkant een plaat met de vlakken 13, 14 en 15. Er is daarmee in totaal sprake van 11 boardplaatjes.

Naast olieverf is gebruik gemaakt van ballpoint, opgeplakte stukjes papier en lak. Met ballpoint zijn teksten aangebracht, vaak lastig leesbaar. De opgeplakte stukjes papier maken onderdeel uit van de afbeeldingen en zijn moeilijk als zodanig te herkennen. Lak is gebruikt om delen van de afbeeldingen te accentueren, zoals water, glas en metaal, maar ook bij voorbeeld het gezicht van de kunstenaar in vlak 1. De boardplaatjes zijn aan de randen, met name bij de hoeken, soms in lichte mate afgesleten. Hoewel de achterkant van het werk niet meer zichtbaar is, laten enigszins vergelijkbare werken zien dat de boardplaatjes soms vrij ruw zijn afgezaagd en dat de spijkertjes aan de achterkant krom zijn geslagen. [5] Aan de voorkant steken de spijkertjes hier en daar nog uit, zoals rechtsboven in vlak 11.

Inlijsting Grote Naïeven

Inlijsting De grote naïeven in 2009

Vlak 1 bevat het daadwerkelijke zelfportret van Van Genk in halfprofiel. Van Genk is gekleed in een bruin ribcord colbertjasje met daaronder een roodbruine pullover, een groengeruit overhemd en een oranje stropdas met rode en blauwe strepen. Hij draagt een bruine hoornen bril, zijn haar is achterovergekamd. Rechts achter hem bevindt zich een oudere, kale man die een oberskostuum lijk te dragen met een zwart jasje, wit overhemd en vlinderdasje. Hij tapt een kop koffie uit een groot koffieapparaat (MADE IN ITALY EXSPRESSO) en rookt een sigaret – de rookkringel vormt de tekst fifty fifty, de damp uit het koffieapparaat het woord erzatzt. Achter de twee personen hangen op een groen betegelde muur drie bordjes: op de rechterwand boven het koffieapparaat een reclame voor 7UP, op de achterwand een reclame voor Coca-Cola en een vergunning voor horecagelegenheden (VERLOF B alcoholvrije dranken). Links achter Van Genk hangt aan de muur een apparaat met de verticale tekst R O N S O N S E R V I C E. Daarnaast staan twee vlaggenstokken met de vlaggen van Nederland en de Sovjet-Unie. Een laatste onderdeel van de afbeelding vormt een witte banier boven de hoofden van de personen, met in zwarte letters de tekst VERENIGING NEDERLAND USSR ’75.

Aan de afbeelding is een aantal teksten toegevoegd. Vóór Van Genk bevindt zich een lichtgroen gearceerde, papieren strook met de tekst ZWAKZINNIGEN NAZORG. De strook is over de hoofdafbeelding geplakt. Half over de banier aan de bovenzijde staat in bruine letters de tekst ADOLF WARSCHAUER DEUTSCHE KULTURARBEIT IN DER. Daar weer boven staat in rode letters links NAÏVEN … en rechts … POSTER. In kleinere oranje letters staat daartussen NEDERLAND LET OP UW SAEK! Links en rechts naast die laatste tekst zijn twee halfronde papieren stroken in de afbeelding geplakt met, in rode letters tegen een lichtgroen gearceerde achtergrond, DIE POLITISCHE PLAKATE en VON KLAUS STAECK …. 471. Binnen de eerste strook staat in rode letters de tekst DUISBURGER SEZESSION, met in kleiner blauwe letters tussen de beide woorden HAMBURGERS. Binnen de tweede strook staat in rode letters DÜSSELDORFER AUSSTELLUNG. [6]

De eerste ingevoegde afbeelding (1a) betreft een schilderijtje met enkele voorwerpen op een bruin vlak tegen een lichtblauwe achtergrond. Het schilderijtje bevindt zich op een afzonderlijk stukje papier dat deels over de hoofdafbeelding, deels over de strook met ZWAKZINNIGEN NAZORG is geplakt. Op de lijst van het schilderijtje staat links onder Stilllife en rechtsonder P.A. Persoon (’69). Linksboven staat tegen de blauwe achtergrond KULTURAH. De tweede ingevoegde afbeelding (1b) is een tondo met een zaal, mogelijk een synagoge of theaterzaal, met publiek en met op de achtergrond de vlag van Israël. Om de blauwgroene rand van het tondo staat in dezelfde kleur een onleesbare tekst.

ZZN boeken

Een aantal motieven van het werk wordt in dit centrale vlak neergezet. Boven alles geeft de voorstelling aan dat het hier om Willem van Genk zélf gaat – de persoon van de kunstenaar staat in meerdere opzichten op de voorgrond. De setting van het eigenlijke zelfportret lijkt die van een horecagelegenheid te zijn, gezien de frisdrankreclames, het koffieapparaat, de kleding van de man achter Van Genk en natuurlijk het vergunningsbordje. In de verschillende opschriften wordt verwezen naar met name kunst, politiek en het buitenland, in het bijzonder Duitsland en de Sovjet-Unie. Het ingevoegde stilleven van P.A. Persoon – Van Genks zwager Peter Persoon, de echtgenoot van zijn zuster Addy [7] – past bij het kunstmotief, de functie van het tondo met de Israëlische vlag blijft vooralsnog onduidelijk.

Dit is het eerste deel van een tekst die gebaseerd is op een analyse die ik in 2016 schreef voor Stichting Collectie De Stadshof van Zelfportret – Zwakzinnigennazorg.


NOTEN

[1] Mededeling Nico van der Endt.

[2] Renée Steenbergen, “Outsiders”, in: NRC Handelsblad Cultureel Supplement, 22 december 1989.

[3] Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, p. 63.

[4] Informatie over werkwijze en geschiedenis afkomstig van Nico van der Endt.

[5] In februari 2016 werd een drietal werken van Stichting Collectie De Stadshof opnieuw ingelijst. Tijdens dit proces was het mogelijk om onder meer de achterkanten van de werken in detail te bestuderen. Het ging om Zelfportret – Zwakzinnigennazorg, Het project Asbery – Havanna (ca. 1970-1980) en Vallei de los Caydos (1986). Daarnaast is de inlijsting van De grote naïeven (ca. 1975) gefotografeerd, dat in 2009 van een vergelijkbare achterplaat werd voorzien.

[6] De DUISBURGER SEZESSION was (en is) een Duitse groep kunstenaars, waarvan een groot aantal leden een opleiding aan de kunstacademie in Düsseldorf had gevolgd. DIE POLITISCHE PLAKATE VON KLAUS STAECK … 471 heeft betrekking op de discussie rond Duitse kunstenaar Klaus Staeck, wiens politieke prenten en posters in het midden van de jaren zeventig aanleiding waren tot in de media breed uitgemeten controverses. 471 is het nummer van de postbus van Staeck in Heidelberg, tevens het adres van zijn uitgeverij. Staeck was een van de initiatiefnemers van de kunstbeurs IKI in Düsseldorf, waar in 1974 werk van Van Genk werd getoond.

[7] Het afgebeelde werk bevond zich in de woonkamer van Van Genk (Van Berkum e.a., Een getekende wereld, p. 49). Het werk is inderdaad te zien in de documentaire Ver van huis.